ff n studiebreak
Meiden, laser je binnenste schaamlippen lekker weg joh. Want je vriendje wil een playboypoesje.

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.
geef je mening
Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?
Zakelijke gegevens
Auteur: Umberto Eco
Titel: de naam van de Roos
Oorspronkelijke titel: Il nome della Rosa
Vertaald uit het: Italiaans
Vertaald door: Jenny Tuin, Pietha de Voogd, Henry Vlot
Jaartal eerste druk: 1984
Gelezen druk & uitgeverij: 48 druk 2004, Intres Media
Samenvatting
De roman "De naam van de roos" speelt zich af in de Middeleeuwen. Het boek neemt de vorm aan van een misdaadroman, gesitueerd binnen de muren van een Benedictijner abdij.
In november van het jaar 1327 wordt de Franciscaner monnik William van Baskerville door paus Johannes XXII naar een Benedictijner abdij in Noord-Italië gestuurd, met als opdracht een congres te organiseren waaraan Benedictijnen en Franciscanen zullen meewerken, in een poging een oplossing te vinden voor het voortslepende conflict tussen de Franciscaanse minderbroeders en de paus. Het verhaal wordt ons verteld door de jonge novice Adson van Melk, die als knecht met William meereist.
Op de eerste dag van hun verblijf bezoeken William en Adson het scriptorium en de bibliotheek. Die bibliotheek, die de trots is van het klooster en honderden manuscripten bevat, heeft de vorm van een labyrint en slechts de bibliothecaris, Malachias van Hildesheim, mag er binnengaan. Enkele dagen voor William en Adson in het klooster aankwamen, werd de monnik Adelmo van Otranto op geheimzinnige wijze dood aangetroffen. De scherpzinnige William begint op discrete wijze een onderzoek.
Maar de tweede dag van hun verblijf brengt een tweede moord met zich mee: in een vat dat het bloed van een pasgeslacht varken bevat, wordt het lijk van Venantius van Salvemec ontdekt, een monnik die in het scriptorium werkte en ook Grieks kende. William raakt er zo van overtuigd dat bibliotheek en scriptorium een centrale rol spelen in het mysterie.
Op de derde dag verdwijnt een andere monnik, een zekere Berenger. Zijn lijk wordt tegen de avond gevonden: verdronken, zo lijkt het althans, maar William komt erachter dat de monnik vergiftigd werd. Intussen gaat Adson alleen op onderzoek uit in de bibliotheek. Hij wordt bang en vlucht. In de keukens van het klooster ontmoet hij een meisje uit het naburige dorp dat hem inwijdt in de geheimen van de liefde...
Op de vierde dag komen de Franciscaanse minderbroeders aan voor het congres. Daarnaast wordt de knecht Salvatore samen met een meisje ontdekt dat eerder Adson had verleid; het meisje wordt beschuldigd van hekserij en terstond opgesloten. Terwijl de algemene aandacht verdeeld is tussen de erudiete tussenkomsten op het congres en de paniek die de beschuldiging van hekserij met zich mee brengt, vindt een nieuw delict plaats: de herborist Severinus wordt met ingeslagen schedel gevonden, nadat hij aan William verteld heeft over een geheimzinnig manuscript. De cellarius, Remigio van Varagine, wordt beschuldigd van de moord.
Op de vijfde dag wordt de bibliothecaris Malachias dood aangetroffen. Terwijl hij het lichaam onderzoekt, merkt William op dat drie vingertoppen van de rechterhand zwart gekleurd zijn. Een zelfde fenomeen had hij vastgesteld bij de andere doden; dit doet hem denken aan een vergif. Terwijl hij naar andere aanwijzingen zoekt, ontdekt William een geheime doorgang die toegang geeft tot het centrale, geheime deel van de bibliotheek.
In de nacht tussen de zesde en de zevende dag dringen William en Adson door in de bibliotheek. Plots horen ze iemand die de verstikkingsdood sterft achter de wand: ze ontdekken een geheime kamer en de zesde dode blijkt de abt zelf te zijn.
Uiteindelijk slagen William en Adson erin het mysterie op te lossen. In het geheime centrum van het labyrint in de bibliotheek wordt een manuscript bewaard: het gaat om het tweede boek van de Poëtica van Aristoteles, over de komedie, waarvan men dacht dat het verloren was gegaan. Jorge van Burgos, de ex-bibliothecaris, wilde niet dat de monniken op de hoogte waren van de inhoud van het (heidense) manuscript en had het ingesmeerd met dodelijk vergif. De oude Jorge wordt zo ontmaskerd maar probeert het manuscript uit de handen van William te redden door de in gif gedrenkte pagina’s van het boek op te eten en de bibliotheek in brand te steken. Zo gaat het aristoteliaanse manuscript definitief verloren en Jorge wordt de zevende dode.
Het boek eindigt als William en Adson de brandende abdij achter zich laten en ieder hun weg uit gaan, om elkaar nooit meer terug te zien.
Wat is het karakter van de hoofdpersonen?
Adson van Melk en William van Baskerville zijn de hoofdpersonen van dit boek.
Het karakter van William
William is een intelligente, vriendelijke, vrome man. Hij is eerlijk tegenover anderen en heeft in tegenstelling tot vele monniken van het klooster een goed gevoel voor humor (en ziet dit als een deugd).
Als Ubertino zegt dat William de abdij moet verlaten zegt William“‘Ik wil het juist beter leren kennen,’ zei William terwijl hij afscheid nam.” BLZ 72
“‘Jean d’Anneaux...’ ‘dat is een theologische scherpslijper, pas op voor hem.’ ‘We zullen voor hem oppassen. En ten slotte Jean de Baune.’ ‘Die zal met Berengario “Talloni aan de stok krijgen.’ ‘Ja, ik geloof vast dat we ons zullen vermaken,’ zei mijn meester welgemoed.” BLZ 70
“‘Dit is waarlijk de zoetste aller theologieën,’zei William in volmaakte deemoed, en ik meende dat hij die arglistige denkfiguur toepaste die de retoren ironie noemen, en die altijd dient te worden voorafgegaan door de pronunciatio, die er het signaal en de rechtvaardiging van vormt; hetgeen William nooit deed.” BLZ 153
Nadat Bertrand een speech heeft gehouden van de Antichrist (een verschrikkelijk monster) “‘Het lijkt wel zijn eigen portret,’ fluisterde William grinnikend. Dat was een zeer onvertogen opmerking, maar ik was hem er dankbaar voor, want de haren begonnen me te berge rijzen.” BLZ 420
William is tevens een trotse, ijdele man. Als hij problemen of andere zaken oplost, hoort hij dan ook graag wat complimentjes over hoe slim, pienter en snelgevat hij wel niet is, wat hij overigens echt wel is.
“ik geloof ook dat William zijn rijdier iets inhield om hun de gelegenheid te geven het voorval te vertellen. Want ik had al eens eerder opgemerkt dat mijn meester, die in alle opzichten een man van zeer grote deugdzaamheid was, toegaf aan de ondeugd der ijdelheid wanneer het erom ging een bewijs van zijn scherpzinnigheid te leveren, en aangezien ik reeds zijn gaven als listig diplomaat had kunnen bewonderen, begreep ik dat hij voorafgegaan door een gedegen faam van wijs man zijn bestemming wilde bereiken.” BLZ 31
“William legde hem nuchter en in beknopte termen uit welke weg hij had gevolgd, en de abt toonde zich zeer verheugd over zijn scherpzinnigheid.” BLZ 37
“Ik heb aan het begin van dit verhaal gezegd dat mijn meester graag anderen verbaasd deed staan over de snelheid van zijn gevolgtrekkingen, en het was logisch dat hij zich in zijn trots gekwetst voelde nu hij, en niet een ten onrechte, van traagheid werd beticht.” BLZ 464
William is toch vaak heel bescheiden over zijn scherpzinnigheid. Dit doet hij óf omdat hij zijn luisteraars wil laten zeggen dat hij wèl heel scherpzinnig is, óf omdat hij oprecht bescheiden is.
“Dat zal de volledige kennis zijn, de intuïtie van het individuele. Zo was ik een uur geleden bereid om alle paarden te verwachten, maar niet door de grootheid van mijn verstand, doch door de ontoereikendheid van mijn intuïtie.” BLZ 36
William spreekt vaak in erg filosofische woorden en heeft veel filosofische denkwerelden/uitlegmethoden. Bovendien heeft hij vaak even tijd nodig om over alle gebeurtenissen na te denken en alles goed af te wegen.
“‘Voorwaarde voor het bestaan van een spiegel van de wereld is dat de wereld een vorm heeft,’ besloot William, die te veel filosoof was voor mijn jeugdige geest.” BLZ 128
“Hij schepte er daarentegen genoegen in zo veel mogelijkheden te verzinnen als maar mogelijk was.” BLZ 321, een filosoof staat nooit stil bij één mogelijkheid.
William is een hele nieuwsgierige man, mede daarom doet hij ook onderzoek naar de moorden. Verbonden met nieuwsgierigheid is ook de leergierigheid van William.
“Ook al omdat mijn meester hem, zodra hij was uitgesproken, vol nieuwsgierigheid vragen begon te stellen.” BLZ 56
“‘Precies, dus je ziet dat Bacon gelijk had. Studeren! Maar laten we de moed niet opgeven.”BLZ 176 William is een echte doorzetter.
Via sluwe, slimme manieren komt William allemaal dingen over de abdij en de monniken te weten.
“De abt keek William een ogenblik met een ernstig gezicht aan. ‘Natuurlijk slaapt hij niet in de keuken,’ zei hij toen kortaf. En hij versnelde zijn pas. ‘Mooi zo,’ fluisterde William mij toe, ‘er bestaat dus nog een andere ingang, maar die mogen wij niet weten.’ Ik glimlachte vol trots om zijn gevolgtrekking, waarop hij me vermaande: ‘niet lachen! Je hebt gezien dat de lach binnen deze muren niet goed staat aangeschreven.” BLZ 105
“William wreef zich in de handen, zoals ik hem al vaak had zien doen als hij ergens voldaan over was.” BLZ 125.
“Aanvankelijk begreep ik niet waarom William zich in die geleerde discussie had begeven, en nog wel met een man die niet van zulke onderwerpen gediend leek te zijn, maar het antwoord van Jorge deed me inzien hoe sluw mijn meester was geweest.” BLZ 138
William komt met zijn sluwe en voornamelijk slimme manieren en plannetjes dus aan informatie over de monniken en de gebeurtenissen in de abdij, die eigenlijk voor altijd geheim had moeten blijven. Door al deze (geheime) informatie zijn er steeds meer verdenkingen te vestigen op bepaalde monniken (over wie de moord(en) heeft gepleegd). Maar ondanks de vele verdenkingen, wil hij nooit en te nimmer te snel uitspraken doen over wie de moordenaar is en moet alles tot de laatste druppel zijn uitgezocht. Hij blijft dan ook niet hangen bij één verdachte uitspraak of aanwijzing maar stelt zichzelf vragen om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de gebeurtenissen. Je kunt dus wel zeggen dat William streeft naar rechtvaardigheid en alles goed wil uitzoeken alvorens tot een oordeel te komen
“‘Bouw geen toren van verdenkingen op een enkel woord.’ ‘Dat zou ik nooit doen,’ antwoordde William. ‘Ik heb het inquisiteursambt juist opgegeven om dat te vermijden. Maar ik luister graag naar woorden, en dan denk ik erover na.’” BLZ 73
“‘Maar waarom zou hij zich van het leven hebben berooft?’ ‘Maar waarom zouden ze hem hebben vermoord? Het is in elk geval zaak motieven te vinden. En voor mij staat vast dat die er zijn.” BLZ 101
“En wanneer iemand u voorstelt een bepaalde uitspraak te geloven, dient u eerst te onderzoeken of die uitspraak aanvaardbaar is, want onze rede is door God geschapen, en dat wat we met onze rede overeenkomt, kan niet niet overeenkomen met de goddelijke rede, waarover we trouwens alleen maar datgene weten waartoe we, door analogie en vaak door ontkenning, vanuit de werking van onze rede zijn gekomen.” BLZ 141
“‘eerbiedwaardige Jorge, ik meen dat u onrechtvaardig bent als u Abélard voor een ontmande uitmaakt, want u weet dat hij door de boosaardigheid van anderen in die treurige toestand geraakte...’” BLZ 140
William gedraagt zich altijd heel beleefd tegenover anderen (met name naar mensen met macht), maar laat via beleefde, slimme manieren zien dat hij het er niet mee eens is of dat hij geen zin heeft erover te praten.
“‘Ik begrijp het,’ zie William. Ik had al eerder opgemerkt dat hij achter zo’n meegaande en beleefde toon meestal op gepaste wijze zijn afwijkende mening of zijn bevreemding verborg.” BLZ 38
“William kuchte beleefd. ‘Eh... oh...’zei hij. Dat deed hij altijd als hij een ander onderwerp wilde aansnijden.” BLZ 153, dit is een elegante manier hiervoor volgens Adson.
Ook al lijkt William heel rustig op het eerste gezicht, hij kan zich ook doodergeren aan anderen en kan hier heel boos om worden, maar hij houdt zich dan in.
“Weer een dag verloren, gaf William ontstemd toe, terwijl hij (zoals hij mij later bekende) de aanvechting onderdrukte om de onhandige glasmeester, die zich overigens al geblameerd genoeg voelde, bij de keel te grijpen.” BLZ 224
Als er echter een onderwerp aan de orde komt waarbij William een duidelijke partij heeft gekozen, komt hij daar duidelijk en eerlijk voor uit, zonder zich nog van enige beleefdheden iets aan te trekken.
“Gewend als ik was het de meest zonderlinge uitspraken te horen doen, vroeg ik hem niet wat hij bedoelde.” BLZ 30
“Ik had hem reeds bij andere gelegenheden met veel scepsis horen spreken over universele begrippen en met groot respect over individuele dingen; en ook later scheen het mij toe dat hij die neiging ontleende aan zijn hoedanigheid van zowel Brit als franciscaan.” BLZ 36
William is echter altijd doordacht bezig en zegt nooit iets zonder er over nagedacht te hebben. Als hij beleefd doet, doet hij dit om zijn positie niet te verslechten en in de gunsten van hen te komen. Terwijl hij, als hij eerlijk en duidelijk voor zijn mening uitkomt, hij dit doet om die persoon in verlegenheid te brengen of hem in het nauw te drijven (zodat hij eerlijk tegen hem zal spreken, en hij weer aan nieuwe inlichtingen komt). Dit laatste doet hij vooral bij de verdachten in de moordzaken.
“Deze terechtwijzing ging een beetje te ver. William was wel onbetamelijk geweest, maar nu beschuldigde Jorge hem ervan dat hij met zijn mond winden liet. Ik vroeg me af of dit strenge antwoord niet een aansporing inhield om het scriptorium te verlaten. Maar ik zag de even tevoren zo strijdvaardige William plotseling zo gedwee worden als een lam” BLZ 143
Als William door anderen wordt terechtgewezen of gedwarsboomd, laat hij het hier niet bij zitten. Als hij eenmaal iets in zijn hoofd heeft, moet en zal hij het vinden/doen.
“Het was echter duidelijk dat hij de gedacht koesterde revanche te nemen, een gedachte die, als ze niet, zoals het geval was, door dorst naar waarheid ingegeven was geweest, erg koppis en misschien afkeurenswaardig zou hebben geleken.” BLZ 166
Als er enge dingen gebeuren toont William geen angst, alleen dapperheid.
“Hij nam me de lamp uit handen, duwde me opzij en liep naar voren met een vastberadenheid die mij bovenmenselijk leek.” BLZ 181
Het karakter van Adson
Adson is erg trots dat hij de novice van William is, mede omdat hij zo ook een beetje van het aanzien van zijn meester kan genieten. Hij voelt zich een stuk minder dan William, alleen maar omdat deze wijs spreekt en meer weet (wat logisch is gezien het leeftijdsverschil). Adson weet echter zelf ook veel en is niet op zijn achterste gevallen, al zegt hij dat hij dit wel is. Hij wil graag van alles weten en schaamt zich als hij is een keer iets niet weet.
“Zijn verklaring leek mij bovendien op dat moment zo vanzelfsprekend, dat het vernederende besef haar niet zelf te hebben gevonden, werd overvleugeld door de trots er nu deelgenoot van te zijn, en ik wenste mezelf bijna geluk met mijn schranderheid.” BLZ 33
“‘Welke zijn dat?’ Vroeg ik. ‘Tut, tut, onze novice is al te weetgierig.” BLZ 76
“Ik was bezig te veel te leren.” BLZ 164 zegt Adson als hij even helemaal van slag is door al die bewijzen en verdenkingen, hij voelt zich onmachtig en hij denkt dat hij als novice helemaal niet in staat is al die gebeurtenissen logisch te ordenen, dat hij te onbekwaam is.
Zijn nieuwsgierigheid kan ook nog wel eens wat ongeduldigheid met zich meebrengen. “‘Maar wat hebben de horens ermee te maken?’ Vroeg ik ongeduldig, ‘en waarom houdt u zich bezig met hoorndragende dieren?’” BLZ 319
Adson is niet echt een doorzetter. Als iets tegenzit heeft hij al gauw de neiging alles somber te zien en zijn aandacht naar een ander probleem te verplaatsen die meer kans op een succesvolle afloop biedt.
“‘Dus we weten nog niets en zijn even ver als eerst,’ zei ik diep teleurgesteld. William bleef staan en keek me met een niet al te welwillende blik aan. ‘Mijn beste jongen,’ zie hij, ‘hier voor je staat een arme franciscaan die met zijn bescheiden kennis en dat beetje bekwaamheid dat hij aan de oneindige macht van de Heer dankt, er in enkele uren tijds in is geslaagd een geheimschrift te ontcijferen waarvan de schrijver zeker was dat het voor iedereen behalve hemzelf volkomen onbegrijpelijk zou zijn...en jij, armzalige ongeletterde kwajongen, bestaat het om te zeggen dat we even ver zijn als eerst?’” ik stamelde onbeholpen een verontschuldiging. Ik had de ijdelheid van mijn meester gekwetst, terwijl ik toch wist hoe trots hij was op de snelheid en zekerheid van zijn gevolgtrekkingen.” BLZ 220, dit citaat zegt dus ook wat over William en zijn ijdelheid
Hoewel Adson altijd veel wil leren, en hij Williams grappen altijd streng be- veroordeeld (dwz, niet gepast/onvertogen enz vindt), kan hij ook nog lachen om zijn, of iemands anders grappen.
“Ik volgde met mijn blik die bladzijden, heen en weer geslingerd tussen sprakeloze bewondering en lachlust, want de figuren wekten onvermijdelijk de hilariteit, ofschoon ze heilige teksten illustreerden. Ook frater William bekeek ze glimlachend en merkte op: ‘Babewyn, zo noemen ze die op mijn eilanden.’” BLZ 87
zie ook de laatste citaat bij het karakter van William, eerste alinea. Na dit citaat proest Adson in lachen uit, ook al is dit niet gepast.
Adson gehoorzaamd braaf aan zijn meester en luistert naar zijn hogere, in tegenstelling tot William. William oefent een grote druk op hem uit, en hij doet uiteindelijk vaak goed wat William hem zegt, ook al is dit in strijd met iemands anders regels.
“‘Maar wat heeft dat en de misdaden, of de misdaad, te maken?’ ‘Dat weet ik nog niet. Maar nu wil ik graag naar boven. Kom mee.’” BLZ 135 William geeft een commando
Soms overtreed hij de regels in zijn eentje, of doet hij iets stiekem.. Hij, als novice, gaat bijvoorbeeld op een gegeven moment alleen naar de geheime bibliotheek en heeft vervolgens ook nog seks met een boerenmeisje. De nieuwsgierigheid van Adson overstijgt dus zijn wil om iedereen te gehoorzamen. Een citaat m.b.t. dit laatste
“Zo kwam het dat ik onopgemerkt hun eerste gesprek kon horen. Zonder kwade opzet, want als ik mijn aanwezigheid plotsteling aan de bezoeker kenbaar had gemaakt, zou dat lomper zijn geweest dan we verbergen, zoals ik in alle nederigheid deed.” BLZ 37
“Misschien kwam er daarom een neiging toot ongehoorzaamheid in me op, en ik besloot alleen naar de bibliotheek terug te gaan.” BLZ 244
Adson kan, als hij opeens door wanhoop of domheid word overvallen opeens heftig reageren.
“‘Maar u,’ schreeuwde ik haast in een vlaag van opstandigheid, ‘waarom kiest u geen partij, waarom vertelt u me niet waar de waarheid ligt?’” BLZ 215
Ook al berispt Adson zichzelf er vaak van niet genoeg te weten of zich dom gedragen te hebben, is hij trots als zijn meester hem een compliment geeft, of als hij zijn meester ergens mee kan helpen.
“Ik moet met enige trots zeggen dat William me bewonderend aankeek: ‘misschien is dat zo.” BLZ 218
Als Adson anderen voor het eerst ontmoet heeft hij, in tegenstelling tot William, al snel een oordeel over die persoon klaar, en bekritiseert hij deze.
“Op dat ogenblik, waarop ik hem voor het eerst ontmoette, scheen Salvatore me, én door zijn gezicht, én door zijn manier van spreken, een wezen die dat niet veel verschilde van de harige, geklauwde kruisingen die ik zojuist in het portaal had gezien.” BLZ 55
Adson denkt niet echt goed na voordat hij iets zegt. Hij trekt hierdoor te snel conclusies en zegt hij dingen die hij beter niet had kunnen zeggen.
“De minderbroeders zullen toch niet degenen zijn geweest die andermans bezit verdedigden,’ zei ik vrijpostig. Ubertino keek me streng aan: ‘de minderbroeders verlangen arm te zijn, maar hebben nooit van de anderen verlangd dat zij arm zijn.” BLZ 135
Maar ook al is hij kritisch tegenover anderen, hij helpt ze toch, om zo een goede christen te zijn. Of doet hij dit nu omdat diegene die hij kon helpen een mooi meisje was? “Bedenkend dat het de plicht van elk goed christen is zijn naaste te hulp te komen, liep ik dan ook met grote vriendelijkheid op haar toe en zei in goed Latijn dat ze niet hoefde te vrezen, omdat ik een vriend was, in elk geval geen vijand, zeker niet de vijand zoals zij die misschien duchtte.” BLZ 257
Adson is in tegenstelling tot William wel degelijk snel bang.
“‘Een duivel!’ Schreeuwde ik, en het scheelde niet veel of ik had de lamp laten vallen toen ik me met een ruk omdraaide en in Williams armen vluchtte.” BLZ 181
“We gingen door het noorderportaal naar buiten en staken het kerkhof over, terwijl de wind ons om de oren floot en ik de Heer bad ons niet zelf twee spoken te doen tegen komen, want aan benarde zielen ontbrak het de abdij die nacht niet.” BLZ 476
Ook ziet hij William niet alleen als zijn meester maar ook een beetje als een soort vaderfiguur. Dit zegt hij niet duidelijk in het boek, maar uit zijn handelingen en ideeën blijkt wel degelijk dat William een groot voorbeeld voor hem is en dat hij bij hem al zijn problemen kwijt kan, waarbij William het altijd voor hem opneemt. Zo kan hij bij William biechten over de vreselijke zonde die hij heeft begaan met het boerenmeisje. Adson heeft altijd wel iemand nodig die zijn steun en toeverlaat is (karakter), anders houd hij het leven met al die problemen en openbaringen gewoon niet uit.
Welke ontwikkelingen maken de hoofdpersonen door?
Ontwikkelingen van Adson
Adson is op het begin van het verhaal echt nog een jongen die alles aanneemt wat zijn hogere en meester hem vertellen. Het hele verhaal door zal hier echter wat verandering in komen. In plaats van altijd alles aannemen en leren wat anderen zeggen, gaat hij zelf nadenken, hypotheses vormen en conclusies trekken. Hij leert dat hij zelf ook veel kan formuleren en bedenken, zonder dat hij daar William daarvoor nodig heeft. Kortom, Adson wordt zelfstandiger en wil zelf dingen ontdekken.
“Ik wilde nu eens alleen een onbekende plaats verkennen, en de gedachte er zonder hulp van mijn meester de weg te kunnen vinden bekoorde me.” BLZ 244
“Later heb ik geleerd dat deze zegswijze op verschillende manieren kan worden geformuleerd.” BLZ 154
“Dat waren de redenen, concludeerde ik, waarom Abbone zich nu bereid verklaarde samen te werken met William die door de keizer was gezonden om als middelaar op te treden tussen de orde der franciscanen en de ‘Heilige Stoel.” BLZ 155
Maar hij wil nog steeds graag zijn meester kunnen evenaren. “‘Laat mij een s mijn hersens gebruiken,’ zie ik, in een eerzuchtige poging mijn meester te evenaren.” BLZ 380. Adson wil tevens graag wat meer bewonderd worden dan in het begin van het verhaal.
Natuurlijk wordt hij soms een beetje bang van zichzelf, van zijn eigen denkwereld en mogelijkheden, doordat hij zijn mogelijkheden steeds meer begint in te zien.
“Ik voelde me verward en bevreesd voor mijn eigen gedachten. Misschien pasten die niet voor een novice, wiens enige plicht het was de regel nauwgezet en nederig op te volgen, gedurende al de jaren die komen zouden – hetgeen ik later ook heb gedaan, zonder me verder nog vragen te stellen, terwijl om mij heen de wereld steeds dieper wegzakte in een woeste stroom van bloed en waanzin.” BLZ 195
Adson wordt eerst bij veel dingen buitengehouden, maar naarmate het verhaal verstrekt zien de geleerde heren hem meer als een man met verantwoordelijkheden. Dat is dus een ontwikkeling qua persoonlijkheid (volwassener geworden) en qua status.
“‘Het zijn geen dingen die jij behoort te weten. Hoewel, ach, nu we er toch over hebben gesproken en je ten slotte moet leren goed en kwaad van elkaar te onderscheiden...’ aarzelde hij nog.” BLZ 242
Adson begint dezelfde scherpzinnigheid als zijn meester te krijgen. Dit was nooit gebeurd als hij William niet had ontmoet, aangezien William ook veel tijd aan Adson geeft zelf dingen te formuleren en te leren.
“Ook ik bespeurde de lichte aarzeling in Severins stem, die mijn meester niet was ontgaan.” BLZ 78, scherpzinnig.
Adson komt er ook achter dat de wereld toch niet zo eenvoudig in elkaar zit als hij altijd dacht.
“Ik was van mijn stuk gebracht. Ik had altijd gedacht dat de logica een universeel wapen was, en nu merkte ik hoezeer haar geldigheid afhing van de wijze waarop ze werd toegepast. Anderzijds was ik me er in de omgang met mijn meester van bewust geworden, en werd ik me in de dagen die volgden steeds meer bewust, dat de logica vele diensten kan bewijzen, op voorwaarde dat men zich erin begeeft, maar haar vervolgens weer achter zich laat.” BLZ 276
Als Adson grijs en oud is
Alle geheimen en gevoelens die Adson altijd en voor iedereen, verborgen had gehouden, komen in het boek naar voren, het boek dat door Adson is geschreven. Adson is dus zover gekomen dat hij, na alle gebeurtenissen, oud en grijs geworden, zijn boekje opendoet en alles, maar dan ook alles, verteld. Dit is op zich een hele ontwikkeling voor zo’n gesloten figuur als Adson is. Hij wil echter wel duidelijk maken dat hij al met al een vrome monnik is die niet een boek schrijft omdat hij spijt heeft deze keuze.
“Ik zeg deze dingen niet omdat ik mijn keuze om mij aan het kloosterleven te wijden in twijfel wil trekken, maar om de misstap te verontschuldigen van velen wie de last van deze heilige opgave zwaar weegt.” BLZ 145
Hoewel Adson eerst geloofde/hoopte dat de snippers van de overgebleven boeken na de verschrikkelijke brand, een (geheime) betekenis bezaten, is hij nu langzaam tot de veronderstelling gekomen dat deze toch niets betekenen, iets wat hij ten zeerste betreurt.
“hoe vaker ik deze boekenlijst herlees, hoe meer ik tot de overtuiging kom dat ze uit het toeval is ontstaan en geen enkele boodschap behelst. Maar die onvolledige bladzijden hebben me vergezeld gedurende al de jaren die me sindsdien nog vergund zijn geweest te leven; ik heb ze vaak als orakel geraadpleegd, en ik heb welhaast de indruk dat hetgeen ik heb geschreven op deze bladen die gij, onbekende lezer, thans zult lezen, niets anders is dan een cento, een figuurdicht, een ontzaglijk groot acrostichon dat geen andere dingen vertelt en verhaalt dan die welke deze fragmenten me hebben ingegeven, en ik weet zelfs niet meer of ik tot dusverre over die fragmenten heb gesproken of dat zij door mijn mond hebben gesproken.maar welk van de tweegevallen zich ook mag hebben voorgedaan, hoe vaker ik mezelf de geschiedenis die eruit is voortgekomen vertel, des te minder vermag ik te doorzien os er een patroon in besloten ligt dat verder reikt dan de natuurlijke opeenvolging van de gebeurtenissen en de tijden die ze met elkaar verbinden. En het is hard voor deze oude monnik op de drempel van de dood om niet te weten os de letteren die hij heeft geschreven de een of de andere verborgen zin bevatten, meer dan een, vele, of geen enkele.”BLZ 521
Adson verlangd naar vroeger, naar de tijd dat hij nog jong was. Terwijl hij het destijds, het “vroeger” waar hij het over heeft, juist helemaal niet zo als “leuk” beleefde. Hij is dus ten inzien gekomen dat zijn jeugd en latere jaren toch wel heel bijzonder en leuk waren.“Waar is de goede oude tijd gebleven.” BLZ 521
Ontwikkelingen van William
Bij William zijn de persoonlijke ontwikkelingen niet echt duidelijk.
Het hele verhaal door gaat William slim te werk, maar af en toe ziet hij een belangrijk detail helemaal over het hoofd. Als hij deze heeft ontdekt is het vaak al te laat en is er bijvoorbeeld al iemand vermoord. Constant berispt hij zichzelf op zijn traagheid en domheid, terwijl hij dat eigenlijk helemaal niet is. Niemand kan hem op dat moment ervan overtuigen dat hij helemaal niet dom is, pas op het eind van het verhaal bedenkt hij bij zichzelf dat hij gewoon zijn best heeft gedaan, en dat iemand anders het niet veel beter had kunnen doen. Dit is een ontwikkeling. Met deze zin haalt Adson William over positief te denken over zichzelf. “‘maar door een verkeerde orde te bedenken, hebt u toch iets gevonden...’” BLZ 512
Voor de rest zijn er nog de algemene ontwikkelingen in het verhaal, al zijn die natuurlijk vrij duidelijk: er wordt op het begin een lijk gevonden, steeds meer moorden worden gepleegd, tot op het eind van het verhaal de doodsoorzaak van alle doden door William wordt gevonden samen met de (onverwachte) dader. Daarna, door toedoen van de moordenaar, word een belangrijk boek vernietigd en gaat de bibliotheek, met alle andere gebouwen van de abdij, in vlammen op. Dit licht ik verder niet meer toe, omdat dit voor de vraag niet belangrijk is.
Typische middeleeuwse zaken/opvattingen
Monniken leefden in grote, machtige abdijen, waar de abt de baas is.
“Ik bedoel dat het op bepaalde punten, van beneden af gezien, leek alsof de rots zich zonder verschillen in sleur en materie naar de hemel toe voortzette en op een gegeven moment overging in donjon en toren (werkstuk van giganten die zeer vertrouwd moesten zijn zowel met de aarde als met de hemel).” BLZ 29
Maar ook al had de abt de macht, de monniken waren maar wat graag zelf de machthebbers. “In iedere abdij woedt altijd een strijd onder de monniken om het bestuur over de gemeenschap te veroveren.” BLZ 134
Vaak had een abdij grote stukken land en een paar boeren, die op hun land gewassen mochten verbouwen of vee mochten hoeden. De abdij zelfs bestond uit een paar grote gebouwen en een kerk. Elke abdij had ook eigen schatten en relikwieën, om zo hun macht te kunnen uitoefenen en hun macht te laten zien aan anderen. Op de grond van de abdij werkten knechten, monniken en ambachtsmannen die allerlei werkzaamheden verrichtten als smidse, glasmeester, paarden/vee houder, kruidenmeester/arts etc.
“Ook omdat we, na nog een eindje te hebben afgelegd, geluiden hoorden en er om een bocht een opgewonden schare monniken en knechten verscheen.” BLZ 30
“Salvatore stuurde haastig de geitenhoeders naar buiten en terwijl hij langs ons liep keek hij ons bezorgt aan.” BLZ 129
“De varkenshoeders bogen zich aarzelend over de kruik en trokken het arme, van bloed druipende ding eruit, waarbij ze zichzelf van onder tot boven besmeurden.” BLZ 112
De meeste monniken waren altijd bezig met het overschrijven van boeken, een tijdrovende bezigheid. In de middeleeuwen was er nog geen sprake van het simpel kopiëren van tekst, maar moesten ze het hele boek met de hand op perkament overschrijven. Als dit was gedaan maakten andere monniken hier weer weelderige, precieze en moeilijke tekeningen bij, ook een tijdrovend werkje.
“Het waren bladen van het allerfijnste vellum – koning onder de perkamenten – en het laatste was nog aan het tafelblad vastgehecht. Het was heel licht met puimsteen gepolijst, met krijt zacht gemaakt en daarna met het schraapijzer glad gestreken; vanuit de aan de zijkanten met een fijne stift aangebrachte minuscule gaatjes waren alle lijnen getrokken die de hand van de kunstenaar moesten leiden.” BLZ 85
Geestelijken moesten heilige teksten en andere teksten/ gedichten helemaal uit het hoofd kunnen opzeggen, daarom maakte de makers van de boeken veel gebuik van plaatjes, omdat het zo makkelijker is de verhalen te onthouden. “Anderen moedigden de verspreiding ervan aan omdat, naar zij zeiden, de jongelieden door middel van het spel de episoden van de gewijde geschiedenis gemakkelijker uit het hoofd konden leren.” BLZ 455.
Vaste rituelen beheersten de Middeleeuwse maatschappij. Een vast gebruik was bijv. Dat gasten van een abdij hun handen bij aankomst wasten. Ook was het toen gebruikelijk dat mannen elkaar gewoon op de mond kusten ter begroeting. Misschien is dit nu nog zo in verre landen, maar in het westen van Europa is dit gebruik allang verdwenen, en word je nu zelfs raar aangekeken als je als man een man op de mond kust.
“Vertel liever dat we bij de grote poort van de abdij aankwamen; en in de poort stond de abt met twee novicen die hem een gouden schraal vol water voorhielden. En zodra wij van onze rijdieren waren gestapt, waste hij William de handen, vervolgens omhelde hij hem, kuste hem op de mond en sprak tot hem zijn heilig welkomstwoord, terwijl; de cellarius zich over mij ontfermde.” BLZ 33 later herhaalt het kussen zich met de ontmoeting tussen Ubertino en William.
In de middeleeuwen waren er nog gewoon keizers die de macht hadden samen met de paus. De keizer was het echter lang niet altijd blij met de paus en wilde niet dat deze te veel macht en rijkdommen in handen kreeg, de paus was gewoon bezig zo veel mogelijk macht te vergaren en stelde zich onafhankelijk op tegen te keizer. Daarom was er in de middeleeuwen een grote machtsstrijd tussen de keizer en de paus, waar het volk vaak ook de dupe van was.
Om hun macht uit te drukken, vonden er vaak nutteloze bloedvergieten plaats. “De eenvoudigen zijn slachtvee, dat men gebruikt als het van dienst kan zijn om het vijandelijke gezag aan het wankelen te brengen, en dat men offert als het geen dienst meer kan doen.” BLZ 161, dit alles heeft ook betrekking op het leven in de middeleeuwen.
In de Middeleeuwen waren er op een gegeven moment ook veel inquisiteurs. Vele mensen werden beschuldigd van ketterij, iedereen kon iedereen beschuldigen. De inquisiteur bepaalde vervolgens of hij/zij ook echt een ketter/heks was. Lang niet altijd gaf de verdachte echter meteen toe dat hij een ketter was, wat volgens veel inquisiteurs juist een teken was dat hij een ketter was, er werd dan via martelingen achterhaald dat hij een ketter was. Je kon dus maar beter altijd snel bekennen, je werd toch bijna altijd schuldig bevonden, en hoe sneller je bekende, hoe lichter de straf (al gelde dit niet altijd zo). Als je een ketter was, werd je vaak veroordeeld tot de brandstapel.
“‘... dat u alleen een veroordeling hebt uitgesproken,’ ging de abt verder zonder zich aan de onderbreking te storen, ‘als de aanwezigheid van de duivel in ieders ogen zo onomstotelijk vaststond dat er geen andere handelwijze mogelijk was zonder dat toegeeflijkheid meer aanstoot zou geven dan het vergrijp zelf’” BLZ 38, er waren altijd wel redenen te vinden waarom iemand werd veroordeeld als ketter.
“Hij vertelde dat hij een brief van de abt van Farfa had ontvangen waarin deze niet alleen schreef over de missie die William door de keizer was toevertrouwd (waarover ze in de komende dagen nog zouden spreken) maar hem ook meedeelde dat mijn meester zowel in Engeland als in Italië als inquisiteur was opgetreden in een aantal processen, waarin hij zich had onderscheiden door zijn doorzicht gepaard aan een grote menselijkheid.” BLZ 37, William was tegen het martelen van mensen, en sprak soms beschuldigden vrij, daarom werd hij gezien als een menselijke inquisiteur.
“Arnaud Amaury gaf dit als antwoord toen hem werd gevraagd wat er moest gebeuren met de burgers van Béziers, een van kettertij verdachte stad: ‘doodt ze allemaal, God zal de Zijnen herkennen.’” BLZ 162, alles was geoorloofd als de ketters maar gedood werden.
De paus en zijn gezanten hadden veel macht, en vele, vooral arme groeperingen en personen, zetten zich daarom van de paus af. Zo predikt de één dat Jezus een arm man was, en de ander dat het huwelijk helemaal niet belangrijk is. De paus wilde zijn macht bovenal behouden en besloot al deze nieuwe groeperingen tot ketterse bewegingen uit te roepen. De paus veroordeelde mensen (met straffen) dus niet alleen omdat ze ketters waren, maar ook omdat hij orde en gezag wilde bewaren.
Zij leven onder de kwellende druk van ziekte, van armoede, en de onwetendheid maakten tot stamelaars. Dikwijls is voor velen van hen de toetreding tot een ketterse groepering slechts een willekeurige manier om hun wanhoop uit te schreeuwen.” BLZ 161
“‘Omdat ze meenden dat de geest van de regel voorgoed was verraden: franciscanen dienen immers niets te bezitten, noch als individu, noch als klooster, noch als orde. Ze werden levenslang gevangen gezet.’” BLZ 59
“Het schiereiland, waar de macht van de clerus merkbaarder was dan in enig ander land. En waar de clerus meer dan in enig ander land zijn macht en rijkdom ten toon spreidden, had al sinds ten minste twee eeuwen bewegingen voortgebracht van lieden die een soberder leven voorstonden, in openlijk verzet tegen de corrupte priesters, van die zij zelfs de sacramenten weigerden, en die zich in autonome gemeenschappen verenigden welke zowel de adel als het keizerlijk gezag en de stedelijke magistraten een doorn in het oog waren.” BLZ 57
Je moest je gewoon gedragen zoals de paus dat wilde. “Maar tegen hen die hun vrije leven voortzetten, trad Johannes meedogenloos op: hij liet hen door de inquisitie vervolgen en velen van hen werden verbrand.” BLZ 60
De paus zorgde er ook voor (naast de straffen) dat het gewone onwetende volk bang werd gemaakt dat als ze niet in de paus geloofden, het slecht met hen zou aflopen.
“Meer dan ooit tevoren hebben predikers in deze laatste jaren het volk gruwelijke, onthutsende en macabere verhalen voorgeschoteld om zijn vroomheid en vrees en zijn ijver (en zijn eerbied voor de menselijke en goddelijke wet), aan te wakkeren.” BLZ 126
Niet alleen de paus was bang zijn macht te verliezen, ook universiteiten wilde hun oude macht koste wat het kost behouden. Helaas kwamen er echter steeds meer bedreigingen voor de universiteiten en hun autorariteit, doordat zij nu niet de enige meer waren die boeken vertalen/kopiëren en bewaren en doordat er steeds meer gelovigen kwamen die ook geleerd waren, zonder dat ze aan de universiteit werkten.
Joachim, een cisterciënzer monnik, had de komst van nieuw tijdperk voorspeld. De professoren van de Sorbonne in Parijs veroordeelde de uitspraken van Joachim. “Het schijnt echter dat zij dat deden omdat de franciscanen (en de dominicanen) in de universiteit van Frankrijk al te machtig en te geleerd werden en men hen als ketter wilde uitbannen.” BLZ 58
De kloosters krijgen in de loop van de middeleeuwen ook steeds minder macht door het optrekken van steden en stedelijke bisschoppen. BLZ 193
De keizer, die niet kon bepalen of iemand ketter was of niet, liet opstandelingen niet verbranden maar ophangen, en liet de doden daarna nog weken hangen. Dit was een veelgebruikte straf.
“De gemachtigde van de koning pakte hen op en hing hen bij twintig of dertig tegelijk op aan de hoogste bomen, opdat de aanblik van hun lijken tot eeuwigdurend voorbeeld mocht dienen en niemand het meer zou wagen de rust in het koninkrijk te verstoren.” BLZ 203
De duivel was echter van (bijna) alle slechte dingen de oorzaak. Ketters waren bezeten door de duivel, en de duivel bedacht alle mogelijke intriges en gemene plannen. Niet alleen het gewone volk, ook inquisiteurs konden door de duivel worden bedreven, het was echter altijd mogelijk om hier achter te komen, waardoor een “door de duivel bedreven inquisiteur” vaak gewoon verder konden gaan met zijn ‘werk’.
“‘Ook een inquisiteur kan door de duivel worden gedreven,’ zei William.” BLZ 37
“En dat is het kwaad dat de ketterij het christelijke volk aandoet: zij verduistert de geest en zet iedereen ertoe aan louter eigenbelang inquisiteur te worden. Niet alleen in de zin dat ze ketters zien waar ze niet zijn, maar ook dat ze de etterhaarden van ketterij met zoveel mogelijk geweld onderdrukken dat velen er juist uit haat tegen het toe worden aangezet. Met recht een door de duivel uitgedachte cirkel, God behoede ons.” BLZ 58
Vrouwen waren ook duivels, en de slechtste vrouwen maken ook nog eens gebruik van toverkunsten. “Ach, dat zijn geen dingen die een jonge knaap moet horen, de vrouw is het vat des duivels.” BLZ 236.
“Ik heb vrouwen van de slechtste soort in het holst van de nacht gebruik zien maken van zwarte katten om toverkunsten te verrichten die ze nooit konden ontkennen.” BLZ 344
Eigenlijk waren vrouwen geheel ondergeschikt aan de mannen. “De pseudo-apostelen daarentegen beweerden dat ook vrouwen van stad tot stad konden trekken om te prediken, zoals bij vele andere ketters gebeurde.” BLZ 236
In de middeleeuwen was alles te koop, je kon je zelfs vrijkopen van je zonden. “Als een geestelijke een zonde van het vlees begaat, met een non, met een bloedverwant, of zelfs met een willekeurige vrouw (want ook dat komt voor!), kan hij alleen de absolutie ontvangen tegen betaling van zevenenzestig goudlire en twaalf stuivers.” Afhankelijk van met wie je het gedaan hebt is het geldbedrag hoog/laag. BLZ 310
In iedere streek van een land werd in de middeleeuwen een andere taal/dialect gesproken, waarbij ook de dialecten vaak sterk van elkaar verschilden. Alleen de hogere klassen leerden naast hun volkstaal ook de gemeenschappelijke taal waarmee de hogere klassen uit verschillende streken en landen met elkaar konden praten, het Latijn.
“Het was geen Latijn, de taal waarin wij geletterden onder elkaar ons in de abdij uitdrukten, het was niet de volkstaal dan die streek, noch enige andere volkstaal die ik ooit had gehoord.” BLZ 54
Kruiden werden hoge waarden en krachten toegerekend. Ze werden gebruikt als geneesmiddel. Omdat mensen in de middeleeuwen een heel ander beeld van het lichaam, zijn organen, zijn functies enz. hadden, bestonden er soms rare veronderstellingen.
“Maar knoflook moet je wel eten. Dat is warm en droog en goed tegen vergiften. Maar niet overdrijven, want dan onttrekt het te veel vocht aan de hersenen. Bonen daarentegen produceren urine en maken dik, twee heel goede dingen.” BLZ 76
Bovendien werd de liefde door sommige geleerden ook als ziekte gezien, en in dit boek worden de kenmerken dan ook uitgebreid beschreven (op BLZ 339, indien geïnteresseerd).
In de middeleeuwen hadden ze nog geen moderne oven zoals wij nu hebben, en ze hadden ook nog geen goed afzuig/ventilatie systeem. Een beetje dus zoals je nu nog in hutjes in derdewereldlanden ziet.
“De keuken was een enorme, langwerpige ruimte vol met rook, waar een groot aantal knechten reeds druk bezig waren met het klaarmaken van de gerechten voor het avondmaal.” BLZ 79.
Wel maakten ze in de middeleeuwen vaak gebruik van stevige gewelven en grote ramen.
“De stevige pijlers gedragen gewelven, rond en niet zo erg hoog (lager dan in een kerk, maar hoger dan in alle kapittelzalen die ik ooit zag), overdekten een ruimte die geheel doorstraald was van een prachtig licht, want in elk van de vier lange zijden zaten drie enorme ramen, terwijl de vijf buitenzijden dan de vier torens elk een kleiner raam bevatten; acht smalle, hoge ramen zorgden er ten slotte voor dat ook uit de achthoekige luchtkoker in het midden van het gebouw nog licht binnenkwam.” BLZ 80
De middeleeuwen was een tijd waarin veel gebruiksvoorwerpen nog uitgevonden moesten worden. Zo word in dit verhaal verteld over de nieuwste uitvinding, een bril. Niemand had nog een bril gezien, en iedereen vindt dit dan ook een heel interessant voorwerp.
“Het was een vorkje, zodanig geconstrueerd dat het op de neus van een mens kon rusten (en bij uitstek op de zijne, zo sterk geprononceerd en haakvormig), zoals een ruiter op de rug van zijn paard of een vogel op een stokje. En het vorkje liep aan weerszijden, op de plaats van de ogen, uit in twee ovalen metalen ringen waarin twee amandelvormige glazen, zo dik als de bodem van een glas, waren gevat. William las bij voorkeur met die glazen voor zijn ogen, en hij zei dat hij zo beter zag dan de natuur hem had vergund of dan zijn gevorderde leeftijd, vooral als het daglicht afnam, hem toestond.” BLZ 83
Het kompas was ook nog niet echt uitgevonden, of in ieder geval een heel onbekend instrument. “Stel nu eens dat we een toestel hadden dat ons verteld waar het noorden is. Wat zou er gebeuren?”BLZ 224 later “maar zelfs al zou er zo’n magisch toestel bestaan, het labyrint is nu eenmaal een labyrint, en zodra we ons in oostelijke richting zouden bewegen, zouden we op een muur stuiten die ons zou beletten rechtdoor te gaan, en dan zouden we opnieuw de weg kwijt raken...’ merkte ik op.” BLZ 225 William vertelt dat hij wel eens van zo’n apparaat heeft gehoord en zegt dat je daarvoor een magneet nodig hebt. “Maar dan... dan liggen er in de richting van de poolster, aan de uiterste rand van de aardbol, enorme ijzermijnen!’” Is de typisch middeleeuwse reactie van Adson.
Ook hadden ze in de middeleeuwen nog geen elektrisch licht, en moest alles met vuur worden verlicht. Hiervoor waren vele citaten te gebruiken maar ik heb maar de kortste genomen.
“Hoe kon hij een lichtje hebben als het regende en sneeuwde?” BLZ 124
In de middeleeuwen bestonden er ook nog echte gilden. Bovendien blijkt uit dit citaat dat de paus zijn macht verder wilde verbreidden door zich onder de bisschoppen nog geliefder te maken.
“Ik bestrijd de paus omdat hij bezig is de geestelijke macht in handen te geven aan de bisschoppen in de steden, die gemene zaak maken met kooplieden en gilden en niet in staat zullen zijn die orde te handhaven.”BLZ 162
Er werden expres geen boeken in volkstaal geschreven, opdat de geestelijke macht dan zou afnemen. De geestelijke wilde niet dat het gewone volk zelf de evangelies ging interpreteren. Sommige magistraten vertaalden het evangelie in volkstaal en werden gezien als ketters omdat ze dit deden. BLZ 214
De hond werd als een volmaakt dier gezien. “Hij is van nature gewend hetzelfde voedsel een tweede maal te gebruiken nadat hij het heeft uitgebraakt. Een soberheid die het symbool is van gees6telijke volmaaktheid, zoals de wonderdadige kracht van zijn tong het symbool is van reiniging van de zonden, verkregen door biecht en boete.” BLZ 197
Katten werden daarentegen als duivelse wezens gezien. “En zegt Albertus Magnus niet dat katten in aanles duivels zijn?” BLZ 344
Men geloofde in allerlei, zeg maar, “sprookjesdieren”.
“Het is waar, er zijn slangen zo groot dat ze herten verslinden en de oceaan overzwemmen, er is het beest cenosroca met het lichaam van een ezel, de horens van een steenbok, de borst en de klauwen van een leeuw, de voeten van een paard maar tweehoevig zoals die van een rund, een mondspleet die tot aan de oren reikt, een bijna menselijke stem en op de plaats van de tanden een enkel stevig bot.” En zo gaat het nog wel even verder. BLZ 297 en later in het verhaal: “‘is de eenhoorn dan een leugen?’” BLZ 330 vraagt Adson verontwaardigd.
Het middeleeuwse leven
Het leven in de middeleeuwen was sober. De boeren en burgers hadden vaak niet veel geld, terwijl de paus en de adel er geen genoeg van konden krijgen. In dit boek komt het voor dat meisjes uit het naburig gelegen dorp van de abdij, seks hebben met een paar monniken om zo aan eten te komen. Het is natuurlijk verschrikkelijk dat zij dit moeten doen, met alle risico’s van dien. Bovendien werden de burgers die uit dit vervelende, armoedige bestaan wilde komen vaak gestraft door de paus en de keizer, onder het mom dat ze ketters waren of de orde ernstig verstoorden.
De maatschappij was geordend in verschillende rangen/standen. Tot de laagste standen behoorden de zieken en de allerarmsten, voor hen was dan ook helemaal niks geregeld en zij werden als uitschot gezien.
“‘Inderdaad. We hadden het over de uitgestotenen schapen van de kudde. Eeuwenlang zijn zij, terwijl de paus en de keizer elkaar in hun machtsstrijd verscheurden, aan de rand blijven leven. Zij zijn de ware melaatsen, van wie de melaatsen slechts de door God beschikte afbeelding zijn, opdat zij deze bewonderenswaardige gelijkenis zouden begrijpen en met het woord “melaatsen” zouden bedoelen “uitgestotenen, armen, eenvoudigen, bezitlozen, ontwortelden van het land, vernederen van de stad.” BLZ 213
Adson is een novice, en heeft dus een lagere rang dan William, die een alom gerespecteerde, geleerde monnik is. “Hij bracht ons naar onze cellen in het pelgrimshuis, of liever gezegd, hij bracht ons naar de cel die mijn meester was toegewezen en beloofde me dat hij er de volgende dag ook een voor mij zou vrijmaken omdat ik, al was ik een novice, hun gast was en dus met alle eer diende te worden behandeld. Die nacht zou ik in een ruime, lange nis in de wand van de cel kunnen slapen, waarin hij mooi, vers stro had laten leggen.”
Mensen die in opstand kwamen tegen de paus, de keizer, of andere belangrijke personen, moesten vluchten voor hun leven. Ook al hebben zij zich nooit expliciet uitgedrukt, ideeën en verdenkingen zijn genoeg. Zo moeten Ubertino en Michael ook vluchten voor hun leven, omdat ze iets anders geloven dan de Paus doet.
Eigenlijk waren er voor alle onzinnige dingen wel straffen. Veel gebruikte straffen zijn gevangenisstraf en verbranding, maar ook martelen en het afsnijden van oren werd veel gebruikt, zo niet om te straffen, zo niet om proberen de ‘waarheid’ te achterhalen als de verdachte iets anders zei dan de vervolgers wilden. Het gewone volk en de gelovigen waren vaak constant bezig in goede gunsten te komen van de inquisiteurs, de paus en de keizer, om zo aan alle straffen te ontkomen. Ook werd er veel geld geheven op minderheidsgroepen, van de armen en zieken werd geld afgepakt via allerlei stomme regeltjes en “belastingen”, om vervolgens voor het aanschaffen van rijkdommen voor de paus of de adel werd gebruikt.
Het leven in de middeleeuwen was streng geordend en, zoals je al eerder in dit verslag hebt kunnen lezen, werd het niet gewaardeerd als je uit het geordende leven trad. De paus kon je er zelfs voor laten oppakken en beschuldigen van ketterij. “Maar tegen hen die hun vrije leven voortzetten, trad Johannes meedogenloos op: hij liet hen door de inquisitie vervolgen en velen van hen werden verbrand.” BLZ 60
Vooral de monniken hadden een eentonig, geordend leven. Elke dag moesten ze op bepaalde tijden bidden om daarna naar het scriptorium te gaan om boeken te kopiëren, illustraties te maken of om naar de werkplaatsen te gaan om andere werken te verrichten tot er weer werd omgeroepen dat je weer moest bidden.
“Anderzijds hebben de metten, vooral op winterse dagen, plaats als het nog volop nacht en de hele natuur in diepe slaap is, want de monnik moet in het donker opstaan en in het donker langdurig in gebed de dag afwachten en de duisternis verlichten met de vlam van zijn devotie. Daarom is het een verstandig gebruik dat sommige monniken zich niet tegelijk met hun medebroeders ter ruste leggen maar blijven waken en de nacht doorbrengen met het ritmisch opzeggen van een vastgesteld aantal psalmen, waaraan zij de verstreken tijd kunnen afmeten, zodat zij aan het eind van de uren bestemd voor de slaap van de anderen, deze anderen het sein tot opstaan kunnen geven.” BLZ 109
Als de orde in de abdij wordt verstoord door alle vreselijke misdaden die worden gepleegd, is de regelmaat even verdwenen. De abt zorgt er altijd voor om alles weer draaiend te krijgen, maar als hij ook vermoord is, is er niemand meer die de bevelen kan geven. Als dan de bibliotheek afbrandt, zijn de monniken al helemaal verloren. De monniken zijn gewend aan regelmaat en om altijd alles aangedragen te krijgen, en weten niet wat ze moeten doen zonder een baas die over hen beslist.
“De rampzalige gebeurtenis had het leven van de gemeenschap ernstig verstoord. Het rumoer, ontstaan na de ontdekking van het lijk, had het heilig officie onderbroken. De abt had de monniken onmiddellijk weer het koor ingestuurd om voor de ziel van hun medebroeder te bidden.” BLZ 118, de abt behoud altijd weer de orde.
Er werd in de middeleeuwen nog erg om de macht gestreden tussen verschillende landen. Toch waren er plekken (o.a. deze abdij) die, ook al stonden ze op bezet land, toch neutraal bleven. Natuurlijk heeft het ‘gewone’ leven ook onder een bezetting te leiden.
“Hetgeen de abt niet naar de zin was, want het betekende dat hij ten dele afstand zou moeten doen van zijn soevereiniteit en zijn eigen monniken onder toezicht van de Fransen zou moeten plaatsen.” BLZ 157
Het gewone volk kon door middel van kruistochten zich bewijzen tegenover anderen en eer behalen. Vele van de armen waren erg gevoelig voor de praatjes/reclame voor de kruistochten.
“Een menigte, gevormd uit grote scharen herders en geringe leiden, kwam op een dag bijeen om de zee over te steken en tegen de vijanden van het geloof te strijden.” BLZ 201
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het dan weten door een reactie te geven.