Geschreven door: | anoniem |
Datum ingestuurd: | 6 maart 2008 |
Niveau: | 5 vwo |
Taal: | |
Woorden: | 6492 |
Opvragingen: | 619 (5 deze maand) |
Waardering: |
Samenvatting
Proloog (p. 7-29)
Een vertelster begint over de jongste jaren van een zekere Hanna. Na twee pagina's breekt ze af, omdat ze met 'het allereerste beeld' wil beginnen.
Het verhaal begint in 1906. De nog jonge Hans Innemee begeeft zich op weg naar de jaarmarkt in Bahr. Hij moet naar de notaris om de boerderij te verkopen die hij van zijn vader geërfd heeft. Op het pad naar het veer ontmoet hij Schuit, een in het zwart geklede man, die een koffer met godsdienstige boeken meezeult. Schuit is een colporteur en een afgezant van een somber, sektarisch calvinisme. Hij zegt tegen Innemee op weg te zijn naar de boerderij van Puyman, omdat de 'geestelijke nood' daar volgens hem groot is.
Na de transactie bij de advocaat blijft Hans Innemee bij de veerman en zijn vrouw in het veerhuis slapen, omdat het te laat is geworden om nog over de rivier gezet te worden.
De volgende dag geniet hij volop van de jaarmarkt in Bahr. Hij schrijft in voor het vogelschieten en is er vast van overtuigd dat hij de nieuwe 'koning' zal worden. Hij schiet inderdaad als eerste de vogel van de paal, wordt gekroond tot koning en mag een meisje kiezen. Veel tijd heeft hij daar niet voor nodig: hij kiest een meisje dat al eerder zijn aandacht had getrokken, omdat zij een oranje bloem in het haar droeg. Tussen hen is sprake van liefde op het eerste gezicht.
Een maand later koopt Hans een van de drie boerderijen die ongeveer tien kilometer buiten Bahr bij elkaar staan. Hij trouwt met het meisje, Hanna. Een jaar later wordt er een dochter geboren, die ze ook Hanna noemen. Later komen er nog twee jongetjes bij, Johan en Lex.
Deel een (p. 31-69)
Hanna Innemee is een intelligente, ijverige leerling. Op de Christelijke Nationale School zit ze in de klas met haar buurjongen, Simon Puyman, die astmapatiënt is. Het klikt tussen de twee. De andere buurkinderen, die van de familie Pitlo, gaan naar de katholieke school in Rha. Lea Pitlo krijgt tb en moet naar het ziekenhuis om geopereerd te worden. Als de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, worden de vaders van Hanna en Lea gemobiliseerd en moeten naar de Peel. Op een dag komt de 'judde', een joodse handelaar in textiel, bij de boerderij van Innemee. Hij meldt hun de dood van Lea Pitlo. Het is de eerste keer dat Hanna geconfronteerd wordt met verdriet.
Tijdens de begrafenis van Lea vindt er een pijnlijk incident plaats. Puyman, die is uitgetreden uit de hervormde kerk, merkt luidkeels op dat het nog maar de vraag is of Lea in de hemel komt. 'Dat zal de Heere God zelf wel uitmaken. Daar mag een mens niet over oordelen' (p. 61). Nog lange tijd wordt er nagesproken over het godsdienstige fanatisme van Puyman, die niet meer naar de kerk gaat en huisdiensten houdt.
Als de demobilisatie aanbreekt en de oorlog is afgelopen, komen de vaders voorgoed thuis.
Deel twee (p. 71-118)
Als Hanna achttien is, gaat ze uit huis. Ze komt in Villa Benevenuto als dienst- en kindermeisje te werken bij haar rijke oom Wijnand (een succesvol houthandelaar), haar tante (fanatiek godsdienstig) en hun twee kinderen Ine en Coen. Vooral de obstinate Ine geeft Hanna handenvol werk. Toch weet Hanna de harten van de kinderen te winnen voelt ze zich gelukkig in de villa. Dat komt ook omdat haar oom haar regelmatig meeneemt naar de fabriek in Heuven, naar recepties, bijzondere evenementen en op zakenreizen. Zijn vrouw heeft het te druk met haar godsdienstige huisdiensten en loopt slecht vanwege haar vetzucht en zwakke enkels.
Tijdens een van haar bezoekjes aan haar ouders hoort Hanna dat het niet goed gaat met Simon Puyman. Zijn strenge vader had hem verboden door te leren, zijn astma bezorgde Simon veel problemen en bovendien groeide zijn rug scheef (waarschijnlijk ten gevolge van een val uit een perenboom; zijn eigenwijze vader had het niet nodig gevonden een arts te consulteren). Als Hanna Simon op een keer ontmoet, geniet ze al snel van de oude, vertrouwde sfeer.
Op een dag meldt tante dat ze honderd gulden mist. Iedereen begint naarstig te zoeken, maar niemand vindt iets. Hanna schrikt geweldig als ze het biljet 's avonds op haar hoofdkussen aantreft. Ze is ervan overtuigd dat een van de kinderen haar een streek heeft geleverd, wellicht uit jaloezie, omdat oom Wijnand Hanna had uitgenodigd voor een reis naar Engeland. Ze wil een zinloze discussie vermijden en besluit, na een zesjarig verblijf in de villa, direct te vertrekken.
Op de veerweg springt Simon ineens te voorschijn. Hanna voelt 'echte, zuivere liefde' en gaat met hem mee.
Deel drie (p. 119-165)
Simon en Hanna willen hun toekomst opbouwen in het veerhuis, dat door de dood van de veerman te koop staat, inclusief de veerrechten. Er zal veel vernieuwd moeten worden, want de opstallen en het terrein blijken behoorlijk verwaarloosd. Met veel moeite krijgen ze de financiën rond. Hanna brengt een flink deel in van het geld dat ze in Leuven gespaard heeft. Van de ouders krijgen ze weinig hulp: Puyman bezit geen geld en Hanna's vader wil zijn kapitaal in de boerderij houden. Hij gaat zelfs zo ver, dat hij Hanna en Lex onder druk een verklaring laat ondertekenen, waarin zij beloven af te zien van hun kindsdeel, zodat Johan (de oudste zoon en zijn beoogde opvolger) later over het gehele vermogen zal beschikken. Johan zal in ruil daarvoor tot hun dood voor zijn ouders moeten zorgen. De tirannieke vader weet de 'trage' Johan te koppelen aan Nettie, een oudere vrouw uit Worth.
Door hard werken en nóg meer investeren knappen Simon en Hanna huis en terrein op. Hanna beheert de nieuwe theetuin, Simon bedient het veer. Hij ziet er gezond uit, zijn astma lijkt verdwenen.
Inmiddels raakt Hanna in verwachting. Ze spreken af dat Simon de naam mag geven, als het een meisje wordt en zij, als het een jongen zal zijn.
Na verloop van tijd bespeurt Hanna veranderingen in het gedrag van Simon. Hij is steeds vaker onverklaarbaar afwezig en gaat een discussie daarover verontwaardigd uit de weg.
Op een dag 'betrapt' ze hem in het gezelschap van twee onbekende, geheel in het zwart geklede mannen. Algauw heeft ze door dat hij, net als zijn vader, in handen is gevallen van colporteurs, die op maniakale wijze hun godsdienstige boodschap opdringen. Hanna ziet hoe Simon steeds meer in de ban raakt van de zwarte kraaien. Haar geluk lijkt in duigen te vallen, vooral als ze, drieëndertig jaar oud, een miskraam krijgt.
Deel vier (p. 167-275)
De afstand tussen Hanna en Simon groeit, ondanks de geboorte van een zoon, Peter. Steeds vaker 'betrapt' Hanna haar man in het gezelschap van de sombere, zwarte mannen, of in zijn eentje biddend of lezend in het wachthuisje. Zelfs 's nachts verlaat Simon zijn bed om urenlang te studeren of te bidden. Met veel moeite krijgt Hanna hem mee naar de doop van hun zoon in de hervormde kerk in Bahr. Vader Puyman negeert zijn zoon, als hij van de doop hoort. Hanna probeert zoveel mogelijk ruzie met haar man te voorkomen; ze schikt zich.
Simon komt steeds openlijker voor zijn geloof uit. Hij stelt Hanna voor aan de zwarte mannen, van wie Dijkstra, een man met één oog, op haar de meeste indruk maakt. Simon wordt een gretig afnemer van de godsdienstige boeken, die hem tientallen guldens kosten. Hij legt geheime bergplaatsen aan om ze te verstoppen. Simon bepaalt dat er iedere zondag urenlang godsdienstoefeningen in het huis gehouden moeten worden, waarbij zijn vrouw en het kleine kind zijn (vaak slaperige) gehoor vormen. Eten buiten verbiedt hij en het engeltje bij de vijver moet worden weggehaald, omdat er geen gesneden beelden mogen worden gemaakt.
Als een tweede kind wordt geboren, Erik, is Simon er niet bij aanwezig. Hij had gehoopt dat het een meisje zou zijn.
De berichten dat er een brug zal komen, die het bestaan van een veer overbodig maakt, worden steeds dreigender. Met veel moeite krijgt Hanna haar man zo ver dat hij gaat informeren bij het provinciehuis. Hij komt met weinig nieuws en gelooft dat het niet zo'n vaart zal lopen. In feite maakt hij zich nog maar over één ding druk: zijn eigen zielenheil.
Intussen wordt Hanna geconfronteerd met tegenslag en verdriet. Tijdens een storm wordt een van de boten van Simon zwaar beschadigd. De reparatie betaalt zij van de rest van haar spaargeld, nadat blijkt dat Simon het geld voor de verzekering al twee jaar niet meer heeft betaald, zodat deze was opgeheven. Hanna ontvangt het bericht dat oom Wijnand is overleden. Dan komt het bericht dat de veerdienst zal worden gesaneerd, omdat er een brug zal worden gebouwd vlak bij het veerhuis. 'Eenoog' en zijn vrienden blijven haar huis en Simon bestoken met hun opdringerige heilsboodschap. Simon neemt Peter mee naar religieuze bijeenkomsten. Peter schikt zich gemakkelijk, hij is uiterst volgzaam en wil het iedereen naar de zin maken. Hij is intelligent en ijverig, hij slaagt voor zijn doctoraal examen en vindt aan de universiteit een baan.
Erik daarentegen lijkt zijn tegenpool. Hoewel ook hij intelligent is en gemakkelijk leert, doet hij niets op het lyceum, zodat hij van school wordt gestuurd. Hij komt steeds vaker laat in de nacht thuis en blijft hangen in kroegen. Hanna heeft er veel verdriet van.
Johan, Hanna's lievelingsbroer, overlijdt. Vooral zijn vader heeft het daar erg moeilijk mee, omdat hij zijn toekomstplannen met de boerderij nu niet meer ziet uitkomen. Niet lang daarna overlijdt ook hij. Hettie heeft nu alleen de zorg voor de boerderij en voor een, inmiddels zwaar dementerende, schoonmoeder.
De reuma van Simon keert terug; zijn aftakeling verloopt snel. Op zijn nadrukkelijk verzoek wordt hij in zijn laatste dagen bijgestaan door de 'broeders'. De vijf mannen in het zwart verdragen nauwelijks de aanwezigheid van Hanna. Na het overlijden van Simon regelen ze ook grotendeels de begrafenis. Erik komt te laat voor de begrafenis, wat Hanna veel verdriet doet en Peter in woede doet ontsteken. Toch weet Hanna dat Erik van zijn vader hield: een keer had ze (heimelijk) gezien hoe hij teder zweetdruppels van het hoofd van zijn stervende vader had geveegd.
Deel vijf (p. 277-339)
Hanna moet nu veel regelen. Ze wordt geholpen door Peter. Algauw blijkt dat Simon grote schulden heeft gemaakt door het kopen van honderden religieuze boeken. Om aan geld te komen, verkoopt Hanna een flink deel van de tuin aan de zeilclub.
Tijdens de kerstdagen komt het tot een handgemeen tussen de twee broers. Pas na zijn diensttijd komt er een ommekeer in Eriks leven. Hij drinkt en rookt niet meer en stort zich op boeken over spiritisme. Na verloop van tijd krijgt hij, net als zijn vader, last van gevoelloosheid in zijn voeten. Op een keer treft Hanna hem aan in haar oude kleren. Ook daarna ziet ze tekenen van zijn travestie. Ze accepteert dit, waardoor de band tussen hen nog hechter wordt.
Op een morgen wordt Hanna gewekt door het lawaai van machines en mokerslagen. Tot haar ontzetting ziet ze hoe werklieden in korte tijd een metershoge muur, dienend als erfafscheiding, optrekken tussen haar perceel en de jachthaven. Ze schakelt Peter in, die haar geruststelt en stappen onderneemt om de schutting te laten afbreken. Het wordt een lang juridisch steekspel, waarin de kansen van Peter en zijn moeder aanvankelijk gunstig zijn, als blijkt dat er geen bouwvergunning is en de muur gedeeltelijk op gemeentegrond staat. Uiteindelijk beslist de rechter tot verontwaardiging van Hanna echter ten gunste van het clubbestuur.
Er verschijnen berichten dat de omgeving sterk zal veranderen. De rivierbocht zal worden afgesneden en van de dode rivierarm zal een watersportgebied worden gemaakt.
Inmiddels heeft de vrouw van Peter, Lilian, een dochter gebaard: Marije. Ze bezoeken Hanna geregeld. Marije ontwikkelt een sterke band met Hanna en nog meer met haar oom Erik, die bewerkingen van sprookjes voordraagt. Ze mag een weekje komen logeren, als haar ouders naar een congres in Frankrijk willen.
Hanna wordt ziek, raakt in coma (in haar visioenen ziet ze overleden familieleden) en sterft.
Epiloog (p. 341-361)
De vertelster van het verhaal over Hanna stelt zich (nu pas!) voor: Marije, haar kleindochter. Ze woont alleen in het veerhuis en is in verwachting. Ze vertelt dat ze sinds haar vijfde jaar bij haar oma en oom Erik heeft gewoond, nadat ze, nog tijdens haar logeerpartij, had gehoord dat haar ouders bij een auto-ongeluk bij Bapaume waren verongelukt. Hanna en Erik hadden haar opgevoed. Ze had de middelbare school en de universiteit bezocht en had (mogelijk geïnspireerd door Eriks travestie, die ze had geaccepteerd) een proefschrift geschreven over het kostuum in de achttiende eeuw.
Dan onthult ze haar relatie tot Erik: hij was haar oom, maar ook haar natuurlijke vader (Lilian had heimelijk een kortstondige relatie met hem gehad) én de verwekker van het kind dat ze zal baren. Een week na de dood van Erik had ze ontdekt dat ze zwanger was. Ze was absoluut niet geschokt door die ontdekking, maar voelde zich kalm, vertrouwd en gemakkelijk.
Over enkele uren zullen de weeën komen. De arts verwacht geen complicaties. Ze hoopt dat het een meisje wordt. Ze heeft nu al zin om haar te knuffelen.
Titel en motto's
Al in de proloog wijst de verteller op het belang van de rivier. Hans Innemee kijkt naar de overkant van de rivier, die zich door de verdwenen mist plotseling scherp aftekent en wordt getroffen door de schittering en glans van de rivier. Ook Hanna kijkt vaak en met grote belangstelling en liefde naar de rivier. Veelbetekenend is het dat haar man veerman wordt. Ze vindt dat zo iemand meer is dan iemand die alleen maar overzet. 'Zonder hem was de overkant onbereikbaar. Op een veerman keek je misschien niet neer, maar hij was zeker van een andere orde. (...) Het was iets bijzonders een veer te bedienen. Je kon ook zeggen dat zij er iets bijzonders van gingen maken. Het veer betekende geluk, belofte, uitdaging' (p. 126).
De titel van de roman roept minstens twee associaties op. Hij herinnert aan de doodsrivier de Styx en aan de veerman die mensen overzet naar het dodenrijk. Deze associatie wordt in de roman enkele keren expliciet gewekt. Hanna verbiedt haar jongens in de rivier te zwemmen, omdat er de afgelopen jaren drie kinderen in zijn verdronken (p. 224). Ook is de rivier vaak onstuimig, vervuild, liggen er massa's dode vissen in door giflozingen, kalven de oevers af door watersport en is er sprake van gevaarlijk kruiend ijs. Van de rivierwind wordt een keer gezegd dat hij 'met zijn koude vingers even je keel dichtkneep' (p. 314). Het loopt trouwens 'slecht' af met de rivier: de rivierbocht wordt afgesneden, zodat sprake is van een 'dode' rivier.
De titel kan ook romantisch worden opgevat: aan de overkant van de rivier (of met een bekende variant: aan de andere kant van de heuvel) ligt een idyllisch oord, een paradijs. Mensen die nog een toekomst voor zich hebben, zoals Hans Innemee (maar ook Schuit, de colporteur en prediker, en Hanna in het begin van haar huwelijk) staren naar die overkant en dromen zich een ideale toekomst.
Het motto komt uit Partage de midi van de Franse dichter en toneelschrijver Paul Claudel (1868-1955) en luidt: 'Tu n'es pas le bonheur / Tu es cela qui est à la place du bonheur' (Je bent niet het geluk / Je bent wat in de plaats staat van het geluk). In de paragraaf 'Thematiek' is gewezen op het belang van het geluk in het leven van de hoofdpersoon.
Jan Siebelink droeg de roman op aan de dichter C.O. Jellema.
Thematiek
Centraal in de roman staat het zoeken naar het geluk van de hoofdpersoon, Hanna Innemee. Belangrijke motieven zijn: haar aanvaarding van de continuïteit van het leven, de rol van het calvinisme en de dood.
Hanna heeft een gelukkige jeugd. Zij ziet het leven aanvankelijk als een sprookje. Dit blijkt bijvoorbeeld als zij voor het eerst geconfronteerd wordt met verdriet en tegenslag. Als zij van de 'judde' hoort dat haar buurmeisje Lea Pitlo aan tb gestorven is, kan zij zich hier nauwelijks een voorstelling van maken. Zij hoort haar ouders praten over een mogelijke schuld van de vader, die vanuit zijn rechtlijnige, calvinistische principes had geweigerd zijn dochter te laten inenten tegen tuberculose. Hanna stelt zich gerust: háár ouders zal zoiets niet overkomen: zij hebben hun vee wél laten inenten en zij zelf bezweert haar dood door zachtjes en koppig te zeggen: 'Ik ga niet dood' (p. 61).
Ook bij haar oom en tante heeft ze een gelukkige tijd. Ze is zelfbewuster geworden, minder dromerig, maar staat nog steeds met alle poriën van haar lichaam open voor het geluk. Net als haar moeder heeft ze het gevoel dat er eens een man in haar leven zal komen van wie ze op het eerste gezicht zal houden. Dat komt ook uit: bij Simon Puyman heeft ze direct dat gevoel van vertrouwdheid; ze gaat met hem mee en ze trouwen. 'Gewone woorden, maar je wist al heel zeker dat je bij hem hoorde, en met dezelfde zekerheid wist je dat hij dat net zo voelde' (p. 118).
Hanna is haar leven lang iemand die uit een grenzeloos optimisme openstaat voor de goede zaken in het leven en de goede eigenschappen van mensen. Verdriet en de talrijke tegenslagen brengen haar hoogtens tijdelijk uit het lood..
Hanna's optimisme blijkt vooral aan het begin van haar huwelijk, als Simon de mogelijkheid wordt geboden om veerman te worden en zij het veerhuis kunnen kopen. Dit vertrouwen in de toekomst wordt vaak gekoppeld aan natuurelementen: 'Haar blik kwam terug, dwaalde langs het gloeiende zandstrand, de likkende golven, de rij meeuwen die zat te dromen op een aangespoelde balk. Uit het wilgenbosje waggelden een paar ganzen naar het water, een koppel patrijzen vloog op, een watersnip rende heen en weer. Daarginds Simon, op de rivier. Hanna zei tegen zichzelf dat ze dit wilde. Ja, dit was wat ze had gewild' (p. 130). En als Hanna haar eerste kind heeft gekregen: 'Hanna was vrolijk. Het kind in de wandelwagen lachte tegen haar; de zon kietelde hun wangen, het hele landschap lachte' (p. 182).
Als de 'zwarte kraaien' in het leven van Simon komen, is Hanna aanvankelijk angstig en pessimistisch. Maar dat duurt niet lang: 'Je had zin om te vechten, je had zin om te winnen. Je zou winnen' (p. 184). Vooral aan haar gezin klampt Hanna zich vast. Als ze op een warme dag gezwommen hebben in het zwembad, kijkt Hanna hen liefdevol aan: 'Ze had twee kinderen, twee vrienden. Het water droop langs hun gladde lijven, langs hun sterke benen. Dit was zo'n ogenblik dat het haar leek dat niets ter wereld een vrouw gelukkiger kon maken dan de aanblik van mooie, sterke benen van eigen kinderen' (p. 226). Op zo'n moment kan ze haar huwelijk met Simon, ondanks alle problemen, als 'een sprookje' zien (p. 227). De tijd waarin haar zoon Peter, inmiddels afgestudeerd, vrienden mee naar huis neemt, noemt Hanna 'misschien wel de mooiste periode van het avontuur met Simon' (p. 236).
Hanna heeft een sterk geloof in de continuïteit van het leven. Zij wil graag deel uitmaken van 'een allesomvattende macht, (...) iets dat ver boven je uitging'. Van die macht is ze zich sterk bewust als ze bij haar ouders thuis is, in de vertrouwde familiekring. Maar ook in het oude veerhuis, vlakbij de rivier, die al eeuwenlang het landschap doorsnijdt, voelt zij deze macht. Dit geloof in de continuïteit verklaart Hanna's berusting in haar lot. Hoewel zij positief is ingesteld en het geluk zoekt, accepteert zij het feit dat het leven voor elk mens aangename en onaangename zaken in petto heeft. Verzet tegen tegenslag ziet ze als zinloos. Vandaar ook dat ze zich schikt in de grote omslag in het leven van haar man, in de achteruitgang in hun relatie en in de problemen met haar zoon Erik. Ze is ervan doordrongen dat voor- en tegenspoed, leven en dood, nu eenmaal bij het leven horen.
De continuïteit van het leven wordt ook voortdurend uitgedrukt door de beschrijvingen van de wisselingen van de seizoenen. Symbolisch gezegd: hoe winters koud en guur het ook in een mensenleven kan zijn, eens zal het tij keren en de lente aanbreken.
De continuïteit van het leven komt ook naar voren in de manier waarop de epiloog aansluit bij deel vijf. In het eind van deel vijf is sprake van de dood van Hanna. Dit is niet het einde van de roman, want in de epiloog wordt een nieuw begin ingeluid door Marije. Er wordt met nadruk vermeld dat ze erg lijkt op Hanna en dat ze zwanger is van Erik. Dood en leven zijn geen twee aparte grootheden, maar horen onverbrekelijk bij elkaar. Dit blijkt ook uit het feit dat de jonge Hanna uit Bahr vertrekt en de rivier oversteekt om met Simon samen te leven en een toekomst op te bouwen. Als ze dood is, keert ze terug om in Bahr begraven te worden.
Het voert te ver om uitputtend alle voorbeelden te geven van het belang van de continuïteit van het leven en de verbreking ervan. We noemen er nog twee. Als Peter nieuwe laarsjes krijgt, worden die met exact dezelfde woorden beschreven als de laarsjes van Hanna van meer dan dertig jaar geleden (begin proloog). Als Erik wordt geprezen als 'het verrukkelijkste kind dat ouders zich maar konden wensen, een genot om naar te kijken', zijn dat dezelfde woorden die voor Hanna's broer Johan werden gebruikt.
De rol van het calvinisme in deze roman is groot. Al in de proloog is sprake van een geheel in het zwart geklede, somber en streng uitziende man (Schuit), die in het gezelschap van Hans Innemee de rivier oversteekt. Hij is de gezant van een rigide, sektarisch calvinisme, dat zich laaft aan preken die ooit op de Dordtse Synode van 1618 zijn gehouden.
Deze zwarte mannen zullen te pas en te onpas in het leven van Hanna opduiken. Zij zorgen ervoor dat het gezin Puyman zich sociaal isoleert, dat vader Puyman op de bruiloft van Hanna ontbreekt, dat Simon in de gelovige voetsporen van zijn vader treedt en ook in de ban van de Dordtse Synode raakt, dat Simon alleen met grote overredingskracht van Hanna bij de doop van zijn zoon aanwezig is en dat het huwelijk tussen Hanna en Simon dreigt te ontsporen. Ook aan de beschrijving van deze onheilsprofeten worden vaak natuurlementen gekoppeld: 'Voor hem stond een man in zwart kostuum, met een zwarte hoed. Zijn bleke gezicht was overdekt met sproeten. Het leek, van die afstand, of er een zwerm rode mieren overheen liep' (p. 183).
De roman bevat vele verwijzingen naar de dood. De roomse Pitlo verdooft de vissen door op het ijs te slaan, waardoor ze van angst en sufheid dicht tegen de oever kruipen, zich vastzwemmen in de messcherpe rietstengels en zich snijden. 'Het water begon helrood te kleuren' (p. 112). De tirannieke vader van Simon doodt Simons lievelingskonijn; Hanna zal hem dit nooit vergeven. De strenge Calvinistische predikers dreigen met hel en verdoemenis en stellen God voor als een vernietigende tiran. Hanna wordt al vroeg in haar leven geconfronteerd met de dood (de dood van een pony; Lea Pitlo en nog een zoontje van Pitlo), maar moet ook later afscheid nemen van vele dierbaren (haar miskraam, Simon, Johan, oom Wijnand, haar vader). Hanna probeert zich eroverheen te zetten door zich te richten op haar gezin. 'Gelukkig. Wat zaten ze hier intiem, afgesloten van de wereld. Geen mens die je kon zien. het beeld van een gelukkig gezin. Tuin gedrenkt in licht. Zoveel licht! Wat is de dood? We weten niet wat de dood is' (p. 217). Een laatste verwijzingen naar de dood die we noemen, is de achternaam van een hoofdpersonage: Innemee. Deze naam verwijst naar een gedicht van Gerrit Achterberg over een Haagse begrafenisonderneming.
Ten slotte kunnen als motieven genoemd worden:
- Travestie: Simon Puyman hield al op school van verkleden (p. 48), Erik is een travestiet (p. 316, 323; 358).
- Angst: Hanna's angst voor de poppenkast (p. 50); de angst van Ine, Coen en Hanna op de zolder (p. 89); de angst van Hanna, als ze de zwarte predikers ziet en Simons vernedering door hen (p. 156); de angst van Hanna, als ze naast haar 'onbereikbare' man in bed ligt (p. 172); Johans plotselinge, hevige angst (p. 215); Hanna's angst bij de pijnaanvallen van Simon (p. 261).
- Schuld: Hanna's ouders stellen dat de ouders van Pitlo schuldig zijn aan de dood van hun dochter, omdat zij haar niet tegen tb hebben laten inenten; Hanna vraagt zich af of het haar schuld was dat Simon uit de perenboom was gevallen en dat het de schuld van zijn vader was dat hij een rugvergroeiing kreeg (Simons vader wilde niet dat er een arts werd geroepen).
- Jaloezie: de afgunst van de tante van Hanna, die suggereert dat zij honderd gulden gestolen heeft.
- Droom: Hanna's wensdroom, waarin haar tante haar uit wroeging honderdduizend gulden schenkt (p. 209); Hanna's droom over een meisje, van wie de koorts door vuur wordt weggenomen (p. 220); Hanna's angstdroom over een groot beest dat haar achternazit, 'die droom kende ze al als meisje' (p. 318); de dromen van Erik over ingrijpende jeugdherinneringen (p. 324).
- Incest: Marije is zwanger van haar oom, die ook haar vader blijkt te zijn.
De roman bevat nogal wat leidmotieven en symbolen:
- De rivier en het veer: zie voor toelichting de paragraaf 'Titel en motto's'.
- De trouwring van Hanna's moeder: Hanna's moeder legt die altijd op een vaste plaats, door Hanna's schuld raakt ze de ring kwijt, maar Hanna vindt hem terug (p. 42-45).
- Tanden: de al jaren ongepoetste tanden van Nettie ('als van een beest', p. 143); de predikers hebben 'rotte tanden' (p. 230).
- De gouden slavenarmband: Hanna krijgt deze van de vader van Simon, maar ze draagt de band nooit (p. 178).
- Het ene oog van de geloofsprediker: Hanna vindt het een dreigend oog, 'van genadeloos blauw staal' 'blikkeren van ingehouden vuur', 'krijgshaftig' flitsend (p. 184); bij alle predikers is sprake van opvallende, priemende, glanzende ogen en van een afzichtelijk uiterlijk.
- Sneeuw: sneeuw wordt verbonden met de dood; bij alle begrafenissen die Hanna had meegemaakt, was er sprake geweest van sneeuw; de begrafenis van Puyman bijvoorbeeld was 'een levensgevaarlijke onderneming' geweest (p. 235).
- De geboortebomen die Simon voor zijn zoons geplant heeft (p. 273).
De muur: voor Hanna wordt deze metershoge afscheiding een obsessie, een sta-in-de-weg voor haar geluk, een symbool voor al het onrecht dat haar is aangedaan (met haar zoon Peter ervaart ze dat ze tegen windmolens vecht in haar pogingen om de, onwettig geplaatste, muur te laten afbreken).
Reacties
Op de roman werd wisselend gereageerd. Het bestuur van de Haagse Jan Campertstichting riep het boek uit tot de beste roman van 1990 en bekroonde het met de F. Bordewijkprijs.
Joris Gerits (De Morgen) vindt dat Siebelink op indrukwekkende wijze de worsteling heeft beschreven van individuen tegenover overgeleverde overtuigingen.
Hans Werkman (Nederlands Dagblad) stoorde zich bij lezing aanvankelijk aan de te 'stijve' en te 'mooie' stijl, vol met vogeltjes, bijvoeglijke naamwoorden en clichébeelden. Gaandeweg voelde Werkman zich echter steeds meer thuis in dit rivierenlandschap. Het boek verdient volgens hem een ereplaats naast analoge werken als De waterman van Arthur van Schendel en Het veerhuis van Ida Gerhardt.
Frans de Rover (Vrij Nederland) roemt de stijl en literaire kunstgrepen zoals het verrassende vertelperspectief. De personages gingen voor hem echter niet echt leven: daarvoor vond hij de problematiek 'te particulier, vooral te "gristelijk" particulier'.
Gerrit Jan Zwier (Leeuwarder Courant) wijst op de grote rol van de sfeer die wordt opgeroepen, 'fascinerend en welhaast hallucinerend.' Hij noemt het boek 'een verliteratuurde streekroman'.
August Hans den Boef (Leidsch Dagblad ) ziet in het begin van de roman overeenkomsten met de streekroman, maar allengs verdwijnen de typische conventies ervan: weinig couleur locale of dialect en de plaatselijke figuren zijn verre van folkloristisch. Hij prijst de hechte structuur: 'Allerlei verhaalgegevens wijzen vooruit naar latere, meer cruciale momenten'.
Ook Jeroen Kuypers (Het Binnenhof ) trekt een vergelijking met de streekroman. Hij is van oordeel dat het boek begint als streekroman, maar in de tweede helft al bijna alle kenmerken ervan verloren heeft, op één na: de buiten het verhaal staande verteller. 'Pas aan het eind blijkt dat Siebelink ook hiermee zijn lezers voor de gek heeft gehouden.'
Doeschka Meijsing (Elsevier ) typeert het werk als een typisch negentiende-eeuwse familiekroniek: 'hij heeft een familie beschreven van het begin van de eeuw tot nu'. Zij plaatst de roman in de traditie van romans als Boeken der kleine zielen van Louis Couperus. Ze vindt dat Siebelink in deze roman te veel nadruk legt op de geloofskwestie: 'de roman gaat er van zinderen als een donderpreek op zondagmorgen'. Ze prijst de opbouw en de landschapsbeschrijvingen: '(...) de beelden van het veerhuis aan de rivier vergeet je niet meer'.
Michel de Koning (Brabants Dagblad ) spreekt van 'een meesterwerk' op grond van de beschrijving van het rivierlandschap en de opbouw en op grond van de volgende overweging: 'Achter het leven van Hanna doemt uiteindelijk het beeld op van de mens die worstelt met zijn geloof: bestaat God? Die strijd geeft aan het boek een universele dimensie.'
P.M. Reinders (NRC Handelsblad ) vindt de ontknoping vrij 'wonderlijk' en het tweede deel van de roman veel spannender dan het eerste, waarin hij te veel 'babbelende zinnetjes' aantrof.
Rob Schouten (Trouw ) vindt de stijl van de roman tekortschieten: uitpuilende natuurbeschrijvingen, uitputtende details, geforceerde geheimzinnigheid, te uitbundige evocatie van de hitte, te omslachtige manier van uitdrukken. Hij vraagt zich af wat 'deze verdraaide streekroman' toch van de lezer wil. 'Tergend lang, veel te lang, duurt het voor het verhaal uit zijn broeierige cocon kruipt.'
Ook voor Arnold Heumakers (de Volkskrant ) is de stijl gebrekkig: bloemrijk, maar 'weinig opwindend'.
Alfred Kossmann (Provinciale Zeeuwse Courant ) vindt Hanna een 'mooi uitgebeeld personage' en de colporteurs 'onze afschuw en lachlust' opwekken. Maar hij ziet te veel negatieve punten: de vertelling heeft geen vaart, de personages worden niet interessant en de buitenwereld dringt pas heel laat in het boek door. Ook wijst hij op fouten, zoals op het feit dat Hanna onmogelijk pas vier jaar oud geweest kon zijn toen Lea stierf. Concluderend spreekt hij van 'een mislukte streekroman'.
Stijn Aerden (NRC Handelsblad ) wijst in zijn artikel op verregaande overeenkomsten tussen de roman en de novelle Monkeys, het in 1986 verschenen debuut van de Amerikaanse schrijfster Susan Minot. Hij verwijst naar andere gevallen van plagiaat van de auteur. Hij belde Siebelink, die antwoordde dat hij nog nooit van Susan Minot heeft gehoord. In de roman staat volgens Siebelink geen enkele zin of geen enkel woord dat niet uit zijn hart is gekomen.
Context
Verwante auteurs/thematiek
Jan Brokken (Haagse Post ) onderzocht de achtergronden van het succes van vier auteurs die in de jaren zeventig en tachtig opmerkelijk succesvol waren: Jan Wolkers, Maarten 't Hart, Maarten Biesheuvel en Jan Siebelink. Hij typeert hen als 'schrijvers in de wurggreep van Calvijn', die voor stof voor hun romans putten uit hun eigen jeugd en toont aan hoezeer hun thematiek overeenkomt. De hoofdpersonen ontworstelen zich allen op moeizame wijze aan het starre geloof van hun ouders, maar komen er toch nooit helemaal meer los van. In al hun romans is sprake van angst, respect én haat jegens de vader, preoccupatie met seksualiteit en de wil om het kleinburgerlijke milieu te ontstijgen. Er zijn ook verschillen. In tegenstelling tot Wolkers en 't Hart is er bij Siebelink geen sprake van rancuneus of meewarig terugtrappen, maar eerder van een gelaten onmacht. Er is ook geen sprake van een diepgravend conflict tussen vader en zoon.
In De overkant van de rivier bracht Siebelink volgens eigen zeggen een hommage aan zijn moeder. In een interview met Ares Koopman ( Provinciale Zeeuwse Courant ) zegt de auteur in dit verband: 'Ik bedacht me, met Apollinaire, dat je niet eeuwig met het lijk van je vader kunt blijven slepen. (...) Van de rol van de vader en andere mannen wordt in één klap voluit en overtuigend verschoven naar die van de moeder, de vrouw.' Ook wat de beschrijving van de moeder betreft en haar relatie met haar zoon, valt de overeenkomst met romans van 't Hart ( Een vlucht regenwulpen , 1978) en Wolkers ( Terug naar Oegstgeest , 1965; De junival , 1982) op.
Ten slotte is gewezen op verwantschap met literaire richtingen en stromingen aan het eind van de negentiende eeuw, met name in Frankrijk: impressionisme, naturalisme en symbolisme. Bekend is de fascinatie van Siebelink voor Franse decadente auteurs uit het fin-de-siècle. Dat blijkt uit zijn keuze voor thema's als: dood, verval, exotische schittering, travestie, incest en erotiek.
Structuur en techniek
De roman telt vijf grote delen, die zijn onderverdeeld in genummerde hoofdstukken. Aan de roman gaat een proloog vooraf, na het vijfde deel volgt een epiloog. In het eerste deel wordt de jeugd van Hanna beschreven, eindigend met het afscheid van haar poppen. In deel twee gaat het over Hanna's zesjarig verblijf bij haar oom en tante, eindigend met haar keuze voor Simon. In deel drie staan de gelukkige jaren met Simon centraal, eindigend als Hanna 33 is. In deel vier nemen de zorgen voor Hanna toe; het eindigt met de dood van Simon. Deel vijf beschrijft het verdere leven van Hanna tot en met haar dood.
In de proloog en epiloog komt nadrukkelijk het vertelperspectief naar voren. De vertelwijze is opmerkelijk. Op de eerste drie pagina's wordt Hanna voortdurend aangesproken met het persoonlijk voornaamwoord 'je'. Dit suggereert een grote mate van intimiteit. Ook in de volgende delen is sprake van deze jijvorm. De lezer wordt op deze manier deelgenoot van de intiemste gedachten en gevoelens van Hanna. In deze delen is echter vaker sprake van een zijvertelwijze (personaal).
Aan het eind van de proloog breekt de ikverteller de beschrijving van de jonge Hanna (met haar piepende laarsjes, lopend naar de christelijke school) abrupt af: 'Maar ik wil met het allereerste beeld beginnen, het beeld dat alles in gang zet. Is dat mogelijk? U weet toch net zo goed als ik hoe moeilijk het is van welke geschiedenis dan ook het begin aan te geven!' (p. 9). Vervolgens start de verteller deel een in 1906 met de introductie van Hans Innemee; Hanna duikt pas veel later weer op (namelijk bij haar geboorte).
Wie is nu de vertelster? Wie doet het verhaal over Hanna uit de doeken? De auteur heeft daarvoor een opmerkelijke truc gebruikt. Op pagina 333 verbaast de lezer zich over het feit dat er plotseling staat: 'Die nacht schrokken we wakker van harde klappen'. Omdat er in de beschreven situatie slechts sprake is van drie personages (Hanna, Erik en Marije) moet één van die drie de verteller zijn. Op pagina 339 is eindelijk sprake van de onthulling van het geheim wie er achter die 'ik' steekt die op pagina 9 zo terloops werd genoemd. Daar staat: 'Nee, ik mocht van oma niet meer bij het water komen'. Dit is de slotzin van deel vier. In het begin van deel vijf speelt de verteller de verbaasde reactie van de lezer mee: 'Ik? Ja, ik, Marije, de kleindochter van Hanna, en ik ben het die haar geschiedenis heeft verteld.'
Afgezien van de proloog (waarin Hanna wordt beschreven als ze op weg is naar school) is er sprake van een geheel lineaire, chronologische vertelwijze, zonder flashbacks. In een interview (Provinciale Zeeuwse Courant ) heeft Siebelink het boek in dit verband getypeerd als een roman die 'vooruitkijkt'.
De wisseling van de seizoenen wordt vaak aangehouden als tijdsaanduiding. Het karakter van de seizoenen en de voortdurende afwisseling van dood en leven lopen vaak parallel met de gebeurtenissen en stemmingen van de personages.
Het rivierenlandschap rond de Gelderse IJssel, met de dorpjes Bahr, Rha en Worth, speelt een grote rol in de roman. In de eerste drie delen zijn de beschrijvingen van het landschap overheersend, in de volgende twee delen overheersen de gebeurtenissen. Uit interviews wordt duidelijk dat Siebelink de geografische werkelijkheid in de roman enigszins geweld heeft aangedaan. Zo heeft hij de plaatsnamen veranderd. In werkelijkheid speelt de roman zich af in de omgeving van Lathum (in de roman: Bahr), een dorp aan de Gelderse IJssel, langs de oevers van kasteel Biljoen en het stoomgemaal De Volharding. Die wijzigingen heeft Siebelink bewust aangebracht: 'Met die verschuivingen wil ik de lezer een gevoel van desoriëntatie bezorgen, en hem er op wijzen dat wat zich daar aan de IJssel gedurende een kleine eeuw heeft voltrokken, zich overal heeft voorgedaan en zal blijven voordoen' (interview met Ares Koopman, in: Provinciale Zeeuwse Courant ).
Taal en stijl
Net als in zijn vorige romans treft in de stijl van Siebelink zijn voorkeur voor het literaire, esthetische en vaak 'prachtlievende', beeldende taalgebruik. In de roman vallen de vele, gedetailleerde, natuurbeschrijvingen op. Zij zijn sterk subjectief en doen door de nadruk op de sfeer, de bijvoeglijke naamwoorden, de overdaad aan kleuren en de zintuigelijke indrukken impressionistisch aan.
Situering binnen het werk
Jan Geurt Siebelink (Velp, 1938) groeide op in een streng gereformeerd gezin. Zijn vader was eigenaar van een kleine bloemenkwekerij. Hij volgde een opleiding tot onderwijzer in Arnhem en studeerde Frans M.O.
Veel elementen uit zijn jeugd verwerkte Siebelink in zijn werk. In De overkant van de rivier (1990) grijpt hij terug op de beschrijving van de sombere, verstikkende rol van een extreem orthodox calvinisme, dat verspreid wordt door fanatieke colporteurs. Al in zijn verhaal 'Witte chrysanten' (uit: Nachtschade ) valt in dit verband te lezen: 'Van nature was mijn vader niet somber, maar het was de Veluwse godsdienst die met haar uitgeteerde, magere armen mijn vaders vrolijke gevoelens had afgekneld'. Ook deze roman bevat vele autobiografische elementen. In het boek beschrijft Siebelink niet voor de eerste keer hoe verschillend een moeder en een vader hun geloof belijden. 'Het is niet moeilijk in Simon Puyman Siebelinks vader te herkennen en in Hanna zijn moeder, evenals in zijn zwagers Lex en Johan, de actieve en passieve broer, die in zoveel van Siebelinks romans en verhalen de hoofdrol spelen' (J. Kuypers in Het Binnenhof ).
Uit zijn romans spreekt een sombere kijk op de wereld: het menselijk tekort lijkt telkens opnieuw het centrale thema, het einde van een roman is voor de personages vrijwel steeds weinig hoopvol.
Belangrijk!
De verslagen op Scholieren.com zijn bedoeld als naslagwerk. Lever nooit verslagen van internet zomaar bij je leraar in. Je bent zelf verantwoordelijk voor de gevolgen van dit soort fraude.
Wij krijgen de verslagen van scholieren. Hierdoor kan het gebeuren dat er foute informatie online staat. Gebruik geschiedt dus op eigen risico. Kom je een fout tegen? Laat het ons weten.

Wat voor geldtype ben jij?
Meer weten over jezelf en je geld? Doe dan mee aan het Scholieren onderzoek van het Nibud en steun zo kinderen in arme landen!