Info over dit verslag
Geschreven door: | anoniem |
Niveau: | 4HAVO |
Kwaliteit: | ![]() ![]() ![]() ![]() |
Waardering: | ![]() ![]() ![]() ![]() |
Taal: | Nederlands |
Woorden: | 2775 |
Opvragingen: | 10 |
Hulpmiddeltjes
Waardering
Gemiddelde waardering: 4 uit 5 (6 stemmen)
Titels van Carry Slee
100% Timboektoe (20) 2004 Afblijven (57) 1998 Bikkels (18) 1999 Confetti conflict (13) 1993 De toegift (7) 2005 Der Drachenpfad (1) 1994 Dochter van Eva (17) 2002 Een broodje gras en linke soep (2) 2000 Geklutste geheimen met strafwerk toe (8) 1995 Hallo baby! (1) 1992 Hebbes (4) 2002 Help! Juf is verliefd (1) 1997 Het bliksemeiland (1) 1993 Het drakepad (1) 1990 Hot or not: your choice (1) 2008 Kappen (50) 1999 Kilometers cola en knetterende ruzie (13) 1994 Link (2) 2002 Lover of Loser: your choice (20) 2006 Moederkruid (33) 2001 Ooggetuigen (1) 2007 Paniek (41) 2001 Pijnstillers (50) 1997 Radeloos (35) 2003 Razend (54) 2000 Schreeuwende slaapzakken en stiekeme stropers (4) 1999 See you in Timboektoe (31) 2004 Spijt! (92) 1996 Timboektoe rocks! (9) 2007 Timboektoe rules! (25) 2005 Vals (2) 2003 Van opa mag het ook (1) 2004 Verdriet met mayonaise (12) 1991 Vervalst (3) 1997
Laatst gewijzigd op 21 juni 2007
Zakelijke gegevens.
Titel: moederkruid
Auteur: Carry Slee
Jaar van uitgave: 2001
Uitgeverij: biblion uitgeverij
Druk gelezen: 1e
Aantal blz.: 201
Opbouw: er zijn geen hoofdstukken in dit boek.
Samenvatting
Hoofdpersoon en ikfiguur is een meisje van circa acht jaar. Zij geeft een beeld van het gezin waarin zij opgroeit, met name van het slechte huwelijk van haar ouders. Met haar oudere zusje Els(je) probeert zij zich staande te houden.
De moeder van de ikfiguur was zeventien toen ze door háár moeder werd meegenomen naar de kleermakerij van haar latere echtgenoot. Na enig aandringen nam deze het meisje als handwerkster in dienst. Achteraf bleek dat de oma van de ikfiguur haar dochter op die manier probeerde te koppelen: ze wist dat de kleermaker snel verliefd werd en zeker op een meisje met blond golvend haar en grote borsten. (Meestal duurde zo'n verliefdheid overigens niet lang.) De kleermaker bleek getrouwd, maar wilde scheiden om met zijn medewerkster te trouwen. Vlak voor het huwelijk was de moedervan de ikfiguur er getuige van hoe háár moeder zich door haar man met een breipen liet aborteren: dat spaarde 'een smak geld' uit.
De vader van de ikfiguur is erg teleurgesteld als zij geboren wordt: hij had gehoopt op een jongen. Hij doet echter net of ze een jongen is, noemt haar liefkozend 'mijn jongen met een spleet', leert haar typische jongenszaken zoals voetballen en houdt haar voor zich stoer en niet meisjesachtig te gedragen.
Als de kleermakerij van haar vader failliet gaat, moet het gezin naar een krappe driekamerwoning in een arbeidersbuurt in Amsterdam-West verhuizen. Minstens één keer per dag zegt haar moeder dat ze hier niet horen, dat ze beneden hun stand wonen. Ook doet ze alsof ze beneden haar stand getrouwd is. Ze is echter de dochter van een fabrieksarbeider en een zeer volkse vrouw. Ze lijdt aan smetvrees, is contactgestoord en krijgt het met iedereen aan de stok. De kinderen mogen zich met niemand in de buurt bemoeien en gaan in een andere, nettere buurt naar school.
Ondanks zijn faillissement en krappe inkomsten blijft haar vader het leven leiden van een vermogende middenstander. Zo koopt hij een Amerikaanse slee ('een studiebeker'!), waarmee hij goede sier maakt in de nieuwe buurt.
Omdat haar moeder wel inziet dat de kans op een spoedige verhuizing naar een betere buurt nihil is, staat ze toe dat haar dochters met andere kinderen spelen. Ze moeten haar echter beloven bij anderen thuis niet naar de wc te gaan, omdat die vol 'loerende' bacteriën zitten. Als de ikfiguur een keer bij een buurmeisje is en hoognodig naar de wc moet, vergeet ze dat echter en gaat op de bril zitten. Ze voelt hoe er iets naar binnen kruipt. 'Dat moesten de bacteriën zijn, ze kropen steeds hoger' (p. 53).
Met Ada, een vriendinnetje, bezoeken de ikfiguur en haar zus Elsje de zondagsschool. Ze raakt daar onder de indruk van de aardige juf Anja en bidt mee, hoewel dat nadrukkelijk door haar moeder verboden is. Die moet niets hebben van katholieken (die vindt ze 'misdadig' en 'Die fokken maar aan', p. 46).
Een tijdje later merkt de ikfiguur dat haar plas een donkerbruine kleur heeft. De dokter stelt een nierbekkenontsteking vast. Zes weken zal ze in bed moeten blijven en zoutloos moeten eten. Haar moeder laat nadrukkelijk weten dat ze er met haar verzorging nu een dagtaak bij heeft. Tijd om even bij haar in de kamer te blijven heeft haar moeder niet en bezoek wordt niet toegelaten.
Op een dag komt de deurwaarder kostbare spullen weghalen: haar vader is opnieuw failliet gegaan, al zijn machines zijn in beslag genomen en zijn atelier is hij kwijt. Natuurlijk levert dat weer fikse ruzies op tussen haar ouders. De twisten lopen nog hoger op als haar vader de slaapkamer als nieuw atelier inricht (het bed gaat zolang in de kamer) en nieuw vrouwelijk personeel aantrekt. Haar moeder roept voortdurend dat ze zich erop moeten voorbereiden dat ze in een inrichting zal belanden, daar is haar man op uit, volgens haar. De spanning stijgt ten top als de moeder haar man betrapt tijdens een vrijpartij met een van zijn werkneemsters.
Haar vader neemt de ikfiguur kort daarna mee in zijn auto en vertelt haar dat hij ergens anders gaat wonen: 'Mama wil dat papa weggaat. Zij wordt heel ongelukkig van papa en dat moet niet. Dat zou jij ook niet willen' (p. 130). Ze vertelt het trieste nieuws aan kinderen in de buurt
en stijgt direct in hun achting.
Haar vader huurt een nieuw atelier in de kelder aan de overkant van de straat. Tot haar verwondering blijft haar vader echter bij hen wonen. De kinderen in de buurt noemen haar een leugenaar en willen niet meer dat ze meespeelt. Na een tijdje wordt dat verbod opgeheven, als ze belooft dat ze nooit meer zal liegen.
De ikfiguur doet mee aan een opwindend spelletje in de fietsenstalling, waar de elfjarige Kitty werkt. Kitty laat daar haar borsten zien; de ikfiguur mag er zelfs aan voelen en even in knijpen. Het windt beiden op. Kitty zorgt ervoor dat de ikfiguur bij haar in de stalling komt helpen, waardoor ze meer tijd heeft voor intieme spelletjes. Kitty maakt daar abrupt een einde aan, als de ikfiguur haar een keer spontaan op de mond zoent om haar affectie te laten blijken.
Het gaat psychisch steeds slechter met de moeder van de ikfiguur. Urenlang zit ze apathisch voor zich uit te staren, ze krijgt angstaanvallen en komt nauwelijks haar bed nog uit. Ze slikt steeds meer kalmerende middelen, die een psychiater heeft voorgeschreven. De kinderen moeten nu voor zichzelf zorgen. Koken doet een buurvrouw. Hoewel hij weet dat zijn vrouw er niet tegen kan, laat haar vader een piano in huis komen, waarop Els mag spelen. De ruzies tussen haar vader en moeder lopen steeds hoger op. Haar moeder doet een zelfmoordpoging, met een broodmes snijdt ze haar polsen door. Als ze weer thuis is, doet ze er absoluut niet geheimzinnig over. In geuren en kleuren vertelt ze hun hoe het gegaan was. En het heeft volgens haar wat opgeleverd: trots laat ze de urgentieverklaring voor een woning 'in een fatsoenlijke buurt' zien, die de psychiater voor haar heeft verzorgd.
Ze staan voor hun nieuwe huis. Als de ikfiguur voor het raam van de tweede verdieping een vrouw ziet zwaaien, wil ze terugzwaaien. Haar moeder grijpt snel in: 'Geen aandacht aan besteden. (...) Denk erom, we bemoeien ons met niemand. Met helemaal niemand' (p. 202).
Verhaalanalyse
Tijd:
In het verhaal van dit boek wordt gebruik gemaakt van een kunstgreep. Want de gebeurtenissen zijn namelijk niet-chronologisch verteld (zoals ze zich ook daadwerkelijk hebben afgespeeld). De fabel wijkt dus af van het sujet. Er zitten namelijk veel flashbacks in. Die vertellen wat meer informatie over de personages. Ze verduidelijken wat er wordt gezegd en geven uitleg. Er zitten geen vooruitwijzingen (anticipaties) en terugwijzingen (retroversie) in dit verhaal.
De gebeurtenissen in dit verhaal zijn niet-continu. Want er zit namelijk een beperking in de beschrijvingen van de gebeurtenissen. Er zitten onderbrekingen tussen. Ook wordt er soms gebruik gemaakt van tijdsverdichting.
Verteltijd en vertelde tijd:
De verteltijd van dit boek is 202 bladzijdes (ongeveer 5/6 uur).
De vertelde tijd van dit boek zal een paar jaar zijn.
De vertelde tijd is dus langer dan de verteltijd. Het verhaal is in de verleden tijd geschreven.
Het boek speelt zich af in de jaren `50 van de vorige eeuw.
Het begint bij dat de familie verhuist is naar een achterbuurt en het boek eindigt wanneer ze weer verhuizen, maar dan naar een betere wijk (volgens moeder).
Ruimte:
Het grootste deel van het verhaal speelt zich af in de flat in de achterbuurt waar ze naartoe zijn verhuisd, Ze komen eigenlijk vrij weinig buiten hun eigen woonplaats. Behalve als ze naar de school van de ikpersoon en haar zus moeten , want hun school staat niet in hetzelfde dorp als waar ze wonen. Ook gaan de kinderen een aantal keer naar de kerk. Ze komen vrij weinig buiten (vooral in het begin) want dat vindt hun moeder niet goed en niet netjes.
Er wordt veel aandacht besteed aan de beschrijving van de ruimte. Er is dus sprake van concretisering, omdat het gedetailleerd beschreven is en de lezer zich dus een duidelijk kan vormen van de omgeving waarin de gebeurtenissen zich afspelen en waarin de personages zich in dit bewegen. Je kunt er dus ook uit opmaken dat het verhaal zich afspeelt in het verleden.
De weersomstandigheden worden in dit boek niet duidelijk weergegeven.
Vertelperspectief:
In het boek Moederkruid is gekozen voor de ik vertelsituatie. Dat betekent dus dat er en personage in het boek meespeelt en dat je het verhaal, dus alle gebeurtenissen, door de ogen van de ik persoon ziet. Je raakt dus goed op de hoogte van zijn of haar ideeën, gedachten en gevoelens. Je leert het innerlijk va de ik figuur goed kennen. Het effect hiervan is dat de lezer goed met de ik figuur kan meeleven.
Het perspectief van de ik vertelsituatie is dus subjectief.
Spanning:
Ik vind niet dat er veel spanning in zit. Bij de meeste boeken wil ik wel doorlezen maar deze echt niet, omdat de inhoud niet zo goed is en het soms echt moeilijk te vatten is allemaal.
Thema en motieven
Centraal in de roman staat de relatie van de dochter (ikfiguur) met haar ouders, vooral die met haar moeder.
De ongeveer achtjarige ikfiguur heeft alle reden om zich tegen haar ouders te keren, hen te haten. Ze ziet niets dan leugens en ruzie om zich heen, gekonkel en getreiter van haar ouders om elkaar het leven zuur te maken. Haar vader is een 'iel mannetje, dat zich houterig bewoog, niet kon dansen, en witte dunne benen en maar een paar haren op zijn hoofd had' (p. 11). Veel liefde heeft hij vroeger niet ondervonden: zijn moeder deed hem en zijn zus in een weeshuis. Hij is een egoïst, charmeur en fraudeur, leeft boven zijn stand en wuift problemen met een grap weg. Hij is teleurgesteld dat zijn tweede kind geen zoon is en wil na de bevalling niet eens komen kijken. Hij voedt de ikfiguur als een jongen op, leert haar stoer te zijn, gaat met haar samen onder de douche in het badhuis (mannen onder elkaar) en wil met haar voetballen. Er wordt gesuggereerd dat hij incest pleegt met Elsje. Hij neemt haar vaak alleen mee met de auto. 'Ze bleven meestal heel lang weg en als ze thuiskwamen, zag Elsjes gezicht altijd vuurrood. Soms had ze pijn in haar zij, maar dat mocht niemand weten, alleen ik. (...) De laatste tijd had Elsje steeds vaker last van haar zij' (p. 129). Soms gaat haar vader ook naast Elsje in bed liggen, dicht tegen haar aan. Haar moeder houdt van mannen die uiterlijk het tegenovergestelde zijn van haar echtgenoot: 'brede gespierde mannen met veel haar die zich soepel bewogen en goed konden dansen' (p. 11). Ze is door haar moeder aan haar baas gekoppeld. Die hield haar voor dat ze er trots op moest zijn dat haar baas verliefd op haar was. Bij haar moeder hoeft ze niet aan te kloppen om te praten over haar huwelijksproblemen. 'En denk erom, lief voor je man zijn', is haar stereotiepe antwoord (p. 27). De moeder van de ikfiguur is een neuroot met een smetfobie en contactstoornis, een jaloerse querulant die het met iedereen aan de stok krijgt. Ze verbiedt haar dochter vriendinnetjes thuis uit te nodigen, zadelt haar op met een panische angst voor bacteriële besmetting en houdt haar benepen burgerlijke en kortzichtige wijsheden voor als: 'Juist als mensen zo aardig doen (...), dan zijn ze niet te vertrouwen' (p. 34), katholieken zijn 'misdadig' (p. 46), in huizen van arbeiders is het 'één grote bacteriehaard' (p. 50), de dokter houdt vieze kinderen 'een paar dagen in de kelder in een bad met chloor' (p. 59). Ze klaagt voortdurend en kan geen pijn verdragen. Ook heeft ze nachtmerries. 'Mama's nachtmerries waren heel erg, erger kon gewoon niet. Mama had altijd alles het ergst. Ze zei dat het haar lot was' (p. 98). Hun huwelijk is niet uit liefde totstandgekomen en verslechtert algauw. Als het tweede kind wordt geboren, neemt de vader niet eens meer de moeite om te komen kijken (het is maar een meisje). Zij zegt dat ze nooit een tweede kind hadden moeten nemen ('Ons huwelijk was toen al een kruis', p. 20) en hij zegt dat 'alles anders' was gelopen als het een jongen was geweest. Angst en verdriet om het slechte huwelijk zijn voor de ikfiguur de logische gevolgen. Slechts een enkele keer doet de ikfiguur daarvan verslag. Bijvoorbeeld als ze ziet dat Willemijn, een klasgenootje, op het schoolplein huilt en ze hoort dat dat is vanwege de ruzies van haar ouders. Ze worden vriendinnen en vertellen elkaar over de ruzies. 'Over hoe eng het was als je wakker werd van het geschreeuw. Eigenlijk wilde je het niet horen en je dook met je hoofd onder de dekens. (...) Je kroop bij je zus in bed en luisterde gespannen met de armen om elkaar heen naar papa en mama die tegen elkaar scholden. En dan die schok die door je heen ging als de voordeur met een klap werd dichtgegooid. Je lag daar maar, dicht tegen elkaar aan, zonder te praten. En pas als je de sleutel weer in het slot hoorde, werd je rustig' (p. 90).
Zulke uitingen van angst en verdriet van de ikfiguur zijn echter spaarzaam in de roman. Ondanks alle dagelijkse ellende doet ze dappere pogingen om haar ouders te begrijpen en te beschermen. Het tragische is dat haar dit nooit zal lukken: ze wordt te zeer opgezadeld met hun problemen en frustraties. Ze ontziet haar ouders en is voortdurend op zoek naar rechtvaardigingen, ook als ze voelt dat er onrecht is gedaan. Ze verbaast zich hoogstens als alles ondanks haar goede bedoelingen verkeerd gaat, of als blijkt dat haar ouders het ene zeggen, maar het andere bedoelen. Enkele voorbeelden: 'Ik voelde altijd of er nog genoeg hagelslag voor mama in de strooier zat. Als er niet genoeg was, dan nam ik gekleurde muisjes, want dat lustte ik ook. Maar Elsje en papa namen wel gewoon hagelslag. Daarom verstopte ik die soms als er te weinig in de strooier zat' (p. 81). 'Mama hoefde niet te weten hoe bezorgd ik was (...). Ik keek naar mama. Ze moest beter worden. Ik wilde niet dat ze in een inrichting kwam. Ze moest naar die psychiater, die kon haar helpen' (p. 161). Enkele belangrijke motieven in de roman zijn: dood (met een vriendinnetje gaat de ikfiguur languit op een graf liggen om zich in te beelden hoe het voelt om dood te zijn; de moeder spreekt enkele keren haar verlangen uit om dood te zijn, verlost van alle ellende), ontluikende seksualiteit (seksspelletjes van de kinderen) en standsverschil (de moeder heeft het hoog in de bol, voelt zich verheven boven arbeiders). Een leidmotief is de blokfluit waarop Elsje gaat spelen als er een knallende ruzie tussen haar ouders is. Soms fluit de ikfiguur dan met haar mee.
Personages
Die zit bij het stukje van de thema erbij.
Titel en motto's
Moederkruid is een plant die bestaat uit veel gele bloemen. Er wordt in de roman nergens verwezen naar zo'n bloem en een mogelijke betekenis ervan. Volgens het woordenboek is moederkruid een onaangenaam riekende plant, waaraan geneeskracht bij kwalen van de baarmoeder wordt toegeschreven. Het boek gaat weliswaar niet over baarmoederaandoeningen, maar wel over de geestelijke wonden die toegebracht zijn door de moeder die je gebaard heeft.
De schrijfster heeft de roman opgedragen aan haar zus. In de roman én in werkelijkheid is dit haar oudere zus Els.
Genre:
Het hoofdgenre van dit boek is epiek. Want het is een verhalende tekst en er verloopt tijd.
Het subgenre van dit boek is de beleving van de opvoeding. Je ziet de problemen en moeilijkheden van volwassenen door de ogen van een kind. Ook gaat het over de relatieproblemen met haar psychisch/contact gestoorde moeder (Carry Slee).
De vorm van dit boek is proza. Want de regels zijn vol en het verhaal is ingedeeld in hoofdstukken en paragraven en alinea’s.
Dit boek is een (psychologische) roman. Het heeft alle kenmerken. Je leert de hoofdpersoon (ikpersoon) goed kennen en ze maakt een ontwikkeling door. Ze verandert. Dit geldt ook voor de andere personen in het boek.
Dit boek behoort tot de lectuur en niet tot de literatuur, omdat het geen erkenning krijgt van kenners.
Het verhaal is non-fictie. Dat komt omdat het niet zomaar verzonnen is. Het is namelijk een autobiografie van het leven van Carry Slee.
Mijn Mening!!!
Ik vond het een slecht boek niet zo heel erg leuk, maar goed je hebt nou eenmaal slechte en goeden boeken en je zult ze alle twee een keer gelezen moeten hebben. Dus dit was het dan.
Belangrijk!
De verslagen op Scholieren.com zijn bedoeld als naslagwerk. Lever nooit verslagen van internet zomaar bij je leraar in. Je bent zelf verantwoordelijk voor de gevolgen van dit soort fraude.
Wij krijgen de verslagen van scholieren. Hierdoor kan het gebeuren dat er foute informatie online staat. Gebruik geschiedt dus op eigen risico. Kom je een fout tegen? Laat het ons weten.




Openen in tekstverwerker
Printen
Emailen