Info over dit verslag

Geschreven door:

Lien

Kwaliteit:

Waardering:

Taal:

Nederlands

Woorden:

2149

Opvragingen:

30

Hulpmiddeltjes

Openen in tekstverwerker Openen in tekstverwerker

Printen Printen

Emailen Emailen

Waardering

Gemiddelde waardering: 3 uit 5 (2 stemmen)

Heb je er iets aan gehad? Geef zelf je waardering:
Erg goed bruikbaar
Goed bruikbaar
Bruikbaar
Een beetje bruikbaar
Niks aan gehad

Titels van Hatice

Laatst gewijzigd op 21 april 2008

Dagboek van een dapper meisje

Wanneer Hatice ’s morgens van de trap komt, voelt ze zich heel moe. Als ze met de fiets toekwam op school voelt ze zich weer al zo moe. Iedereen heeft dit toch, denkt ze zelf. Als ze gaat zitten op de speelplaats komt haar buurmeisje, Veerle, naast haar zitten. Ze verteld over Dewi. Dewi is heel erg ziek en gaat waarschijnlijk dood. Ik vraag wat ze heeft. De dokters weten het niet juist verteld ze. Zelf ken ik Dewi niet maar ik zit heel erg met haar in. Even later komen mijn vriendinnen er ook bij en ze zeggen dat ik er heel moe uitzie. Ik zeg dat ik gisteren veel heb gevoetbald en dat ik daardoor zo moe ben. Het derde lesuur hebben we studie. Veerle heeft ook studie, ze komt bij mij zitten en toont Dewi aan. Dewi ziet er heel bleek uit. Even later komt Dewi naar ons en vraagt: ‘’ Hé, jij bent toch dat meisje dat heel goed kan voetballen?’’ Ik lach. Ik weet niet of ik echt goed ben… Anderen zeggen van wel. Hoe komt dat ik je nooit buiten zie? Ik moet hard studeren, anders zak ik zeker. Vooral omdat ik ook veel lessen mis. Als ik vraag waarom ze zoveel lessen mist, haalt ze haar schouders op, gewoon .. Niks bijzonders… Het is vandaag woensdag, dan ga ik meestal voetballen. Ik loop naar het voetbalveld. De jongens zijn al bezig. Ik speel meteen mee. Na anderhalf uur ben ik echt moe! Ik neem afscheid en ga naar huis. Bij het eten vertel ik over Dewi. Papa begint meteen aan Dewi haar ouders te denken, het moet een verschrikkelijke tijd zijn voor hun. Ik denk gelijk aan mijn ouders.. Hoe zouden zij reageren als ik heel erg ziek zou zijn? Of als ik dood zou gaan? Ze zouden er alvast heel anders bijzitten dan nu. Aangekomen op school zoek ik naar Karin, een vriendinnetje van Dewi. Ik vind Karin maar Dewi is er jammer genoeg niet bij. Ze is er vandaag niet zegt Karin. Ze moest gisteren met spoed worden opgenomen. Ik schrik. Wat is er gebeurd? vraag ik. Karin mompelt iets over een linker been dat niet meer wilt lopen. Over spieren dat niet meer willen werken. Eindelijk zomervakantie! Over twee dagen vertrek ik naar Turkije bij mijn familie. Deze twee dagen komt Anja, mijn vriendin, bij me slapen. We gaan films kijken. Na de films praten we een beetje maar we vallen meteen in slaap. We zijn alweer twee van de zes weken in Turkije. Mijn nichtje uit Duitsland is hier ook op vakantie. Als ik ’s morgens wakker word vraag ik aan mijn moeder wat ik op mijn rug heb. Het is een dikke plek, in alle kleuren van de regenboog. Ze denkt dat ik door een of andere mug of vlieg ben gestoken. Niets gevaarlijks. Ineens krijg ik verschrikkelijke buikpijn! Ik ren naar de toilet. Mijn moeder vraagt of ik mee ga naar mijn tante iets verderop, maar ik voel me niet goed en ga dus niet mee. Ik blijf bij mijn nichtje en ga daar op bed liggen. De dagen gaan hier snel voorbij, over twee weken gaan we alweer terug naar huis. Ik heb weinig gedaan en veel op mijn bed gelegen. Mijn broertje Ersin vraagt of ik mee ga voetballen. Ik wil niet. Dat vindt hij stom, want hij verveelt zich. Morgen misschien, zeg ik. Ik voel me zo moe en ga slapen. Ersin is boos. Normaal zeg je nooit nee als ik met je wil gaan voetballen. Deze vakantie ben je de hele tijd moe. Wat is er toch met je aan de hand? vraagt hij. Hij heeft helemaal gelijk. Ik heb altijd zin in voetbal, maar ik heb er nu echt helemaal geen puf meer voor. Ik weet niet wat het is. Na de lange rit rijdt vader eindelijk onze straat in. De volgende middag staat Anja al voor de deur. We lopen meteen naar mijn kamer. Ze vraagt hoe mijn vakantie was. Het was leuk maar ik was ziek. Ik heb eigenlijk meer in mijn bed gelegen dan leuke dingen gedaan. Vandaag ga ik naar de dokter. Ik leg hem uit dat ik de laatste tijd zo verschrikkelijk snel moe ben, vaak duizelig ben en pijn heb. Hij denkt dat de duizeligheid van te snelle bewegingen komt en de rest kan stress zijn. Het kan natuurlijk ook griep zijn zegt de dokter. Op weg naar huis wordt ik weer duizelig. Thuis vraagt mijn moeder of hij bloed heeft geprikt. Ze wordt boos. Hoe kan hij dan zien dat er niets mis is? Zegt ze. We gaan allemaal slapen. Om zeven uur maakt mijn zusje mij wakker. Onze auto is gestolen. Die dag op school hadden we L.O.. we deden voetbal. Anja speelt de bal naar mij. Ik zet aan voor een dribbel maar val. Ik sta weer op, maar even later lig ik weer. Het gaat niet. Anja komt bezorgd naar me toe, ik mag van de meester aan de kant gaan zitten. Eigenlijk wil ik dat niet , maar zo voetballen heeft geen zin. ’s Avonds ga ik naar de dokter. Ik vertel het probleem helemaal opnieuw en hij zegt weer dat het oververmoeidheid kan zijn. Ik vertel het verhaal aan mijn moeder , die zich er weer een beetje kwaad over maakt. De volgende dag is het Gezondheid En Zorg op school. Als ik aan de beurt ben, vertel ik over mijn problemen met mijn gezondheid. De vrouw die naar me luistert, schrijft een brief voor mijn huisarts met het verzoek verder onderzoek te doen. Na het school ga ik meteen de brief afgeven aan de assistente van de huisarts. Ik vertel mijn moeder over de Gezondheid En Zorg en de brief. De volgende dag krijg ik een brief van de dokter, die me voor bloedonderzoek doorwijst naar het ziekenhuis. Eindelijk, zegt mijn moeder. Een dag later is het al zover. Het prikje deed helemaal geen pijn. De volgende dag fietsen ik en Anja samen naar school. Dewi staat daar. Ik loop naar haar toe en praat een beetje. Thuis ga ik met men moeder naar de dokter om de uitslag van het bloedonderzoek te vragen. Hij zegt dat mijn bloed er slecht uit ziet voor een meisje van zestien jaar. De dokter wil de uitslag nog eens goed bestuderen en belooft me snel beter te informeren. Na het telefoontje van de dokter ga ik meteen naar daar. De dokter kijkt me ernstig aan en vraagt hoe het gaat. ‘’Slecht’’, antwoord ik. Je bloeddruk is veel te hoog. Hij moet me doorwijzen naar een specialist in Venlo, die me er meer kan over vertellen. Ik vraag wat ik dan juist heb. Dat weten we niet. Daarom heb ik twee dagen later een afspraak in Venlo. Ik meld me en ga naast mijn vader zitten. Als we binnen gaan vraagt de dokter hoe het met me gaat. ‘’Slecht”, zeg ik. Dat kun je ook wel zien aan de uitslagen van het bloed, zegt hij. Zeker voor een jong meisje zoals jij. We doen een paar testjes zoals over een recht lijntje lopen, op één been staan. Hij vraagt wat er de afgelopen tijd voor me veranderd is. Ik vertel hem over het voetbal, het traplopen, het fietsen. Hij weet voor dit moment genoeg, zegt hij. Ik moet weer bloed laten trekken en we maken een volgende afspraak. De volgende morgen zie ik Dewi zitten. Samen met Anja loop ik ernaartoe. Anja vraagt hoe het met haar gaat. Niet zo goed. Ik ga steeds verder achteruit. Mijn benen willen niet meer en ik heb de laatste tijd totaal geen kracht meer. Ik weet het niet meer, zegt ze. Ik vraag of ze, toen haar ziekte openbaarde, ook vaak bloed moest laten prikken. Elke dag, antwoord ze. We reden elke dag naar het ziekenhuis voor een prikje. Dat hoeft nu niet meer, zegt ze. Het heeft geen zin meer. De dokters kunnen mij niet meer helpen. Zelfs de beste niet. Anja vraagt wat er nu verder gebeurt. Wordt je nog beter? Nee, zegt Dewi verdrietig. Ik wordt niet meer beter. Ik zal nooit te weten komen hoe het voelt gezond te zijn. Ik voel met haar mee. Ze is haar hele leven ziek geweest. Zelfs één dagje gezond zijn, heeft zij nooit meegemaakt. Ik weet hoe je je voelt zeg ik. Nee, Hatice… Mensen zeggen dat zo vaak maar niemand weet hoe het voelt als je weet dat je nooit meer beter wordt. Ik heb volgens de dokters niet lang meer. Van deze woorden schrikken Anja en ik heel erg. Voor de schoolpoort zijn ik en een paar vrienden aan het babbelen. Ik zie Dewi fietsen. Als ze vlakbij is, valt ze. We rennen met zen allen naar haar toe om haar te helpen. Een leerkracht belt de vader van Dewi, die haar komt ophalen. Hij kijkt Dewi bezorgd aan. Ze vertelt dat ze wilde fietsen maar dat haar benen weigerden. We zien Dewi een week lang niet op school. Ik maak me zorgen. Van Linda horen we dat ze in het ziekenhuis ligt. We spreken af na school met zijn drieën langs te gaan. Bij de receptie vragen we waar we Dewi kunnen vinden. Op de intensive care. We kijken elkaar aan. Als we Dewi zien liggen met al die apparaten om haar heen word ik een beetje misselijk. Ze ziet er zo wit uit. Ze kan niet met ons praten omdat ze een buisje in haar mond heeft. Dit is niet de Dewi dat wij kennen, dit is een heel ander mens! We kunnen er niet langer tegen en gaan weg . Tijdens onze fietstocht vertellen we over hoe snel een mens verandert. Linda verteld dat ze weet wat Intensive care is, daar lig je alleen als je bent geopereerd of als je niet meer te redden bent. Anja vraagt wat ze daarmee bedoelt. Dat Dewi daar niet meer uit komt, zegt Linda. Ze ligt daar maar op de dood te wachten. En als dat te lang duurt, dan beslissen haar ouders of de stekker eruit gehaald moet worden. We spreken af dat we morgen weer naar het ziekenhuis toegaan. De volgende dag ziet Dewi er nog slechter uit dan voordien. Ze kon haar ogen niet meer openhouden, haar lichaam trilde en ze kreeg soms geen lucht meer. Ze beslissen snel wanneer ze de stekker er gaan uithalen. Toen Dewi ons zag, kreeg ze tranen in haar ogen twee weken later ga ik met Linda en Anja naar de begraafplaats waar Dewi al twee weken ligt. Vandaag ga ik niet naar school maar moet ik naar het Radboud Ziekenhuis in Nijmegen. De verpleegster zegt dat ik moet opgenomen worden, en liefst vandaag al. Ze heeft een bed voor me geregeld. Er moeten nog een aantal onderzoeken worden gedaan. Na een maand in het ziekenhuis ben ik eindelijk weer thuis. Mijn dokter zei dat het misschien met die beet in mijn rug van in Turkije heeft te maken. Ik heb weer een afspraak in Nijmegen. We hebben een gesprek met de dokter die zegt dat ik meteen moet worden opgenomen. Die dag word ik onderzocht en krijg weer een paar prikjes. De neuroloog roept me binnen. Hij zegt dat ik er goed uitzie en vind dat ik terug naar school moet gaan maar naar een speciale school voor gehandicapte mensen. Ik weet het niet. Ik zie mezelf niet zo’n hele dag tussen gehandicapte, zieke jongeren. Je kunt het toch altijd proberen, Hatice, zegt de dokter. Ik heb besloten het te doen. Een paar dagen later ligt er al een brief op de mat van die school in Werkenrode. Ik vul het formulier in en stuur het terug. Vandaag ga ik rondkijken op Werkenrode, waar ik volgende week naar school ga. De directeur verteld over de school en dan gaan we terug naar huis. Mijn eerste schooldag op mijn nieuwe school was een ramp. Ik kwam binnen en zag een meisje zonder benen . Ik zei tegen mijn broer: ik heb beloofd het hier te proberen maar over een maandje ben ik hier weg. Inmiddels zit ze hier ruim drie jaar. Toen opeens het ziekenhuis belde en vroeg om onmiddellijk naar daar te gaan, kreeg ik ontzettend veel schrik. De dokter kwam ons halen in de wachtkamer. Hij zegt dat ze de verkeerde diagnose hebben gesteld. We dachten vijf jaar lang dat je de polymyositis had, maar dat is het niet. Je hebt een ander soort spierziekte: limb-girdle spierdystrofie. Dat is ook een progressieve spierziekte. Ik vraag hoe ze er zijn achter gekomen. Via je zus, antwoord hij. Het kan zijn dat je ouders de dragers zijn.
Hatice had zelf zo graag willen lezen hoe leeftijd- en lotgenoten zich voelden. Maar er was op dat gebied niets te vinden. Ze hoopt dat dit boek anderen kan helpen.

Belangrijk!
De verslagen op Scholieren.com zijn bedoeld als naslagwerk. Lever nooit verslagen van internet zomaar bij je leraar in. Je bent zelf verantwoordelijk voor de gevolgen van dit soort fraude.

Wij krijgen de verslagen van scholieren. Hierdoor kan het gebeuren dat er foute informatie online staat. Gebruik geschiedt dus op eigen risico. Kom je een fout tegen? Laat het ons weten.