Boekverslag Jeroen Brouwers

Bezonken rood

... 20 21 22 23 24 [25] 26 27 28 29 30 ...

Info over dit verslag

Geschreven door:

Eliza [meer]

Niveau:

6VWO

Kwaliteit:

Taal:

Nederlands

Woorden:

2047

Opvragingen:

0

Hulpmiddeltjes

Openen in tekstverwerker Openen in tekstverwerker

Printen Printen

Emailen Emailen

Waardering

Heb je er iets aan gehad? Geef zelf je waardering:
Erg goed bruikbaar
Goed bruikbaar
Bruikbaar
Een beetje bruikbaar
Niks aan gehad

Titels van Jeroen Brouwers

Laatst gewijzigd op 31 januari 2008

Titel: Bezonken rood
Auteur: Jeroen Brouwers
Uitgeverij: De Arbeiderspers
Plaats van uitgave: Amsterdam
Aantal bladzijden: 129 bladzijden
Jaar van eerste druk: 1981
Genre: autobiografische psychologische roman

Eerste reactie
Ik heb het boek niet zelf uitgekozen, ik kreeg het toevallig aangeboden terwijl ik met een vriendin op vakantie was. Ik had mijn eigen boek al uit en had nog 2 dagen om dit boekje te lezen. Aangezien het niet veel bladzijdes had en het ook nog eens voor de lijst meetelde ben ik het maar gaan lezen. Het boek is wel heel diepgaand, het vertelt over de relatie tussen moeder en zoon.

Belangrijke hoofdfiguren
Jeroen: Een man die uiterlijk heel neutraal en sterk overkomt, maar vanbinnen doodsbang is en niet weet wat hij met zijn leven aanmoet.

Liza: Hiermee heeft Jeroen een korte relatie gehad. De gevoelens van verliefdheid voor Liza vallen samen met de rouwgevoelens om zijn moeder. Aan de ene kant wil hij de gevoelens wegstoppen – ‘bezinken’. Aan de andere kant merkt hij dat de gevoelens echt wat voor hem betekenen. Liza doet mij denken aan de Heilige maagd Maria. Liza heeft vaak blauwe kleding aan, de kleur van Maria. Tevens loopt Liza mee in een Maria-processie. Maria heeft de bijnaam Troosteres der bedroefden en Eerwaardige maagd. Liza probeert de ik-figuur te troosten tijdens hun ontmoetingen, en als Liza met de ik-figuur gaat vrijen, is ze nog maagd. Tijdens het vrijen spreken ze over de Toren van David en Ivoren Toren, wat met de Bijbel te maken heeft.

De moeder van Jeroen: Komt over als een sterke, rustige vrouw. Sprak haar zoon niet meer, nadat ze was mishandeld door de kampcommandant en haar zoon achterliet.
Ze leed aan de ziekte van Parkison. Ze was volgens haar zoon, de hoofdpersoon, de mooiste vrouw op de wereld. Maar nadat ze in elkaar was geschopt door Sone, de hoofdcommandant, hield haar zoon op van haar te houden.

Titelbespreking
Bezonken rood, staat voor al het bloed dat tijdens het kamp vloeide.
Voor de rode stip in de vlag van Japan, zowel Japan als Jeroen probeerde dit te verstoppen, dus te laten bezinken. De ondergaande zon die vaak wordt beschreven uit het gezichtspunt van de kleine jongen in het kamp. De zon werd vaak door de Japanners gebruikt om de vrouwen te martelen. Bezonken rood zou ook kunnen staan voor alle woede en pijn die in Jeroen zit/zat tijdens het kamp dat hij wel moest laten bezinken omdat het hem anders zijn leven kon kosten.

Het rood is van de zon. Bezonken Rood is onderdeel van een triologie. De andere twee boeken heten: Zonsondergang bij zee en Het verzonkene. Het rood komt ook van de rode bol in de Japanse vlag. Natuurlijk staat het rood ook voor bloed. Ook staat er een keer in het boek: 'een rode waas voor mijn ogen'. Het verzonkene komt van dat hij wil wegzinken, verdwijnen. Hij gebruikt voor dat wegzinken ook pillen. Ook staat er zon in het woord verzonkene, zoals in de twee andere titels van de triologie zon voorkomt.

Thema
Meerdere thema’s zijn hier mogelijk:
De dood- vele familieleden zoals zijn zus en grootmoeder en vrienden om hem heen zijn in het jappenkamp omgekomen, uiteindelijk ook zijn moeder.
Liefde-hij zoekt naar een moederfiguur die hem liefde en bescherming geeft.
En de angst om deze moederfiguur kwijt te raken.
Oorlog-Ze zijn gevangen genomen tijdens de Japanse bezetting in het Tjideng-kamp (1943-1945)

'Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt.'

Samenvatting
De hoofdpersoon in het verhaal is Jeroen Brouwers. Zijn moeder is eind januari 1981 gestorven. Hij heeft haar nooit opgezocht in het bejaardentehuis. Het overlijden van zijn moeder is hem ’s ochtends telefonisch bericht. Hij was niet aanwezig op de crematie.

De hoofdpersoon lijdt aan plotselinge aanvallen, waarbij hij krankzinnig van angst wordt. De ‘angst- en emotiedempers’ die hij er tegen slikt, maken hem rustig en onverschillig, denken wordt onmogelijk en er treedt een vervreemding op van zichzelf.
Toen hij een tamelijk onevenwichtig leven leidde, zes à zeven jaar geleden, heeft hij Liza ontmoet. Hij is slechts drie dagen in haar gezelschap geweest. Toch is ze zeer belangrijk in zijn leven. Dit komt doordat hij een moederfiguur in haar ziet. Na deze korte relatie is hij getrouwd met een andere vrouw. Ze schonk hem een kind. Na de dood van zijn moeder moet hij zowel aan haar als aan Liza denken, in dezelfde hoeveelheid van liefde als van afkeer (hartstochtelijk en onhartstochtelijk). ‘Ik voel niets en ik wil niets voelen.’

Brouwers heeft samen met zijn grootmoeder, moeder en zus in het Jappenkamp Tjideng gezeten, waar Kenitji Sone de commandant was. Jeroen woonde er van zijn derde tot en met zijn vijfde leefjaar. Hij bezit niets in het kamp behalve de helm die van zijn grootvader is geweest.
De ellende van het kamp is voor hem pas later realiteit geworden. Destijds heeft hij, als ‘egoïstische levenslustige kleuter’, helemaal niet geleden. Zo heeft hij geen slechte herinnering aan de psychologische foltering. Deze bestond eruit dat, van tijd tot tijd alle jongetjes afscheid van hun moeder moesten nemen omdat ze werden opgehaald met onbekende bestemming, waarna ze soms dagenlang wegbleven.
Nadat de moeder van Brouwers, door Sone persoonlijk, tot bloedens toe in het kruis is getrapt, zegt Jeroen het volgende: ‘Geboekstaafd is: “Mijn moeder was de mooiste moeder, op dat moment hield ik op van haar te houden”.’ En hij denkt: ‘nu wil ik een ander want deze is kapot’, zoals hij later, bij de geboorte van zijn dochtertje denkt: ‘nu wil ik een andere vrouw.’ Dit laatste wou hij, omdat hij vindt dat het krijgen van een kind een schending is.

Voor Jeroen was de tijd na de oorlog pas traumatisch. Zijn moeder laat hem achter in een pensionaat. Ze heeft hem verraden, zo voelt Jeroen het. Bij de afscheidszoen valt de voile van zijn moeder voor zijn lippen. “Dit ‘voorval’ is tekenend voor de rest van mijn leven: wij kussen elkaar door een traliewerk van spinnenweb”. Hij stelt zich enkele keren voor wat zijn moeder en hijzelf gedaan hebben op het moment dat ze overleed. Zo beschrijft hij uitvoerig wat er te zien was op de televisie.

Toen hij nog kampbewoner was, is zijn grootmoeder overleden. Vele kampbewoners overleden, maar hij had geen enkele gevoelens, zelfs niet toen zijn kampvriendjes overleden.

Tijdens de crematie, wil hij uit het boekje lezen waarmee zijn moeder hem heeft leren lezen. Het heet Daantje gaat op reis, van L. Roggeveen. Maar door het vele verhuizen is hij het kwijtgeraakt.

Zodoende gaat hij die middag rondrijden in zijn auto. Hij verlangt naar Liza. Hij belandt letterlijk en figuurlijk in mist, en verdwaald. Uiteindelijk stapt hij uit zijn auto en begint hij te lopen door het bos. Hij komt aan bij een zwart meer. Hier denkt hij aan zijn overleden moeder. Tevens denkt hij terug aan het kamp. Hij wilde zijn moeder wel verzorgen, maar hij kon niets meer voor haar doen, dan voorlezen uit het boek Daantje. Nu zijn moeder dood is, hoopt hij dat Liza verschijnt.
Brouwers rijdt terug naar huis en ‘ik ben aan mijn werktafel gaan zitten om zogenaamd onaangeraakt, onaangedaan, onverstoord, het werk aan mijn boek over zelfmoord in de Nederlandstalige literatuur, dat ik onder handen had, te hervatten’. Het wil echter niet vlotten. Hij begint te drinken. Hoe meer hij drinkt, hoe minder hij trilt....

Structuur
Het verhaal is geheel in het ik-perspectief verteld, natuurlijk ook omdat het boek autobiografisch is. Dit heeft als gevolg dat het gehele verhaal nog schokkender en realistischer overkomt
Het verhaal speelt zich voornamelijk af op drie plaatsen. Deze zijn, het kamp Tjideng te Batavia op Java, het stadje waar Liza woont, en in de woning van de ik-figuur. Deze woning staat te Exel in de Achterhoek.

Tjideng was een vrouwenkamp, waar ook jongetjes tot tien jaar zaten. Het kamp was een speciaal ingerichte wijk. Er was veel te weinig ruimte voor de mensen. Men leefde met tientallen mensen in een huis. Het stadje x, is de plaats waar de ik-figuur Liza heeft ontmoet. Liza woont in een appartement boven een klokkenwinkel. Het huis van de ik-figuur, te Exel, is omgeven door mist. Verder wordt er hierover weinig verteld.

Opvallende ruimte:
Er komt opvallend veel mist voor in het boek. Deze mist symboliseert de verwarring en het isolement van de geest van de ik-figuur. De mist duidt ook op de onduidelijke relatie die hij met zijn moeder heeft. Op het einde wordt de mist door de wind (is leven) verdreven.

Tijd:
Er wordt in grote hoeveelheid gesproken over het vrouwenkamp. De ik-figuur zat daar opgesloten van ’43-’45.
Het moment waarop het boek wordt geschreven is het moment waarop de moeder van de hoofdpersoon overlijdt. Dit is aan het begin van 1981. Als er wordt verteld over Liza in haar stad, is dit ongeveer zes of zeven jaar voor het gebeuren rond de woning van de ik-figuur, rond 1974.

De vertelde tijd is ongeveer veertig jaar, 1943 tot 1981. Deze tijd wordt niet in chronologische volgorde verteld. Er zijn vele flashbacks naar het vrouwenkamp. Tevens zijn er enkele flashbacks naar de tijd die hij doorbrengt met Liza. De tijdssprongen tussen de verschillende delen zijn zeer groot, ongeveer veertig jaar.

Beoordeling
Goed boek, eng om te lezen wat die vrouwen allemaal is overkomen. Heel diepgaand erg treurig als je dit zo moet hebben meegemaakt. Mooi dat hij het heeft opgeschreven en het niet meer hoeft te lezen, het dus in feite afsluit voor zichzelf.

Plaats in de literatuurgeschiedenis
Jeroen Brouwers is op 30 april 1940 geboren te Batavia, de hoofdstad van de toenmalige Nederlandse kolonie Oost-Indië (thans Djakarta, Indonesië). Zijn vader, Jacques Brouwers, was boekhouder bij een architectenbureau in Batavia, zijn moeder Henriëtte van Maarsen, was de dochter van de componist, violist en dirigent Leo van Maaren. Door de Japanse bezetting werd Jeroen gescheiden van zijn vader en samen met zijn moeder en zus opgesloten in het Tjideng-kamp (1943-1945). Na de oorlog volgde de hereniging en in 1948 de repatriëring. Als tienjarige kwam Jeroen terecht in een internaat te Zeist, St. Josef van de Fraters van Utrecht. Zijn middelbare studies begon hij in het jongenspensionaat Sint-Maria ter Engelen te Bleijerheide, maar hij voltooide zijn opleiding niet. Van 1959 tot 1961 vulde hij zijn militaire dienst bij de Marine Inlichtingendienst, waarna hij als journalist aan de kost kwam. Eerst werkte hij anderhalf jaar bij De Gelderlander, daarna even lang bij Romance (het latere Avenue). In 1964 trouwde hij en werd hij secretaris van uitgeefster Angèle Manteau. Met zijn vrouw en twee zonen ging hij in Brussel wonen. Hoewel hij opklom tot redacteur en tenslotte tot hoofdredacteur, vond hij het herschrijfwerk waarmee hij belast werd beschamend. Bovendien kwam hij herhaaldelijk in conflict met Angèle Manteau en met de nieuwe directeur Julien Weverbergh. In 1976 nam hij ontslag en schreef hij een verbitterd afscheid ('J. Weverbergh en ergher',opgenomen in ‘Mijn Vlaamse jaren’). Zijn huwelijk liep spaak. Hij vestigde zich in een afgelegen hoeve in de buurtschap Exel (bij Laren, Gelderland) en werd voltijds schrijver. Uit zijn tweede huwelijk werd in juli een dochter, Anne, geboren, maar later zou ook deze verbintenis mislukken. In 1991 vestigde Brouwers zich op een woonboot in Uitgeest. Sedert augustus 1993 woont hij in het Belgisch-Limburgse Zutendaal, vlak over de grens bij Maastricht.
Brouwers debuteerde in het najaar van 1960 met het verhaal 'De ring', dat verscheen in het tijdschrift Kentering en dat later uitgebreid en herwerkt werd tot 'Dode vrucht'. Verder publiceerde hij verhalen, essays en polemieken in Komma, Soma, Tirade, De Revisor, Maatstaf, Nieuw Wereldtijdschrift, Bzzlletin en De Vlaamse Gids. Hij werkte mee aan De Volkskrant, NRC Handelsblad en De Morgen. Ook in Vrij Nederland, De Tijd en Haagse Post verschenen bijdragen van zijn hand. Brouwers vertaalde werken van Robert Walser, Kurt Tucholsky en G.A. Bürger. 'Ik heb ze vertaald uit geldnood', schrijft hij aan Koos Hageraats. In 1967 ontving Brouwers de Vijverbergprijs voor ‘Joris Ockeloen en het wachten’. In 1980 ontving hij de Multatuliprijs voor ‘Het verzonkene’, in 1981 de Dr. Wijnaendts Franckenprijs voor ‘Kladboek’, in 1989 de F. Bordewijkprijs voor ‘De zondvloed’, en in 1993 de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre.

Belangrijk!
De verslagen op Scholieren.com zijn bedoeld als naslagwerk. Lever nooit verslagen van internet zomaar bij je leraar in. Je bent zelf verantwoordelijk voor de gevolgen van dit soort fraude.

Wij krijgen de verslagen van scholieren. Hierdoor kan het gebeuren dat er foute informatie online staat. Gebruik geschiedt dus op eigen risico. Kom je een fout tegen? Laat het ons weten.