geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

ff n studiebreak

Bankhangende Justine steekt loom haar duim op voor niet-sportende jongeren. Want wie sport er tegenwoordig nou nog?

Geschreven door:

Mieke (Docent)

Datum ingestuurd:

14 augustus 2007

Taal:

Woorden:

7.650

Bekeken:

2388 keer (14 deze maand)

Waardering:

5.0/5 (3 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 

Het gevecht met de engel, Herman Teirlinck, Manteau, Brussel, 1952

Korte weergave


Deel I

Aanhef van Welriekende (1343-1862)

't Jaar Onzes-Heren 1343, op Witte Donderdag, de zon gaat in Taurus. Een drietal geestelijken trekken zich in het Zoniënbos terug. Hier stapelen zich voor eeuwig de groene duisternissen op. Hier vallen onherroepelijk de poorten van de wereld dicht. De drie kapelanen worden door de stilte en de eenzaamheid opgevangen. … De dood van de Gelukzalige Jan van Ruysbroeck, die gepaard gaat met authentieke mirakelen, hangt over Groenendaal een luister van heiligheid. Bij de ontgraving van zijn lijk, vijftig jaar later, wordt getuigd dat het nog alle tekenen van levensfrisheid draagt, en daarenboven een fijne rozegeur om zich heen blijft spreiden. Dit eerste mirakel wordt gevolgd door andere. Onze-Lieve-Vrouwe-Welriekende - ook een ander mirakel maakt zich kenbaar door een hemelse rozengeur - wordt een bedevaartsoord: het beeldje van Maria, dat hangt aan een eik in het Zoniënbos, is doel van talrijke pelgrimstochten en luisterrijke plechtigheden. Groenendaal wordt wereldvermaard. Door talrijke plunderingen worden de bossen vooral aan de kant van Hoeilaart sterk uitgedund of ingekrompen; de kapel komt daardoor in de onmiddellijke nabijheid van de boszoom te staan. Grote open vlakten gaan toebehoren aan de rijke grondeigenaars van Hoeilaart, de vrijheren van Maleizen: zij bewonen een soort slot, het Hof van Hongarije. De heren van Maleizen staan gronden af aan families die zich daar vestigen en die trachten op aanvankelijk primitieve manier in hun onderhoud te voorzien.

In 1798 koopt - en daardoor ontstaat alvast één tegenpool - een notaris uit Halle, Caloen, een uitgebreid gebied dat de naam Zwart Goed draagt. Op dit terrein wordt de Burcht van de Caloens gebouwd; de Burcht wordt door een brede dreef met de Kapel van Onze Lieve Vrouw verbonden. Aan de andere "holbewoners" wordt de gelegenheid geboden zich op het Zwart Goed te vestigen; alleen de Jeroens, een gespierd Spaans type met olijvenhuid, weigert. Daarmee zijn verdere uitgangspunten gegeven voor de dramatische situaties die zich in het begin van de twintigste eeuw gaan ontwikkelen.

O.L.V.-Eeuwfeest (1919)
Dramatische situaties ontstaan uit de relaties tussen het geslacht van Maleizen en dat van de Caloens; dramatische relaties ontstaan binnen de kring van de "wilde boskanters", met name de Jeroens, en tussen de Jeroens en de Caloens. Immers, hoezeer de Jeroens trachten hun eigen primitieve woudleven te handhaven, geleidelijk worden sommigen naar de Burcht getrokken en als het ware daarin geïncorporeerd. Heel deze reeks conflictsituaties nu wordt gelokaliseerd in en om "de heerlijkste beukenkroon van West-Europa", het Zoniënwoud. Door voortdurend leven in het woud te situeren, wordt dit Zoniënbos een machtig geheel, waarvan een overweldigende suggestie van natuurleven uitgaat. Dit natuurleven echt meebeleven, dat doen de Jeroens, die moeilijk tembare woudkanters; zij laten zich maar ten dele inkapselen in de "beschaving" van het geslacht der Caloens. Zij leven op hun instinct, dat tegen alle conventie, wet en regelmaat in gaat. De hoogste wet achten zij hun eigen natuur, hun "noodlot". Die natuur gaat niet zelden gepaard met kracht en moed, maar ook met drift, geweld, verkrachting, zelfverminking en moord. Klaus Jeroen staat aan het hoofd van het geslacht Jeroen. Zijn vrouw Emke Viaene is zijn tegenovergestelde. Zij is de rust zelve en ze is zeer gelovig. Ze is klein van stuk, maar een ware persoonlijkheid, waar al haar zoons (bomen van kerels) respect voor hebben. Ook Mak Jeroen is getrouwd met een deugdzame vrouw Odile, die helaas te jong sterft. Zij was de huiswaardin op de Burcht en wordt opgevolgd door de schoondochter van Mak Jeroen, Vrouwe Veerle, de echtgenote van Brozen, zijn enige zoon. De burchtvrouw - mevrouw de barones Caloen ter Oigne, vrijvrouw van Maleizen - heeft een hekel aan de Jeroens en beledigt met name Mak regelmatig. Mak denkt: Er komt wel een tijd, dat wij gelijkvloers voor elkander staan. En dat wij ons aan elkander met blote lemmers kunnen meten. Bij Ons-Heer die mij hoort, ja, die tijd komt! Zo gebeurt het ook later in het boek. De Hoogvrouw wordt tijdens een jachtpartij door de Jeroens vermoord.

In de feestpreek van de pastoor (Iffratje) waarschuwt hij de parochianen van Welriekende voor het gevecht met de engel.
Gij hangt te blind aan het geld. Gij zijt hier, 't is meer dan een eeuw geleden, als arme wroeters gekomen. Onder een streng en wijs geleide hebt gij deze stede gebouwd en schatten vergaard. De oorlog, die zoveel ellende heeft gebracht, zoveel levens gekost, en zoveel tranen van bloed vergoten, die oorlog heeft u niet alleen gespaard, maar rijk gemaakt. Enkele eerbiedwaardige uitzonderingen niet te na gesproken. Ik schandvlek niet het winnen van geld, in zoverre het een kristelijk gebruik van de winst niet uitschakelt, maar ik waarschuw tegen de geldhonger, die een duivelse passie is.

Op de weg naar de dood, wanneer onze knapzak door goud is bezwaard, is het de Engel moeilijk ons op te beuren. De hand die krijgt, moet meer nog kunnen geven.


De drie Jeroens (1920-1922)
Emke en Klaus Jeroen hebben vier zoons: vier grote, sterke en mooie jongens, allevier olijfkleurig van huid met donker haar en drie van hen hebben - helaas - het typische Jeroen-temperament. Het brengt geen geluk. De eerste die hun ontvalt is Achiel. Hij loopt weg van huis en komt via oom Mak uiteindelijk terecht bij Toontje Rozier en gaat het beenhouwersvak leren. Mak Jeroen neemt een dienstmeid in huis, Annelies. Ze is mooi, lenig, sterk, haar lange lokken zijn dieprood en ze is nog heel erg jong. Ze is wild en onvermoeibaar "een bonk van een meid". Annelies kan krachtig zingen. Uit haar gloeiende gorgel stoot zij rauwe klanken, die koel in de ruimte opengaan en uitgalmen tot buiten menselijk bereik. Het heeft vorm noch zin noch schoonheid. Het is alleen trilling van vlees en daver van het wellende bloed.
Daar komen ongelukken van natuurlijk.
Op zulke nachten wordt Emke schielijk uit haar slaap gewekt. Eigenlijk is haar slaap altijd zo licht, dat het minste gerucht hem komt breken. Nu echter, in het midden van de donkere uren, is de oorzaak er een, die haar bloed ontstelt.

Maar er zijn verborgen heerschappijen. En Emke vreest de Engel die in de straten van de nacht te wachten staat.

Annelies en Bruin (de jongste) hebben een geheime afspraak in de nacht en "zijn voor eeuwig ter bruiloft neergezegen". Balten en Lieven zijn hun broer gevolgd en openen de aanval. Niemand heeft geschreeuwd. Evenmin Annelies. Zij is onmiddellijk op de vlucht geslagen. … plots snijdt haar een gil door de nieren. Het is een vervaarlijke gil en alle koepels van Zoniën huiveren. … Zij wacht. Er is geen tweede gil.
Balten en Lieven trekken er een volgende nacht op uit om Bruin te begraven, maar worden betrapt door Emke. Balten vlucht weg en zal zich later van het leven beroven en Lieven en Emke maken het werk af. Lieven was altijd al een gevoelige jongen, maar wordt door deze gebeurtenissen helemaal gek.
Kom, jongen, zegt zij zacht.
En zij wendt zich naar de put. De liefde van moeders stem dringt tot Lieven door. Al heeft hij allang geen deelname meer in de gebeurtenissen van de wereld, al zijn de wallen opgetrokken die hem voor immer van de mensen scheiden, het laatste vonkje geest wil nog aan moeder gehoorzamen. Hij scharrelt overeind en volgt.

Balten wordt tijdens een vroegmis op het kerkhof van Welriekende begraven. Wie iets van het geval mocht weten, of vermoeden, is het roerend eens om het met een minimum van commentaar in de doofpot te steken. Zo iets rolt op Ter Oigne altijd van een leien dakje.

Annelies bevalt van een meisje, ze noemt haar Pia. Ze gaat met Pia op bezoek bij Klaus en Emke.
Klaus staat roerloos bij de schoorsteen. Zijn grote muil is stom gevallen. Lieven staart in stenen verbaasdheid. De kamer wordt geheel in beslag genomen door het wilde diertje dat Annelies daar losgelaten heeft. Het laat zich zoetjes optillen door Emke. Het is in het geheel niet schuw. En Emke brengt het bij Klaus, en het slaat subiet haar handen in die wijde wereld van haren. Wanneer de wolf zijn weergevonden jong bereikt, en het herkent, zwemmen zijn ogen in zaligheid, en hij legt zijn oren. Zo gaat het eenderlijk Klaus Jeroen. Een dauw, inniger dan smaragd, hangt aan zijn blik. Het handje langs zijn baard geurt tot op het merg van zijn wezen. Het bloed spreekt. Het is van Olijven. Niets voor de Jeroens is heiliger dan het bloed.
Annelies gaat er samen met Roedi Schavaeys vandoor. Zij zijn weg voor jaren.

Brozens bedelaarsgebed (1897-1922)
Door Mak Jeroen is Brozen opgeleid in de vele kennissen van het woud. Brozen houdt van het woud, hij heeft altijd gevoeld dat zijn ras uit het woud is ontstaan, en is, als alle Jeroens, lichamelijk sterk en soepel. Maar qua karakter lijkt hij veel meer op zijn moeder. En waar een al te vriendelijke blondheid het Olijvenpigment in mij beschaamde. Zijn vrouw, Veerle lijkt wel iets op zijn moeder; ze is net zo mooi, net zo meegaand en net zo lief. Alleen Odile, zijn moeder, had meer daadkracht en had daarom een belangrijkere positie op de Burcht dan Veerle. Op de Burcht gebeuren vreemde dingen: de burchtvrouw legt érg veel en érg dwingend beslag op Veerle. Haar man Gomeer III is een zonderling die zich, in oosterse gewaden met een oosterse tulband op, onderhoudt met bejaarde heren die net zo vreemd uitgedost zijn als hij. Hij raadpleegt veelvuldig Abdon, maar Brozen krijgt nooit diens gezicht te zien. Gomeer en zijn vrouw kunnen elkaar niet uitstaan, maar houden allebei veel van hun zoon Rafaël. Ze bevechten elkaar zijn liefde en aandacht. Rafaël is een slap karakter, een vervelende, door en door verwende nietsnut. Gomeer zegt tegen Brozen dat hij er voor moet zorgen dat zijn vrouw zwanger geraakt en dat zij niet te veel op visite moet komen bij de Burchtvrouw. Brozen is er op een dag getuige van hoe zijn vrouw wreed behandeld wordt door de Burchtvrouw. Hij raakt in zijn blinde woede slaags met de oude Abdon, smijt hem over de muur de ruimte in, maar durft daarna niet meer naar beneden te kijken. Hij neemt aan dat hij dood is, hij vlucht weg en wordt in het bos gevonden door Roedi Schavaeys en Iffratje, de pastoor. Hij is ernstig ziek. Nadat hij weer opgeknapt is gaat hij naar de Burchtheer om te zeggen dat hij voor hem op reis zal gaan naar Italië, zoals deze eerder al had gevraagd. Abdon blijkt dan nog te leven. Brozen en Veerle reizen door Italië en zijn daar heel gelukkig samen. Veerle geraakt echter niet zwanger en dat wordt voor Brozen een obsessie. Hij vindt dat hij faalt. Wanneer zij weer thuis zijn doet Brozen mee aan een vossenjacht. Daar schiet hij op de Burchtvrouw, maar zijn vader moet "het werk afmaken". Echter, als Veerle vraagt wie de Burchtvrouw heeft vermoord, zegt hij: "Dat was ik". Hierna spreekt Veerle niet meer. Ze zat bij het raam. En wachtte. En wat zij wachtte, het kon niet uitblijven.
Uiteindelijk overlijdt ze. Brozen bidt:
God neme haar ziel op in zijn barmhartige schoot. God weze mij insgelijks genadig, die thans afscheid neemt van de wereld en de mensen. Verstoot mij niet, lieve moeder, ik kom.

Deel II

Ida en Achiel (1920-1937)

Het laatste wat je zou verwachten is dat Ida Rozier, de dochter van de koster, verliefd zou worden op Achiel Jeroen. Toch gebeurt dat. Zij is in alles het absolute tegenovergestelde. Achiel is een échte Jeroen, die veel te vaak doet wat zijn driften hem ingeven. Ida is lief, kuis en vroom. Vlak voor zij zullen trouwen bericht haar zus Fientje dat ze zwanger is van Achiel en de eerste dinsdag van juni zegent Iffratje het huwelijk in van Fientje Rozier met Achiel Jeroen, en in de voorste weken van november wordt hun kindje geboren. Het is een meisje en ze noemen haar Zoë. Nog geen jaar daarna moet Fientje voor de tweede maal bevallen, maar ze is erg zwak en verliest de baby drie maanden voor de geboortedatum. De dokter waarschuwt dat er voortaan geen sprake meer kan zijn van kinderen. Ida voert een hartig gesprek met Achiel. Het gaat om haar zuster, om het leven van haar zuster. Zij hoopt dat Achiel voortaan weet wat hij te laten heeft. Wat antwoordt hij daarop?
Het gaat een tijdje goed; Zoë is een leuke meid van vijf jaar oud. Ze is het lievelingetje van opa en ze wordt opgevoed door tante Ida. Maar dan wordt Achiel weer lastig. Hij is haast elke avond dronken … Hij wordt stomp en nijdig. Bij 't ingaan van de winter gebeurt het allerergste: aan Ida bekent Fientje huilend dat zij weer zwanger gaat. Ida is furieus. Op een zekere dag neemt Achiel al het geld mee en vlucht de bossen in. Hij heeft gevochten en daarbij iemand vermoord. Hij kent de bossen als geen ander en wordt daar niet gevonden. Wanneer Fientje sterft verschijnt hij uiteraard op de begrafenis en hij wordt dan toch in hechtenis genomen. Na acht jaar wordt hij pas weer vrijgelaten. In de tussentijd gaat het leven in het huis van de koster gewoon door en Zoë is inmiddels een mooie meid van veertien die er uitziet als twintig. Wanneer Achiel terug is, bewoont hij samen met Zoë het achterhuis en Ida hoeft daar niet te komen. Dat gaat een tijdje goed totdat Ida door Vrouw Terve (een betrouwbare van den huize) wordt gewaarschuwd.
De oude wolf is in Achiel weer wakker geschoten. Hij kan van de meiden zijn poten niet houden. De dochter van boer Titeca is al bijgelijmd. De burgemeester heeft ze van de serren verwijderd. Wat helpt het? Er komen dan andere aan de beurt. Achiel is niet zo kieskeurig en vele zijn er, die van het amberen vel om de duivel niet weg te jagen zijn. Ida spreekt weer een hartig woordje met Achiel en hij belooft dat hij zijn uiterste best zal doen om schandalen te voorkomen. Op een avond hoort Ida een gil uit het achterhuis en wanneer ze daar aankomt ziet ze wat er aan de hand is:
Zonet heeft Zoë haar volle vuist in het aangezicht van Achiel geslingerd. En Ida, met een sprong, randt hem aan in zijn rug. Hij rukt zich om. Zij ziet niets meer dan een dier. Zijn handen liggen op haar keel. … Achiel zakt aan haar voeten gelijk een pak te hoop. Ida en Zoë kijken elkander zwijgend aan. Zij zijn als doodvreemde mensen, die bij voorbeeld toevallig saam in de trein zouden zitten en hoegenaamd geen reden hebben om een gesprek aan te knopen. … Trouwens, alles is gezegd … Zoë gaat het strijkijzer waarmede zij de nekslag heeft toegebracht, rustig op het gasvuurtje plaatsen, en zij draait ook het gas uit. Ze leggen hem in bed, de dokter komt, hij heeft een hersenschudding. Ida bewaakt de zieke. De dinsdag, bij 't krieken van de morgen, is zij eindelijk in haar samenzijn met hem zo verzwolgen, dat zij wezenloos haar hand op zijn voorhoofd legt. Het voorhoofd is al koud. Doch Ida en Achiel zijn vereend. Dood en leven zijn vereend.

Pia en Zoë (1923-1940)
Terug naar het jaar 1923, dit is het jaar dat de Burchtvrouw van Oigne door een verdwaalde kogel dodelijk werd getroffen. Het is de start van een gevecht om de macht tussen Burcht Ter Oigne en het Hof van Hongarije van de Maleizen. Het gewei en de fazen, zo staat in Brabant deze strijd bekend. Zoë is dan ruim drie jaar oud en Pia kan enkele maanden jonger zijn. Rafaël is bijna negentien en is nog steeds regelmatig neerslachtig, maar verder is het een goed en betrouwbaar jongmens. Een dromer, nog niet helemaal volwassen "Hij ligt nog in de pekel".
Volgens het huwelijkscontract van de burchtheer en burchtvrouw is het vanwege jonkvrouwe van Maleizen ingebrachte huwelijksgoed zeer hoog geraamd en een dergelijk aandeel kan het domein niet meer verantwoorden. Gomeer III verklaart vooralsnog niet aan te dringen. Eerste round ten voordele van het gewei.
Enkele maanden later ontvangt Welriekende een schrijven van Rafaël waarin hij verklaart geen voet meer op de Burcht te zetten zolang hij niet meerderjarig is. Round in het voordeel van de fazen. Hongarije verlangt van Gomeer een tegemoetkoming in de kosten voor de opvoeding van Rafaël, maar deze wijst hij af. Round in het voordeel van het gewei. Zo gaat dat een tijdje over en weer.

Enkele maanden voordat Rafaël zijn meerderjarigheid heeft bereikt, weerklinkt de gong voor een veertiende round, die ogenschijnlijk beslissend kan worden. Gomeer III van Ter Oigne neemt de ouderloze Pia als zijn pleegdochter aan. Pia is een felle meid die "getemd" moet worden. Zij wordt opgevoed door verschillende leerkrachten die met zorg door de abt van Grimbergen zijn uitgekozen. Mak Jeroen wordt vermoord door de Witte van de Dulle en zijn broer Klaus volgt hem op in de waardigheid van woudmeester. Op de dag dat Zoë en Pia hun eerste communie doen spreekt Klaus met ze. Zij zijn God genaderd en Klaus keurt dat goed. Maar nu moeten zij verder denken aan God, meent hij.

Klaus staat op één ding als op de as zelf van de aarde, - te weten dat God moed is. En dat wij elke levensdag aan Zijn goddelijke moed zijn geboden. En dat Hij wil dat wij vechten met Hem. Hij heeft ons daartoe uitgerust. Het is Zijn gebod dat wij onze moed aan de Zijne beproeven. En zoveel machten als er dagen zijn zendt Hij op ons af. Wee de lafaard, die de strijd ontvlucht!

Klaus heeft met beide kleindochters een hechte band. Ze bezoeken ook Emke nog en zij geniet van beide mooie meiden. Daarna legt zij zich te bed en vouwt haar handen in gebed. Zij sluit haar ogen en de nacht komt over haar.

Wanneer Klaus hoort dat Roedi terug is, is hij bang dat Annelies er bij is en haar dochter zal komen eisen. Maar Annelies is naar Polen en volgens Roedi zal zij niet weerkeren. Intussen onderneemt Pia in het kader van haar opvoeding een reis door Europa en Zoë gaat bij Klaus en Lieven wonen en wordt door Klaus ingevoerd in het vak van "vorstersknaap". Zij wordt heel snel ingewijd in de geheimen van de bomenteelt, de houthak, de zaagstoel en de jacht. De burchtheer zou graag meer aandacht besteden aan haar vorming van een beschaafde dame, maar wie haar door de beuken ziet vliegen op haar glanzend ros, weet genoeg dat er aan Zoë niet veel meer blijft te polijsten.

Rafaël keert terug naar zijn vader op de burcht, hij verlooft zich met jonkvrouwe Gisèle, burggravin de Fauquemont-Ferguut, zoals zijn vader hem heeft aangeraden. Zoë is zó onder de indruk van Rafaël, dat ze de burcht schuwt en terug gaat naar de Karot, naar haar stille tante Ida. Ida weet dat Zoë haar tijdelijke inzinking zal overwinnen, en rustig beschouwt zij de gevaarlijke weg die zij toch weer onverschrokken zal begaan. Maar de viersprong waar hij op uitloopt, blijft in de nacht bedolven. En niemand weet ooit vooraf, of daar de Engel niet te wachten staat.

Gomeer III, baron Caloen ter Oigne overlijdt, maar nog nét daarvoor verneemt hij dat Rafaël zijn gegeven woord aan Gisèle heeft ingetrokken en ook begrijpt hij dat hij Pia het hof maakt. Kortom het laatste wat hij had bedoeld en hij ziet het dan ook als verraad.
Wat niemand had kunnen voorzien, gebeurt op de zesentwintigste oktober 1939. Het is nog vroeg in de morgen wanneer Annelies het ereperron van de burcht bestijgt. Leid mij bij mijn kind, zegt Annelies. Drie dagen lang sluit Pia zich in haar kamers met haar moeder op. En de vierde dag blijken ze beiden verdwenen te zijn. Pia, van het Olijvenbloed, keert nooit terug. Zij bestrijkt voortaan, ver buiten de gulden tralies, de onafzienbare gebieden, waar de buizerd hangt.

De bruidsvlucht (1939-194..)
Het is een vervaarlijke schreeuw die Zoë uit haar slaap heeft gerukt. Zij kijkt uit haar venster en ziet heel Zoniën in laaie brand staan… Zoë verlaat de Karot, met vastberaden tred breekt zij door de vlammen van het Woud…. Op de berg, te midden van het lookveld, staat Klaus Jeroen het einde van zijn ras te klagen. …Uit zijn keel stijgt een rauwe jammer. Zo ziet Zoë haar grootvader, de Rechter van het Woud, de houder van de stam, het laatste zaad. Zo ziet zij hem berooid van alle macht en hoop. …Zij snelt hem tegemoet in de donder en stort zich op de borst van de oude Jeroen, haar grootvader. Hij klampt zich aan haar vast en drinkt de dood, aan 't einde van de dorst. … Dit is geen stervensuur. Dit is het uur van de verrijzenis, het uur van de reine dochter. Zij kust het geliefde voorhoofd en daalt uit de Hoogzaal neer. Een wijd gejubel leidt haar voor. De profetische tongen ontspringen aan de zegels die haar boeiden. Niets kan voortaan zo recht en onverbiddelijk zijn als de koers die Zoë heeft ingezet. Geen poort, hoe zwaar met het gewei bekroond, of zij zal begeven wanneer Zoë op de stoep verschijnt. De storm valt stil. Stil staan de zuilen. Heilig, heilig is de stilte die door het machtige woud van Zoniën vaart.

Advent in 't zicht, gespt andermaal de aarde haar riem van starren aan. De zon gaat in Sagittario.


Literair-historische context

In 1893 bezoekt August Vermeylen diverse Nederlandse schrijvers om te vragen of zij bijdragen willen leveren aan het nieuwe Vlaamse tijdschrift Van nu en straks. Wat de vorige schrijversgeneraties gedurende meer dan vijftig jaar niet was gelukt, kon de eenentwintigjarige Vermeylen in een paar jaar tijd wel realiseren: belangstelling en waardering opwekken in Nederland voor de Vlaamse literatuur. Daarbij werd een nieuwe vermenging van Noord en Zuid op voet van gelijkheid tot stand gebracht. Tot dan toe had het Noorden met ietwat hooghartig misprijzen neergekeken op de literatuur in het Zuiden, die inderdaad nog in de kinderschoenen stond. Logisch na een eeuwenlange onderdrukking van de eigen taal onder vreemde bezetters. Het tijdschrift Van nu en straks echter, genoot, vooral door de diversiteit van onderwerpen en de medewerking van specialisten uit binnen- en buitenland internationale allure. Helaas, door meningsverschillen binnen de redactie werd de publicatie in 1901 stopgezet. Dit betekende echter nog niet het einde van de Van-nu-en-straks-beweging als doorbraak van het moderne levensgevoel en kosmopolitisme in de Zuid-Nederlandse literatuur. Met zijn 25 nummers had Van nu en straks een onstuitbaar proces op gang gebracht. Slechts enkele jaren later zou Teirlinck samen met Van de Woestijne de lijn doortrekken met de stichting van Vlaanderen (1903-1907), waarin alle Van-nu-en-straksers opnieuw werden verenigd. Men kan zelfs de lijn nog verder doortrekken tot en met het Nieuw Vlaams tijdschrift, geconcipieerd door Vermeylen en opgericht door Teirlinck in 1946. De Van-nu-en-straksers hebben aldus niet alleen de start gegeven tot de vernieuwing van de Zuid-Nederlandse literatuur, doch tevens gedurende meer dan een halve eeuw de ontwikkeling van het cultuurleven in Vlaanderen mede bepaald.

Hoewel Het gevecht met de engel uitkwam in 1952, wordt het gezien als "vooroorlogse" overgangsliteratuur. Weliswaar als een eind- of hoogtepunt daarvan, maar zeker niet als baanbrekend of vernieuwend. Teirlinck die in 1896 al debuteerde met gedichten, heeft in de loop van zijn carrière met diverse stromingen te maken gehad, hij begon met naturalistisch-impressionistisch proza, rond 1907 ontdekt hij de geest van het dilettantisme en in de jaren rond 1920 is Teirlinck sterk geïnteresseerd in het expressionisme. Dit brengt hem tot een grote activiteit met betrekking tot het toneel. Pas tegen 1940 gaat hij zich weer met de romankunst bezighouden en hij sluit zich dan aan bij de algehele vernieuwing van dit genre. Hij schrijft twee vitalistische romans, waaronder Maria Speermalie, een boek dat samen met Rolande met de bles wordt gezien als voorstudie voor Het gevecht met de engel. Teirlinck zegt over deze werken zelf dat hij omstreeks 1935-1936 "door de sappen der aarde met kracht werd aangegrepen". Dit bracht hem ertoe te putten uit dezelfde inspiratiebronnen als die van de expressionistische schilder.

In Het gevecht met de engel ligt dan ook de nadruk op de gevoelswaarde van het Zoniënwoud en de bewoners, daarnaast wordt veelvuldig beschreven wat er in het onderbewustzijn van de diverse personages omgaat. Dat is de expressionistische invloed.

Voortaan leeft zij in een rijk van stilte, in een wereld die de nacht van haar bloed geborgen houdt, een leven met haar ziel.

Niemand twijfelt daaraan. Niemand, behalve …Behalve, in de duisternis waar mijn angst is ondergedoken, de weergalm van mijn stem.

Ik heb voortdurend heimwee, mijn hart drijft af naar de floeren innigheid van het woud, naar de plechtige tempelstilte, naar het lage lover dat rond het Jachthuis zingt.


Het vitalisme vinden we terug in de in het boek tot uiting komende levensbeschouwing, maar ook in de stijl waarin het werk geschreven werd. Het vitalisme vinden we vooral in het Zoniënwoud dat in het boek een hele prominente rol speelt. Als kind maakte Herman Teirlinck wandelingen door het Zoniënwoud en deze hebben op hem een blijvende indruk gemaakt. Samen met de Zennevalei behoort het Zoniënwoud tot zijn "geestelijke landschap". Het gevecht met de engel wordt daarom ook wel een "Gewijde Geschiedenis van het woud van Zoniën" genoemd. Het woud in de hoofdrol heeft dan ook van Teirlinck een ziel gekregen.

Hoog rijzen de bronzen zuilen, hoger de nachtelijke gewelven in het woud van Zoniën. Heilig, heilig is de stilte in het machtige woud van Zoniën. Gods adem vaart uit.

Met kracht wordt nu aan de onderaardse woudspelonken de dag geboren. De koepels scheuren open. Een rozig licht spreidt zich over alle kruinen uit. En alle kruinen gaan aan het zingen. Die koude zang beklemt Maks hart.

Somber rijzen de bronzen zuilen. Somber de hoge gewelven van het woud. Heilig, heilig is de wijding van het fluwelen woud. Door de kruinen jaagt de maan. Stil jaagt zij, van een stilte die het minste leven op aarde rumoerig maakt.

Het helmt tot aan de uitersten van de wereld. Want als de lente in aantocht is, bot er aan alles iets dat naar de lente roept.


Bij de Van Nu en Straks-ers was het van belang dat de literatuur "hogere facetten " van het leven weergaf. In Het gevecht met de engel geeft Teirlinck daar vooral uiting aan doordat de personages op zoek zijn naar het wezen van het leven, de verhouding tussen het goddelijke en het menselijke. Het komt tot uiting in Teirlincks theologie; zijn personages beschouwen God op hun geheel eigen wijze. Dat doet Brozen en dat doet ook vooral Klaus.

Brozen vertelt dat hij zich oefende in de waarneming om de waarneming zelf (ook die van zichzelf), dat hij een maniak van de observatie werd, maar hij stelt tegelijk dat hij door dit te doen zijn leven leeg en moe heeft gemaakt. Hij gaat nog verder: hij stelt dat hij zijn uiterlijke gedrag aanwendde om zijn innerlijke ontredderingen te verbergen, zó nadrukkelijk dat ook zijn intimi onder de koude en uiterst verzorgde verschijning, die ik steeds was, de smartelijke opwindingen, de radeloze twijfels, de dodelijke angsten niet hebben ontdekt. Hij noemt het meest benauwend gevaar dat iemand bedreigen kan gescheiden te zijn van het universele worden, verstoten te zijn van de solidaire bezieling die God aan alle wezens heeft besteed.
Klaus staat in zijn geloof lijnrecht tegenover zijn vrouw Emke.
Zeg wat er scheelt. Hij moet het niet vragen, hij weet het. 't Is de gang van elke zondag immers. De kerk deugt niet voor Emke. Maar voor wie deugt dat weke kot, dat vol wierook en kaarsroet hangt? Alleszins niet voor dapper bloed, meent Klaus …
Klaus walgt van de Heilige Geest, die men met een vaderons kan paaien. De god van Klaus vangt men niet in een woord. En nog minder in een teken. De god van Klaus is een heerlijke werkelijkheid, een machtige geweldenaar waarmede het goed en voordelig is een verbond te sluiten. De god van Klaus verbergt zich niet in strikvragen en sekreten. Die god laat zich zien, en horen, en ruiken, en smaken, en tasten. Gij rijst in de dag uit uw slaap, en God omringt u seffens van alle zijden en onder alle vormen van wat is. Men hoeft hem niet te raden. Gij hebt zelfs de tijd niet hem te zoeken, want hij komt op u af, de god van Klaus, met een kordaatheid die u onmiddellijk nietig maakt. Om goed met hem te staan, moet gij hem uit de weg gaan, en waar hij u toch te pakken krijgt, moet gij op uw tanden bijten en hem verdragen. Hij heeft uzelf, die god, toegerust om hem te mijden of te lijden. Gij hebt immers ogen, en die god maakt zich zichtbaar genoeg. Gij rijst uit de nacht, en gij ziet zijn licht. En gij ziet de wereld in dat licht. De goede dingen ziet gij, en de kwade. Het heldere water, en het vergiftigde water. Het loof dat goed is om te eten, en het loof dat de koortsen aansteekt. De god van Klaus verbergt niets. …
De God van Klaus liegt niet. En uw hand, die altijd gretig is, zal hij ook nooit ontwijken. Gij moogt hem voelen. Gij moogt de hitte voelen van de zomerzon, en dan smelt gij weg in het zweet. Gij moogt de vorst van de winternacht voelen, en dan krimpt uw vlees saam tot op het merg. Gij moogt hem in al zijn wezen en voorkomen betasten, maar gij moogt niet week zijn, gij moet kunnen vechten met hem, en uw man staan tegen hem, en kracht genoeg in de strijd bewaren om hem nog heelhuids op het nippertje te ontvlien. De god van Klaus is geen dromer, geen orgelblazer, geen labbekak. Hard is hij, als het leven. En rechtvaardig als het zwaard. Van zulke god is het woud de tempel. …


Naar mijn mening moeten we niet proberen om dit boek te plaatsen in het jaar waarin het uitkwam, 1952. Veeleer zie ik het als de kroon op het werk van een groot kunstenaar, die meer dan een halve eeuw heeft geëxperimenteerd met verschillende soorten van kunst: poëzie, toneel, architectuur, schilderen, poppenspel en uiteraard proza. Teirlinck heeft zo'n lang schrijversleven geleid, dat het heel normaal is dat hij meeleefde en meeëvolueerde met de ontwikkeling van de literatuur. Een ontwikkeling die logischerwijze tijdens de Tweede Wereldoorlog stil heeft gestaan en ook na deze oorlog duurde het een tijdje voordat er weer nieuwe ontwikkelingen plaatshadden.

Visie op mens en maatschappij

Teirlinck zegt zelf: "De weelde van mijn beeldende wereld maakt de andere volkomen bespottelijk". Zijn eigen verbeelde wereld wordt dus lijnrecht gesteld tegenover de andere, de werkelijke. Toch doet zijn verbeelde wereld in Het gevecht met de engel sterk denken aan een bestaande wereld. Dat komt omdat de personages echt léven; je kunt je er goed in verplaatsen, hoe bizar hun gedragingen dan soms ook mogen zijn. Hoewel ook het dagelijkse leven wordt beschreven is er duidelijk sprake van een zoektocht naar de diepere gronden van het leven, de gronden van het leven die van "eeuwige" aard zijn en blijven voortbestaan ook nadat een bepaald individu of verschijnsel dat aan dat leven ontsprong, afstierf. Het leven blijft ook na dat afsterven voortbestaan, ook de daarin werkende krachten. Teirlinck schrijft deze krachten en dit leven een soort eeuwigheidswaarde toe; hij is vervuld van een heilige eerbied voor deze krachten en waarden. In verband hiermee mag men Teirlincks levenservaren duidelijk religieus noemen. Echter, zoals hij zich het recht voorbehoudt om zijn eigen wereld te scheppen, zo neemt hij ook de vrijheid om er een hele persoonlijke visie op God op na te houden. Zelf spreekt hij van zijn "belijdenis der universele verbondenheid", zijn verbondenheid met alle levensverschijnselen. Teirlinck wil tot de kern van het leven raken. Hij erkent als alles te boven gaande de wet die het Leven is, die alles maakt en breekt.

Er zijn hogere wetten. Van uit de wieg, waar de tijd en het leven zijn geboren. Wetten, die de soevereine en onwankelbare orde in de natuur handhaven. De wet, bij voorbeeld, die de houding van de geslachten regelt, het gewei van het hert voor de edele kamp bereidt, een wolfshond belet de teven aan te randen, en bij de mens de barensweeën tot een belofte maakt van goddelijke smaak. Zulke wetten richten in opperste pleinen van licht het oergeweten, waar een gedoemde ziel alleen van verstoken blijft.

Maar er zijn lagere wetten, Zoë, wetten die een aards vergelijk betrachten met onze afkeer voor God, wetten die onze kleine belangen een schijn van recht en fatsoen verlenen, en onze schanden dekken onder een mantel van eer.

Bedenk dit in uw hart, Zoë.


Literair-artistieke en persoonlijke mening

Compositie, stijl en personages

Compositie

Critici hebben opgemerkt dat Teirlinck in één werk diverse technieken toepast, waardoor de constructie van het werk zou worden geschaad. Opvallend is inderdaad de "breuk" tussen het hoofdstuk, waarin Brozen de ik-figuur is en de andere hoofdstukken waarin een verteller ons toespreekt. Ook verschuift het perspectief van bijvoorbeeld de verteller zelf, naar Mak Jeroen, Ida en vervolgens naar Zoë. Daarnaast zijn er grote gedeeltes in briefvorm geschreven. Mijns inziens wordt het werk daar echter geenszins door geschaad, het wordt er alleen maar levendiger van. Daarom ben ik blij dat, ook voor wat compositie en constructie betreft, Teirlinck zich het recht heeft voorbehouden om zijn voorkeur te volgen.

De ondertitel van Het gevecht met de engel luidt "Nederzetting van de Jeroens op O.L.V. Welriekende". Het boek bestaat uit twee delen; het eerste deel uit vier hoofdstukken en het tweede deel uit twee grote hoofdstukken en een hoofdstuk van slechts drie bladzijdes. Deze hoofdstukken gezamenlijk omspannen ettelijke eeuwen. Het laatste hoofdstuk is meer een slotwoord, het bevat een vage verwijzing naar de toekomst.

Op de achterkaft staat een door Teirlinck zelf getekende schetskaart van Onze-Lieve-Vrouwe-Welriekende.

Stijl
Het eerste dat opvalt is de door Teirlinck gehanteerde taal, het zeer bekoorlijke Nederlands waarmee hij uiting geeft aan zijn verbeelding. Het zijn mooi klinkende, typisch Teirlinckiaanse woorden en zinnen die getuigen van een unieke beeldende kracht. Teirlincks taal klinkt fris en fraai en is geïnspireerd door de natuur en de culturele samenlevingsvormen. Waarschijnlijk beïnvloed door het impressionisme, dat in zijn jeugd hoogtij vierde, vond hij een nieuwe, levendige, beeldende taal. Voor wat betreft het hanteren van de syntaxis maakte Teirlinck een ontwikkeling door van een samengestelde zinsbouw in zijn jongere jaren tot een aanzienlijk enkelvoudiger bouw in de latere jaren. Het zijn deze enkelvoudige, recht op de zaak afgaande zinnen die Het gevecht met de engel vitalisme meegeven en maken dat het boek leest als een trein, ondanks het feit dat je aan het taalgebruik eerst wel even moet wennen. De eerste zinnen heb ik dan ook een aantal keren gelezen:

't Jaar Onzes-Heren 1343, op Witte Donderdag, de zon gaat in Taurus. Drie kapelanen van Sinter-Goedele te Brussel, beu van knoeien met God en de Vijand, wenden zich voorgoed af van het onrecht, de ontaarding, de schraapzucht en de schijnheiligheid der mensen. Zij geven hun beneficiën prijs en dringen zonder omzien in de ongerepte diepten van het Zoniënwoud.

Uit deze zinnen blijkt dat Teirlinck ook beschikt over humor en cynisme. Zelf zegt hij tevens dat hij in de grond een genietende cynicus is. Uit deze zinnen blijkt eveneens dat er een kosmisch element in het werk zit. De zon staat in Taurus wanneer het boek begint, de zon gaat onder in Sagittario wanneer het boek eindigt.

Wat verder opvalt zijn de veelvuldige tegenstrijdigheden: de verregaande beschaving (de lagere wetten) staat tegenover de primitieve oerdriften (de hogere wetten), de burcht met zijn decadente grootsheid staat tegenover het lemen hol met de kleien vloer waar Klaus met zijn gezin woont. Tegenover Ida, die leeft in een boven de natuur verheven wereld, in een staat van gelukzaligheid, staat de primitieve persoon van Achiel. Tegenover Klaus, de Rechter van het Woud, staat de lieve, kleine deemoedige Emke.

Klaus, Klaus, vaar niet zo geweldig uit ten overstaan van de dood. Put niet zo hoogmoedig uit de macht van uw bloed. Veel sterker immers is deemoed. Ontboei niet de dood op uw mond, Klaus, roep hem niet aan voor uzelf, die zo vraatzuchtig zijt, bal hem niet in uw vuist voor anderen, want iemands uur is niet in uw bereik.
Leg neer veel liever dat uitdagend gemoed, en zie toe hoe Emke Viaene, uw vrouw, haar heerlijke berusting viert. Straks doemt haar kleine hand, met minder dan een wenk, uw felle trots tot onmacht.


Zelfs Pia en Zoë zijn heel verschillend:

En nog nooit heeft zij de verschillen, die bij de twee meisjes opvallend zijn, zo harmonisch in de diepten van het ras overeengebracht. Zij houdt van de zwijgende Zoë, die de dag zo kordaat tot een rustig leven verwerkt, en niet minder houdt zij van de rappe Pia, met de bloedige bevliegingen. En zij weet dat beiden telgen zijn aan een zelfde felle macht ontsproten, zij weet dat de macht niet laf kan zijn en daarom een gevaarlijke wreedheid moet slaken, en zij klemt de hand van de machtige Klaus, en de toets van haar vingeren zendt door het machtige lijf van Klaus een stroming van onuitsprekelijke liefde.

Personages
Er komen heel wat personages voor in het boek, die we allemaal redelijk goed leren kennen. Ze hebben goede eigenschappen, maar ook slechte, vaak zijn ze dapper, maar soms ook oprecht bang, ze zijn gelukkig, maar ook wel eens verdrietig; zélfs in de ogen van de machtige Klaus blinkt wel eens een traan. Er is liefde, maar er is ook haat, er gaan mensen dood, er worden weer anderen geboren, er is jaloezie, onverdraagzaamheid, machtstrijd en zelfs moord, maar er is ook zorgzaamheid, medemenselijkheid en gemeenschapszin. Al lijken ze nog zo verschillend; de heersenden rondom het oude kasteel, de dienenden in het kleine deemoedige gehucht, de onafhankelijken in het machtige woud van Zoniën, in wezen zijn ze allemaal gelijk. Zoals de wijze mulder Sante opmerkt "Wij worstelen met God, mijnheer de pastoor". Dat wil zeggen wij allen worstelen met onbedwingbare oerdriften, wij worstelen ook met al wat om ons heen aanwezig is.

Er zijn in ons, meent de wijze mulder, … twee intelligenties aanwezig, een goddelijke, waarvan wij de werking wel eens constateren doch nooit controleren kunnen, en een menselijke, die wij ons best doen om aan te wenden in de richting van een niet altijd goed bepaald of waarneembaar geluk. Het geluk, nietwaar? is een betrekkelijk begrip, een belofte van verbetering op onze huidige toestand, en aan elke verbetering ontschiet een nieuwe belofte. De vorderingen die wij op deze weg maken en de schijnbare veroveringen die wij boeken, noemen wij kultuurwinsten. Daartegenover staan de duistere gedragingen van de goddelijke intelligentie, die wij, met een zekere afschuw, instinkten heten…. Wij worstelen met God, mijnheer de pastoor.

Alle personages worden door Teirlinck met een zeker respect beschreven. Nergens wordt een oordeel geveld, iedereen wordt in zijn of haar waarde gelaten: de moordenaars evengoed als de deugdzamen. Zelf heeft Teirlinck daar ooit over gezegd: "Ik lach zelf om hetgeen ik vertel. Ik behoor tot de slag ellendigen waarvan men kan zeggen dat zij, bij het wijde schouwspel van het leven, niets afkeuren en niets toejuichen".

Persoonlijk oordeel
Zoals sommige schilderijen van het doek af lijken te "spatten", zo lijkt uit dit boek het leven te komen bruisen. Daarom verslind je dit boek niet, of leest het in één adem uit, nee, je kruipt er middenin. Het heilige woud bestààt, de Jeroens en de Caloens bestààn, de natuur die wordt beschreven, zie je, ruik je, voel je en je kunt je uitstekend verplaatsen in de levenswijze van de personages, hoe verschillend zij dan ook zijn.

Er bestaat een oneindige verscheidenheid van mensen, maar hoeveel soorten er ook mogen zijn, men vindt nooit het precieze soort waarbij iemand volkomen past. Misschien zijn er per slot van rekening zoveel soorten als er mensen zijn, maar dan moet men het sorteren opgeven. …
Het voorzichtigste is dan nog (en het doelmatigste tevens) zo'n levend ding in zijn gedragingen na te gaan en ze voor zichzelf te laten spreken, zonder hen aan een uitleg te toetsen die meestal op aprioristische stellingen berust.


Een aantal personages overwint het gevecht met de engel, in de zin zoals de pastoor het bedoelde; zij geven zich over aan de goddelijke oerwil in het leven, dat doet de door het leven teleurgestelde Ida en dat doet ook Emke.

Zij knielt nu neer. Wanneer zij bij de sponde haar voorhoofd in de dekens drukt en al haar aandacht wijdt aan het gebed dat zij haar Lieve-Heer vereert, die in de hemel is, weet zij dat dit geen loze woorden zijn, wijl zij zich vanouds in Gods vertrouwen verheugt. Zij heeft niets vergeten. Er is niets meer te doen … Zij sluit haar ogen. De nacht komt over haar.

Centraal staat het machtige en mysterieuze Zoniënwoud dat regelmatig wordt beschreven in die prachtige, krachtig beeldende, typisch Teirlinckiaanse taal:

Al waant hij zich nog zo sterk, de oude bosmeester, telkens als hij in de wouddiepten dringt, wordt hij door 't wondere natuurgeweld ongenadig klein gemaakt. Het is nog nacht. De nachten zijn lang in maart. Maar het is goed ook, want zij doen het woud zwellen en drijven het sap. Mak heeft de hoogkamers bereikt. Hier ruikt de ruimte naar het droge loof van de varens. En als hij vinnig snuift, ruikt zij naar peper of anijs. Dat is van de jonge scheuten, die door de broeigrond breken. …
Van uit peilloze verten helmt de schreeuw aan van een hert. Het is het teken van de morgen. Met kracht wordt nu aan de onderaardse woudspelonken de dag geboren. De koepels scheuren open. Een rozig licht spreidt zich over alle kruinen uit. En alle kruinen gaan aan het zingen. Die koude zang beklemt Maks hart. …
Ter plaatse, vanouds genaamd de Zaal, die gelijk een tempel is op brede bolle heuvel, rijst boven het onverwachtse laar de hemel bloot, als een toren van honderd doorzichtige torens. Hoog in de oneindigheid, aan een azuren meer, hangt de traagwielende zweefvlucht van een buizerd.
Daar komt nog bij dat men in de Zaal van zogauw de uchtend bloost, altijd honden hoort bassen. Men weet niet vanwaar, eigenlijk van zo wijd als men kan voelen of denken.

Het uitzicht over het verwelkend lookveld is onverschilliger dan ooit. Het woud begint daarrond te ademen. Zij is al ver wanneer het triestig hondengejank uit de Zaalspelonken opstijgt. Trouwens, men moet altijd ver zijn, wil men die honden horen.


Humor is ook aanwezig, vooral in de manier waarop Teirlinck de heer Ots, majordoom, en de oude douairière, Hoogvrouw van Hongarije, omschrijft:

Het is een zeer innemend heerschap, deze Ots. De vriendelijkheid, de gedienstigheid, de onfeilbaarheid zelf. Hij is klein en rond, een bollig buikje onder een bollig hoofd, heenglijdend naar alle zijden op bolle broekspijpen, als 't ware met beuling gevuld. Hij verplaatst zich met een verbazende gladheid en zijn benen, die onzichtbaar zijn, misschien zijn het onzichtbare wielen of schaatsen. … Hij is hopeloos bijzichtig en door twee spleetjes van zijn kop schiet een schichtige blik, want van een brilglas heeft hij in al zijn leven nooit willen weten, zodat hij alles aanstoot met zijn voorhoofd wat hij wenst te zien. Maar hij bezit aan weerszijden van zijn lijf, ontzaglijke handen, als vierkante spanen met pensronde vingeren. De twee handen van mijnheer Ots zijn er wel tien, te oordelen naar hun wondere alomtegenwoordigheid. Hij hoeft uit zijn gelaat niet te kijken, aan elke vinger hangt een oog. …

Dat hoofd zit op de nauwe beenderige schouders van de oude douairière, zijn doorluchtige moeder. Elke zaterdagmiddag verschijnt mijnheer Ots in de ruime living, waar de douairière zich in het gezelschap van een arme nicht ophoudt. …en het valt aardig mee dat juffrouw Sibylle zogoed als potdoof is, hetgeen de douairrière toelaat zonder hinder haar razende uitvallen en humeuren bot te vieren. …
Daar staat mijnheer Ots op de drempel.
Ah, tiert de Hoogvrouw, voilà l'imbécile. Mijnheer Ots nadert op zijn gewone, schuivende, onhoorbare manier, en bij het tafeltje, dat onder het hoge raam staat, gaat hij zitten. Het behoort blijkbaar tot een wekelijks ritueel. De majordoom opent een volumineuze tas en stort er tot over de nek in. De papieren die hij er uithaalt, schikt hij plechtig onder de arendsneus van de hoogvrouw, die een gouden face-à-main over haar perkamenten rimpels heft en schreeuwt dat het door iemands nieren mocht snijden, als daar iemand met nieren aanwezig was:
- Que signifie cet affreux grimoire?
Zij slaat een klauw door de bladen en duwt de rommel onder de kin van mijnheer Ots. Ondertussen springen veren in haar schouders los en men zou zeggen dat er een geraamte davert in de zijde van haar keurs. De majordoom wacht een hele tijd, ingevolge een traditie die hij haast chronometreren kan. Hij hoort de dame gillen en schelden, en scharrelt ten slotte zijn rekeningen bijeen. Hij legt dan een pakje bankbrieven op het tafelbord en maakt aanstalten om zich te verwijderen.

Daar wordt reeds op de deur geklopt, discreet, met een hand die, hoe dan ook, toch de reuzespaan van mijnheer Ots is. …
De dikkerd is uit het deurgat in rechte lijn en geruisloos naar de stoel gegleden die hem wordt aangeboden. Reeds duikt zijn hoofd in de ruime tas. …
Onderwijl ziet hij belangstellend de monsterachtige vingeren in de diepte scharrelen van de tas….
Hij neemt van mijnheer Ots een pakje papiergeld en een vulpen in ontvangst, en hij zet zijn handtekening op een kwijtbrief, vlak naast de vale sausijs die de wijsvinger is van de majordoom…
Mijnheer Ots komt geruisloos aanglijden en seffens morrelt hij met de tien saucijzen van zijn handen in de aktentas, die vanzelf is opengevallen. …
- Ga zitten, mijnheer Ots.
Dat doet hij. Hij schijnt er nauwelijks kleiner door, hij zit reeds, zou men zeggen, terwijl hij nog loopt. Zijn monsterachtige handen rusten, van alle bezigheid beroofd, in wat er aan hem nog overblijft voor een schoot.


Moet ik nog zeggen dat ik zeer onder de indruk ben van dit werk?

Bronnen
Voor dit verslag heb ik in "Nederlandse literatuur, een geschiedenis" geen informatie kunnen vinden. Eerlijk gezegd vind ik dat vreemd, voor zo'n belangrijk werk in de Nederlandse literatuur. Ook op Internet, in uittrekselboeken e.d. is niets over dit boek te vinden. Uiteindelijk heb ik gebruik gemaakt van "Handboek geschiedenis Nederlandse letterkunde" van Knuvelder, dat dertig bladzijden wijdt aan leven en werken van Herman Teirlinck.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het dan weten door een reactie te geven.