geef je mening
Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?
ff n studiebreak
Maandag begint de nieuwe Weg Over Rozen! Hier vast al het tergende, romantische, schokkende, suïcidale en strontvervelende uit seizoen 1 op een rij.

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.
Gebruikte editie
De roman verscheen in 1980 bij de uitgeverij Querido te Amsterdam. Voor dit boekverslag werd gebruik gemaakt van de derde druk uit 1981. De voorkant van de roman is overwegend wit met daarop een vierkante afbeelding van een tijgerprint. De naam van de schrijver staat in grote zwarte letters op de kast, evenals de titel van de roman. De roman telt 111 bladzijden.
Genre
De roman kun je onderbrengen bij de psychologische romans met als onderwerp: het zoeken naar de eigen identiteit.
Aanrader of afrader?
De roman is een typische vertegenwoordiger van de Revisorromans. (Revisor is een Amsterdams tijdschrift uit de zeventiger jaren: Meijsing is redactrice van dit tijdschrift geweest). Een Revisorroman wil zeggen dat er veel aandacht besteed wordt aan de constructie van de roman met het oog voor associaties die heden en verleden verbinden. Ook zit er veel symboliek (toch wel opzettelijk) in de roman verstopt. Daar moet je allemaal op letten bij het lezen: het is zo’n typische roman die je een aantal keren moet hebben gelezen om alles goed door te hebben. Het vraagt ook enige belezenheid van de lezer: de kennis van bijvoorbeeld Kiplings Jungleboek die je bij het lezen van hoofdstuk 2 nodig hebt. Als geheel is het zeker geen gemakkelijke roman om te lezen: in principe gebeurt er weinig spectaculairs om de spanning vast te houden en moet je veel nadenken over hoe de scènes met elkaar worden verbonden. Een roman die m.i. dus alleen voor geroutineerde lezers is weggelegd: vwo-5 en-6 en misschien ook wel enkele belezen kandidaten havo-5. Het is trouwens meer een boek voor meisjes dan voor jongens.
Motto en opdracht
De roman is opgedragen aan: “Voor G.”
Het is mij niet bekend wie dit is. Misschien is G. Doeschka’s broer Geerten.
Het Engelse motto luidt: “I think that a good piece of glasswork preserves, as its best, a form reflecting the human breath which has shaped it, and that its shape must be a moment in the life of the glass, fixed in the instant of cooling.” (Maurice Marinot, geciteerd door Gabriel Mourey in The Studio -1927)
Vertaling: “Ik denk dat een mooi stuk glaswerk als het goed is, een vorm in stand houdt die de menselijke adem/ inspiratie weerspiegelt van hem die het heeft geblazen/geschapen en dat die vorm een moment in het leven van het glaswerk is dat vastgelegd is op het moment van het afkoelen.”
Een fraai motto in deze roman die als een van de verhaalmotieven heeft het bestaan van glas. Talrijk zijn ook de verwijzingen naar glas, glazen en glasblazen. Natuurlijk ook als teken van helderheid: de ikfiguur probeert zich te krijgen op haar relaties met de mensen om haar heen (de professor en vooral haar moeder ) en zicht op haar eigen leven. Ze doet dit door te werken aan een opdracht die de geschiedenis van een rijke familie van glasfabrikanten moet vastleggen..
Verhaalopbouw en structuur
Er zijn in deze roman drie hoofdstukken, die worden aangegeven met een 1 en 2 en een 3. Het zijn de ongeveer de drie maanden die de vertellersfiguur nodig heeft om de voldracht te voltooien waaraan ze in het begin van het boek begonnen is: nl. het vastleggen van de familiegeschiedenis van de eigenaren van een glasfabriek. In het eerste deel is het september, in het tweede deel oktober en in de derde deel is haar drie maanden durende opdracht voltooid. Er wordt aangegeven dat dit deel één dag voor Allerzielen (2 november)speelt.
In de tussentijd werkt ze aan een verslag over de familie van mevrouw Vrouwenvelder. In deze perioden kijkt ze ook steeds terug naar haar eigen familiegeschiedenis.
Na de drie hoofdstukken komt een nawoord van een verhaalfiguur (de professor). Een vreemde constructie, waarin een personage een algemene afsluiting geeft. Het is m.i. een onduidelijke, onbegrijpelijke afsluiting van de roman, die ook nog eens volkomen overbodig is en niets toevoegt aan de roman.
In zijn opbouw is een echte Revisorstijl te herkennen: alles in de roman lijkt met elkaar samen te hangen. De roman moet je misschien wel drie keer lezen om alle links en draden die met elkaar verbonden zijn, te ontdekken. Maar dat geeft zo’n roman vaak ook een gekunsteld aanzien; dat is een verwijt dat de Revisorschrijvers vaker treft. Het is dan ook zeker geen gemakkelijke roman om te lezen.
Perspectief
In de drie delen zien we een ikvertelster die verder niet bij name wordt genoemd. Ze heeft een relatie met een vrouwelijke professor. Pas aan het eind van deel 2 blijkt dat de ikfiguur een vrouw is, waardoor de relatie met de vrouwelijke professor meteen een homoseksuele relatie is. Haar moeder keurt de relatie weliswaar niet geheel af, maar vindt het toch niet prettig dat het een homoseksuele relatie is.
De ikvertelster vertelt in de o.v.t (vision par derrière, achteraf-vertelster)
In het nawoord (één pagina) is de professor de ik-verteller.
Titelverklaring
De titel “Tijger, Tijger”, staat op blz. 57 en 80 van het tweede deel letterlijk in de tekst genoemd. Het is het deel waarin de ikfiguur zich inbeeldt een jongetje te zijn en wel het jongetje M. uit het Jungleboek van Kipling. Mowgli wil op de tijger gaan jagen, nadat hij bij de wolven opgegroeid, verstoten is uit het warme nest. Hij gaat dan op de tijger als symbool van wreedheid jagen, omdat de tijger een dier is dat onnodig mensen en dieren doodt. Wanneer de ikfiguur door haar broertjes niet meer mee mag spelen in de straatclub, voelt ze zich ook verstoten door hen en ze besluit het jongetje M. te worden. Ze ziet een tijger in haar moeder, tijgers in haar broertjes die gestreepte pyjama’s dragen en ook in haar latere leven wordt ze door tijgers geobsedeerd. Zo ontmoet ze haar geliefde, de professor in de Tijgerzaal van Artis.
Het tijgermotief lijkt dan ook een variant te zijn op het klassieke “homo homini lupus”(de mens is voor de mens een wolf) hier aangepast in “homo homini tigris”(de mens is voor de mens een tijger).
De titel van de roman is letterlijk afkomstig van een beroemd gedicht van de Engelse poëet William Blake (1757-1827) “The tyger”. Hiervan luidt de eerste strofe:
“Tyger, tyger, burning bright, in the forest of the night
What immortal hand or eye, could frame the fearful symmetry”
In dit gedicht wordt door Blake de angst voor de verschrikkingen van de “wouden van de natuur” uitgedrukt. Meijsing maakt duidelijk in deze roman dat dit niet alleen in de tropische werkelijkheid, maar ook in de eigen psyche te vinden is. Blake schreef dit gedicht in de bundel “Songs of innocence and of experience showing the two contraries of the human soul”. Elk onderdeel in de bundel heeft zijn tegenhanger: tegenover de tijger staat het lam. Het is naar diens leven in een staat van paradijselijke onschuld dat de hoofdfiguur uit deze roman verlangt.
Tijd en decor
De roman verschijnt in 1980. In de roman doet de vertelster verslag van de zelfmoord van een van de familieleden van de glasfabriek: dat is in 1972 (blz. 58) Bovendien meldt ze op bladzijde 76 iets over exploderende Exotaflessen: een berucht media-incident in januari 1971, toen Marcel van Dam in een tv-programma had aangetoond dat deze limonadeflessen spontaan konden exploderen. Dat bleek later geënsceneerd te zijn. De gebeurtenissen spelen dus tussen in ieder geval na het jaar 1972, waarschijnlijk in de laatste jaren van de jaren zeventig.
Het verhaal wordt gesitueerd in de maanden september tot en met november: de herfst is het symbool van het verval. De vertelster geeft in het laatste hoofdstuk nog aan dat alles wat zij aanraakt, doodgaat: mevrouw Vrouwenvelder sterft en de beheerder van de glasfabriek Lefèbre komt waarschijnlijk om bij het vliegtuigongeluk op Sicilië.
De Eerste Hollandse Glasfabriek had haar vestiging in Haarlem: het lijkt aannemelijk dat Bella Vrouwenvelder daar ook woont. Meijsing woonde zelf ook in Haarlem. De vertelster heeft geschiedenis gestudeerd aan de Amsterdamse universiteit, dus heeft ze haar woning met de professor waarschijnlijk in Amsterdam. Meijsing studeerde zelf ook in Amsterdam.
Deel 3 speelt in Venetië, waar de ikfiguur op uitnodiging van de beheerder van de glasfabriek naar toe gaat. Venetië is natuurlijk ook al literair gezien de stad van dood, verval en verderf, zeker nadat Thomas Mann de roman “Der Tod in Venedig” schreef.
Thematiek
In de roman lijkt de hoofdfiguur op zoek naar haar eigen bestaan. Ze doet dit symbolisch aan de hand van de ordening van het familiearchief van de eigenaren van een glasfabriek. Ze treedt in dienst bij Bella Vrouwenvelder om deze klus binnen drie maanden te klaren, maar tussen de bedrijven door worden er steeds links gelegd naar haar eigen familiegeschiedenis: te weten de relatie met haar moeder op wie ze ooit verliefd was omdat ze er zo mooi uitzag. Dit wordt uitgewerkt in haar prachtige borsten die werden versierd met een flonkerende ketting, maar ook een moeder die ze niet mocht aanraken. Er is ook de verstoorde relatie met haar broertjes die haar buitensloten uit de straatclub, die niet meer toegankelijk was voor meisjes. Daarom besluit ze in haar fantasie een jongetje M. te worden (dit is de hoofdfiguur uit Kiplungs roman Jungleboek, die zich ten doel heeft gesteld de tijger te doden omdat die zich niet aan de wetten van de jungle heeft gehouden. Ze fantaseert dat ze het jongetje M. is: daarmee is ze een wisselkind tussen jongetje en meisje. Zo zal ze in de roman ook op zoek zijn naar haar eigen seksualiteit. Ze heeft een lesbische relatie met de professor, een al wat oudere vriendin, maar omdat ze deze vriendin alleen naar Berlijn laat afreizen, zal ze de periode gebruiken voor het op zoek gaan naar zichzelf (het queestemotief). In de drie maanden heeft ze ook een seksuele ervaring met de heer Lefèbre, die nota bene zelf ook homo-erotische gevoelens koestert. Maar in deel 3 kiest ze er niet voor om met hem een jaar op te trekken en zijn levensverhaal te schrijven. Waarschijnlijk komt hij om bij een vliegtuigongeluk op Sicilië. Ze accepteert zijn cheque voor het werk van de ordening van het familiearchief: zo is ze in staat om een ticket naar Berlijn te kopen en zich te voegen bij haar vriendin. Hiermee doet ze ook min of meer afstand van haar relatie met haar moeder: als ze de cheque niet had geaccepteerd, had ze met haar moeder moeten meerijden met de trein en dat is een schrikbeeld voor haar. (Ook in de roman “Robinson” komt het motief naar het zichzelf op zoek zijn voor: het meisje Robinson heeft een jongensnaam, omdat haar ouders graag een jongetje wilden. Zij gaat er een puberleven lang onder gebukt.)
Er is dus een vrij sterke symbolische verhandeling in de roman: het ordenen van het familiearchief staat op één lijn met het ordenen van haar eigen levensverhaal: ze staat op een beslissend keerpunt in haar leven. Ze zit min of meer op een dood punt in haar bestaan. Daarom gaat ze ook haar eigen levensverhaal na in relatie met die van het wisselkind zijn: het zoeken naar de voor haar juiste seksuele geaardheid.
Aan het einde van de roman lijkt ze er uit te zijn gekomen voor zichzelf: ze neemt immers het vliegtuig naar Berlijn en volgt niet de man die haar gevraagd heeft zijn levensverhaal op te tekenen. Beiden zijn het mensen op weg naar de zin van het bestaan.
Hoofdthema lijkt dan ook het ordenen van de chaos in het bestaan van iemands leven: het krijgen van zicht op de eigen levenssituatie. Niet in de laatste plaats gebruikt Meijsing daarvan het motief van het glas. In zo’n geval spreek je van een verhaalmotief in engere zin. Door glas kun je kijken: het is transparant: het vervangt in dit geval het vaak gehanteerde motief van de spiegel die ook zicht geeft op de situatie waarin je verkeert. Grappig is dat in de familiegeschiedenis tante Lotte juist met veel geraas een prachtige spiegel in gruzelementen laat vallen, omdat haar tweelingzus de man krijgt op wie zij het ook gemunt heeft. ( Überal Glass) Talloos zijn de verwijzingen naar glas: zowel glazen om uit te drinken als glazen om doorheen te kijken. Ze gaat de geschiedenis van mensen die de Eerste Nederlandse Glasfabriek bezitten, uitpluizen. Ze gaat ook naar Venetië, de legendarische stad van de glasblazers: op één van de laatste pagina’s ziet ze een man een glazen voorwerp blazen. In Venetië komt op een zeker moment ook de symbolische tegenhanger van dit motief van transparantie: de dreigende mist die opkomt. Daarmee wordt het zicht op de realiteit juist weer vertroebeld. Dat ze haar problematiek overwint, blijkt uit het gegeven dat de zon in de allerlaatste alinea (blz. 109) toch weer doorbreekt en dat ze er gretig naar kijkt.
Een ander motief dat in de roman een rol speelt, is het aannemen van de fantasie-identiteit van Mowgli uit Jungleboek. Dit doet ze om de angsten waarmee ze als klein kind is opgezadeld de baas te kunnen. Het jongetje moet immers de tijger uitschakelen en zij moet de tijgers om haar heen kunnen beteugelen: de moeder, de vijf broertjes. Daarom beeldt ze zich in dat ze het jongetje M. is. Dat jongetje is immers sterker dan zij zelf is: had zij niet kort ervoor juist in haar broek gepoept van de angst.
Een ander motief waarop nogal de nadruk wordt gelegd, is het liegen. Op diverse plaatsen in de roman wordt aangegeven dat de ikfiguur er een kunst van heeft gemaakt om te liegen: als klein kind heeft ze zich dit al aangeleerd. Ze heeft ook geleerd dat je er profijt van kunt hebben. Ook als ze bezig is met haar ordening van haar opdracht, bluft ze over de feiten en liegt ze dus in feite. Dat is wel een opmerkelijk gegeven voor iemand die geschiedenis heeft gestudeerd en dus juist de belangrijkheid van de ware feiten in haar studie moet hebben geleerd.
Enkele motieven die in deze roman nog verder een rol spelen, zijn:
- de moeder-dochterverhouding. Is mevrouw Bella Vrouwenvelder niet een substituut-moeder? Ook met haar kan ze het niet zo goed vinden, net als met haar eigen moeder. De achternaam van de vrouw lijkt dan ook symbolisch. En haar voornaam Bella: was haar moeder in haar ogen niet heel erg mooi? Zelfs in Venetië wanneer ze naakt door de kamer loopt, lijkt de moeder van de vertelster mooier te zijn dan zij zelf is.
- de dood (de gehele familie van de glasfabriek gaat dood)
- zelfmoord (Jacob pleegt zelfmoord)
- homoseksuele geaardheid (de ikfiguur en de professor; Lefèbre en zijn vriendjes onder wie Jacob)
- angst voor het ouder-worden (de vertelster vindt dit de ergste ziekte waaraan je kunt lijden)
- de zinloosheid van het bestaan:het feit dat haar opdracht in feite zinloos geworden is door de dood van Bella, doet sterk denken aan het einde van de roman “Nooit meer slapen” van Willem Frederik Hermans, waarbij Alfred Issendorf er ook achter komt dat zijn missie zinloos is..
Samenvatting van de inhoud
Deel 1 (blz. 7-41)
De ikfiguur (een jonge vrouw) ligt in bad met haar geliefde, die in deze roman steeds afstandelijk “de professor” wordt genoemd en die ook als wat ouder wordt voorgesteld. Deze gaat drie maanden naar Berlijn om gastcolleges te geven. Eerst zou de vertelster meegaan, maar bij nader inzien solliciteert ze liever naar een advertentie in de krant met een opdracht om een familiegeschiedenis van een familie die een glasfabriek heeft beheerd in kaart te brengen. Ze gaat solliciteren bij de oude vrouw die het hoofd van de familie is, Bella Vrouwenvelder. Ze wordt aangenomen om in drie maanden de geschiedenis vast te leggen. De professor is niet erg gelukkig met die beslissing. De ikfiguur is bang om geconfronteerd te worden met Berlijn, vanwege de Duitse afkomst van haar eigen moeder met wie ze geen goede relatie heeft kunnen krijgen.
Ze antwoordt dan ook op een van de vragen van mevrouw Vrouwenvelder dat ze een wisselkind is: van een Duitse moeder en een Hollandse vader. Ook beweert ze dat ze in een soort jungle leeft, maar niet weet welke jungle (zie het motief van de tijger uit de titelverklaring). Ze is als historica afgestudeerd aan de universiteit van Amsterdam, waar je tot schrik van mevrouw Vrouwenvelder een cijfer kreeg als je gezamenlijk aan een opdracht werkte en waar het niveau van de college derhalve ondermaats was. Op de vraag of ze getrouwd is, antwoordt ze dat ze met een professor samenwoont. Ze geeft daar voor de eerste keer aan de lezer aan dat ze vaak wil liegen. (en dat voor een historica!) Vanaf dat moment gaat “de ik” aan het werk. Het gaat allemaal heel traag in zijn werk en ze wordt steeds gecontroleerd door de huisvriend/huisknecht Mortien (een eng mannetje). Die geeft diverse keren aan dat haar twee voorgangsters ook niet in staat zijn geweest om de familiegeschiedenis in kaart te brengen.
Tussendoor vermeldt de vertelster wetenswaardigheden over haar eigen familie. Tante Lotte, de tweelingzus van haar grootmoeder, die de strijd om de grootvader met haar grootmoeder verloren had. Ze had op het hoogtepunt van die affaire een glazen spiegel in gruzelementen gesmeten.(“Überal Glass”) In 1947 wordt de vertelster geboren. (Meijsing zelf ook!) Ook vertelt ze over haar eerste ontmoeting met de professor (in de Tijgerzaal van Artis). Ze was getroffen door haar volle rode mond. Ze had aan haar eigen moeder teruggedacht. Bij het zien van foto’s van beiden reageert de historica altijd met angstgevoelens: haar angst geldt de dodelijkste ziekte die mensen kan treffen: nl. het ouder worden. Ook herinnert ze zich de zondagmiddagen dat er dingen gebeurden en over kinderleed als een verdwenen pop die met Kerstmis voor een andere was verruild: een wisselkind met een wisselpop.
De historica vindt op de zolder van Vrouwenvelder een familiefoto uit 1936 en laat die aan Bella Vrouwenvelder zien. Daarop staan haar man en twee andere mannen. Bella knipt de foto door. Het is de aanleiding om verhalen over haar jeugd en de familie te vertellen.
Het interesseert Vrouwenvelder minder dat ze de feiten op papier krijgt: ze wil blijkbaar een alibi om aan iemand haar verleden te vertellen. In 1914 had de eerste Nederlandse Glasfabriek in Haarlem van Bella’s vader besloten kunstenaars in dienst te nemen om glazen voorwerpen te ontwikkelen. Haar broer Dirk die veel ouder was, wilde geen leven in de fabriek, maar koos voor het avontuur om oorlogspiloot te worden. Tot twee keer toe vraagt de vertelster aan Bella of Dirk ooit teruggekomen was, maar ze geeft op dat moment geen antwoord. Dirk is natuurlijk wel omgekomen in de oorlog: zoals er wel meer personages in de roman omkomen bij een vliegtuigongeluk.
Zo komt er daarna weer een flash back van de vertelster die over haar grootvader vertelt die ook in de oorlog bij een luchtgevecht is omgekomen.
Aan het einde van het eerste deel heeft ze al een aantal brieven van de professor ontvangen, die nog steeds niet begrijpt waarom ze niet meegegaan is naar Berlijn. Wat is het nut van een stoffig familiedossier proberen te ordenen? Ze is treurig gestemd en gaat van ellende Bratwurst eten. Op de kalender merkt de vertelster dat de depressie van haar vriendin komt doordat ze ongesteld moet zijn geworden. Ze krijgt een herinnering aan het moment waarop de professor haar gevraagd had met haar te trouwen. Ze had daarop positief geantwoord. De zon scheen in een warme baan tussen hen in.
Deel 2 (blz. 43-80)
Dit deel begint met een citaat uit de Bijbel uit de eerste brief van Paulus aan de Korinthiërs 7 (vers 29-31). “De tijd is kort”….. want het uiterlijk van deze wereld is bezig te verdwijnen”
Het is begin oktober. De ikvertelster benadrukt nog een keer het gewicht dat ze aan liegen verbindt. “De leugen is de gier (mest) voor mijn grond.” Dat wil zeggen dat liegen heel vruchtbaar voor haar is. Ze wordt weer bezocht door meneer Mortien, die naar haar torenkamertje komt. Hij komt om concrete gegevens vragen en eigenlijk is hij van mening dat ze maar beter kan opstappen. De “ik” geeft aan dat ze van plan is om het contract uit te dienen. Dan vraagt hij of ze al op de familiefoto van Thomas (Bella’s jongere broertje) is gestoten. De laatste foto omdat hij daarna verdronken is. Bella had dat verhaal over het verdrinken al eerder verteld aan de twee voorgangers die het archief wilden ordenen. Als Mortien dreigt, bluft de hoofdfiguur met een aantekenschrift. Hij lijkt even overdonderd te zijn. Maar Bella vraagt kort daarna toch weer om gegevens en cijfers. Ook mevrouw Vrouwenvelder overdondert ze met enkele gegevens, maar die is in wezen toch niet echt geïnteresseerd. Dan komt er een groenteman afleveren en mevrouw Bella vraagt of de historica dat even wil afhandelen. Van deze groenteman komt ze weer het een ander over de familie te weten. Hij vertelt dat er een heleboel tragische gebeurtenissen in de familie hebben plaatsgevonden en dat ze eigenlijk helemaal niet op zo’n rijke voet leven. Op dat moment ziet de “ik” een brief gericht aan ene mijnheer Lefèbre liggen: ze stoomt hem open, leest de inhoud en plakt hem daarna weer dicht. De brief is geschreven door Mortien. Wanneer Mortien in een gesprek weer aandringt op ontslag, bluft (en liegt!) de ikfiguur dat ze een afspraak heeft met mijnheer Lefèbre en vraagt of ze misschien nog een boodschap kan overbrengen. Opnieuw is Mortien overdonderd en heeft ze weer een tijdje respijt.
De ikfiguur denkt terug aan haar jeugd wanneer ze heeft horen vertellen over een kleine jongen M. die de tijger zal opzoeken en aanvallen, omdat de tijger Shere Khan zich niet aan de wetten van het oerwoud heeft gehouden: hij doodt onnodig mensen en dieren . Aangezien haar vijf broertjes zelf geen pogingen ondernamen om de tijger te doden, besloot ze om zelf de jongen M. te worden. De tijger had namelijk ooit de angst in de wereld gebracht om zonder noodzaak te doden en daarom moest de tijger gedood worden. Hier wordt het meisje de jongen M. (wisselkindmotief) Zij fantaseert zich zelf in de positie van een junglekind.
In de brief van Mortien aan Lefèbre had de huisknecht geklaagd over het niveau van de vertelster: hij ziet haar als een bedriegster. Bovendien wordt in de brief de dood van Jacob Vrouwenvelder gememoreerd (in 1972), waardoor ze weer een nieuw aanknopingspunt heeft. Zijn jongere broer Hein en zijn oudere broer Vincent zijn al eerder gestorven. Het valt niet mee om een gesprek met Lefèbre te arrangeren, merkt de vertelster. Maar het lukt haar tenslotte toch en dan begint ze die wetenschap uit te spelen tegen Mortien. Ze vraagt zich intussen wel af waarom ze niet naar Berlijn gegaan is met de professor mee.
Dan krijgt ze een ontmoeting met Lefèbre in de glasfabriek. Hij vraagt haar of ze het niet vreemd vindt dat er zoveel vreemde sterfgevallen in de familie zijn. Ze bluft weer en vraagt naar de relatie met Jacob. De beheerder van de glasfabriek vraagt haar mee te lunchen; de vertelling glijdt naar enkele dagen later en dan blijkt dat ze veel informatie heeft gekregen. Ze heeft ook met Lefèbre gevreeën. Hij vertelt dat hij wel verliefd op Jacob is geweest en dat de jongen onder invloed van alcohol en drugs uit het raam gevallen/gesprongen is. Bella weet niets van de homofiele relatie, maar Mortien wel. Omdat hij zo bekend was met de familie had Lefèbre de leiding van de glasfabriek mogen overnemen.
Kort daarna belt ze Mortien op en hij zegt dat ze net op tijd is voor de begrafenis: Bella is onverwacht overleden en hij had het niet de moeite gevonden om haar een kaart te sturen. De vertelster wordt niet goed, gaat naar de wc en ontlaadt haar darmen, terwijl ze nog even in haar eigen stank blijft zitten.
Het is het bruggetje naar de volgende flashback van de jongen M. die in de straatclub van haar broertjes speelt. Er is stank van drollen en iemand moet het in zijn broek hebben gedaan. Uit angst heeft zij het in zijn broek gedaan en haar moeder ontdekt dat later. Ze sleurt haar de wc in en haar broertjes zijn er getuige van. Ze besluiten een papier op te stellen waarin staat dat meisjes voortaan niet meer worden toegelaten tot de straatclub. Het jongetje M. (de vertelster dus) pakt een papiertje, schrijft daarop Tijger, Tijger! en slikt dat daarna door.
Deel 3 (blz. 81-109)
De broer van de vertelster zegt dat haar moeder ook in Venetië is. De ikfiguur denkt dat ze steeds op weg naar plaatsen is waar ze niet moet zijn. Daarna heeft ze een ontmoeting met haar moeder. De “ik” vertelt dat ze op uitnodiging van haar opdrachtgever naar Venetië is gekomen. Venetië is ook de stad die beroemd is om zijn glasfabrieken. Het is 1 november, want haar moeder geeft aan dat ze het erg vindt dat ze morgen met Allerzielen niet in Nederland kan zijn. De historica bezoekt het glaseiland Murano en werkt daarvan haar aantekeningen uit. Haar moeder stelt erover wat vragen en dan komt er weer een flashback over iets uit de jeugd van de vertelster. Over de leugens die altijd speelden.
Met haar moeder gaat ze in Venetië naar een avond waarop de Italiaanse vereniging een lezing houdt. Mijnheer Lefèbre is er ook. Hij ziet er gelukkig uit en hij vertelt haar dat hij een besluit genomen heeft door bij de Eerste Hollandse Glasfabriek ontslag te nemen en een jaar op reis te gaan. Hij wil dat met een oude vriend (homorelatie) doen. Hij nodigt haar uit om mee te gaan op reis en een jaar voor hem te werken om ook zijn geschiedenis op te tekenen. Want wat moet ze nu doen met de geschiedenis van de opdracht van de glasfabriek: Bella is dood en hij heeft ontslag genomen ?
De vertelster legt de laatste hand aan haar verslag over de familie van de glasfabriek. Alleen het laatste stukje over de dood van Bella moet nog worden opgenomen. Het gaat echter moeilijk om dat deel af te sluiten. Aan de andere kant is er met Bella’s dood er ook een einde gekomen aan het werk van de vertelster. De volgende dag leest haar moeder uit de krant voor dat er een vliegtuigramp op Sicilië is geweest, waarbij 35 mensen zijn omgekomen. De “ik’ geeft aan dat ze met het vliegtuig naar Berlijn wil vertrekken. Ze wil graag naar de professor. Haar moeder en zij krijgen nog een woordenwisseling over de manier waarop ze van elkaar houden. Haar moeder wil niet steeds haar goedkeuring verlenen aan het gedrag van haar dochter. Ze moet maar doen wat ze zelf het beste vindt. Ze gaat nog op zoek naar het hotel van mijnheer Lefèbre en passeert dan o.a. een glasblazer die een voorwerp met zijn mond blaast . In het hotel krijgt ze een envelop met een briefje waarop staat dat hij toch maar met de wereldreis begonnen is, omdat hij niet verwacht had dat ze mee wilde gaan. Hij wilde toch ook liever geen familiegeschiedenis op papier hebben. Hij stuurt een cheque voor haar werk voor de glasfabriek. Ze kan hem wel achterna reizen. Hij logeert een week in Sicilië. Er wordt hiermee gesuggereerd dat Lefèbre in dat vliegtuig zou hebben gezeten. Eerst wil ze de aantekeningen in het water laten vallen en de cheque erbij, maar dan ziet ze in dat ze niet zo makkelijk weg kan komen uit Venetië zonder geld: dat zou een treinreis met haar moeder betekenen. Ze bedenkt zich en heeft nu geld voor een ticket naar Berlijn. (?)
Nawoord (blz. 111)
De professor geeft toe dat het ongebruikelijk is dat een personage een nawoord heeft, maar ze richt zich in de ikvorm tot de mannen en de vrouwen die de roman hebben gelezen. De mannen moeten de roman verdragen voor zover het hun bevalt en de vrouwen moeten de fictie aan de mannen duidelijk maken. De mannen moeten de vrouwen zoveel mogelijk kussen en de vrouwen moeten dit aanvaarden. Daarmee wordt ze ontslagen van de plicht een nawoord te schrijven. (Het nawoord lijkt me derhalve volkomen overbodig)
Recensies en waardering
De roman werd in 1981 bekroond met de Multatuliprijs. Er zijn via Literom nog veel recensies over deze roman beschikbaar. Van enkele recensies wordt hieronder een korte indicatie gegeven. De roman wordt heel wisselend besproken.
Ronduit negatief is Alstein in zijn recensie “Een slag in het water” op 5 december 1980. “De nieuwe roman van Doeschka Meijsing is onvoorstelbaar zwak. Dat het boek torenhoog werd opgehemeld in het boekennummer van Vrij Nederland (22 november) is dan ook merkwaardig, maar misschien gebeurde het omdat Meijsing eindredacteur is van de VN-nummers en omdat elk leven en dus ook het literaire leven, zijn eigenaardigheden heeft.”
Ook Annemiek de Jong in Hervormd Nederland van 29 november 1980 vindt dat de roman haar niet kan overtuigen, in tegenstelling tot eerdere romans van de schrijfster. Ze vindt dat er sprake is van scènes en herinneringen die als los zand aan elkaar hangen. Al die verschillende scènes (glazen) kunnen nooit een mooi servies vormen.
K.L. Poll is die mening ook toegedaan in het NRC van 7 november 1980. “Het verhaal is over het algemeen in een stevige, heldere stijl geschreven, net als de vorige, maar het mist een dwingende opbouw. Er ontstaat geen spanningsveld tussen de personages en evenmin tussen de opvolgende gebeurtenissen. De schrijfster rijgt een aantal losse scènes en herinneringen aan elkaar, waarschijnlijk in de verwachting dat er voor het oog van de lezer iets zal ontstaan als een kristal met facetten.”
Heel positief is de schrijfster/recensent Helga Ruebsamen in Het Vaderland van 27 december 1980. Ze schrijft haar recensie onder de titel “Het schoonschrijven van Doeschka Meijsing” en richt zich dus vooral op de stijl van het schrijven. Als bewijs daarvoor citeert ze een aantal zinnen uit de roman.
De recensent van De Volkskrant uit die tijd, Jaap Goedegebuure, noemt de roman op 15 november 1980 door zijn complexiteit onevenwichtig. “Het neemt de middenpositie in tussen “Robinson” en “De kat achterna”. Het heeft de geconstrueerdheid van de eerste en de persoonlijke toon van de tweede. Er staan prachtige passages in, geladen met de spanning van een ingehouden emotie, afgewisseld met stukken die geforceerd en overbodig aandoen. Maar wat het boek tenslotte toch als geheel overtuigend maakt, is de onmiskenbare kracht van de inzet waarmee het geschreven is. Het moest er komen, daarom is het goed dat het er is.”
Over de schrijfster
Doeschka Meijsing werd in 1947 in Eindhoven geboren. Ze groeide op in Haarlem, waar ze achttien jaar woonde en naar het gymnasium ging. Lezen was haar grote passie, maar ook begon ze al vroeg met schrijven. In een terugblik zal zij die leeshonger een noodzakelijke voorbereiding noemen op het schrijverschap. Na het gymnasium studeerde ze Nederlands en algemene literatuurwetenschap in Amsterdam, waar ze nog steeds woont.
Van 1971 tot 1976 gaf Meijsing les aan het Ignatius College in Amsterdam, waarna ze drie jaar werkte als wetenschappelijk medewerker aan het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam. In 1978 werd ze literatuurredacteur van achtereenvolgens Vrij Nederland (tot 1987) en Elsevier (1987-1998). Tussentijds (najaar 1987) trad ze op als gastschrijver aan de Rijksuniversiteit Groningen.
In 1969 publiceerde Doeschka Meijsing een verhaal in het literaire tijdschrift Podium. Vijf jaar later debuteerde ze met “De hanen en andere verhalen”. “Robinson”, de roman over een eenzame puber, werd misschien wel het meest bekend. In 1981 werd “Tijger, tijger!" (1980) bekroond met de Multatuliprijs. Doeschka Meijsing publiceerde onder meer in Podium en De Revisor. Naast romans publiceerde ze bundels verhalen, gedichten en essays.
Doeschka Meijsing is overigens niet alleen in Nederland een van de bekendste schrijfsters: haar romans “De kat achterna”, “Tijger, tijger!” en “Utopia” zijn overal in Duitsland verkrijgbaar als pocket.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het dan weten door een reactie te geven.