ff n studiebreak

Meiden, laser je binnenste schaamlippen lekker weg joh. Want je vriendje wil een playboypoesje.

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

Geschreven door:

Kees van der Pol (Docent) [meer]

Datum ingestuurd:

1 juni 2006

Taal:

Woorden:

3.800

Bekeken:

3709 keer (11 deze maand)

Waardering:

3.8/5 (19 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 

Gebruikte editie
Eerste druk: mei 2006
Gebruikte druk: 1e
Aantal bladzijden: 143
Uitgever: Contact te Amsterdam

Gegevens voorkant
Op de paarse voorkant staan naam van de auteur en titel van de roman. Daarom heen staan wat oplichtende sterren.

Genre
“De kegelwerper “is een psychologische novelle. Ik vind de roman te klein qua omvang en problematiek om het etiket roman erop te plakken.

Geschikt voor vwo
De novelle is slechts kort en daardoor wel snel te lezen. De structuur is niet al te moeilijk. Maar de inhoud van de roman is niet echt spannend wat de gebeurtenissen betreft. Het gaat eigenlijk om intermenselijke relaties als liefde en jaloezie, sympathie en antipathie. Het boek krijgt daardoor een vrij hoog abstractieniveau. De stijl van De Moor is mooi, maar het verhaal zelf is niet spannend genoeg voor jonge lezers op vmbo- of havo-niveau. Daarom zal de novelle het meest geschikt zijn voor lezers op vwo-niveau. Het boek krijgt vanwege de geringe lengte op de www.scholieren.com-literatuurlijst 1 punt.

De flaptekst
Hoe moet je reageren wanneer je iemand tegenover je vindt die een onpeilbare antipathie lijkt uit te stralen? En dat terwijl je zelf juist sympathie voor hem voelt? De goochelaar Charles Pluut ontmoet de kegelwerper in het Pension Rembrandt, het tijdelijke thuis voor jongleurs, danseressen en dwergen in het Amsterdam van de jaren vijftig. De kegelwerper is het verhaal van hun merkwaardige symbiose, en van het meisje dat in het spel tussen de twee mannen zowel inzet, speelbal als geliefde is. Margriet de Moor jongleert op virtuoze wijze en met merkbaar plezier met personages, situaties, beelden en motieven – als de literatuur hier een spel is, dan wel één op leven en dood.

Motto en opdracht
De novelle heeft geen motto.
Er is wel een opdracht: voor Jan Wolff

Structuur en verhaalopbouw
De opbouw van de roman geschiedt in 21 genummerde maar ongetitelde hoofdstukken. De hoofdstukken zijn overwegend chronologisch gerangschikt. Een enkele keer grijpt de verteller terug naar het verleden en vertelt via een korte terugblik iets van de voorgeschiedenis van zijn personages. De verhaalopbouw is dus eigenlijk heel erg eenvoudig.

Perspectief
De novelle heeft het perspectief van de alwetende (auctoriale) verteller. Deze bekijkt de vertelling vanuit diverse standpunten van zijn personages (ook met een zogenaamde helikopterview) en hij vertelt het verhaal ook nog eens achteraf. Hiervoor zijn typische zinnetjes als bewijs aan te voeren, zoals op blz. 60: “Charles Pluut had wel eens last van een aandoening die de wetenschap later een naam zou geven, apneu, die hier en daar irritatie wekte.”

Titelverklaring
De titel is eenvoudig te verklaren: een van de personages is jongleur en wordt in de novelle herhaaldelijk met “de kegelwerper” aangeduid.

Tijd en decor
Het decor van de novelle is Amsterdam. Er zijn diverse directe aanwijzingen. De grachten, het Tuchinski theater, Carré, City-theater etc.

De tijd waarin de novelle speelt, zijn de vijftiger jaren toen variétéartiesten nog avondvullende programma ’s konden opvoeren omdat er nog geen wijdverbreide tv was.
Maar er is ook een concrete zij het impliciete tijdsaanduiding: op blz. 136 zegt de verteller dat het plan Kaasjager op dat moment in de bureaus van Publieke Werken lag.
Het is het plan van hoofdcommissaris Kaasjager in 1954 uitgelekt om de grachten van Amsterdam vanwege de verkeersproblematiek te dempen. We zouden daaruit mogen opmaken dat de novelle zich afspeelt rond het jaar 1954. De totale tijd die beschreven wordt is enkele maanden.

Thematiek
Ik vind het moeilijk om het thema van de roman duidelijk te omschrijven. Zoals zo vaak bij Margriet de Moor gaat het om de relaties tussen mensen onderling. In dit geval zijn de drie belangrijkste personages Pluut (een goochelaar) Newton (een jongleur) en Daisy (het Poolse meisje dat als een katalysator tussen hen beiden werkt).

De eerste ontmoeting van Pluut met Newton is al niet te positief. De jongleur heeft de neiging de goochelaar te ontlopen en te negeren en dat irriteert de goochelaar. Als hij een optreden van Newton bijwoont, ziet hij de vakbekwaamheid van de jongleur alsmede het feit dat diens act op echte vakkundigheid gebaseerd is. De trucs van Pluut zijn gebaseerd op list en bedrog, immers hij is illusionist. Vanuit die voor hem zelf wat minderwaardige positie wordt hij jaloers op Newton met wie hij heel graag contact heeft dat de jongleur hem niet geeft.
Op twee manieren die beide in feite niet door de beugel van het fatsoen kunnen, probeert hij niettemin de gunst van de jongleur te winnen. Pluut heeft eerst de vrij gemakkelijk te verdienen gunsten van het zielige Poolse danseresje Daisy weten te winnen en wanneer hij deze bezit, biedt hij het meisje als een soort “zoenoffer” aan zijn concurrent aan. Het is een vrij genante vertoning op de manier waarop hij dat doet, terwijl Daisy daarvan getuige kan zijn, omdat ze op dat moment een bad neemt.

Wanneer het aanbod in eerste instantie niet lijkt te werken, roept Pluut de betaalde hulp in van twee ‘zware jongens”die hij Newton na een voorstelling in elkaar laat timmeren. Hij zelf zal dan op het nippertje aankomen om zijn concurrent te ontzetten, waardoor hij waarschijnlijk diens sympathie zal winnen. Hoewel de vechtpartij iets anders verloopt dan Pluut bedacht heeft, lijkt het erop alsof hij toch zijn zin heeft gekregen. Aan het einde van de novelle zitten alle hoofdrolspelers bij elkaar in de huiskamer van pension Rembrandt.

Margriet de Moor beschrijft dus in de roman de duistere beweegredenen van de mens om bij een ander in het gevlij te geraken. En altijd gebruikt Margriet de Moor daarvoor in haar romans een personage met een bijzondere (karakter) eigenschap.

De onderliggende motieven bij het thema zijn:
- jaloezie (vooral Charles Pluut)
- echte en onechte liefde (Pieter Newton tegenover Charles Pluut)
- de dood (de antipodist Bruno overlijdt aan een hartinfarct)
- de beroepsproblematiek
- de jaren vijftig van de 20e eeuw

Samenvatting van de inhoud
Charles Pluut, een beroemd goochelaar, (maar de verteller noemt hem in de eerste zin “achterbaks”, omdat hij een meisje in het verleden heeft laten zitten) belt aan bij pension Rembrandt. Het is een typisch pension voor variétéartiesten. Zo ontmoet hij vrijwel direct bij zijn entree de jongleur Pieter Newton, die hem op zijn beurt echter weinig aandacht schenkt. Dat irriteert Pluut vanaf het eerste moment. Hij kan daar heel slecht tegen. Ook is er het danseresje van Poolse afkomst (inclusief spelfout op haar visitekaartje Mis Daisy). Er is bovendien nog een komisch duo, de Groningse Mowo’s alsmede de Limburgse Pfyfy’s (het echtpaar Williams) en Signor Bruno met zijn Italiaanse dwergvrouwtjes Anabella en Angelica delle Grazie, met wie hij volgens de geruchten niet alleen optreedt maar ook slaapt. Een Duitser (Will Norman) die bij de slag om Arnhem zijn been verloren heeft, verdient zijn geld met het maken van snelle tekeningen. Tenslotte is er ook nog de “ladderman”, een glazenwasser die omdat hij hoge privé-kosten heeft er ’s avonds nog een beetje bijklust als artiest door op een losstaande ladder op en neer te gaan.

Het pension wordt geregeerd door Minna Boleyn. Ze is jaren geleden uit Zeeland verhuisd naar Amsterdam. Ze herkent Pluut van een eerder verblijf, heet hem hartelijk welkom: alleen de kamer die hij graag wil hebben, is reeds aan een andere gast vergeven. De artiesten gaan best gemoedelijk met elkaar kom, ze bekijken elkaars optredens en geven elkaar vaak daarover complimenten. Ze eten meestal gezamenlijk: Minna Boleyn kookt voor de gasten.

Pieter Newton schenkt echter weinig aandacht aan Pluut. Die ziet hem wel een keer optreden en hij is eigenlijk een beetje jaloers op deze artiest. Tenslotte doet een goochelaar niets anders dan de mensen bedriegen: de illusie van een soms melige truc. Hij overlaadt zijn tegenpool met complimenten, maar ook daarop reageert de kegelwerper nauwelijks. Hij lijkt een antipathie voor de goochelaar te hebben, terwijl de goochelaar juist sympathie koestert voor de jongleur. Hij ziet ook dat deze Pieter Newton belangstelling heeft voor het simpele Poolse danseresje Daisy. Dus zorgt Pluut ervoor dat Daisy belangstelling voor hem zelf krijgt. Hij gaat naar haar optreden en met zijn netwerk aan contacten in de variétéwereld kan hij haar een klein contractje bezorgen in een bioscoop. Daarvoor is enige dankbaarheid wel op zijn plaats en het duurt natuurlijk niet al te lang, voordat Daisy met Pluut in bed beland. Dat bevalt goed, en de volgende dag maken ze weer een afspraak om het maar allemaal nog eens dunnetjes over te doen. Aangezien het afgesproken tijdstip om 3 uur ’s middags is, ontstaat de komische situatie dat Daisy en Pluut aan het vrijen zijn, terwijl Pluut door het raam de omhoog geworpen kegels, ballen en sigarenkistjes ziet, omdat Pieter Newton aan het oefenen is op de binnenplaats. Op deze manier worden ze toch aan elkaar verbonden. In feite is er sprake van een erotisch triootje.

Het is de vraag of Charles Pluut werkelijk om Daisy geeft, want in de korte flash back die de schrijver over hem en een eerste geliefde geeft, komt hij er niet al te positief af. En kort nadat hij met Daisy naar bed is geweest, vraagt hij haar of ze op de eventuele uitnodiging van Pieter Newton om met hem uit te gaan wil ingaan. Dat vindt hij een opwindende gedachte. Daisy weet niet goed wat ze daarvan moet vinden en haar verbazing wordt nog groter, wanneer zij getuige is van een dialoog tussen Newton en Pluut, waarin de laatste Daisy aanbiedt aan Newton. Daisy hoort er van terwijl ze in de badkamer zit. Het is inmiddels wel hartje winter geworden.

Pluut zit enige tijd later in een kroeg en ontmoet er de neven Roodbaars. Het zijn jongens die in het criminele circuit zitten en hij vraagt hen om tegen betaling Newton na afloop van een voorstelling aan te pakken. Niet heel erg hard, maar toch zo dat de schrik erin zit en dan zal Plaaut komen om Newton te helpen. Om te weten wie Newton is wonen de neven Roodbaars zowel een voorstelling van Pluut als van Newton bij. Ze hebben veel meer bewondering voor de act van Newton, want die is eerlijk en direct, terwijl de act van Pluut van list en bedrog aan elkaar hangt.

Eerst geschiedt er nog een ander incident in het pension. Signor Bruno overlijdt na een voorstelling met zijn dwergvrouwtjes op straat aan een hartinfarct. De dwergvrouwtjes doen wat ze kunnen om hem te helpen en zijn ook na zijn dood heel behulpzaam bij het regelen van de begrafenis. Bruno wordt meteen gespreksonderwerp in het pension en verdringt daarmee min of meer een eerder overleden artiest (het slangenmens Zom). Daisy vertelt aan Minna Boleyn dat Newton op een nacht bij haar gekropen is in bed. Ze had hem het liefst willen wegsturen, maar hij had niets uitgeprobeerd: hij was als een blok ijs naast haar blijven liggen.

In het 21e en laatste hoofdstuk wordt verslag gedaan van de rampartij van de neven Roodbaars. Na een voorstelling beuken ze erop los bij Newton, totdat Charles Pluut eraan komt. Maar ook dan loopt alles nog niet naar wens, (eigenlijk keren de neven Roodbaars zich nog meer tegen hem) totdat ineens de Duitse ex-soldaat Will Norman ter plekke komt. Met zijn hulp wordt Newton ontzet. Ze lopen naar het pension en praten daar nog heel wat na. De verteller constateert dat Daisy en Peter Newton hand in hand zitten.

Mijn mening
Vorig jaar verscheen van Margriet de Moor “De Verdronkene”, een indrukwekkende roman over twee zussen die elkaars plaats innemen tijdens de Watersnoodramp van 1953. De inhoud ervan was spannend en de structuur van de twee verschillende vertelinstanties heel zinvol voor de roman. Het boek kwam m.i. ten onrechte niet voor op diverse shortlisten van Akoprijs en Librisprijs over 2005.
In zo’n geval verwacht je dat de volgende roman van de schrijfster weer zo’n indruk op je zal maken. Dat is met “De kegelwerper”zeker niet het geval. Ik ben als lezer steeds op zoek geweest naar een diepere betekenis, maar ben er niet echt achter gekomen. Het verhaal is bovendien niet spannend, misschien ook wel door de gekozen vertelinstantie. En wanneer je na een dikke honderd bladzijden het boekje dichtslaat, blijf je met de vraag zitten waarom het uitgegeven is. Ik ben er niet achter gekomen. Jammer, want net nadat je met “De Verdronkene” gewonnen bent voor de kwaliteiten van de schrijfster, haak ik een jaar later al weer bijna af. Boeken zijn namelijk vrij prijzig en als je moet kiezen, wil je wel iets te lezen hebben…..


Recensies
Margriet de Moor is een vrij belangrijke auteur, die bovendien in 2005 een prachtig boek (De Verdronkene) had geschreven. Binnen een jaar ligt er een nieuw product van haar en de kleine roman werd vrij snel na de publicatie besproken in de belangrijke, landelijke dagbladen. (De Volkskrant, Trouw, NRC, Brabants Dagblad)

Op 9 mei 2006 al bespreekt Jaap Goedegebuure in Brabants Dagblad de roman als een exponent van een fraai schrijvende Margriet de Moor, maar de inhoud van de roman laat hem eigenlijk koud: Laat ik het erop houden dat de verwikkelingen het banale en tegelijkertijd demonische hebben van de aanpak waarin Vestdijk ooit uitblonk. Al zit er ook wel iets in van het oeroude verhaal (bekend van Herodotus, Cervantes en Dostojevski) over een man die de lust voor de geliefde vrouw probeert op te zwepen door haar aan een ander uit te lenen.
Zo groeit deze groteske huiskamerklucht zowaar nog uit tot een literaire exercitie. Tegelijkertijd is het een karakteristiek exempel van De Moors preoccupatie met marginale gevallen, of dat nu een autistisch kind betreft (’Eerst grijs dan wit dan blauw’), een achttiende-eeuwse castraatzanger (’De virtuoos’), een zigeunerkoning (’Hertog van Egypte’) of een vrouw die tijdens de watersnoodramp van 1953 boven zichzelf uitstijgt (’De Verdronkene’).
De grens over, daar gaat het De Moor om. Zelfs in de stijl van deze nieuwe roman laat de exuberantie zich opmerken. De schrijfster is zo gespitst op mooie formuleringen dat je haast een creatieve wedijver met Pluuts goocheltoeren gaat vermoeden. Of je dat waarderen kunt of juist moet afwijzen, is zoals steeds een kwestie van smaak. Zelf twijfel ik. In ’De kegelwerper’ manifesteert Margriet de Moor zich als een knap auteur, maar het verhaal laat me, anders dan ’De Verdronkene’, Siberisch.


Arnold Heumakers zegt op 12 mei 2006 in het NRC dat de diepere bedoeling van de roman hem ontgaat: Ik weet het nog steeds niet, want ook de allegorische interpretatie komt mij achteraf zo vergezocht voor dat ik er nauwelijks in kan geloven. Volgens die interpretatie heeft de jongleur, die als een buitengewoon serieuze kunstenmaker wordt gepresenteerd, iemand die niet van foefjes gebruikmaakt, een hekel aan de goochelaar omdat die het nu juist van list en bedrog moet hebben. En waarom doet de goochelaar zozeer zijn best om toch tot de jongleur door te dringen? Omdat de ware kunst iets van beiden moet hebben: ernst én bedrog, list én vakmanschap. Of, andere mogelijkheid, alleen het jongleren is de ware kunst, en daar wil ook een bedrieger graag bijhoren .Wie dit een openbaring vindt, hij of zij heeft mijn zegen. Voor mijzelf blijft het geheel een raadsel, hoewel er nauwelijks raadselachtigheden in voorkomen.
De bekende Trouw criticus Tom van Deel legt in zijn recensie van 20 mei 2006 veel raaklijnen naar de muziek: “Heel dit gedoe wordt door De Moor uitermate bondig, in veel toonsoorten, verteld, zodat je je helemaal niet meer afvraagt hoe geloofwaardig deze controverse is tussen de misleidende goochelaar en de wiskundige kegelman, met tussen hen in dat onnozele dansmeisje. Het is een soort menuet in de trant van Gombrowicz, waarin tegengestelde mensen paren willen vormen en elkaar nadoen, spiegelen of omkeren. Hier heerst een psychologie van het tegendeel, van de afkeer die ook liefde is, van de overgave die tezelfdertijd berekening is. [l……] Dit is Margriet de Moor op haar best. De woordeloze, maar alle betekenis dragende muziek van de hoorn - melancholiek, vanuit de verte naar het verleden verwijzend - in combinatie met de bijkans ijzig berekende, maar intuïtieve jongleursbewegingen. Het is heel goed te begrijpen dat de achterbakse goochelaar Pluut deze serene eigenheid als een affront en tegelijk als iets begerenswaardigs ervaart. Een mooi boek.

In De Volkskrant van 26 mei 2006 schrijft Arjan Peters:”. Een jaar na haar imponerende Watersnoodramp-roman De Verdronkene, die door de bijziende jury’s van literaire prijzen in Nederland en België schromelijk is onderschat (nog een troost, dat de vertaling Sturmflut momenteel furore maakt in Duitsland), geeft Margriet de Moor dit keer op lichtvoetiger wijze een nieuwe lading aan het woord ‘speelbal’.
Op de bühne wordt gegoocheld met ballen en kegels, maar in het pension en op straat zijn het de personages zélf waarmee een onzichtbare virtuoos aan het dollen is. Het is verleidelijk die structurerende grootmacht gelijk te schakelen aan de auteur, die grijnslachend met stelligheden strooit: ‘Daisy keek (…) min of meer door hem heen. Zo’n manier van kijken is verweer. Men doet het om niet helemáál voor de bijl te gaan’; ‘Charles Pluut voelde als alle onoprechte mensen soms heel gauw een vluchtig berouw’; ‘Jongleurs zijn altijd bang’.
Toch laat zelfs die slimme veelweter op beslissende momenten doorschemeren ook geen touw meer vast te kunnen knopen aan de wendingen die het lot voor haar personages in petto heeft


Over de schrijver

Bron: de website van Margriet de Moor

De "hoedster van het raadselachtige", noemde Alle Lansu haar eens, "een schrijfster die de essentie bij voorkeur in terloopse opmerkingen verbergt." In haar zorgvuldig samengestelde oeuvre probeert Margriet de Moor het ongerijmde te beschrijven: de toevallige ontmoetingen die een leven kunnen veranderen, die ene verhuiswagen die nèt de hoek om komt draaien als je uit het raam kijkt. En dat allemaal in de losse, quasi-laconieke vertelwijze die het werk van De Moor kenmerkt. Hans Goedkoop: "Wat haar figuren ook gebeurt, wat ze ook doen, de eerste stap is steevast dat ze door iets nietigs uit hun leven worden weg getild en binnenstappen in een onbekende nis van het bestaan. Ze laten het verbazende nieuwe daar over zich heen komen, passief vaak, vrijwel blanco - en ze doen daarmee in wezen niet veel anders dan de schrijfster boven hun hoofd. Ze maken zich leeg."

Margriet de Moor wordt als Margaretha Maria Antonetta Neefjes op 21 november 1941 in Noordwijk geboren. Het gezin waarin ze opgroeide was kinderrijk en katholiek. "Ik kom uit een groot gezin met tien kinderen, waarvan zeven meisjes," vertelde De Moor tijdens een interview met de Leeuwarder Courant. "Ik slaap vaak met zusjes op een kamer, vaak ook in hetzelfde bed. Ik heb de band altijd ervaren als intiem en geinig. Als het leuk en goed is kunnen zussen ongelooflijk solidair zijn. In goed én kwaad." Het zussenthema komt vaak voor in De Moors werk, onder andere in De virtuoos (1993), waarin Carlotta een nogal lichtzinnige oudere halfzus heeft, die haar gedachten kan lezen.

De Moor bezocht eerst de ulo, daarna de hbs en studeerde vervolgens piano en solozang aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Aan het einde van de jaren zeventig studeerde zij kunstgeschiedenis en archeologie aan de Universiteit van Amsterdam. Ze maakte een tijdlang videofilms, trouwde met de beeldend kunstenaar Heppe de Moor en kreeg twee dochters. Ze las veel. "Jarenlang had ik gedacht enkel een lezer te zijn, een lezer met een voorkeur voor zo dik mogelijke romans," schreef ze over deze tijd in Ik droom dus (1995). "Totdat op een dag dat lezen als het ware om een uitbreiding begon te vragen, om zijn andere ik, en ik in een stemming die ik niet anders kan omschrijven dan een combinatie van werklust en leegte in een ongebruikte kamer boven in het huis ging zitten."
In 1988 debuteerde ze onder de naam Margriet de Moor met Op de Rug Gezien, een bundel met zorgvuldig gecomponeerde en geconstrueerde verhalen. De bundel werd zeer goed ontvangen, genomineerd voor de AKO-literatuurprijs en won het Gouden Ezelsoor. "Toen het eenmaal op gang kwam, bleek dat bijna alle recensies positief waren. Dat heeft me nog het meest verbaasd." De Moors tweede boek was een bundeling van drie novellen onder de titel Dubbelportret (1989)- en ook deze kreeg veel lof toegezwaaid. Ze kreeg er de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor.

De Moors eerste roman, Eerst grijs dan wit dan blauw uit 1991 werd nog luider toegejuicht: het boek kreeg de AKO-literatuurprijs. In de roman wordt een vrouw - Magda - vermoord die jarenlang spoorloos is geweest. Haar man Robert is één van de verdachten. Hij blijkt zich niet over haar verdwijning te hebben kunnen heen zetten. In het middendeel van het boek wordt de zwerftocht van de vrouw gereconstrueerd. De speurtocht en de reconstructie blijkt een belangrijk gegeven te worden in De Moors werk, evenals personages die greep proberen te krijgen op de mensen en de chaotische wereld om hen heen. Daartoe worden allerlei gedachtenexperimenten en bezweringsrituelen ingezet. De pogingen zijn echter tot mislukken gedoemd. "Het raadsel van de ander," heet het in De Moors zorgvuldig geconstrueerde boeken. Vaak blijken de vrouwen soepeler van geest dan de mannen.

Na De virtuoos worden recensenten steeds kritischer over De Moors werk, een verschijnsel dat vaker voorkomt bij veelgeprezen debutanten. Reinjan Mulder over Hertog van Egypte uit 1996: "Ging het in het onvolprezen Eerst grijs dan wit dan blauw om een persoonlijke verwerking van individuele ervaringen, nu wordt er te nadrukkelijk uitgelegd hoe deze ervaringen kunnen worden gevormd door de maatschappelijke verhoudingen en gebeurtenissen in het verleden." En Menno Schenke in het Algemeen Dagblad over Zee-binnen (1999): "Een nodeloze affaire tussen de evenwichtige Vincent en de onevenwichtige Gemma, daar gaat Zee-binnen over. Een affaire die in een zucht definitief voorbij is, zoals ook de herinnering aan deze roman van Margriet de Moor in een zucht is verdwenen." De Moor wordt er niet warm of koud van: voor haar zijn lezersreacties belangrijker dan oordelen van recensenten. "Lezers lijken steeds mondiger te worden," zegt ze in de Provinciale Zeeuwse Courant. "Ik merk het aan hoe er op de Hertog wordt gereageerd. Men kiest steeds autonomer een eigen weg."

Bibliografie
Op de Rug Gezien (verhalen, 1988)
Dubbelportret (novellen, 1989)
Eerst grijs dan wit dan blauw (roman, 1991)
De virtuoos (roman, 1993)
• Ik droom dus (verhalen, 1995)
• Hertog van Egypte (roman, 1996)
Zee-binnen (roman, 1999)
• Verzamelde verhalen (verhalen, 2000)
Kreutzersonate - Een liefdesverhaal (roman, 2001)
De Verdronkene (roman, 2005)
• De kegelwerper (roman 2006)

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het dan weten door een reactie te geven.