Info over dit verslag
Geschreven door: | |
Niveau: | Docent |
Kwaliteit: | ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Waardering: | ![]() ![]() ![]() ![]() |
Taal: | Nederlands |
Woorden: | 3281 |
Opvragingen: | 4 |
Hulpmiddeltjes
Waardering
Gemiddelde waardering: 4 uit 5 (18 stemmen)
Titels van Marion Bloem
Brieven van Souad (3) 1986 De droom van de magere tijger (1) 1996 De honden van slipi (1) 1992 De leugen van de kaketoe (1) 1993 De V van Venus (1) 2004 Games 4 Girls (4) 2001 Geen gewoon Indisch meisje (10) 1983 Lange reizen, korte liefdes (2) 1987 Matabia (2) 1981 Mooie meisjesmond (11) 1997 Rio (2) 1987 Vaders van betekenis (1) 1989 Ver van familie (2) 1999
Laatst gewijzigd op 7 juni 2005
Marion Bloem – De honden van Slipi (1992)
Gebruikte druk
De eerste druk verscheen bij de Arbeiderspers te Amsterdam in maart 1992. Er is gebruik gemaakt is van de derde druk uit april van dat jaar. De roman telt 150 bladzijden. Op de blauwe voorkant staat een afbeelding met vijf getekende honden van Marion Bloem zelf. De bladspiegel (lay out) is erg ruim en daardoor kan het boek heel snel (twee á drie uur) gelezen worden. De roman is ook heel eenvoudig te lezen. Het is een recht-toe-recht-aan-verhaal, dat voor eindexamenkandidaten van alle niveaus (van vmbo-TL tot vwo) gelezen kan worden voor de literatuurlijst. Het is ook geschikt ook voor een moderne lijst met als thema “de wereld tussen twee culturen” . De roman is dan goed te combineren met bijvoorbeeld moderne allochtone schrijvers als Abdelkader Benali of Nilgün Yerli (De garnalenpelster) en ook met de Indische romans van Adriaan van Dis, (Nathan Sid en Indische duinen)
Genre
De roman is een psychologische roman.
Motto en Opdracht
Er is geen motto en ook geen opdracht.
Verhaalopbouw
De roman is chronologisch verteld over een tijdbestek van dertien jaar. Af en toe wordt er in ene hoofdstuk een korte flash back verteld van wat er kort ervoor gebeurd is. Er is sprake van een opening in handeling en eigenlijk is er ook sprake van een open einde: je weet als lezer verder niet wat er met de personages gaat gebeuren en er is eigenlijk geen afgeronde verhaaldraad.
De roman is opgebouwd uit vier hoofdstukken.
1. Harun en Harry (blz. 7-44)
2. Slipi (blz. 45-94)
3. Koos Koonings, de heksen en granaten (blz. 95- 125)
4. De Baygonspuit, en het eeuwig leven (blz. 126-150)
Titelverklaring
In hoofdstuk 2 arriveren Maja, Ischa en Boy in een wijk van Jakarta, Slip. In het huis waarin ze onderdak krijgen, wonen kamponghonden, die bovendien nogal agressief zijn. Boy is aanvankelijk bang voor de honden: het zijn geen rashonden, maar vuilnisbakken. In de roman staat verder ook nog dat Indische Nederlanders die na de oorlog de zijde van de Nederlanders kozen door de bevolking werden uitgemaakt voor “honden”. De honden nemen dus een belangrijke plaats in de vertelling in.
Perspectief
De roman wordt in de ikvorm verteld. De ik-verteller is de van Indische afkomst, jonge Nederlandse vrouw Maja van den Berg. Ze reist met haar man Ischa en haar 4-jarig zoontje Boy naar Jakarta. Door haar ogen kijken we naar Indonesië. Er zijn wel enkele trucs van de schrijver om het perspectief breder te maken. In hoofdstuk 2 schrijft tante Tientje een brief aan Maja. In hoofdstuk 3 schrijft “tante Tientje“ twee keer een brief . En in hoofdstuk 4 schrijft de dan 17-jarige Boy een brief aan zijn ouders. In feite wijzigt dan het perspectief in dat van de briefschrijfster.
Tijd en decor slordigheid
De tijd over de gebeurtenissen in de roman is officieel van 1976/1977 (Boy is vier jaar) tot januari 1990 (brief van Boy aan zijn ouders) Hij is dan 17 jaar oud. Dat is dertien jaar later. Maar Marion Bloem gaat heel slordig met de gegevens in de tijd om. De volgende fout in de tijdlaag is heel gemakkelijk te reconstrueren.
1. Het eerste bezoek is in 1976. Ze blijven namelijk meer dan 3 maanden in Indonesië en in februari 1977 schrijft tante Tientje een brief aan Maja, waarin ze schrijft dat het zo gezellig is geweest
2. Medio 1983 (namelijk anderhalf jaar voor een brief van februari 1985, waarin ze over de bruiloft van Remi vertelt) heeft Harry Djon geld afgetroggeld. (blz. 124)
3. Op blz. 134 zegt Maja tegen Harry dat Djon nu al vier jaar op zijn geld wacht. Dan moet het dus al 1987 zijn. Boy is dan namelijk net jarig: 12 jaar oud.
4. Wanneer Boy zeventien jaar is, dat is dus 5 jaar later, gaat hij opnieuw terug naar Tientje en Djon. Dan moet dat dus 1992 zijn.
5. Boy schrijft n.a.v. zijn bezoek aan Tientje en Djon een brief aan zijn ouders die nota bene gedateerd is op 12 januari 1990. Hij schrijft derhalve een brief twee jaar voordat hij er geweest is. (zie voor meer slordigheden hieronder)
De topografische ruimte is het eiland Java met Jakarta als hoofdstuk en de woonwijk Slipi. Het is natuurlijk meteen een belangenruimte voor de personages. Maja is een Indonesische vrouw die terugkeert en zelfs een documentaire maakt over deserteurs van het Nederlandse leger. Zoals zo vaak bij Marion Bloem leeft de hoofdfiguur tussen twee werelden, maar deze keer zijn het de ruimtes van Indonesië van toen (uit de verhalen van haar ouders en familieleden, waarin het land als paradijselijke wordt beschreven en zeer gastvrij) en het moderne Indonesië, waarin de familieleden helemaal niet zo gunstig worden beschreven en het Indonesië van die jaren ook een land blijkt van corruptie.
Een ander voorbeeld van de slordigheid van de schrijfster staat in hoofdstuk 4, wanneer Mja en Ischa weer eens overnachten bij Tientje en Djon. In de kamer van hen staan de cadeaus van de bruiloft van dochter Remi nog onuitgepakt (blz. 130) Dan worden ze gehele nacht wakker gehouden van het slaan van een koekoeksklok, die dus al jaren ingepakt staat. Blijkbaar is die klok dan opgewonden (dat moet nu eenmaal met klokken) zonder dat het cadeau is uitgepakt. Het lijkt een poging van Bloem om grappig te zijn zonder over de passage te hebben nagedacht. Een dergelijke slordigheid moet een kritische kiezer toch storen.
Thematiek
De roman gaat over de tegenstelling van het Indonesië uit de verhalen van de familie en het Indonesië van de hernieuwde kennismaking van een Nederlandse vrouw van Indonesische komaf. In werkelijkheid blijken de familieleden van Maja helemaal niet zo gastvrij en integendeel zelfs op geld belust te zijn met een neiging tot oneerlijkheid. Juist een vreemde vrouw Tientje en haar man Djon (een generaal) blijken veel gastvrijer te zijn en er ontwikkelt zich een hechte band tussen hen en de familie. Ook zoon Boy is erg aan zijn aangenomen oom en tante gehecht en wil steeds naar hen terugkeren.
Maja wil intussen van haar nieuwe oom van alles weten over de tijd van de Revolutie (46-49), het bijgeloof van de Indonesiërs, de goena goena (Stille kracht) Ook maakt ze in hoofdstuk 3 met haar man een documentaire over het geweten van de deserteurs jaren later. Op de flaptekst staat dan meteen aangegeven dat het thema het geweten is. Toch is dat moeilijk in het boek aan te wijzen.
- De hoofdpersonen Maja, Ischa en Boy hebben nauwelijks gewetensproblemen. Alleen Boy doet in het laatste hoofdstuk verslag van wat er in het verleden gebeurd is, maar toont daarbij ook geen moment van spijt.
- Een heleboel familieleden in Indonesië nemen het niet zo nauw met de normen en de waarden, maar ze lijken er niet echt gewetensproblemen mee te hebben.
Alex houdt geld voor zijn eigen moeder achter, Manus vraagt honderd dollar voor een generaal die hij zou moeten helpen, Harry troggelt Djon een flink bedrag af voor de verkoop van niet bestaande grond, Djon zelf ziet er geen probleem in omgeld te verdienen met de handel in granaten en Koos Koonings speelt onder één hoedje met Harry. Hij heeft een hekel aan generaals.
Een gewetensconflict zoals aangegeven in de aankondiging van de roman is dus nauwelijks in de roman zelf terug te vinden. In dat opzicht is de roman dus zeker niet geslaagd..
Autobiografisch
Fictie en werkelijkheid lopen in al mijn boeken door elkaar. Is het van belang of iets autobiografisch is? Ik gebruik mijn ervaringen om een verzonnen verhaal over een harde werkelijkheid zo krachtig en meeslepend mogelijk te vertellen. Iets wat autobiografisch is kan soms minder over een auteur prijsgeven dan honderd procent fictie van dezelfde schrijver, want fantasie is vaak intiemer dan de koude feiten uit je bestaan” (Marion Bloem.)
Op haar website schrijft Marion Bloem deze tekst juist bij “De honden van Slipi”. Het is dan ook niet vreemd te veronderstellen dat er nogal wat autobiografische elementen in de roman zijn terug te vinden.
Maja is net als Marion van Indische afkomst: ze leeft tussen twee werelden: ze is immers Geen gewoon Indisch meisje (haar eerste roman uit 1983).
Haar zoontje Kaja is geboren in 1973 en is dus in 1977 vier jaar. Boy is in de roman in 1977 ook vier jaar.
Ze heeft een filmdocumentaire gemaakt over Nederlandse Indiërs na de oorlog: Het land van mijn ouders. Ze deed dit samen met haar man Ivan Wolffers in 1983. Maja maakt in de roman een filmdocumentaire met haar man Ischa over het geweten van de deserteurs van de Revolutie. Ze ontmoeten daar ook de legendarische Nederlandse revolutionair Poncke Prinsen (overleden in 2002) . In de roman is dit de Nederlander Koos Koonings.
De inhoud
Hoofdstuk 1: Harun en Harry
Maja de ikvertelster is met haar zoon Boy (4 jaar oud) en haar man Ischa in Indonesië aangekomen. Door de verhalen van haar vader was ze erg nieuwsgierig geworden wat er van haar familie en het land is geworden. We schrijven 1976. Ze hebben veel aanwijzingen meegekregen uit Nederland en veel cadeaus voor familieleden. De naam “Harun el Rasheed” doet bij de douane al wonderen. Ze laten zich naar het hotel van deze man brengen. Maar van gratis onderdak is geen sprake. Ze worden ondergebracht in een hotel dat toch al 20 dollar per nacht rekent. Een eerste tegenvaller. Boy wil eigenlijk al weer snel terug naar zijn eigen land en Maja vraagt zich af wat er zo leuk is aan Indonesië. Toch zijn ze van plan drie maanden te blijven. Een dag later zoeken ze een goedkoper, maar heel wat smeriger hotel. Ook de gastvrijheid van de andere familieleden laat te wensen over. Ze klagen bovendien dat het allemaal heel wat minder goed is dan in Nederland. Als Ischa bij een van de tantes vergeten heeft een envelop met geld af te geven, geeft hij het geld aan haar zoon Alex, maar het wordt de lezer duidelijk dat die envelop nooit naar de rechtmatige eigenaar zal gaan. Als hij hen naar een ander familielid brengt, vraagt hij om geld voor de benzine. Ook een ander familielid Manus Knevel vraagt bij Isha om geld: hij wil 100 dollar hebben voor een generaal in Slipi die in geldnood zit. Slipi is een wijk van Jakarta. Het geld zou worden teruggegeven, maar hij kan er natuurlijk naar fluiten. Dan moeten ze oom Harry nog bezoeken, maar de wel heel bijdehante Boy (4 jaar) merkt dat die een auto heeft waarop een hakenkruis staat afgebeeld. Toch gaan ze bij hem en zijn vrouw Tati op bezoek. Heel sympathiek komt het stel niet over. Hij vindt het inderdaad leuk om met een hakenkruis rond te rijden. Al met al levert hoofdstuk 1 een behoorlijke teleurstelling op voor het echtpaar Maja en Ischa.
Hoofdstuk 2: Slipi
In een overvolle trein terug naar Jakarta vraagt een Indonesische vrouw of ze uit Nederland komen. Ze raken met haar in gesprek en bij het eindpunt wordt de vrouw opgehaald door haar man Djon. Ze krijgen een lift maar het echtpaar probeert met een truc de Nederlanders bij hen te laten logeren. De truc (kofferbak gaat niet open) lukt en ze komen bij de kleine woning van de Indonesiërs aan. Deze mensen Tientje en Djon zijn wel heel gastvrij. In hun woning leven alleen veel kamponghonden en die zijn lang niet allemaal even gemakkelijk te hanteren. Ze zijn af en toe soms vals en moeten goed in de gaten worden gehouden. De titel van de roman wijst naar deze situatie in hoofdstuk 2. Aanvankelijk is Boy wel een beetje bang voor de agressieve honden.
Ze blijven geruime tijd in de woning van het stel logeren. Maja is erg geïnteresseerd in de verhalen over de revolutie aan het einde van de veertiger jaren en over het bijgeloof en over de stille kracht (goena goena) waarover Djon enigszins schamper vertelt, maar waarin hij zo nu en dan toch wel gelooft. Ischa krijgt van hem een cursus Indonesisch op cassettebandjes, maar omdat Djon de cursus heeft gemaakt voor het leger zijn de woorden allemaal gebaseerd op geweld en oorlog. Ze hebben het financieel niet breed vanwege hun studerende kinderen die buitenshuis wonen, maar nog heel erg op hen zijn aangewezen. Toch is het stel heel gastvrij en ze vragen Maja en Ischa om nog wat langer te blijven. Aangezien het regentijd is, zijn ze bang voor een overstroming.(bandjir) Op de muur staan streepjes die aangeven hoe hoog het water de vorige keer is gekomen. Op een dag komen ook Harry en Tati op bezoek, maar omdat Tati eigenwijs is, wordt ze aangevallen door de kamponghonden die haar door de modder sleuren. Het bezoek is daarom van korte duur.
Dan is er ineens een brief van februari 1977 van tante Tientje aan Maja, waarin staat dat het sinds het vertrek zo stil is geworden in Slipi. Ze vertelt dat de bandjir toch gekomen is en dat Harry ook nog een aantal honden heeft gebracht. Ook spreekt ze de wens uit dat ze weer eens snel komen.
Hoofdstuk 3: Koos Konings, de heksen en granaten (blz. 95- 125)
Een aantal jaren daarna bezoeken Ischa, Maja en Boy opnieuw hun “aangenomen oom en tante.” Op de muur staat een aantal nieuwe streepjes vanwege de overstromingen die er sindsdien zijn geweest. Djon is inmiddels ruim vier jaar met pensioen en wil een zaak opzetten, waardoor hij genoeg geld kan verdienen, zodat hij tante Tientje een keer naar Europa kan laten gaan. Maar het wil nog maar niet vlotten. Later blijkt dat hij met het verkopen van granaten zijn geld wil verdienen: een niet echt gewetensvolle handeling . Juist die keer zijn Ischa en Maja naar Indonesië gekomen om een film te maken over Indische Nederlanders en wat er van hen terecht gekomen is na de revolutie. Het thema van de film moet “geweten”zijn.
De deserteurs van toen zijn nu mannen van vijftig en de vraag is of hun geweten nog hetzelfde is. Boys heeft daar eigenlijk helemaal geen zin in. Uit het fotoalbum blijkt dat ze al enkele keren eerder naar Tientje en Don zijn teruggekeerd. Djon brengt hen in contact met een Nederlander die ten tijde van de revolutie de zijde van de Indonesiërs heeft gekozen. Deze Koos Konings (in wie we de legendarische tegenstander van de Nederlandse regering Poncke Prinsen kunnen herkennen) is nu een soort advocaat zonder papieren en laat een jonge Indonesische juriste voor hem de kastanjes uit het vuur slepen. Zelf heeft hij een aantal jaren in de gevangenis gezeten. Ze hebben een lijst met veel deserteurs van hem losgekregen en die moeten ze in de binnenlanden opzoeken. Ze willen Boy achterlaten bij Tientje. Die wil eerst niet, maar als hij met de knecht meegaat, wil hij even later toch wel blijven. In hoofdstuk 4 blijkt dat hij van de knecht alleen op een scooter mocht rijden en dat hem beloofd was dat hij dat iedere dag mocht doen. Hij blijft dus bij Djon. Zes dagen later komen Ischa en Maja weer terug. Er zijn vier honden doodgegaan en ook Boy is flink ziek geweest. Bij het vertrek wil Boy nog twee jonge hondjes meesmokkelen, maar Ischa merkt het net op tijd. Harry komt hen nog opzoeken en met wat geld kan hij hen zelfs tot na de douane brengen. Als ze weer thuis zijn, krijgen ze weer brieven van Tientje: eentje in 1984 en eentje in 1985. In de eerste brief wordt het huwelijk van een tweede dochter aangekondigd en in de tweede brief wordt verteld over de video die ze al weer teruggekregen hebben. Ischa en Maja zijn dus niet bij de bruiloft geweest. In de laatste brief vraagt Tientje of ze ook het adres weten van oom Harry. Die heeft hun geld afgetroggeld: voor veel geld een stuk papier voor grondverkoop in handen gegeven, maar hij kan de waarde ervan zogenaamd niet terugbetalen. Dat is anderhalf jaar geleden gebeurd (dus medio 1983) Aangezien Djon betaald heeft met het geld van de granatenhandel, kan de Europese reis van Tientje niet doorgaan. Harry blijkt dus een erg onbetrouwbaar familielid te zijn..
Hoofdstuk 4: De Baygonspuit, en het eeuwig leven (blz. 126-150)
Boy is twaalf jaar en hij mag kiezen waar ze naar toe gaan in Indonesië. Hij kiest voor een bezoek aan Tientje en Djon, maar zijn ouders gaan liever naar Irian Jaya. (het vroegere Nederlands Nieuw Guinea) Ze komen er later toch terecht. In het huis van de familie staan de huwelijkscadeaus van Remi nog onuitgepakt,omdat ze nog geen eigen huis hebben kunnen vinden. Ze mogen slapen in die kamer en ze worden de gehele nacht wakker gehouden door het slaan van een koekoeksklok die uit de cadeautjes komt, die na jaren nog niet uitgepakt. Uit deze passage blijkt de slordigheid van de schrijfster in de gegevens. We schrijven acht jaar later dan hoofdstuk 1 (Boy is namelijk 12 jaar) en dan moet deze passage dus in 1984/1985 spelen, maar Remi blijkt op 11 februari 1985 getrouwd te zijn en dan kan bij het bezoek dat ze nu afleggen het dus niet zo zijn dat de cadeaus al jaren opgeslagen liggen, wanneer het 1985 is. Ook is het niet erg waarschijnlijk zelfs onmogelijk dat jaren na een schenking van een cadeau dat niet uitgepakt is elk kwartier de koekoeksklok slaat tijdens de nacht. Die moet namelijk worden opgewonden en dat kan niet als je hem jaren niet hebt uitgepakt.
Ischa gaat naar Koos Koonings om hem te vragen Harry aan te pakken en ervoor te zorgen dat Djon zijn centen krijgt. Ischa moet er 750 gulden bemiddelingskosten voor betalen.
Dan springt de tijd weer 5 jaar verder: Boy is namelijk 17 en de vader van Maja wil zijn verjaardag vieren in Indonesië. De voorbereidingen worden getroffen. Boy wil echter graag nog een keer langs Tientje en Djon. Koonings laat al vier jaar niets van hem horen over de zaak Harry en Djon. Tijdens de reis gaat Boy naar Slipi. Hij schrijft een brief aan zijn ouders (januari 1990) en vertelt dat Djon en Tientje niet thuis zijn: ze zijn eindelijk toch naar Europa afgereisd,op uitnodiging van hun werkgevers. Hij vertelt wat er vroeger is gebeurd. Hem was beloofd dat hij op een scooter mocht rijden: daarom was hij niet meegegaan met zijn ouders (Hoofdstuk 3) ’s Nachts had hij bovendien de flitspuit met Baygonpoeder op zijn mond gezet en hij was daarvan natuurlijk heel erg ziek geworden. Intussen weet hij van de secretaresse van Koonings dat deze onder een hoedje heeft gespeeld met Harry en dat er dus geen geld terug te verwachten valt. Eigenlijk is hij van mening dat hij de resterende honden van Slipi in de tuin van Harry moet loslaten totdat deze betaald heeft. Hij hoopt dat over tien dagen tante Tientje en oom Djon weer terugkeren uit Europa.
Over de schrijfster
Marion Bloem werd op 24 augustus 1952 geboren in Arnhem als tweede dochter van Indonesische ouders (die in 1950 naar Nederland waren gekomen) Anderhalf jaar lang verhuisden ze van pension naar pension tot ze een huis in Soesterberg vonden. Marion ging naar een katholieke lagere school, koos daarna een gymnasiumopleiding, maar verruilde de meisjesschool voor een gemengde HBS. In 1971 ging ze psychologie studeren in Utrecht; in 1976 studeerde ze af.
In 1971 trouwde ze met dokter Ivan Wolffers en in 1973 werd hun zoon Kaja geboren. Op vijftienjarige leeftijd publiceert ze haar eerste korte verhaal 'Zwijgen als het graf'. In 1978 verscheen haar eerste jeugdboek 'Waar schuil je als het regent'. Vanaf dat jaar ging ze ook films maken. Ze regisseerde o.a. Screentest. Haar 'Het land van mijn ouders’ was de eerste Nederlandse documentaire over Indische Nederlanders die in de onafhankelijkheidsoorlog voor een vaderland hadden gevochten dat ze niet kenden en zich in Nederland onbegrepen voelden.
Andere bekende romans van haar zijn:
Geen gewoon Indisch meisje,(1983)
Lange reizen korte liefdes, (1987)
Vaders van betekenis,(1989)
Mooie meisjesmond,(1997)
Games4girls, (2001)
De V van Venus (2004)
Informatie over haar kun je vinden op haar eigen website: Marion Bloem
Belangrijk!
De verslagen op Scholieren.com zijn bedoeld als naslagwerk. Lever nooit verslagen van internet zomaar bij je leraar in. Je bent zelf verantwoordelijk voor de gevolgen van dit soort fraude.
Wij krijgen de verslagen van scholieren. Hierdoor kan het gebeuren dat er foute informatie online staat. Gebruik geschiedt dus op eigen risico. Kom je een fout tegen? Laat het ons weten.




Openen in tekstverwerker
Printen
Emailen