CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

ff n studiebreak

Maandag begint de nieuwe Weg Over Rozen! Hier vast al het tergende, romantische, schokkende, suïcidale en strontvervelende uit seizoen 1 op een rij.

Geschreven door:

Kees van der Pol (Docent) [meer]

Datum ingestuurd:

12 september 2005

Taal:

Woorden:

5.700

Bekeken:

3107 keer (6 deze maand)

Waardering:

4.4/5 (13 stemmen)

Deel op:

  • Door s.van op 29-06-2011
    Wat een ongeloofwaardig prutboek is dit. Dit is geen karikatuur meer, maar simpelweg belachelijk.
  • Door . op 02-11-2009
    probeer meer plaatjes en iets korter is het interesanter xx.

Gebruikte editie
In mei 2005 verscheen de eerste druk van de roman bij de uitgeverij Pimento te Amsterdam. Het is een fraaie, gebonden uitgave van 224 pagina’s. Op de voorkant staat een afbeelding van een blond jongetje dat deemoedig zijn hoofd buigt. Hij is gekleed in een zwarte trui. Het jongetje lijkt zich schuldig aan iets te voelen. “De openbaring aan Hendrik Vis” is de debuutroman van de 52-jarige auteur.

Genre
Het is een psychologische roman over de invloed van een zwaar christelijke geloofsovertuiging op het leven van een mens. De schrijver past daarmee in het rijtje van Jan Wolkers, Maarten ’t Hart, Robert Haasnoot, en Jan Siebelink. De laatste kwam in 2005 uit met de roman “Knielen op een bed violen”, een indrukwekkende roman die dezelfde thematiek als de roman van Gertjan van Dijk heeft.

Motto
Bij een dergelijke roman zie je heel vaak een motto dat uit de Bijbel afkomstig is. Maar Van Dijk geeft zijn roman geen motto mee.

Geschikt voor…
De roman is niet moeilijk te lezen. Er is een heldere hoofdstukkenindeling en een mooie ruime bladspiegel. In drie à vier uur kan een lezer de roman doorwerken. De inhoud zal vooral lezers aanspreken die op de hoogte zijn van het zwaar protestantse geloof. De roman kan heel goed gecombineerd worden met romans van Jan Siebelink en Maarten ’t Hart, wanneer een lezer tenminste geïnteresseerd is in het thema godsdienst(waanzin) . Wie van huis uit volgens zwaar christelijke (lees protestantse) normen is opgevoed en een school bezoekt die deze normen handhaaft, zal waarschijnlijk van zijn docent Nederlands geen toestemming krijgen om de roman op zijn eindexamenlijst te zetten. Op zich zou dat jammer zijn, want een dergelijke roman kan ook de discussie over literatuur op een mondeling tentamen voeden. De roman is qua inhoud en vertelstructuur geschikt voor kandidaten op havo en vwo-niveau. Hij lijkt me iets minder aan te raden voor leerlingen op het vmbo-tl.

Structuur en verhaalopbouw
De roman is opgebouwd uit 13 hoofdstukken en een epiloog. De hoofdstukken hebben allen een korte titel. In de meeste gevallen valt de titel uit de inhoud van het hoofdstuk te verklaren. De roman wordt achteraf (vision par derrière) verteld. De volgorde van de hoofdstukken is vrijwel chronologisch. Het leven van Hendrik Vis wordt van klein jongetje tot adolescent beschreven.
In de epiloog geeft de verteller jaren later aan hoe het tot het schrijven van het verhaal is aangezet. Hij doet dit in de o.t.t. (vision avec).
Het boek kent veel symbolische vooruitwijzingen: in dromen en visoenen worden gebeurtenissen beschreven die later in de roman worden ingevuld.

Perspectief
De verteller is de ikverteller Hendrik Vis. Hij groeit op in Kampen in een zwaar gereformeerd milieu (men noemt dit in Kampen “bevindelijk gereformeerd”). Hij vertelt vanaf zijn geboorte tot aan zijn adolescentie (hij heeft net eindexamen HBS gedaan en ligt bijna een jaar in een sanatorium). Hij moet dan ongeveer achttien jaar zijn. In de dertien hoofdstukken hanteert de verteller de o.v.t. en vertelt hij dus achteraf: hij heeft een overzicht van de gebeurtenissen die achter hem liggen.
In de epiloog vertelt Vis in de o.t.t. en hij zegt dat er “vele jaren” inmiddels verstreken zijn: hij is opgenomen in een psychiatrische inrichting. Eigenlijk wacht hij op de dood: hij bidt elke dag dat God hem zal halen. Maar drie weken daarvoor heeft hij een opdracht gekregen om zijn levensverhaal op te schrijven. Die opdracht, zegt hij, heeft hij rechtstreeks van de Man God gekregen. Die heeft zich immers enkele keren aan hem geopenbaard.

Titelverklaring
De titel is niet lastig te verklaren. In het geloof bestaat de term “openbaring” (vgl. de titel van het laatste boek van het Nieuwe Testament). Hierin beschrijft Johannes een aantal visioenen die hij heeft gehad over de hemel en het einde der tijden. God kan zich echter ook rechtstreeks aan de mensen openbaren. (bijvoorbeeld in een droom of een visioen.) De vader van Hendrik Vis heeft dat volgens eigen zeggen meegemaakt, maar het hoogste orgaan van de Gereformeerde Kerk ondervraagt hem daarover en hij hoort er nooit meer iets van. Zijn vrouw beschouwt dat als DE leugen van haar huwelijk en wil daarna niets meer met hem te maken hebben, maar ze blijven wel wonen onder één dak. Hendrik krijgt ook een visioen waarin de man Gods aan hem verschijnt. Hij krijgt ook directe aanwijzingen hoe hij in zijn leven moet handelen. Aan het einde van de roman leidt dat tot fatale gevolgen.

Tijd en decor
In de roman wordt niet duidelijk aangegeven in welke jaren de roman speelt. Aangezien elke schrijver iets van zijn eigen leven in een roman projecteert, moeten we toch wel denken aan de jaren vijftig tot en met zeventig. Daarvoor zijn enkele aanwijzingen: Hendrik Vis doet eindexamen HBS. Dat was een schooltype te vergelijken met het VWO van nu, dat voor de aanvang van de Mammoetwet in Nederland werd aangeboden. De Mammoetwet begon in 1968 en het eerste examen Havo was in 1973. Gezien het feit dat Gertjan van Dijk zelf in 1952 geboren is, lijkt het aannemelijk dat Hendrik Vis eind jaren zestig eindexamen doet en in het sanatorium terecht komt. (1969 of 1970) Er is wel sprake van televisie en ook van auto’s, maar die rijden toch niet veelvuldig rond. In het eerste hoofdstuk wanneer Hendrik een jaar of zeven, acht is, wordt nog gesproken over een broodventer: een man die met brood langs de schepen die in de IJssel liggen, rijdt om dat te verkopen. Hierin herken je wel de jaren vijftig. Ook het overige brood wordt door de bakker per bakkerskar rondgebracht. Dat zijn feiten die direct in de jaren vijftig kunnen worden gesitueerd. In het tweede hoofdstuk is sprake van huisverwarming met een petroleumkachel: dat houdt in dat er nog geen aardgas is. Ook dat wijst dus op de vijftiger jaren.
De eerste dertien hoofdstukken lijken zich dus tussen 1952 en 1970 af te spelen. De epiloog speelt vele jaren later, maar wanneer dat precies is, wordt niet meegedeeld. (Wel wordt in de epiloog gesproken over televisie en een elektrische waterkoker)
Het decor is het christelijk gereformeerde milieu in de plaats Kampen (Dit is ook de geboorteplaats van Gertjan van Dijk). Er worden concrete straatnamen in de stad genoemd.
Het ziekenhuis waarnaar Hendrik wordt gebracht, ligt in Zwolle, maar van het sanatorium en van de gesloten inrichting van de epiloog wordt geen (plaats)naam genoemd.

Thematiek
Het thema van deze roman is de invloed die extreme vormen van het geloof op een mensenleven kan hebben. Elke vorm van fundamentalisme in godsdienstig opzicht brengt problemen met zich mee. Toch lijdt de jonge Hendrik in zijn eerste levensjaren niet erg onder het zware juk van het geloof. Maar nadat er wat problemen in zijn leven zijn gekomen, (de dood van een oude man waarin hij misschien de hand heeft gehad) gaat hij stotteren en wordt het leven voor hem een stuk moeilijker. De mensen om hem heen zijn toch vrij liefdeloos: bijvoorbeeld de leerkrachten maken het hem toch niet gemakkelijk.
Ook het huwelijk tussen zijn vader en zijn moeder loopt niet op rolletjes. Zijn moeder wordt steeds meer in beslag genomen door een fanatiek godsdienstige vrouw uit de gemeente, zeer tot verdriet van de vader van Hendrik. Steeds duidelijker wordt dat de twee echtelieden niet van elkaar houden: op den duur begint de moeder van de vader te walgen; ze blijven nog wel onder één dak wonen, maar daar is ook alles meegezegd. Van seks tussen hen is geen sprake meer.

Dan blijkt dat de vader een keer een roeping van God heeft meegemaakt, maar de kerkmensen die dit moeten onderzoeken, geloven hem niet. Dat is een grote klap in het gezicht van de vader en een bewijs voor de moeder dat de man liegt. Wanneer de nood ook voor Hendrik groter wordt (er sterven nogal wat mensen om hem heen en het is niet geheel duidelijk of hij de dood niet een handje helpt) krijgt ook hij een visioen waarin de man Gods verschijnt. Hij maakt opnieuw een sterfgeval mee (een klasgenoot op de HBS) hij snuift tri en gebruikt even speedpillen, maar wendt zich toch weer tot het geloof. Hij wordt aangevallen door een agressieve meeuw en krijgt angstdromen waarin steeds de hel, de dominee en het uitrukken van tongen een rol speelt. Tenslotte krijgt hij tuberculose en na een tijdje komt hij in een sanatorium terecht. Hier ontmoet hij een Katwijker die volgens hem een zonde (masturbatie) pleegt en hij kapittelt hem, zoals hij vroeger ook eens een jonge vrouw bestraffend had toegesproken die door zijn vader de “hoer van het hoekje” werd genoemd. Beide mensen plegen zelfmoord. In het sanatorium helpt hij op aanraden van de man Gods bovendien nog een oude man om het leven, totdat de godsdienstwaanzin helemaal toeslaat wanneer de verpleegster Lydia (reeds lang weduwe en een beetje verliefd op Hendrik die op haar overleden man lijkt) hem in het sanatorium oraal wil bevredigen. Op aanraden van de man Gods snijdt hij met een aardappelschilmesje haar tong af en slikt die door. De man Gods heeft zwijgend toegekeken en Hendrik spreekt na dat voorval geen woord meer. In de epiloog is hij opgesloten in een gesloten inrichting (vele jaren al) en drie weken geleden heeft hij van de man Gods opdracht gekregen zijn levensverhaal te schrijven. Uit alle gebeurtenissen blijkt de invloed van het zware geloof met zijn predestinatieleer op de mensen die het aanhangen. (De mens kan zwoegen wat hij wil, al voor zijn geboorte heeft God al vastgelegd welke mensen uitverkoren zijn.) Er speelt bovendien bij Hendrik een erfelijkheidsfactor mee: ook zijn vader beroept zich erop God te hebben gezien. En zijn moeder gaat tijdens het huwelijk een andere richting in. Het huwelijk verzandt dan helemaal. Hendrik ervaart dat God niet het Woord is, maar juist de Stilte. Hij heeft onder invloed van op aanraden van de man Gods (die hij in visioenen ziet) daden verricht waarop hij niet trots hoeft te zijn. Waarschijnlijk is hij de oorzaak van de dood van mijnheer Hublot, zijn vriendje Jan, en zijn grootmoeder. Indirect is hij wellicht ook de oorzaak van de zelfmoorden van de hoer van de stad en van een medepatiënt. De straf die hij voor zuster Lydia in petto had, komt regelrecht voort uit zijn godsdienstwaanzin en een visioen dat hij eerder heeft gehad.

De literair–historische motieven die een rol spelen in dit fors uitgewerkte thema, zijn:
- een liefdeloos huwelijk
- de verboden seksualiteit (de hoer van het hoekje, de masturbatie van Jacob, de poging van Lydia hem oraal te bevredigen)
- de afkeer tegen het Rooms-katholieke geloof (dat blijven natuurlijk heidenen, die een dwaalleer verkondigen, zelfs het Sinterklaas vieren is een heilloze zaak)
- de dood (heel veel personages in de omgeving van Jacob sterven een vaak gewelddadige dood (mijnheer Hublot, zijn grootmoeder, zijn vriendje Jan, de patiënt Jacob, zijn klasgenoot Jaap)
- de zelfmoord: Jacob, “de hoer van het hoekje” en een eerste schoolvriendinnetje doen een zelfmoordpoging: die van de eerste twee genoemden slaagt, de laatste poging van zijn vriendinnetje mislukt.
- de droom en visioenen (herhaaldelijk krijgt Hendrik angstdromen waarin dingen voorspeld worden die later in de roman plaatsvinden: de meeuw die aanvalt, de tong die bij de dominee wordt uitgerukt, de broodventer die uit de hel rapporteert)

Samenvatting van de inhoud
De samenvatting wordt per hoofdstuk weergegeven.

1. De broodventer
In dit eerste hoofdstuk vertelt Hendrik over zijn geboorte: hij was een zware baby en zijn opvoeding verloopt volgens de normen van het zwaar christelijk milieu waarin hij opgroeit. Hij ziet God als een soort Sinterklaas. Over de laatste had hij eens een scheldliedje op straat gezongen en toen de Goedheiligman later op school verscheen, had hij moeten huilen toen Sinterklaas hem daarover had aangesproken.
Het katholieke geloof is in het bevindelijk-gereformeerde milieu zwaar taboe. Ook op school spreekt de hoofdmeester altijd heel negatief over de katholieke leer. Hoewel hij streng christelijk wordt opgevoed, gaat Hendrik daar vooralsnog niet onder gebukt. Zijn vader is een hardwerkende banketbakker, die (behalve op zondag natuurlijk) elke morgen vroeg opstaat om brood en banket te maken. Af en toe helpt Hendrik met het wegbrengen van het brood. Hij doet verhaal over een broodventer, die oud brood bij zijn vader opkoopt en het dan probeert te slijten aan de schippers die op de IJssel varen. Maar de man is ook een alcoholist geworden, die zijn eigen zaak heeft laten versloffen. Op een dag rijdt hij met fiets en al de haven in en verdrinkt. Volgens Hendriks vader komt hij nu in de hel, waar het vuur altijd blijft branden en waar je niet met je overleden kinderen wordt herenigd, zoals in de hemel. De kleine Hendrik vraagt zich af waarom God zo weinig mensen uitverkoren heeft. In de leer van zijn ouders ben je als mens namelijk waar-de-loos en moet je maar afwachten of God je uitgekozen heeft om in de hemel te komen.

2. Mijnheer Hublot
Mijnheer Hublot is handelaar in ouwe en nieuwe boeken die over het geloof gaan. Op een avond moet Hendrik van zijn vader naar de wat zonderlinge mankepoot om een boek op te halen. Het is herfst en al donker. Hendrik doet zijn boodschap goed en hij mag binnenkomen van mijnheer Hublot. Het is een aardige man en hij krijgt chocolademelk te drinken. Het is koud in huis, maar de man wil zijn petroleumkacheltje nog niet aansteken. Hendrik vraagt later aan Hublot of hij weet waarom God Adam en Eva geschapen heeft. De man raakt helemaal in vervoering en vertelt een verhaal dat God de mens geschapen heeft, omdat hij macht wilde uitoefenen en op de engelen ging dat niet. Hij wilde de mensen naar de slachtbank leiden en ze pijnigen. Omdat de man een beetje vreemd reageert, wil Hendrik naar huis. Bij het afscheid krijgt hij een kus op zijn mond.
De volgende dag vertelt zijn moeder hem dat het huis van Hublot is afgebrand en dat mijnheer Hublot is omgekomen. Twee rechercheurs komen Hendrik ondervragen, omdat hij de laatste is die Hublot in leven heeft gezien. Ook vragen ze of Hublot niet aan hem heeft gezeten: ze verdenken hem blijkbaar van pedofilie. Hendrik zegt dat hij van niets weet, maar als de agenten weg zijn, denkt hij terug aan de avond ervoor. Bij het afscheid had hij gemerkt dat hij het boek van zijn vader vergeten had mee te nemen en hij was teruggegaan. Toen had Hublot wel de kachel willen aansteken en Hendrik had een lucifer per ongeluk (?) op een oud (droog) boek laten vallen. Daarna was hij weggerend. Het is het eerste sterfgeval waarbij Hendrik betrokken is: er zullen er nog enkele volgen. In het volgende hoofdstuk wordt verteld dat Hendrik op dat moment in de vijfde klas zat: hij moet dus 10 of 11 jaar geweest zijn.

3. De hut op de vliering
Hendrik zit in de vijfde klas van de Groen van Prinstererschool bij meester Vlieg. Enkele weken nadat mijnheer Hublot overleden is, moet Hendrik een stukje uit het Oude Testament hardop voorlezen. Tot dat ogenblik heeft hij nooit gestotterd, maar op dat moment kan hij de bewuste zin niet lezen. De meester wordt boos, Hendrik valt flauw en hij wordt daarna naar huis gestuurd. Zijn moeder stopt hem in bed en hij krijgt angstdromen . Zo droomt hij o.a. over de verdronken bakker die in de hel is en van de kraaien die de ogen uit diens kop hebben gepikt.
De dokter vindt dat hij een tijdje rustig aan moet doen. Na een paar weken moet hij weer naar school. Het gaat eerst goed, maar daarna toch weer niet, als hij opnieuw een stukje hardop moet voorlezen. Hij moet nablijven: de meester ondervraagt hem, laat hem zijn tong uitsteken en zegt dat het een grote tong is, waarvan je wel drie dagen kunt eten , als je hem afsnijdt (vooruitwijzing naar einde!) Thuisgekomen zoekt Hendrik bescherming in de zelf gemaakte hut op de vliering. Zijn ouders weten niet van het bestaan van de hut af. Later weet hij een modus te vinden om met zijn stotteren om te gaan.

4. De hoer van het hoekje
Een jaar later zit Hendrik bij mijnheer Vreugdenheuvel in de zesde klas. Zijn moeder en de bovenmeester vinden dat hoogmoed voor de val komt als je te hoog wilt grijpen, maar de vader van Hendrik zet door dat hij naar de HBS gaat (Dat is de hoogste schoolopleiding in die tijd). Hendrik krijgt bij het verlaten van de school nog een preek van de bovenmeester over de verleidingen van de nieuwe school.
Dan verlaat Hendrik het gebouw en hij loopt langs het huisje van de vrouw die door zijn vader de “hoer van het hoekje” wordt genoemd. Hendrik weet niet wat dat is, maar het is in ieder geval niet fraai. In een boek over huwelijkstrouw heeft hij wel het een en ander gelezen over trouw en gemeenschap (seks) tussen man en vrouw. Als hij voorbij de hoer loopt, vraagt ze aan hem of hij even een pakje sigaretten voor hem wil halen, want ze verwacht bezoek en kan niet weg. Hendrik doet het, maar bij terugkomst zegt hij dat ze een hoer is en dat ze in de hel zal komen. Ze wordt verdrietig en Hendrik loopt stoer weg. Hij gaat die namiddag met zijn minder begaafde vriendje Jan spelen.
De volgende morgen wordt hij wakker gemaakt door zijn moeder die zegt dat Jantje verdwenen is. Hendrik herinnert zich dat ze bij de IJssel gespeeld hebben en dat nadat ze ruzie hadden gekregen, Jan in het water gevallen was, waarbij hij het ventje even onder had geduwd. Met de rechercheurs gaat Hendrik mee naar de plek waar ze gespeeld hebben. Maar Jan was nooit meer gevonden. Zijn moeder is boos, omdat hij bij het water gespeeld heeft. Ze vertelt een verhaal van een oom die schipper was op de Zuiderzee en die met zijn gezin was vergaan. Ze lagen vastgebonden aan de mast en de meeuwen hadden het jongste kind al bijna opgevreten. “Wat een gemene beesten zijn dat”, vertelt zijn moeder. (vooruitwijzing naar latere passages in de roman.!)

5. De walging van mijn moeder
Hendrik gaat naar het Johannes Calvijn lyceum, waar hem op de eerste dag natuurlijk weer een preek te wachten staat over wat er van hem verwacht wordt. Hij kan het eerste jaar goed meekomen en hij weet zich aardig te handhaven, totdat de leraar Nederlands hem weer een beurt geeft om te lezen. Hij kan dat niet en hij wordt de les uitgestuurd. De rector bij wie hij zich moet melden, neemt het nogal laconiek op, en bij de jongens in de klas heeft hij het gemaakt. Ze denken dat hij het met opzet heeft gedaan. In de tweede klas krijgt hij verkering met Anna, totdat er iets ergs gebeurd. Ze heeft geprobeerd haar polsen door te snijden. Later blijkt dat ze dit gedaan heeft, omdat haar ouders naar Zuid-Afrika wilden emigreren en zij liever in Nederland wilde blijven. Hendrik wil contact met haar opnemen, maar er ontbreekt hem de tijd, omdat hij bevriend raakt met Bart, een jongen uit de vierde. Bij Bart leert hij wat tri snuiven is en speedpillen slikken. Dan besluit Hendrik de vriendschap op te zeggen en hij neemt later nooit meer alcohol of sigaretten.
Zijn moeder heeft in die dagen mevrouw Van der Plas leren kennen: eigenlijk een godsdienstwaanzinnige vrouw. Zij zet de moeder van Hendrik op tegen haar man. Zijn moeder gaat zijn vader een smerige bedrieger noemen en ze geeft aan Hendrik dat ze eigenlijk nooit van de man gehouden heeft. Ze zegt dat ze van hem walgt: hij wilde meer seks dan zij en was boos als ze hem afwees. De communicatie tussen beide echtelieden gaat in het vervolg meer via Hendrik.

6. De leugen van mijn vader
Hendrik gaat ook een keer mee naar mevrouw de zwaar christelijke Van der Plas en hij ontmoet daar haar debiele dochter Anna, die hem op een bepaald moment zelfs haar geslachtdeel laat zien en hem uitnodigt op haar te kruipen. Hendrik vlucht ervoor weg. Mevrouw Van der Plas zou met een overleden dominee getrouwd zijn, maar Hendriks vader ontkent dat ten stelligste. Hendrik vraagt aan zijn vader waarom hij zelf geen dominee geworden is. Met zijn vader praat hij daarna ook over de zondeval met Adam en Eva, maar die geeft de schuld van de zonde min of meer aan de vrouw en niet zoals mijnheer Hublot aan God zelf.
Wanneer Hendrik doorvraagt over de roeping van zijn vader, zegt deze dat hij inderdaad God gezien heeft. Hij geeft een beschrijving van een nachtelijk bezoek van God en hij moet het van zijn vrouw aan de dominee vertellen. Dan schrijft hij naar de Hoge Raad van de Kerk, maar na een onderzoek in Dordrecht, hoort hij helemaal niets meer van ze. Ze geloven hem gewoon niet.

Kort daarna sterft de oma van Hendrik. Ze woonde bij hen in huis, maar wil op het laatst verhuizen, omdat ze midden in de familiecrisis zit. Ze vindt het ook maar vreemd dat haar dochter achter mevrouw Van der Plas aanzit . Ze zal maar open kaart met haar spelen. Daarna strompelt ze de trap af en valt, als gevolg waarvan ze overlijdt. Hendrik zegt: “Ik vond het heel erg dat mijn oma dood was maar ik had het nog erger gevonden als ze was verhuisd.”(blz. 111) Er wordt daarmee min of meer gesuggereerd dat hij zijn oma een handje heeft geholpen.

7. De man Gods
Door de jaren heen went Hendrik aan de situatie thuis. Zijn moeder gaat vaak naar mevrouw Van der Plas en zijn vader besteedt veel tijd aan de gemeenteraad van Kampen. Op school gaat alles goed, hij bereikt zonder te blijven zitten de examenklas. Twee maanden voor het eindexamen valt Jaap, een jongen in zijn klas, dood neer. Een docente laat een paar dagen later haar medaillon zien waarin een foto zit van het kind dat aan leukemie overleden is. Er wordt op school veel aandacht besteed aan Jaaps dood. Drie weken later komt Hendrik Jaaps moeder tegen en die vraagt of hij misschien weet waar Jaap is. Als Hendrik die avond bidt, ziet hij een man in zijn kamer staan. Deze aait hem over zijn voorhoofd en zingt in een taal die Hendrik niet verstaat. Hendrik voelt zich heel licht worden. Het is zijn eerste ontmoeting met de man Gods.

8. Een meeuw
Een dag later moet hij op school van zijn leraar Nederlands opnieuw lezen, maar het lukt hem weer niet. Hij krijgt een vervelende discussie met de leraar o.a. over zijn achternaam. De vis is immers het symbool van het Christendom.
Hij vlucht die middag uit school en fietst naar Kamperveen, maar onderweg wordt hij aangevallen door een meeuw. De meeuw brengt hem zelfs ten val. Daarna hoort hij eerst gefluister van stemmen en vervolgens barst een koor van duizenden stemmen los. Het lijken later meeuwen te zijn. Maar hij overleeft alles.

Uitgeput en ziek komt hij thuis. Zijn moeder stopt hem in bed en hij droomt weer zo’n ijldroom als hij vroeger had. De dominee preekt over de hel en de verdoemenis. Een oude vrouw in zijn droomt zegt dat ze naar de hel gaat en het boek dat de dominee in zijn handen heeft, verandert in een grote meeuw. De meeuw scheurt met een machtige haal de tong uit de mond van de dominee en eet de tong op als ware het een visje (vooruitwijzing naar het einde van de roman!). Als hij wakker wordt, ziet Hendrik opnieuw de man Gods en op dat ogenblik ervaart hij dat God niet het Woord is, maar dat God Stilte is: volkomen Stilte van eeuwigheid tot eeuwigheid.

9. TBC
De volgende morgen heeft Hendrik een stekende pijn tussen zijn ribben. Eigenlijk wil zijn moeder niet dat hij naar de dokter gaat, maar uiteindelijke geeft ze wel toestemming. Op weg naar de dokter denkt Hendrik aan de ruzie tussen zijn vader en moeder. Hij had het mes waarmee zijn vader zijn moeder had bedreigd uit diens handen genomen. In de wachtruimte bij de dokter hoort hij twee mannen iets vertellen over de hoer van het hoekje. Ze heeft haar zoontje gedood (de mannen zeggen: het kind van de bakker). Dat zou dus Hendriks vader zijn. Daarna heeft ze zelfmoord gepleegd door zich op te hangen. Ze zal natuurlijk in de hel komen.
De dokter die Hendrik onderzoekt, geeft hem een middel tegen spierpijn. Maar het gaat niet over en een week voor zijn mondelinge examens laat de dokter longfoto’s maken. Daaruit blijkt dat hij pleuritis heeft als gevolg van TBC. Het ontstoken borstvlies had de stekende pijn veroorzaakt. Hij moet naar het ziekenhuis in Zwolle, maar mag eerst zijn examens afleggen.

10. Een groot geschenk
Hij doet zijn mondelinge examens en hoort onmiddellijk de uitslag, omdat hij zo ziek is. Hij is geslaagd en de volgende dag wordt hij door zijn ouders naar het ziekenhuis gebracht. Er wordt hem uitvoerig verteld wat hij moet ondergaan. Zijn moeder reist niet met zijn vader terug in het Fiatje, maar ze vertrekt eerder met de trein. In het ziekenhuis ervaart Hendrik wat voor waardeloos en zondig schepsel hij is. Als teken ervan scheurt hij alle bladen van zijn Bijbel systematisch eruit en de leren omslag die hij overhoudt, doet hij in de prullenboek na er enkele keren op gespuugd te hebben. Hij wordt een echte patiënt: maagvocht blijkt verkeerd te zijn weggehaald; een jongetje dat verbrand is, overlijdt korte tijd erna. Dan moet ook het vocht uit zijn borstholte worden opgezogen: een erg pijnlijke geschiedenis, maar Hendrik houdt zich goed. Het vocht verwijderen lukt prima en hij moet nu nog een tijdje rusten in een sanatorium.

11. Het sanatorium
Hij wordt overgebracht naar het sanatorium, want thuis wil en kan hij niet kuren. In het sanatorium krijgt hij uitleg van zuster Lydia: alles is gebaseerd op rust en regelmaat. Hij krijgt een zaal met een veertigjarige Jacob uit Katwijk. Contact tussen mannen en vrouwen is niet toegestaan. Maar juist zuster Lydia komt z.i. toch een beetje te dichtbij hem. Jacob is een norse man die vrijwel niets zegt. Eigenlijk is Hendrik er wel blij mee: zo kan hij lekker nadenken. Zijn moeder die hem heeft weggebracht, neemt afscheid van hem.

12. Jacob
Jacob, de Katwijkse visser, zegt vrijwel niets tegen hem, moppert alleen af en toe. Aan het einde van de eerste dag komt zuster Lydia nog even de dagindeling met Hendrik doornemen. Ook zij heeft het over de agressieve meeuwen die het brood dat over is, komen wegpikken. Verder maakt ze een onsmakelijk gebaar met haar tong, dat Hendrik vanaf het begin irriteert. Ook de huisdokter komt een praatje met hem maken over de ernst van zijn ziekte. De zus van Jacob komt op bezoek, maar ook aan hen besteedt Jacob nauwelijks aandacht. De geneesheer-directeur wordt een keer boos als hij uit zijn bed is, waarna Hendrik begint te huilen. Het is geen vriendelijke conversatie.

Zuster Lydia komt hem elke dag bezoeken, maar hij walgt van haar goedkope verleidingstrucs. Hij droomt zelfs van haar: natuurlijk denkt hij aan haar tong. Met haar tong kronkelt ze zich om zijn penis en rukt die van zijn lijf af. Dan wordt Hendrik weer wakker. Hij heeft ook weer een visioen van de man Gods die hem moed inspreekt.
Hendrik gaat elke dag een mop voorlezen uit het moppenboekje dat de zus van Jacob heeft meegenomen en nu begint de Katwijker te reageren. Hij begint daarna voluit te kletsen en Hendrik hoort zijn levensverhaal. Jacob mag kort daarop naar huis, maar op een nacht betrapt Hendrik hem op een masturbatiedaad. De volgende dag probeert hij dat toch onder zijn neus te wrijven door een raadsel voor te houden. “Wat is het verschil tussen een homo en een rat? “Ik ook niet”, geeft Hendrik als antwoord.
Midden in de nacht wordt Hendrik wakker, als Jacob met een aardappelschilmesje de waranda opgaat. Maar hij doet niets en de volgende ochtend blijkt Jacob zich om het leven te hebben gebracht: hij wordt dood in de rood gekleurde vijver gevonden. Opnieuw wordt Hendrik door de politie ondervraagd, maar hij kan eigenlijk geen informatie geven.

13. Het laatste medicijn
Nu Jacob gestorven is, raakt Hendrik min of meer geïsoleerd in het sanatorium. Hij heeft maar weinig aanspraak en nog minder bezoek. Zijn moeder komt hem nog wel eens opzoeken, maar steeds klaagt ze over zijn vader: ze hoopt dat hij snel zal doodgaan. Ze trekt in bij mevrouw Van der Plas en vertelt dat de debiele Anita haar pasgeboren kindje heeft verloren. Ook zijn vader komt een keer met zijn oom Hendrik op bezoek, maar veel informatie en hartelijkheid levert dat bezoek niet op.
Zuster Lydia komt hem nog steeds elke dag bezoeken. Op een dag vertelt ze dat ze haar man na één week huwelijk bij een verkeersongeval heeft verloren. Hij heette Gerrit van Dijk en Hendrik doet sterk aan hem denken. Ze praat nog wat verder over liefde met hem en kust hem op zijn voorhoofd. Daarna komt er een oude man op de afdeling die hem bekent 55 jaar getrouwd te zijn geweest, terwijl hij al die tijd verliefd was op een ander. Nu zijn vrouw gestorven is, denkt hij nog steeds aan dat meisje. Hij vraagt aan Hendrik wat hij wil studeren.
Hendrik zou graag geschiedenis studeren, maar omdat hij stottert, heeft hij voor een andere studie gekozen. Dat vindt de oude patiënt laf van hem.
Maar de oude Paters gaat lichamelijk snel achteruit. Hendrik heeft medelijden met hem, als de oude man vraagt om dood te mogen gaan. Op aanraden van de man Gods drukt hij een kussen op het hoofd van de oude Paters. Deze overlijdt. Zuster Lydia heeft Hendrik uit de kamer zien komen en vertelt dat tegen hem. Ineens weet Hendrik wie ze is: hij herkent in haar “de hoer van het hoekje”. Lydia slaat de dekens bij hem weg en als ze ziet dat hij naakt is, wordt ze seksueel opgewonden. Dan brengt ze zijn geslachtsdeel in haar mond en pijpt hem. Hendrik neemt het aardappelschilmesje en neemt de tong van zijn penis weg. Dan snijdt hij met één haal haar tong door en stopt de tong in zijn eigen mond en slikt hem door. Het is zijn laatste medicijn dat hij nog nodig heeft. De man God staat aan zijn voeteneinde en kijkt toe. “Hij was mijn Vader en ik was Zijn Kind, tot in alle eeuwigheid . Amen” (slotzin).

Epiloog
In het nawoord vertelt Hendrik in de o.t.t. dat hij opgesloten is in een inrichting. Het is vele jaren later. Hij heeft een kamer met televisie, maar hij kijkt nooit. Hij heeft niet meer gesproken. Elke dag vraagt hij erom of God hem naar huis wil halen.
Drie weken geleden echter heeft de man Gods gezegd dat zijn tijd nog niet gekomen was en dat hij de pen ter hand moest nemen om het verhaal van de kinderjaren en de weg naar Hem op te schrijven. Zijn hand zou door de man Gods gestuurd worden. “De waarheid verdraagt de leugen niet.” Hendrik zegt : “Ik heb gedaan wat Hij van me vroeg.”

Recensies
De roman wordt in het Reformatorisch Dagblad van 29 juni 2005 heel uitvoerig besproken in een recensie. Zoals verwacht mag worden van de krant staat ze afwijzend tegenover de inhoud van de roman, die immers het zwaar christelijk geloof van zijn nadelige kant laat zien. Maar de kritiek gaat ook verder. “Als Van Dijk hiermee wil aangeven dat de bevindelijk gereformeerde leer harteloze en gevaarlijke mensen maakt, schiet hij zijn doel ver voorbij. Daarvoor zijn de gebeurtenissen en de manier waarop de hoofdpersoon erop reageert te onnatuurlijk. Kennelijk beseft Van Dijk niet dat in de fictieve wereld van een roman zaken hun eigen samenhang en logica moeten hebben. Om de lezer werkelijk te raken, had Van Dijk moeten beschrijven hoe desastreus zijn opvoeding zijn gevoelsleven zou hebben beïnvloed.”
Ook qua stijl is de recensent niet mals: “Af en toe gebruikt Van Dijk een aardig beeld („De leugen gleed over mijn lippen alsof het een pleziervaartuig was op een mooie zomerdag maar in mijn binnenste stormde het.”) Maar storende taalfouten („Maar als het nog eens gebeurd…”) en foute zinnen (“Grote plantenpotten stonden her en der over de serre verspreid, de meeste waren echter op sterven na dood”, “Het gefluister hield ongeveer een minuut aan, maar beslist niet langer want toen barstte er hoog boven mij een machtig koor van duizenden stemmen los in een luide jubelzang”) mogen de eindredactie niet passeren. En dat een achttienjarige jongen zich nog niet hoeft te scheren en zich door zijn vader laat voorlezen uit de kinderbijbel komt, zacht gezegd, wat vreemd over. Spannend is het boek op geen enkele bladzijde. Het verhaal (dat nauwelijks samenhang vertoont) kabbelt rustig voort. Waar de spanning even dreigt op te lopen, weet Van Dijk die vakkundig te neutraliseren. Te betreuren is dit alles niet want daarvoor is Van Dijks boodschap te venijnig.”
Het is duidelijk dat de recensent zich veel door de inhoud van de roman heeft laten leiden en natuurlijk verwachten de christelijke lezers van zijn dagblad dan geen positieve reactie.

Op donderdag 11 augustus verscheen in De Volkskrant een recensie van Gert. J. Peeters. Na een algemene gedachte over fundamentalistische godsdiensten beschrijft hij de roman. Hij verhaalt hoe Hendrik Vis van braaf jongetje verwordt tot iemand die vreemde streken uithaalt en dat alles onder invloed van het geloof. “In stilistisch opzicht kan “De Openbaring aan Hendrik Vis” niet tippen aan het thematisch verwante “Knielen op een bed violen” van Jan Siebelink. Maar lezers die van dit typisch Nederlandse genre geen genoeg krijgen, kunnen hun hart ophalen aan Van Dijks romandebuut.”

Over de schrijver
Gertjan van Dijk werd in 1952 in Kampen geboren. Hij groeide op in een zwaar christelijk milieu, dat van de bevindelijk gereformeerden. In 1996 verscheen van hem “Het geloof der vaderen”, een studie over de denk -en leefwereld van de bevindelijk gereformeerden.
De studie is een wat afstandelijke, maar welwillende “zoektocht naar antwoorden op vragen van vroeger”, zoals hij indertijd in een interview met het Reformatorisch Dagblad aangaf. Van Dijk stoorde zich vooral aan de leer van de uitverkiezing (de mens kan niets aan zijn heil bijdragen) en aan de gedachte dat de mens vanaf zijn geboorte verdorven is. Redenen voor hem om geloof en kerk de rug toe te keren.

“De openbaring aan Hendrik Vis” is zijn debuutroman als literair schrijver. Er zijn in de roman nogal wat autobiografische elementen aan te wijzen. Zo zat zijn vader, evenals de vader van Hendrik Vis, jarenlang in de gemeenteraad van Kampen namens de SGP.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het dan weten door een reactie te geven.