
|
Geschreven door: | |
Datum ingestuurd: | 16 oktober 2006 |
Niveau: | 5 vwo |
Taal: | |
Woorden: | 4405 |
Opvragingen: | 3262 (49 deze maand) |
Waardering: |
Titel: | Het dolhuis |
Auteur: | |
Jaar van uitgave: | 1987 |
Aantal pagina's: | 183 |
Moeilijkheidsgraad: |
|
Thema: | Vader-zoonrelatie, Psychische afwijking, Kindertijd & Kinderleed |
Auteur: | |
Geslacht: | man |
Nationaliteit: | Nederlands |
Geboren: | 14 december 1948 |
Overleden: | 23 november 2002 |
Informatie: | |
Populaire titels: |
|
1. Het dolhuis | ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
2. Het dolhuis | ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
3. Het dolhuis | ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
4. Het dolhuis | ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
5. Het dolhuis | ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
6. Het dolhuis | ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
7. Het dolhuis | ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
8. Het dolhuis | ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
9. Het dolhuis | ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
... meer | |


Titel: Het Dolhuis
Auteur: Boudewijn Büch
Plaats van uitgave: Rotterdam
Eerste druk: 1987
Gelezen druk: Zestiende druk
Jaar van gelezen druk: 1998
Wat is het thema, en wat kom je erover te weten?
Het thema wat in dit boek voorkomt is psychiatrie en psychische stoornissen. Dit komt het meest naar voren in en na het gekkenhuis waar de hoofdpersoon, Winkler, wordt geplaatst.
Winkler is eigenlijk helemaal niet zo gek of gestoord als men denkt, hij zit alleen maar in dat dolhuis omdat de relatie tussen zijn vader en hem niet goed is.
Er was aan Winkler, zover gelezen, weinig aan te merken wat met een psychische stoornis te maken zou kunnen hebben.
Citaat blz. 34: “Hij moet precies recht staan. Evenwijdig aan de paal, dat vind ik netjes.” De drang om orde en regelmaat is het enige wat misschien niet klopt bij Winkler, dit zou door kunnen slaan in een dwangneurose. Verder mankeerde het arme jochie niets. Winkler wilde ook niet gek zijn, maar hij viel in de inrichting in de handen van gekken.
Winklers psychische toestand ging vanaf hij naar de inrichting moest, meer achteruit. Zo kreeg hij al zijn eerste depressie in de inrichting, toen hij nog maar 9 à 10 jaar oud was. Citaat blz. 69: “Hij voelde een levensmoeheid die hij nog nooit gevoeld had.” Vanaf dat moment in de inrichting, blijft hij altijd geobsedeerd door de dood. Citaat blz. 46: “Hij verzamelde boeken over begraafplaatsen, stapte van zijn fiets om zerken te bestuderen en kocht Duitse boeken over kerkhofbeplanting. Hij woonde een sectie bij,zag een dood met een Black & Decker-circelzaag van een romp verwijderd worden (thuismoest hij het beenderzaagsel van zijn jasje kloppen) en stond op een mooie zaterdagmiddag met zijn neus bijna in een crematoriumoven.”
Zoals hierboven uit het citaat blijkt, is dat Winkler té ver doordraaft in zijn obsessie met de dood. Deze doodneigingen en doodobsessie heeft hij ontwikkeld door de dood van Tommie, een medepatiënt uit Huize Kindervrede. Waarschijnlijk heeft Winkler zich de dood van Tommie erg aangegrepen en heeft hij nooit de kans gehad om dat goed te kunnen verwerken en er om te rouwen. Ook verwijt hij de dood van Tommie zich, doordat zuster Makela hem wijs maakt dat het zijn schuld is, dat hij beter had moeten opletten. Dat alles heeft zich omgezet in een obsessie, obsessief gedrag rondom de dood en alles wat daarmee te maken heeft, en in zelfmoordneigingen. Citaat blz. 57: “ ‘Was u iets bepaalds van plan?’ ‘Als u het mij vraagt: ja, zelfmoord’ ” Hier heeft Winkler ook een zelfmoord poging ondernomen, hij wilde de zee in lopen tot hij zou verdrinken.
Winkler is verder ook een hele eenzame jongen. Juist omdat hij zich zo egocentrisch gedraagt, stoot hij mensen die van hem houden af. Terwijl hij juist die liefde zo hard nodig heeft. Citaat blz. 49: “Eenzaamheid, is een soort sterven als het ’t overlijden zélf niet is.” Ook bij deze uitspraak vergelijkt Winkler weer zijn toestand met de dood.
Juist omdat Winkler niet door heeft wat er nou verkeerd was aan de omgang tussen hem en zijn vader, is zijn opsluiting in de inrichting nog onbegrijpelijker voor hem. Dit laat hem ook niet meer los nadat hij uit de inrichting komt. Hij wil het van iedereen weten, het hele dorp scheen het te weten, waarom hij dan niet?
Winkler heeft altijd een jeugdtrauma gehouden aan de inrichting. Sowieso aan het feit dat zijn medepatiënt in kokend water is gevallen en is overleden, maar ook de andere dingen. Alles aan dat huis. Citaat blz. 58: “Weer dat ‘we’ – dacht Winkler” Hieruit blijkt dat door het zelfde taalgebruik, bijvoorbeeld: “Willen we ontsnappen? Dat doen we hier niet patiëntje, dat moeten we duidelijk nog leren!”
Deze manier van praten, door we te gebruiken terwijl het enkelvoudig is, krijgt Winkler herinneringen aan Huize Kindervrede. Dit kan hij slecht verdragen, dit roept té veel nare herinneringen op.
Ook door het gebruik van patiëntje raakt Winkler. Citaat blz. 135: “ ‘Er werd, dat is waar, links en rechts een oorvijg uitgedeeld of een opstandig patiëntje onder een koude douche gezet, maar...’ ‘Hoe durft u het woord “patiëntje”te gebruiken!’”
Hieruit blijkt dat Winkler emotioneel en woedend word zodra de herinneringen glashelder terug komen uit de tijd van Huize Kindervrede. Dit heeft hem dus toch zodanig geschaad. Ik denk dat hij het mishandelen al niet fijn vond, maar dat de manier hoe er met hun werd omgesprongen, hoe neerbuigend ze over de patiënten deden, Winkler nog het meest heeft aangetast.
Citaat blz. 32: “Telkens wanneer Winkler door iemand in de steek gelaten werd, maar ook wanneer iemand een gewone vriendschap opzegde of een artikel van hem geweigerd was, werd zijn geest aangesloten op de herinnering van dat stationsplein.” Hieruit blijkt heel duidelijk dat Winkler zich dat moment heel erg heeft aangegrepen. Hij werd alleen achtergelaten op het stationsplein, weg van zijn ouders, weg van al het vertrouwde, terwijl hij nog maar een jaar of 9 was.
Winkler weet op een gegeven moment echt niet meer zeker of hij nou gek is, gek is geweest, of nooit gek is geweest. Hij herinnert zich die tijd precies, maar niet hoe hij was geweest. Citaat blz. 140: “Was hij ooit een kind geweest met belangstelling voor afrikaantjes, vlinders, een wisselend gebit en de vader van ene Loekie – een meisje dat hij zich niet meer herinnerde – en de smaak van sla? Was de brief die hij las het product van een gestoorde kindergeest?”
Hier beseft Winkler in hoeverre hij verandert is, hij kan zich op geen enkel punt nog herinneren dat hij dát kind geweest is. Alles wat hij zich kan herinneren is hoe afschuwelijk hij het had in Huize Kindervrede. De oorvijgen, de koude douche, de slaag met de pantoffel, het gekrijs van de zusters, de doodgekookte Tommie. Deze herinneringen komen bij hem boven als hij aan zijn jeugd denkt. Ik vind het dan ook heel begrijpelijk dat hij zich in zijn hoofd gaat halen dat hij misschien tóch gek is geweest, omdat hij nu zo ontzettend is veranderd.
Citaat blz. 151: “Moest hij detective worden en op zoek gaan naar zijn eigen jeugd? Was hij al niet te veel een speurneus? Viel hij zijn moeder en rienden al niet te vaak lasting met een onwaarschijnlijk – en vooral: oversentimenteel – verleden? Wéér de Zonnehoek, wéér vissen van de haak, wéer de doodgekookte Tommie. Wat hadden al die zaken met elkaar van doen?”
Hieruit blijkt dat Winkler wil weten wat er met hem aan de hand is. Hij wil nu eigenlijk wel eens weten hoe alles in elkaar zit, hoe alles verband houdt, óf hij wel gek is geweest, of zelfs gek is!
Welke eigenschappen heeft de hoofdpersoon en verandert zij door de gebeurtenissen in het verhaal?
Winkler was vroeger een onschuldige, intelligente, levenslustige, en vooral een ‘waarom’-jongen. Hij wilde alles weten, hij was ontzettend geïnteresseerd in de hele wereld om hem heen. Citaat blz. 68: “ ‘Ik zat te denken,’ flapte hij eruit. Zuster Makela stapte van de verhoging voor het altaar en liep naar Winkler. Toen ze bij hem stond, trok ze hard aan zijn haren. ‘Denken? Denken? Denken doen wij hier wel voor jou patiëntje, en hebben we ook nooit gehoord dat we hier in het Huis Gods onze stem niet en te nooit verheffen?’ ‘En u dan?’ ”
Hieruit blijkt dat Winkler ook een hele eigenwijze maar slimme jongen is, dat word echter niet in Huize Kindervrede op prijs gesteld.
Verder hield Winkler erg van orde. Citaat blz. 36: “Winkler luisterde en keek mechanisch; hij hield van deze orde en regelmaat. De klinkers lagen in vierkante orde en ook in de wisseling van de seizoenen wist Winkler in de loop van zijn jeugdjaren ordening aan te brengen.” Deze liefde voor orde en regelmaat verandert echter na de terugkomst uit Huize Kindervrede.
Soms was Winkler een heel snelle prater, maar door een stotterkwaal kon hij zich niet zo snel verwoorden als hij wilde. Ook was hij een vlotte denker, die alles in zijn dagboek opschreef. Winkler is voor zijn opname in Huize Kindervrede een hele open jongen. Na zijn terugkomst is hij echter zeer gesloten, hij is in zichzelf gekeerd. Huize Kindervrede heeft Winkler afgeleerd om zomaar dingen te vertellen, en vooral vragen te stellen. Winkler’s leergierigheid en eigenwijsheid wordt weggedrukt en er komt zogenaamde discipline voor in de laats. Doe wat je je wordt opgedragen, geen vragen en al helemaal niet tegenspreken.
Winkler verandert wel in de loop van zijn leven. Sowieso heeft de inrichting een grote invloed gehad op zijn hele psychische toestand. Zo was Winkler eerst netjes, en hield hij van orde om zich heen: Citaat blz. 34: “Hij moet precies recht staan. Evenwijdig aan de paal, dat vind ik netjes.” Hieruit blijkt dat Winkler heel precies is, en van overzichtelijkheid houd. Hoewel hij later, na zijn opname in de inrichting eigenlijk alleen maar chaotischer werd.
Citaat blz. 30: “Winkler leidde een druk en egocentrisch leven waarin alles om geografie draaide en hij aan zijn proefschrift meer aandacht schonk dan aan Solange.” Hieruit blijkt dat Winkler wel degelijk is verandert. Zo was hij vroeger een, wel vrij druk, intelligent en liefdevol jongetje, zo had hij zich nu opgesloten in de boeken en stootte hij mensen af (zo ook zijn vriendin) met zijn egocentrische gedrag, hoewel hij wel liefde nodig had. Citaat blz. 49: “Eenzaamheid, is een soort sterven als het ’t overlijden zélf niet is.”
Ook verandert Winkler in de vorm van obsessie. Na zijn opname in Huize Kindervrede, is hij niet meer het opgewekte vrolijke kind, maar meer het depressieve kind met een obsessie voor de dood. Winkler vond alles wat met de dood te maken had interessant, hij had zelfs ook meerdere zelfmoordneigingen, en later zelfmoordpogingen gedaan.
Winkler verandert ook in de omgang met zijn vader. Hij heeft het zijn vader eigenlijk nooit vergeven dat ze hem in een gesticht hebben gestopt, helemaal van zijn vader had hij dat niet verwacht. Citaat blz. 126: “Eigenlijk heb ik die man gehaat sedert hij mij wegstuurde. Toen u mij in Brabant achterliet, veranderde mijn liefde eigenlijk onmiddellijk in diepe inachting die nooit meer helemaal is weggegaan.”
Pas heel veel later komt hij erachter waarom het nou fout was wat tussen zijn vader en hem gebeurde, en hoort hij dat zijn vader niet van hem hield, maar hem misbruikte en hem gebruikte als jaloers-makertje voor zijn vrouw.
Winkler verandert ook door het feit dat iedereen weet dat hij in het gekkenhuis heeft gezeten. Zijn opname in de inrichting zorgt ervoor dat hij niets kan krijgen met het meisje waar hij zo verliefd op is, Stefanie. Citaat blz. 92: “ ‘Ik mag van mijn ouders niet verliefd worden. En zeker niet op u...’ (...) ‘Waarom niet?’ ‘Uw oudere broer zeidet dat ge niet goed bij uwen kop zijt, u het toch in een dolhuis gezeten?’
Hier kan Winkler niet goed tegen. Hij denkt van de ellende af te zijn omdat hij weg is uit dat gesticht, maar thuis staat hem nog veel meer te wachten: iedereen kijkt hem aan als een gestoorde, die zijn gekheid eigenlijk niet zo uit maar het zéker wel is.
Citaat blz. 93: “Hij trilde van verdriet en woede en dacht: ze zullen er altijd achter komen dat ik in een gekkenhuis heb gezeten; mijn leven is voorgoed verpest.” Dit heeft Winkler ook diep geraakt. Hierdoor is hij zich toch enigszins anders gaan gedragen, alsof hij aan de buitenwereld moest bewijzen dat hij niet gek was.
Winkler is ook veranderd in de omgang en intimiteit met mensen. Dit was ook omdat hij begon te beseffen dat de liefde en de omgang tussen hem en zijn vader niet goed was geweest. Hierdoor werd hij een beetje bang voor intimiteit:
Citaat blz. 93: “Het was precies 5 jaar na Winklers ontslag uit Huize Kindervrede dat er zich in hem een angst voor lichamelijkheid, seks en tederheid vastzette.”
Hebben andere personen invloed op de hoofdpersoon?
Ja, de vader van Winkler had een vrij grote invloed op Winkler. Hij kreeg Winkler zo ver om naakt met zijn vader onder de deken te laten liggen, en hem te laten denken dat dat normaal was voor vader en zoon. Winkler zag zijn vader als een soort van groot voorbeeld, terwijl zijn vader eigenlijk een sadistische oversekste man was.
Citaat blz. 170: “Hij was een sadist, omdat hij het niet kon verdragen wanneer hij bemind werd. de menselijke geest valt vaak niet te begrijpen, maar die van je vader al helemaal niet.” Hieruit blijkt dat de vader van Winkler juist gek was. Doordat zijn vader zulke dingen met zijn zoon uitspookte, hebben ze Winkler naar de inrichting gestuurd. Winkler dacht dat zijn vader echt extra van hem hield, maar dat bleek dus aan het eind van het boek niet. Citaat blz. 180: “ ‘Hij had je het liefst nooit terug zien komen. Voor hem was je op, gebruikt, een beetje dood zelfs.’ ” Hieruit blijkt dat Winkler’s vader Winkler eigenlijk alleen maar gebruikte, hij vond het niet eens erg dat Winkler in de inrichting werd gestopt.
Verder hadden de zusters een grote invloed op Winkler. Ze verboden alles wat Winkler’s persoonlijkheid tekende. Hij mocht geen vragen stellen, geen opmerkingen maken, niet tegen spreken, en noem het maar op. Doordat hij zo onrespectvol is behandeld door vooral de hoofdzuster, heeft Winkler een trauma van haar gekregen. De zuster was het meest rottige aan Huize Kindervrede. De zuster wenste de kinderen eigenlijk het liefst dood, zo konden ze niets meer zeggen en had je ook geen last meer van ze.
Mevr. Sprong had nog een lichte invloed op hem, zij hield eigenlijk nog best wel veel van Winkler. Ze gaf hem altijd snoepjes en kon het eigenlijk niet aan dat Winkler naar de inrichting werd gestuurd. Citaat blz. 170: “ ‘Na jouw vertrek hadden je moeder en ik geen leven meer...’ ” Hieruit blijkt dat mvr. Sprong eigenlijk wil duidelijk maken dat ze altijd van Winkler gehouden heeft.
Verder had eigenlijk niemand echt invloed op Winkler. Nadat Winkler gedisciplineerd terug kwam uit de inrichting, heeft hij eigenlijk zichzelf opgesloten in herinneringen. Door alle herinneringen, onwetendheid, onverwerkte gebeurtenissen en nieuwe obsessies is Winklers psychische toestand vooral verslechterd.
Wat is de oorzaak van het psychologische probleem / de psychische stoornis?
De oorzaak van de psychische stoornis van Winkler is zijn rotjeugd. Hij heeft één jaar in Huize Kindervrede gezeten waar ze hem eigenlijk hebben gehersenspoeld.
Niets van wat Winkler ooit was is van hem overgebleven, geestelijk gezien. Winkler was een vrolijk, levenslustig jongetje, altijd op zoek naar antwoorden. In Huize Kindervrede werd dat echter niet op prijs gesteld. Ze kregen slaag als ze praatte, een vraag stelden, emotie uitten of de zuster tegenspraken.
Citaat blz. 43: “Goedemiddag zuster Makela. Ik ben patiëntje Brockhaus en ik kom hier een tijdje wonen,’ zegde hij netjes op. Zuster Makela knikte tevreden: ‘Zie je wel dat je het kunt.’ ‘Maar hoe had ik nou de eerste keer knnen weten wie u was? Hoe had ik nu kunnen zeggen: “Goedemiddag, zuster Makela”? Wat betekent uw naam eigenlijk?’ Winkler kreeg drie draaien om zijn oren. Zonder enige stemverheffing sprak de zuster: ‘We zijn hier niet gewend dat de patiëntjes ons tegenspreken of zomaar in het wilde weg vragen stellen. Als wij ons niet vergissen, moet patiëntje Brockhaus nog heel wat leren voordat hij weer op de wereld kan worden losgelaten.’ ” Hieruit blijkt dat zuster Makela met ijzeren hand regeert, zowel met qua slaag een ijzeren hand, maar ook qua andere disciplines.
Deze situaties kwam Winkler wel vaker tegen. Hij was te eigenwijs, hij was nou eenmaal een leergierig jongetje. Dit werd hier echter niet op prijs gesteld. Langzamerhand begon Winkler het systeem te snappen, en langzamerhand werd zijn levenslust weggedisciplineerd.
Het nadelige van Huize Kindervrede, is dat er geen tijd wordt besteed aan leven. Winkler word in het begin van zijn jeugd al gelijk aangeleerd dat hij niets mag vragen en eigenlijk ook niet mag liefhebben. Al het menselijke word afgeleerd. Dit heeft zo’n grote impact dat hij later eigenlijk alleen maar aan zichzelf denkt. Hij stoot mensen af, zo ook zijn vriendinnen. Ook heeft het zo veel rotherinneringen achtergelaten, dat zijn vriendinnen bij hem weggaan omdat hij zoveel over Huize Kindervrede praat, en hoe gruwelijk het wel niet was. Ook zijn boek daarover word dan nog afgewezen om af te drukken. Deze herinneringen blijven Winkler denk ik ook achtervolgen omdat hij zijn verhaal nergens kwijt kan. Nergens kan hij dat hoofdstuk afsluiten: Huize Kindervrede. Hij wilde het verwerken door het op te schrijven en uit te brengen, maar daar zagen ze geen markt in. Toen zijn boek werd afgewezen werd hij nog depressiever, en bleven die herinneringen hem maar achtervolgen.
De verklaring voor Winkler na zijn terugkomst uit Huize Kindervrede zo geobsedeerd raakt door de dood, is waarschijnlijk te koppelen aan de dood van Tommie. Tommie was in de aardappelpan met kokend water gevallen, hij is levend verbrand. Winkler heeft, geleid door zijn emoties, geschreeuwd tegen de zuster dat zij hem vermoord heeft, waarop de zuster de schuld bij Winkler neerlegt. Winkler trekt de dood van dit jongetje zo aan, dat hij zich er schuldig over gaat voelen. Ook mocht hij nooit zijn emoties tonen op Huize Kindervrede, dus heeft hij het nooit goed kunnen verwerken. Hier heeft hij een trauma aan overgehouden. Citaat blz. 67: “Toen hij door de catacomben onder de perrons liep,rook hij de geur van wee, kokend water en vertoonde zich een hardnekkig beeld in zijn hoofd. Hij zag een dode jongen, rood als een kreeft, op witte tegels liggen.” Hieruit blijkt dat Winkler nog vaak de herinneringen aan Tommie heeft. Dit heeft toch een zodanig litteken achter gelaten op zijn ziel. Ik denk dat Winkler het zichzelf ook nooit vergeven heeft.
Dit kan de doodsobsessie van Winkler verklaren. Hij heeft Tommies dood nooit kunnen verwerken, of er om kunnen rouwen. Dit heeft schade achtergelaten in de vorm van een obsessie.
Korte samenvatting:
Winkler wordt als kleine jongen seksueel misbruikt door zijn vader, hij heeft echter niet in de gaten dat dit ‘fout’ is. Om te voorkomen dat zijn vader hem nog meer misbruikt, stuurden zijn moeder, de politie en de dokters hem naar een gekkenhuis. Hier wordt hij net als alle andere “patientjes”, geslagen en geestelijk misbruikt. Winkler heeft geen idee waarom hij in de inrichting zit. Hij snapt niet dat mensen denken dat hij gek is. Ook niet wanneer hij uit Huize Kindervrede komt.
Op latere leeftijd heeft nog altijd een diep litteken over van het dolhuis. Hij wil graag dood en heeft dit ook al meerder malen geprobeerd.
Jaren loopt hij met de vraag wat er tussen hem en zijn vader was, waar zelfs zijn moeder hem eerst niets over wil vertellen.
Uiteindelijk krijgt hij antwoord op deze vraag van zijn moeder en mevrouw Sprong.
Lange samenvatting:
Winkler Brockhaus is een jongetje van negen jaar en woont in Den Haag. Hij is een vrolijke jongen, die heel veel praat, en daardoor af en toe een beetje nerveus overkomt. Hij kan goed opschieten met de mensen die bij hem in huis wonen, zijn broers, zijn ouders en mevrouw Sprong, een oude mevrouw. Met zijn vader heeft hij een aparte band. Toen ze op een dag gingen vissen bij de Zonnehoek, een natuurgebied in de buurt, hadden ze samen naakt tegen elkaar aan gelegen. Winkler dacht toen dat dat gewoon hoorde bij een normale relatie tussen vader en zoon.
Soms gaat hij ook op bezoek op de kamer van mevrouw Sprong, de grootste van het hele huis. In zijn jeugd wordt het Winkler nooit helemaal duidelijk wie mevrouw Sprong nou precies is. Hij weet wel dat hij het er goed naar zijn zin heeft als hij in haar kamer is, en zijn broers ook. Het is een soort toevluchtsoord voor hem als zijn ouders ruzie hebben. Soms komt mevrouw Sprong een lange tijd haar kamer niet uit. Meestal is dat omdat ze ruzie heeft gemaakt met de vader van Winkler.
Regelmatig hoort Winkler zijn vader tegen zijn moeder zeggen dat hij vindt dat Winkler naar een tehuis moet, omdat hij zo nerveus is. Winkler vindt zichzelf helemaal niet nerveus, hij praat alleen veel. Toch moet hij naar een gekkenhuis voor kinderen, Huize Kindervrede, wat in Brabant ligt. Winkler krijgt te horen dat hij naar een vakantiekolonie gaat als hij in de zomer met mevrouw Sprong in de trein stapt. Al snel heeft hij door dat dit niet het geval is. Als hij aankomt bij Huize Kindervrede ziet hij een naargeestig gebouw. Eenmaal binnen wordt het er ook niet echt vrolijker op. Hij wordt ‘ontvangen’ door zuster Makela, een zeer strenge vrouw die hem meteen een klap geeft als hij zegt dat hij helemaal niet ziek is. Zuster Makela noemt Winkler steevast ‘patientje Brockhaus’ en geeft bevelen door Winkler aan te spreken met ‘we’, wat hem na een tijdje enorm irriteert. Al snel heeft Winkler door dat er in dit huis een strak regime heerst. De kinderen mogen niet met elkaar praten en ze moeten vaak naar de kerk. In het begin van zijn verblijf valt het Winkler zwaar om weinig te praten en niet tegen de zusters in te gaan, maar na verloop van tijd leert hij dit snel af. Bij elke opmerking die de zusters niet bevalt krijgt hij een oorvijg.
Op een dag moet Winkler aardappels schillen met Tommie, een ander jongetje uit het gekkenhuis. Als de aardappels geschild zijn, moeten ze in de pan gegooid worden. Tommie laat zijn aardappelschilmesje vallen in de grote pan met kokend water en hij moet het met zijn blote handen eruit halen. Als hij over de rand buigt, valt hij in de pan en wordt gekookt. Zuster Makela geeft Winkler de schuld van het ongeluk, omdat hij volgens haar beter had moeten opletten. Winkler richt vervolgens de Tommie-club op, samen met de andere jongens. Ze zullen Tommie voortaan vereren als een heilige.
Winkler vraagt regelmatig aan zuster Makela of hij een brief aan zijn vader mag schrijven. Meestal mag het niet, en als het mag, dan wordt de brief streng gecensureerd door de zuster, zodat er een brief overblijft waar alleen maar onbenullige dingen instaan. Gesprekken die Winkler heeft met de psychiaters van het gekkenhuis leveren ook niets op. Zij zijn al net zo streng voor hem als zuster Makela. Ze willen vooral weten wat er gebeurde toen Winkler met zijn vader ging vissen. Op den duur beseft Winkler dat de psychiaters zijn relatie met zijn vader helemaal niet zo normaal vinden en hij besluit ze niets meer te vertellen. Op zijn laatste behandeluur met zijn psychiaters krijgt hij te horen dat hij in een paar dagen naar huis mag. Ze beschouwen hem absoluut niet als genezen, maar ze zeggen dat ze de ‘kronkeling in zijn hersens’ niet kunnen vinden en dat er genoeg andere patientjes zijn die hun hulp harder nodig hebben. Als Winkler het huis verlaat weigeren de psychiaters en zuster Makela hem een hand te geven of op welke manier dan ook hartelijkheid te tonen.
Tijdens zijn reis naar huis verbaast Winkler zich erover hoe vriendelijk en blij iedereen is. Dat is hij helemaal niet meer gewend. Thuis merkt Winkler al snel dat de relatie met zijn vader heel anders is geworden dan hij altijd geweest was. Waar zijn vader eerst altijd nog hartelijk en aardig tegen hem was, is hij nu onverschillig en ongeinteresseerd. Ze doen helemaal geen leuke dingen meer samen en Winkler eet zelfs alleen omdat zijn moeder dat beter voor zijn rust vindt.
Als Winkler volwassen is geworden is hij een bekend en geslaagd aardrijkskundige geworden. Hij publiceert vaak in kranten en tijdschriften en verschijnt soms zelfs op tv. Het lukt hem alleen niet een geschikte vrouw te vinden. Hij heeft wel vaak vriendinnen, maar de meesten verlaten hem na verloop van tijd omdat ze genoeg hebben over zijn eindeloze gepraat over zijn verblijf in Huize Kindervrede. Als volwassene tobt Winkler nog steeds ontzettend over de reden van zijn verblijf en het heeft een slechte uitwerking op hem. Hij drinkt heel veel en hij is zwaar depressief. Hij heeft zelfs verschillende zelfmoordpogingen ondernomen. Zijn vrienden worden ook een beetje moe van zijn gezeur over het verblijf in het gekkenhuis.
Winkler doet talloze pogingen om de nawerking van het verblijf in het tehuis kwijt te raken. Hij bezoekt dozijnen psychiaters en hij gaat op zoek naar het graf van Tommie. De dood speelt een grote rol in zijn leven, ook omdat hij altijd is blijven zitten met de dood van Tommie
Als Winkler voor zijn beroep in Tunis is, krijgt hij te horen dat zijn vader is overleden. Hij gaat terug naar Nederland en ontmoet op de begrafenis mevrouw Sprong. Zij vertelt hem dat het hele dorp altijd geweten had over Winklers relatie met zijn vader.
Later brengt hij een bezoek aan mevrouw Sprong, die ondertussen in een bejaardentehuis woont. Ze vertelt dat ze een relatie met zijn vader had, zelfs al voordat hij met Winklers moeder trouwde. Toen ze gingen verhuizen is mevrouw Sprong meeverhuisd, als huishoudster. Ondertussen ging Winklers vader gewoon door met zijn relatie met mevrouw Sprong. Ze vertelt Winkler dat zijn vader alleen gelukkig kon zijn als hij anderen pijn kon doen.
Winkler brengt wel vaker bezoeken aan zijn moeder, alleen nu wil hij absoluut de waarheid boven tafel krijgen, iets wat hem eerder nog nooit gelukt is. Na veel aandringen vertelt zijn moeder dat zijn vader haar uit de prostitutie heeft gehaald toen ze vijftien was. Hij heeft haar verder gebruikt als haar persoonlijke prive-hoer. Ook mevrouw Sprong gebruikte hij voor zijn ziekelijke behoefte aan seks, en later ook Winkler. Ook zijn moeder vertelt dat zijn vader mensen gewoon gebruikte, en ze dumpte als hij geen behoefte meer aan ze had. Ze vertelt dat ze nooit bij hem is weggegaan omdat hij dan aan het hele dorp zou vertellen dat ze ooit hoer was geweest. Winkler Brockhaus gaat naar zijn vaste cafe en drinkt de hele nacht door.
Titelverklaring:
De titel van het boek luidt: ‘Het Dolhuis’. Deze benaming komt één keer terug in het boek. Als Winkler weer thuis is, komt er een Belgisch meisje logeren bij hun. Als Winkler haar een keer vraagt of zij zijn vriendin wil zijn, zegt zij dat dat niet mag van Brit, omdat Winkler in een “Dolhuis” heeft gezeten. (Ze bedoeld daarmee het gekkenhuis) Het dolhuis slaat dus letterlijk op de inrichting waar de hoofdpersoon, Winkler, in heeft gezeten vroeger. Omdat deze opname in de inrichting zoveel met Winkler heeft gedaan, en het dus een grote rol in Winkler’s leven speelt, en heeft gespeeld, is de titel dus een verwijzing naar het belangrijkste in de hoofdpersoon zijn leven, het gekkenhuis: het dolhuis.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons dan weten.
a d v e r t e n t i e
Win beltegoed met Cash
Cash helpt je slimmer met je geld omgaan. Zodat je minder snel zonder beltegoed komt te zitten. Probeer nu de tools van Cash! Met de Cashculator Mobiel ontdek je wat voor beller je bent. Of speel de Cash Battle op Hyves, daag je vrienden uit en maak kans op €500 beltegoed! De game duurt maar een minuutje!

Zou jij bijvoorbeeld aan iemand z'n hoofd kunnen zien wat voor schoenen hij draagt? Dan moet je zeker onze nieuwste quiz doen.