
CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.
ff n studiebreak
Bij klassieke muziek moet je niet aan je grijze oma denken, maar aan YouTube. 5 tips van Lucas en Arthur Jussen.
geef je mening
Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?
Gebruikte editie
De eerste editie van deze roman verscheen in het najaar van 2005 bij uitgeverij Contact te Amsterdam. De fraai gebonden uitgave van de roman telt 170 bladzijden en 1 pagina naschrift. Op de omslag staat een Javaans, bruin getint zonovergoten landschap. De afmetingen van het boek zijn kleiner dan de normale uitgave van een paperback.
Genre
De kleine roman is een psychologische roman of novelle vanuit het standpunt van een kind bekeken naar de wereld van de volwassenen en lijkt verder allerlei kenmerken te hebben van een sprookje.
Aanleiding voor de roman
Er overkomt Thomése in zijn leven iets afgrijselijks: zijn dochtertje sterft. Is daar een literair antwoord voor een schrijver op mogelijk? Uit dit soort overwegingen moet zijn vorige roman Schaduwkind zijn ontstaan, Thoméses indrukwekkende poging om hoe dan ook een 'vorm' te vinden voor de ramp die hem en zijn vrouw had getroffen.
Om de omslagtekst van zijn nieuwe roman zegt de schrijver: "Izak is voortgekomen uit 'Schaduwkind', om precies te zijn uit het mystieke hoofdstukje "Casa nel boso", waarin ik verdwijn in een donker bos en gaandeweg opga in wat ik zie, hoor, ruik. Het is natuurlijk een heel ander boek geworden, dat kon niet anders, maar het is geschreven uit hetzelfde verlangen mijzelf te verliezen, te verdwalen in een ondoordringbaar woud en zo het leven terug te vinden."
Je zou dus kunnen stellen dat het schrijven van "Izak" een poging van de auteur is om weer greep op zijn leven te krijgen na de verschrikkelijke dood van zijn Schaduwkind. Dat zou je dus de "idee" achter de roman kunnen noemen.
Motto en opdracht
"Opgedragen aan mijn zoon Frederik, tjutju Maluku, negeri Aboru, pulau Haruku."
(tjutju= kleinkind, negeri= plaats, pulau= eiland)
Er zijn twee motto’s:
1. "De ontwikkeling van het gehoor is het belangrijkst. Oefen je er bijtijds in toonsoort en toon te herkennen. De klok, het vensterglas, de koekoek- zoek uit welke tonen ze aangeven."
(Robert Schumann, Musikalische Haus –und Lebensregeln.)
2. En Hij zeide: "Strek uw hand niet uit naar de jongen, en doe hem niets." (Genesis 22 vers 12)
De beide motto’s zijn niet moeilijk te verklaren. In de novelle draait alles om muziek en het gehoor. Liedjes die zingen van verlangen en weemoed, en die je in je hart kunt verbergen. Voorts blijkt, als je goed om je heen luistert, overal muziek te ruisen, te tikken en te tokken. Overal om je heen is muziek en geluid. Er is dan ook bijna geen zin die geen geluid herbergt, of Izak zich nu richt op de regen, vogels, de wind, de knetterende kretek-sigaretten die mannen roken, of de slingerapen in het woud. Die veelstemmige melodie wil de schrijver vangen door het kereltje stappetje voor stappetje te volgen: 'De fluit achtervolgt een lied, Izak luistert er niet echt naar, zijn vingers rissen de blaadjes van de twijgen, de brug begint langzaam te bestaan. Hij hoeft niets te doen dan wachten; wat gebeurt, gebeurt vanzelf. Hij hoeft er alleen maar op te letten, hij hoeft alleen maar te wachten en op te letten, hij hoeft er alleen maar te zijn'.
Als Izak op de boot naar Holland zit aan het einde van de vertelling, denkt hij nog: 'Het land is weg, denk je misschien, maar dat is niet waar, het is gewoon ergens anders heen gegaan, het is vertrokken naar een plek die, als ik mij goed herinner, in Djerman "gedeknis" wordt genoemd, je hoeft nooit de weg te vragen, zeggen ze in Ulm, de herinneringen brengen je er vanzelf heen'. Muziek, dat is door klanken ingelijste stilte waar je in kunt verdwijnen. Min of meer komt het er dus op neer dat muziek of geluid het hele leven bepaalt.
In de Bijbelpassage van Genesis 22 gaat het over Abraham die zijn zoon Isaäk zou moeten offeren. Op het laatste moment komt God tussenbeide en zegt de zinnen van het motto. "Spaar je zoon maar" en neem een "geitenbokje" ervoor in de plaats. Het geeft in de roman wel aan dat de volwassenen die Izak ontmoet, hem allemaal vrij goed behandelen en hem geen kwaad berokkenen. Hij zou evengoed het slachtoffer van de volwassenen kunnen zijn geweest. Symbolisch is natuurlijk wel dat de troep muzikanten na het ontdekken van een lynchpartij in een kampong door de Japanners een geitenbokje slacht. Het gebeurt op een bloederige manier waarvan de kleine jonge getuige is.
Structuur en verhaalopbouw
Er zijn vier grote delen in de roman. Deze hebben geen titel, maar elk van deze vier delen wordt onderverdeeld in een aantal hoofdstukken die met een bijzonder teken worden aangegeven.
In elk van de vier delen ontmoet Izak een aantal mensen die hem verder op weg helpen in zijn zoektocht naar de piano (achtereenvolgens njonja Alma, de groep muzikanten, de Molukse prins Said Printah en zijn dochter en in deel IV de Chinese leermeester Masta Pelmasta).
Aan het einde van de roman/novelle is nog een nawoord waarin de hoofdfiguur als docent maatschappijleer volwassen geworden een mogelijke korte ontmoeting met njonja Alma heeft. Daarachter volgt een woordenlijst met Maleisische woorden die in het Nederlands worden verklaard.
De tijd die verteld wordt, neemt slechts enkele dagen in beslag. De verteltijd is 170 kleine bladzijden en neemt ongeveer 3 uur in beslag. Het verhaal heeft een opening in handeling en een open einde. Het naschrift maakt dat de roman een wat meer gesloten karakter krijgt.
Perspectief
Het perspectief van de roman is personaal. De schrijver beperkt zich in zijn vertelling voornamelijk tot het standpunt van de kleine jongen Izak. We lezen mee hoe de dingen hem beroeren en wat hun overkomt op zoek naar de piano van zijn lieve mevrouw Alma, in wie hij (let op de naam) een moeder figuur ziet. Zijn eigen moeder is helemaal niet zo lief, maar de blanke Alma is een goed substituut. Hij heeft ooit van haar een sleutel gekregen en hij lijkt als oppasser van die sleutel (waarop past hij eigenlijk?) een literair alter ego van de Kleine Johannes (Frederik van Eeden): een jongetje op zoek naar het geluk. Heel veel beschrijvingen zijn dus personaal, maar er komen ook enkele passages voor die een auctoriaal karakter hebben, bijvoorbeeld omdat het kleine jongetje een aantal dingen gewoon niet kan weten die toch worden beschreven. Zoals het bij een dergelijke beschrijving hoort, wordt verteld in de o.t.t. (onwetend perspectief). Dat verhoogt de spanning in de roman.
Titelverklaring
"Izak" is de naam van het kleine jongetje (hoe oud precies weten we niet, waarschijnlijk een jaar of 8) dat de gebeurtenissen op Java ten tijde van de Japanse overheersing meemaakt.
De naam Izak is uit de Bijbel afkomstig en komt dus indirect in het motto terug.
Tijd en decor
Het verhaal speelt zich af op Oost-Java: Izak is op weg naar de "krokodillenstad" (Soerabaja) ten tijde van de Japanse overheersing tijdens de Tweede Wereldoorlog en de onafhankelijkheidsstrijd van de Indonesiërs. Het is een jungleachtig decor dat de sprookjeswereld van de kleine jongen benadrukt. Het is bovendien gevaarlijk terrein, wat weer belangrijk is om te voldoen aan de kenmerken van een queeste. Beginnen bij je eigen omgeving en gevaren beleven in een vreemde omgeving, op zoek naar een voorwerp of om een opdracht te vervullen.
Thematiek
"Izak" is een boek over de zoektocht naar het geluk (?). De kleine jongen verbindt de muzikale klanken die hij hoort door het pianospel van de blanke mevrouw Alma (Het symbool van de alvoedende moeder) met de herinneringen van geluk. In de uitbrekende oorlog (Japan bezet Nederlands-Indië) merkt hij dat de dingen veranderen en de vrouw die beloofd heeft met hem te te trouwen en hem dan piano te leren spelen, is weg. Hij heeft echter een sleuteltje van haar gekregen waarop hij moet passen; hij doet dat heel plichtsgetrouw. Hij is van mening dat hij de piano moet terugvinden en hij doet dat voor zijn njonja, die hem veel liever is dan zijn eigen moeder.
Als een strijder met een opdracht gaat hij op weg: het begin van de queeste. De kenmerken van de queeste zijn ook allemaal aanwezig: het gevaarlijke, onbekende terrein (de jungle), de opdracht vervullen voor degene op wie je gesteld bent (de piano zoeken voor Alma) de gevaarlijke opdrachten die het leven je stelt, overwinnen (de slang, het ravijn, de doden in het dorp) Ook de ontmoetingen zoals de ridders uit de Middeleeuwen die bij hun queeste hadden, zijn in de belevenissen van de jongen terug te vinden: de troep muzikanten met wie hij rondtrekt, de lieve maar tegelijkertijd gevaarlijk Molukse prins Said, de Chinese leermeester Wong, die hem tenslotte de weg naar het geluk (Holland?) wijst.
De kleine Izak heeft al die tijd heel goed op het sleuteltje gepast. Om die reden dringt bij mij meer de vergelijking met de hoofdfiguur uit "De Kleine Jonhannes" van Frederik van Eeden op (die immers met een sleuteltje ook op zoek naar een soort doos van Pandora) dan met de hoofdpersoon uit "Bezonken Rood", zoals Goedegebuure in zijn recensie in Trouw beweert. Net als in "De Kleine Johannes" zijn er de overeenkomsten van de queeste en de overeenkomsten van de droomwereld / sprookjeswereld waarin Izak zich bevindt. De vreemde mensen die hij ontmoet, doen hem tenslotte geen kwaad en de Chinese leermeester zet hem uiteindelijk op de boot naar Holland, waar de rest van zijn leven zich zal afspelen. De leidraad bij zijn zoektocht is (zoals in het motto aangegeven) het geluid van de muziek. In vrijwel alle passages ligt het accent op het gehoor.
Motieven die nog een rol spelen in deze kleine roman, zijn
- de oorlog (alles wordt verteld tegen het decor van de Japanse overheersing ten tijde van de Nederlands-Indië-periode)
- de kind-ouderrelatie (de verhouding van Izak ten opzichte van zijn eigen vader en moeder)
- de verbeelding en de fantasie (van Izak)
- de dood (het jongetje ziet voor het eerst dode mensen na de lynchpartij in het dorp)
- de weg naar de volwassenwording van een kind (die niet op school geschiedt, maar door de ruwe werkelijkheid)
Samenvatting van de inhoud
Deel I (blz. 11- 30)
We maken kennis met het kleine Ambonese jongetje Izak (een jaar of 8 waarschijnlijk, hij heeft namelijk voor de oorlog al op school gezeten, heeft daar de beginselen van het lezen geleerd, maar is ze inmiddels vergeten). Izak heeft een sleutel, maar weet niet, waarop die sleutel past. Veel meer heeft hij niet, het jongetje op Oost-Java ten tijde van de omverwerping van het Nederlands-Indisch koloniaal gezag door de Japanners. Alles en iedereen rondom hem is in verwarring en in beweging. Hij mist zijn njonja Alma die zo mooi piano kon spelen. Wanneer hij in haar huis zoekt, dat door de Japanners min of meer leeg gehaald is, mist hij de prachtige zwarte piano waarom mevrouw Alma altijd speelde. Ze zou hem later piano hebben willen leren spelen en met hem trouwen, omdat haar eigen man een dode geworden is. Zijn vader is weggegaan: in het leger gegaan (KNIL), denkt Izak, anderen denken dat hij "slaaf" is van de Japanners. Zijn eigen moeder doet niet vriendelijk tegen hem. Hij mist in zijn bestaan njonja Alma, zijn vader en de piano. Hij besluit op zoek te gaan naar de piano: de queeste is begonnen.
Deel II (blz. 33-68)
Izak ontmoet in de jungle een gezelschap muzikanten die op weg blijken naar een bruiloft, waarop ze zullen spelen. Ze zorgen wel goed voor hem, hij krijgt van hen te eten en hij mag met hem mee reizen. Zoals in een queeste betaamt ondervinden ze moeilijkheden: een nachtelijke slang die gedood moet worden, een ravijn dat via een touwbrug moet worden overgestoken. Izak is daarbij behulpzaam en moet als eerste oversteken om te zien of de wankele brug het houdt. Als ze in het dorp van de bruiloft aankomen, zien ze dat het dorp is uitgemoord (de Japanners?). Het jongetje ziet voor het eerst een dode. Alle doden worden op een hoop gelegd en er moet worden beslist of ze begraven of verbrand moeten worden. Tijdens de discussie slachten de muzikanten een klein geitje en roosteren het dier om te eten. Daarna nemen de muzikanten het besluit om niets te doen: ze laten de doden gewoon liggen. Ook nemen ze afscheid van het jongetje, wel wijzen ze hem de weg.
Deel III (blz. 71-134)
In de jungle staat Izak plots tegenover een vreemde Molukse prins, Said Printah, die met zijn dochter prinses Nesrine op haar paard ten strijde trekt tegen de Japanse overheersing. Hij doet schamper over de vader van Izak ("slaaf" geworden van de Japanners), maar Izak mag wel met hen mee reizen naar Krokodillenstad. Onderweg trekt Said o.a. ten strijde tegen een trein die hij staande houdt: de trein is leeg, omdat alle passagiers onderweg gevlucht zijn. De machinist is bang, onder andere nadat Said in de lucht heeft geschoten om God te doden. Het blijft een vreemd mannetje, die Said. Ze rijden in de lege trein mee naar Krokodillenstad, zo vertelt Said onderweg aan Izak een sprookjesachtige verklaring voor de naam. In werkelijkheid heet de stad Soerabaja. Prinses Nesrines paard loopt nog een hele tijd mee met de trein, maar daarna is ze het paardje kwijt. Als ze in Soerabaja komen, is de stad toch ook in rep en roer. Er zijn bomaanslagen en het jongetje is heel erg bang. Prinses Nesrine vindt haar paardje terug, dan zegt Said, moet ook de piano terug te vinden zijn. Said geeft Izak het adres van een Chinees Masta Pelmasta Wong, die heel veel van muziek schijnt af te weten. Daarna laat de prins hem alleen: het jongetje komt nog oog in oog met vijandelijke soldaten, maar ze hebben weinig oog voor hem: hij is te klein en te onbelangrijk. Gedachtig aan het motto, strekken ze hun hand niet naar hem uit.
Deel IV (blz. 137-170)
Izak gaat naar de muziekschool van de Chinese leermeester, die hem wel hartelijk ontvangt. Deze Masta Pelmasta merkt dat Izak door de bombardementen (?) doof is geworden en hij behandelt hem met wonderolie. In het huis ziet Izak een witte piano en de Chinees gaat er op spelen. Dan hoort Izak ineens weer de tonen van de piano en prijst en voelt hij zich weer gelukkig. De leermeester is uit Ulm (Duitsland) afkomstig. Na het wassen van zijn lichaam zegt Izak dat hij op zoek is naar de piano van njonja Alma. De Chinees laat hem afbeeldingen zien van vele soorten en merken piano’s. Opeens herkent hij een piano: teleurgesteld zegt de Chinees dat het slechts een Pleyel (Frans merk) is. Izak krijgt de afbeelding uit het tijdschrift. Wong praat oa. over de dove componist Masta Betopi (= Beethoven).
Later gaan Izak en de Chinees in de richting van de haven. De Chinees weet waarschijnlijk met behulp van wat steekpenningen de jongen aan boord van een Hollandse boot te krijgen. Misschien is njonja ook wel aan boord. Hij is een verstekeling en de boot vaart richting Holland.
Naschrift (blz. 171)
Izak is docent maatschappijleer geworden en heeft een vrouw die op njonja lijkt een keer met een man gezien. Hij volgt haar naar huis: er is geen blik van herkenning bij haar en hij kan niet zien of in haar huis een piano staat.
Recensies
In de grote, landelijke dagbladen is een nieuwe roman van P.F. Thomése na het beroemd geworden "Schaduwkind" een must voor recensies direct na het verschijnen.
Arie Storm opent op 20 oktober 2005 het bal der recensenten in het Parool. Hij is vrij positief: "En zo blijkt Izak uiteindelijk een verre van onschuldig boek te zijn. Openend met een zin over een jongetje dat op zijn buik onder de voorgalerij ligt te luisteren naar de woedende regen, een zin die wordt gevolgd door alinea's en bladzijden over een jongetje dat überhaupt gericht is op geluid ('Als hij maar goed genoeg luistert'), eindigt de roman nogal tragisch met de opmerking dat hij eigenlijk al weet 'dat niemand hem hoort'. Die slotzin wordt niet melodramatisch of klagerig gebracht, maar - laat dat maar aan de vakman Thomése over - is gebed in een concreet verlangen en een concrete handeling. Maar hij vat wel weer de gehele tragiek van die 'rare oorlog' en alles wat daarna is gebeurd, perfect samen. Izak is een roman om een paar keer achter elkaar te lezen - dan ontdek je steeds meer."
Op 21 oktober 2005 verschijnt in het NRC een beoordeling van Arnold Heumakers. Hij legt de relatie met "Schaduwkind" als aanleiding voor het schrijven van "Izak". "Dat is wel even wennen, moet ik toegeven: een gevoelige, naar het zich laat aanzien door zijn eigen onderwerp geroerde Thomése. En het is nog maar de vraag in hoeverre ik er ook aan wil wennen. Want hoewel Izak vaak aandoenlijk is om te lezen, wordt de grens met de kitsch niet overal even streng getrokken.
Niet dat Thomése opeens beroerd is gaan schrijven. Van zijn verhaal, waarin de muziek en het gehoor niet voor niets zo'n grote rol spelen, heeft hij over het algemeen een mooi en welluidend geheel gemaakt. Wat ik alleen vreselijk mis is de dissonant die alles op scherp zet en die de sprookjesachtige lieflijkheid, waarvan ik op den duur toch een beetje wee ben geworden, even doorbreekt. Natuurlijk zou je kunnen zeggen dat die dissonant (en wat voor een!) al aan het boek vooraf is gegaan, maar wie dat als excuus aanvoert, moet zich goed realiseren dat daarmee de laatste resten van Thoméses (vroegere?) literaire credo overboord worden gegooid, zonder dat er vooralsnog iets beters voor in de plaats is gekomen."
In De Volkskrant van 28 oktober 2005 schrijft Arjen Peters ook al over de verwerking van het trauma van Thomése (de dood van zijn kind) die de aanleiding tot dit boek is.
"Onder het mom van een 'Indische' vertelling, met veel vertragende herhalingen en kinderlijke bewoordingen die de zenuwen van de lezer danig op de proef stellen (hoe doet de grote locomotief? 'Tjoeke-tjoeke'), bouwt Thomése zijn nieuwe wereld op. Niet iedereen zal geraakt worden door deze zintuiglijke verkenningstocht. De roman bezwijkt onder de overdosis aanbiddelijkheid die de schrijver in zijn proza legt. Zoveel trippelende, nadrukkelijke lichtvoetigheid maakt de lectuur al snel toch tot een opgave.
Als poging zich uit de dreiging van een impasse te schrijven, is het boek met enige aarzeling sympathiek te noemen. Eerlijkheidshalve hoort opgemerkt dat we het dan wel meer over de omstandigheden hebben, en niet uitsluitend over het gebodene. De schrijver richt zich op, onwennig knipperend in het blikkerende licht van een nieuwe dag. Of de muze hem voldoende stut biedt zijn pad te vervolgen, zal de eerstvolgende 'volwassen' publicatie ná Izak uitwijzen. Daarvoor is het nu nog te vroeg. Vooralsnog luidt het goede nieuws dat de sleutel niet gebroken is."
Op 29 oktober 2005 vindt Jaap Goedegebuure in Trouw dat de roman te veel lijkt op "Bezonken rood" van Jeroen Brouwers. Hij trekt diverse parallellen met deze Indische roman van Brouwers. Ook zijn conclusie is niet heel positief.
"Mijn bezwaren beginnen op het punt waar de geaffecteerde stijl van deze roman zich tegen de ongetwijfeld oprechte bedoelingen van de schrijver keert. Honderd zestig pagina's lang is 'Izak' getoonzet in het register van vele generaties Indische Nederlanders, dus met veel nadrukkelijke ttóggs en hóórrs, met een zinsbouw die nadrukkelijk naar het petjoh is gemodelleerd, en met genoeg Maleise termen om drie pagina's woordverklaring aan de tekst toe te voegen. Thomése had ongetwijfeld redenen om het zo en niet anders te doen, maar menige oningelichte lezer zal bij dit Indische uitstapje zijn wenkbrauwen fronsen."
Over de schrijver
Pieter Frans Thomése wordt geboren in Doetinchem op 23 januari 1958 en brengt het grootste deel van zijn jeugd door in Zaltbommel, waar zijn vader directeur is van de Koninklijke Drukkerij Van de Garde. Zo komt hij al op jonge leeftijd in contact met het boekenvak. In 1977 gaat hij geschiedenis studeren aan de Universiteit van Amsterdam, maar na een jaar geeft hij er de brui aan. Thomése wil niet langer studeren en kiest voor de journalistiek. Van 1979 tot 1984 is hij redacteur en verslaggever bij het Eindhovens Dagblad. In 1984 pakt hij zijn geschiedenisstudie voor drie jaar weer op, maar voltooit deze niet. Daarna schrijft Thomése voor het weekblad De Tijd en levert hij bijdragen voor NRC Handelsblad, enkele regionale dagbladen en Vrij Nederland. Van januari 1998 tot april 2001 is hij redacteur van De Revisor.
Thomése publiceert zijn eerste literaire verhaal in 1986 in De Revisor. In 1990 maakt dit verhaal deel uit van zijn debuut in boekvorm, de novellenbundel Zuidland. Thomése wordt voor deze bundel onderscheiden met de AKO-Literatuurprijs. De schrijver zelf noemt de bekroning geen zegen: "Het is me mateloos gaan ergeren dat die prijs belangrijker werd dan Zuidland en de verhalen uiteindelijk heeft verpletterd. Zelfs mijn andere boeken lijden onder die verdwazing. De prijs heeft nadien alle recensies gekleurd". Thomése wordt in de tweede helft van de jaren negentig één van de meest uitgesproken figuren van het literaire bedrijf van Nederland. In essays en polemische geschriften neemt hij voortdurend stelling tegen de commercialisering, medialisering en trivialisering van de literatuur. In 2003 verscheen zijn roman "Schaduwkind" over de dood van zijn dochtertje. Het boek werd opnieuw genomineerd voor de AKO-Literatuurprijs.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het dan weten door een reactie te geven.