Info over dit verslag
Geschreven door: | |
Niveau: | 6VWO |
Kwaliteit: | ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Waardering: | ![]() ![]() ![]() ![]() |
Taal: | Nederlands |
Woorden: | 5137 |
Opvragingen: | 9 |
Hulpmiddeltjes
Waardering
Gemiddelde waardering: 4 uit 5 (49 stemmen)
Titels van Ferdinand Bordewijk
Apollyon (0) 1941 Bint (47) 1931 Bloesemtak (1) 1955 Blokken (4) 1934 Blokken, Knorrende beesten, Bint (8) 1949 De wingerdrank (0) 1937 Fantastische vertellingen (0) 1919 Het vegetarisme van mr. J.P. de Vries (2) 1984 Huissens (1) 1982 Karakter (51) 1938 Knorrende beesten (0) 1931 Noorderlicht (2) 1948 Rood paleis (1) 1936 Tijding van ver (1) 1961
Laatst gewijzigd op 6 mei 2005
F. Bordewijk – Rood paleis (1936)
Gebruikte uitgave
De eerste druk van deze roman verscheen in 1936. Voor deze analyse is gebruik gemaakt van de zesde druk uit 1978 die als Salamanderpocket verscheen. De roman is in deze editie 160 bladzijden lang in een klein lettertype. Op de voorkant van de Salamandereditie staat een afbeelding van het bordeel, waarin mevrouw Doom te zien is en een zwartgesnorde heer. (ongetwijfeld het personage Henri ) Op de voorgrond zit het gedrocht Fré met de hond Walter Leopold van Van Brandhuizen. Deze omslagtekening is van Peter van Poppel.
Aanrader of afrader?
Het is niet de bekendste roman van Bordewijk. Dat is onmiskenbaar “Karakter” (Roman van vader en zoon) geworden en in tweede instantie “Bint” (Roman van een zender). Literair gezien wordt de roman “Rood Paleis” wel hoog aangeslagen.
Voor de moderne scholier is de roman mijn inziens door de langdradige filosofische verhandelingen en de geringe actie in de handeling een bijna onverteerbaar boek geworden. In mijn visie is de roman anno 2005 geschikt voor leerlingen van het vwo met filosofie en geschiedenis in het profiel of voor studenten van het hbo. In het algemeen kunnen leerlingen van het havo wanneer ze Bordwijk willen lezen, beter kiezen voor “Bint”of voor “Karakter”.
Genre
Bordewijk geeft zijn roman de ondertitel mee “Ondergang van een eeuw”. Hij beschrijft namelijk in de roman de ondergang van het fin de siècle van de 19e eeuw.
Ik zie de roman dan ook als een symbolische roman, die een personage opvoert waarin op symbolische wijze de ondergang van een periode uit de geschiedenis duidelijk wordt gemaakt. Dat is m.i. dan ook de belangrijke betekenis van deze roman. Zie hiervoor verder onder het kopje “thematiek”.
Verhaalopbouw
De roman is opgebouwd uit 48 korte, getitelde hoofdstukken van ongeveer 3 à 4 bladzijden. Enkele hoofdstukken hebben dezelfde titel, bijvoorbeeld “De rook ziet grauw”, “Ochtend” of “Grootvader” De roman wordt chronologisch verteld: de techniek van de flashbacks komt immers pas na de Tweede Wereldoorlog onder invloed van de nieuwe filmtechnieken in de mode. Door de vertelwijze met de ultrakorte hoofdstukken doet de roman enigszins caleidoscopisch en fragmentarisch aan.
Perspectief
De vertelsituatie in de roman is die van de auctoriale verteller, die alles weet van elk personage. In feite is dit natuurlijk een wat ouderwetse vertellersfiguur, maar deze manier van vertellen werd voor de Tweede Wereldoorlog veel toegepast. Een opvallend aspect is dat de verteller op blz. 81 vooruitwijst naar de dood van Henri Leroy in het Vreemdelingenlegioen en daar verder niet meer op terugkomt.
Titelverklaring
De titel is eenvoudig te verklaren. De roman is genoemd naar het bordeel aan de Passeerdersgracht in Amsterdam. De term “rood” als bijvoeglijk naamwoord voor Paleis wijst op de erotische functie van het gebouw. De hoerenzone in Amsterdam heet immers nog steeds “the red light district” De ondertitel : “De ondergang van een eeuw” wijst op de val van het fin-de-siècle-gevoel, dat definitief wordt afgeschud in 1914 bij het begin van de Eerste Wereldoorlog : in de roman gesymboliseerd door de brand in het bordeel.
Tijd en decor
De tijd waarin de roman speelt, is die vlak voor de Eerste Wereldoorlog. (in het tweede hoofdstuk wordt januari 1913 genoemd) We nemen in de roman afscheid van het fin de siècle van de 19e eeuw. Symbolisch is daarom ook de brand die mevrouw Doom in het bordeel sticht. Daarmee gaat het bordeel ten onder, evenals het fin-de- siècle-gevoel. Op dat moment in 1914 staat ook de echte wereld in brand.
Het decor van de roman is het erotische Paleis aan de Passeerdersgracht in Amsterdam. Het staat symbool voor de decadentie van de tijd en de ondergang van de eeuw, zoals de ondertitel van de roman luidt. Een klein gedeelte van de roman speelt zich af in Frankrijk: dat is een belangrijk decor omdat Henri voor zijn voorliefde voor de Franse cultuur zijn gevoel voor de 19e eeuw kwijtraakt.
Thema
In de roman ‘Rood Paleis’ probeert Bordewijk een beeld te schetsen van het fin de siècle en de overgang naar de twintigste eeuw. Hij gebruikt hiervoor het procédé van de tegenstellingen. Centraal in de roman staan twee mannen, die als de symbolische vertegenwoordigers gelden van twee tijdperken. Ten eerste is er Henri Leroy, het archetype van de ‘heer’ die in zichzelf het mal de siècle draagt. Om de dadenloosheid van de tijd te benadrukken is deze “heer”seksueel impotent. Daartegenover staat Tijs Herdigein, een man die een nieuw tijdperk (dat van de 20e eeuw) aankondigt. Henri draagt de snor van de bourgeoisie, Tijs heeft een baard van koperdraad.
Henri Leroy behoort tot de klasse van de heren, de bovenlaag van de maatschappij, de klasse die boven arbeiders en middenklasse staat. In deze klasse heeft het fin-de- siècle zich als een virus voortgeplant. Henri zegt in de roman: “De kwaal van iedere tijd is de kwaal van de machtbezitters. We noemen dat in deze tijd de heren. De machtbezitters drukken hun stempel op hun tijd, dat is altijd zoo geweest. Deze tijd krijgt zijn stempel van de heren. Maar macht maakt ongelooflijk weerloos tegen alle ziektekiemen. De ziekte van de heren is het fin-de-siècle.” De heren lijden aan: “De twijfel, de ontucht, de paraschaamte, de paradox, de leugen, de obsessie, de zelfontleding.” De heren zijn echter niet geneigd hun kwaal te verbergen voor anderen, ze koketteren er mee. “De machtsbezitters glimlachen elkaar toe. Ach, heb jij dat ook?” De heren vinden het bijvoorbeeld helemaal niet gênant om gezamenlijk in de foyer van een bordeel (het ‘Rood Paleis’ ) een avond door te brengen met een hoer op schoot.
Hoewel de heren van maatschappelijke importantie zijn, zijn ze vaak op hun positie beland door geboorte (zoals Henri) of door de inspanningen van een ijverig vennoot (zoals Henri’s vader). In hun eigen bedrijf zijn ze vaak niet meer dan een decorstuk. Niet gehinderd door enige kennis van zaken zit Henri elke dag voor de vorm in zijn kantoor. Hij houdt er zich onledig met dromen, met het roken van sigaretten en het nippen aan een borrel. Voor de vorm neemt hij af en toe een brochure door. Het best is hij als schaduw van zijn vader: “Ik sta op de beurs als de schaduw van mijn vader. Maar ik verhoog zijn aanzien doordat ik een indrukwekkende schaduw ben. Zonder mij is hij heus niet veel, een man zonder schaduw is een schlemiel.” (blz..12)
Maar Tijs is een andere man: hij vertegenwoordigt de nieuwe generatie. Hij is geen slapjanus zoals Henri is. Hij heeft een baard in plaats van een decadente snor. Hij gaat sigaren roken in plaats van sigaretten. In het bordeel gaat hij toch een keer met Finda naar bed. Hij stort zich eerst in de aandelenhandel en later ook in de autohandel. Hij is een man van de nieuwe zakelijkheid. Zijn aanstaande vrouw wil zich ook niet met Henri associëren: die mag namelijk geen getuige zijn bij hun huwelijk.
Toch kentert ook bij Henri het gevoel van de 19e eeuw. Dat gebeurt bij het passeren van de grens met Frankrijk. “Toen zij de grens van Frankrijk passeerden kwam het over hem. Chacun a deux pays, le sien et puis la France. […] Iedere korrel grond was hier anders. Frankrijk stond onder een stolp van eigen lucht. Het was de geschiedenis der wereld, van haar smaak, haar levenskunst. Voor alle dingen der wereld moest men tenslotte bij Frankrijk terecht. Hij was de obsessie van het fin-de-siècle kwijt.” Frankrijk lijkt voor Henri de verlossing uit het fin- de- siècle. Wanneer de Eerste Wereldoorlog uitbreekt en tijdens de algemene mobilisatie blijkt dat Henri vrijgesteld is van dienst, vat hij dat als een vernedering op. Hij komt er voor het eerst toe zijn vader te haten. Zijn vroegere ‘houden van’ zijn vader (‘omdat men nu eenmaal van zijn vader houdt’) slaat om in een afkeer van de man die nooit iets gebouwd heeft. Hij scheert symbolisch zijn snor af, hij ruimt zijn kantoor en hij maakt plannen om zich in het Frans vreemdelingenlegioen te melden. Dit alles is een betekenisvol afscheid nemen van zijn herenstatus. Hij vernietigt ook enkele brieven en verscheurt zelfs twee bedrijven van een zelf geschreven toneelstuk, symbolen voor sentimentele verbeeldingskracht, in kleine snippers. Uit zijn keuze voor het Frans vreemdelingenlegioen zou men kunnen opmaken dat hij nog vasthoudt aan de herenstatus, maar dat is niet zo. Uit het citaat blijkt dat Henri Frankrijk ziet als een wereld in het klein, als plaats waar alles in de kiem aanwezig is. Zijn ‘strijden voor het behoud van de Latijnse cultuur’ is dan ook zo op te vatten: hij wil strijden voor het behoud van mogelijkheden voor een nieuwe tijd. Wat verteltechniek betreft opmerkelijk is de terloops aangekondigde dood aan het front (“zijn dood, tot hij viel, later, onder de kogel, - gestorven nog eer de dragers met hem het veldlazaret hadden bereikt. –reeds op blz. 81) Dit is dan ook tegelijk het einde van de oude eeuw.
De gehele thematiek van “Rood Paleis” is dus de ondergang van de 19e eeuw en het gevoel dat daarbij hoort (het-fin-de-siècle) Het wordt vooral gepersonifieerd in de personages van Henri en Tijs.
Opmerkelijk is de positie van mevrouw Doom, de hoerenwaardin. In haar naam draagt ze natuurlijk de associatie met het Engelse woord “doom”dat vloek of ondergang betekent. De Nederlandse equivalenten zijn terug te vinden in woorden en uitdrukkingen “doem”, “naar de verdoemenis” In de roman wordt ze voorgesteld als een vrouw met vijf dimensies. (Zie hieronder in de samenvatting) Ook zij geeft de ondergang weer van de “herenstatus”. Het bordeel loopt achteruit. Aan het einde steekt ze het bordeel in brand. De ondergang van de eeuw is dan compleet. Ook in de gedrochten die mevrouw Doom in haar bordeel houdt (Fré, Eduard en Benjohan) is het verval aanwezig, alsmede in de lugubere vertellingen rondom de bijkelder waarin ratten zouden leven. Tegelijkertijd droomt Fré van een mooie toekomst met witte duiven: ook al het nieuwe begin.
Uitvoerige samenvatting van de inhoud van de roman
Een bruine man, Tijs Herdigein, ontmoet de blanke Henri Leroy, die hij nog van vroeger van school kent. Tijs is teruggekomen naar Nederland. Henri Leroy doet in zijn bedrijf helemaal niets. Hij is eigenlijk slechts een decorstuk. Voor werken is er immers het personeel dat hij heeft. Tijs komt uit Nederlands-Indie en wil een maand voordat hij gaat trouwen nog even lekker de bloemetjes buiten zetten in Nederland. Er zijn toch wel van die gelegenheden waar dat mogelijk is (Tijs bedoelt hier onscure bordelen) Waar Henri de vertegenwoordiger van de 19e eeuw is met zijn dadenloosheid, is Tijs reeds de vertegenwoordiger van de nieuwe eeuw. Tijs gaat trouwen in Nederland, maar is niet verloofd. Aan die gekkigheid wil hij niet meedoen. Hij vraagt Henri, die seksueel impotent is, hem rond te leiden in de omgeving . Ze zijn allebei geboren in 1872 resp. 1873, het is nu januari 1913. Het zijn dus veertigers, ook al een symbolische leeftijd.
De tweede helft van de 19de eeuw is de periode van het meest onzinnige verval van het menselijk ras. "Le siècle brillant et stupide" wordt de periode ook genoemd. Deze uitspraak doelt op de enorme technische vooruitgang die er tot stand is gebracht en de culturele achteruitgang, die hiermee in schril contrast staat. Tijs vindt dat mensen niet moe moeten zijn als ze niet eens gewerkt hebben, Henri is het daar niet mee eens: hij is moe en hij kan de moed niet opbrengen ook maar iets te doen. Tijs wil vernieuwen, Henri niet. Henri vindt dat hij is opgeleid voor decor, hetgeen volgens hem aardig gelukt is. Hij is er trots op. Het best is hij als schaduw van zijn vader: “Ik sta op de beurs als de schaduw van mijn vader. Maar ik verhoog zijn aanzien doordat ik een indrukwekkende schaduw ben. Zonder mij is hij heus niet veel, een man zonder schaduw is een schlemiel.” (blz. 12)
Tijs heeft wel dadendrang: hij komt uit Indië en heeft een lintje van de koningin gekregen voor 15 jaar trouwe dienst. Henri moet het hebben van mensen als zijn procuratiehouder Tastenbreker. “Hij was van het jaar 1801, hij had Napoleon gezien, hij kwam uit een tijd toen er geen twijfel bestond. […] Dàt was een man van beginselen […] Het kantoor ging in die tijd om klokslag middernacht dicht. […] Als de procuratiehouder zei: ‘Meneer, d’r is geen werk meer’, dan antwoordde hij: ‘Dan maar papier knippen’. En het personeel knipte blanco foliovellen in kleine vierkantjes, tot klokslag middernacht… Hij begon op het laatst van zijn leven te twijfelen […], en die twijfel werd zijn dood. Op het laatst van zijn leven liep hij over naar het fin de siècle… ” (p.14)
Henri vertelt van het rode paleis, Tijs wil er meer van weten. Officieel zijn bordelen in die tijd verboden. Het rode paleis is eigenlijk helemaal roze gekleurd. Het rode paleis ligt aan de Passeerdersgracht. Tijs gelooft hem niet, want dan had hij er eerder van gehoord moeten hebben. Henri vindt niets beter dan twijfel: ongeloof is twijfel, weten is zekerheid. Tijs twijfelt aan de waarheid van het rode paleis. Henri vindt dat hij dan een man van deze tijd is: de twijfel van de fin de siècle. Ze gaan op weg naar de Passeerdersgracht. Onderweg praten ze weer over het fin-de-siècle-gevoel.
Tijs vindt het rode paleis somberheid en verschrikking uitstralen. Een huis ook met een geheim, meent hij. Henri heeft gelogen over een paleis maar het gebouw is in werkelijkheid wel een bordeel. Henri heeft veel ontzag voor de waardin, die een demon is. Tijs is een beetje een bangerd die in Indië nooit met een inheemse vrouw naar bed is geweest . Hij vond de vrouwen te glad en had meer behoefte aan iets stevigs in zijn armen. Henri is altijd al een beetje een losbol geweest. Henri loopt weg van het Rode Paleis, hij vindt Tijs te preuts om met hem een bordeel te bezoeken en neemt afscheid van zijn partner. Tijs gaat zich moed indrinken in zijn hotel en achtervolgt dan twee mannen die het Rode Paleis aan de Passeerdersgracht bezoeken. Hij bekijkt het gebouw nog eens goed van de buitenkant, maar hij schaamt zich als er voorbijgangers langslopen, die naar hem kijken.
Een paar dagen achter elkaar gaat hij kijken naar het Rode Paleis, maar hij durft niet zelf naar binnen te gaan. Na vier dagen komt Tijs Henri weer tegen en ze gaan samen naar binnen.
Ze worden ontvangen door een gedrocht Benjohan die Tijs een rijksdaalder entree laat betalen. Henri heeft een abonnement in het Rode Paleis. Tijs zegt tegen de meisjes die op hem afkomen dat hij impotent is. Er zijn geen heel mooie vrouwen, maar ook geen heel lelijke in het bordeel. Finda is wel een mooi meisje. In het Rode Paleis worden de heren nog met veel respect behandeld maar tekenen van dood en verderf zijn ook volop aanwezig binnen de muren van ‘Rood Paleis’, de plaats waar het voor Henri goed toeven is. De ‘meisjes’, van wie men zou verwachten dat ze er wat ‘smakelijk’ uitzien, hebben zonder onderscheid minstens één onvolkomenheid, en worden in bepaalde gevallen zelfs expliciet met dood geassocieerd. Zo wordt ‘de deerne Lucidarme’ consequent met ‘doodskopje’ verbonden. Een ander meisje is Contrepartie: “Het meisje Contrepartie begon te zingen. Het was een Frans meisje, een vreselijk meisje. Deze Contrepartie was zeer menselijk, van een verwoeste menselijkheid, een mens op het uiterste. Haar doodsstrijd duurde al jaren.” (p.39) Om half elf ’s avonds verschijnt mevrouw Doom, de waardin van het bordeel. Ze is een indrukwekkende verschijning die bevelen uitdeelt, ook aan de aanwezige mannen. Dit is eigenlijk het eerste type mevrouw Doom, dat Henri Leroy herkent.
Naast de vele tekenen van dood en verderf, zijn er echter ook duidelijke aanwijzingen naar een nieuw begin. Allereerst is in een nieuw begin een belangrijke functie voor de ‘deernen’ weggelegd. Het is alweer Henri die dit inziet: “Hij geloofde aan iets nieuws. […] Dit huis zag hij als een slagveld. […] Want waar de contrasten zo schrijnend waren, tussen heren en deernen, de afgronden zo ontzaglijk en onoverbrugbaar, tussen heren en deernen, daar moest er een van beiden ondergaan. Daar moesten beiden ondergaan. De deernen ondergroeven de burcht der heren.” ‘Rood Paleis’ is dus de laatste burcht van de heren, en staat tegelijk symbool voor de ondergang van die heren. Het afnemend bezoekersaantal wijst er al op dat de klasse van de bourgeoisie uitgedund wordt.
Een speciale plaats in ‘Rood Paleis’ nemen de vele gedrochtelijke wezens in. Zo is er het bizarre trio Eduard (“de man op zijn dierlijkst. In plaats van een voorhoofd had hij krullen. [blz. 41] Zijn kop zat aan zijn schouders met een kleine stapel zachte ringen, zijn armen waren dijen, zijn dijen rompen.”), Benjohan (een mannelijke hermafrodiet.[blz. 42] leed aan de ziekte van Addison. Zijn gelaat en zijn handen waren bronsgroen, het trok langzaam over zijn hele lijf.”) en Fré (“Het was een wezentje om van te griezelen. [blz. 42] Het was op een onbepaalde manier niet af, het was foetus gebleven.”). Elke dinsdagochtend komt dokter Sauger de meisjes en de gedrochten onderzoeken.
Er komt een hond in het Rode Paleis die Walter Leopold van Brandhuizen gaat heten. In het Rode Paleis werken 31 vrouwen. Er is een nieuw meisje in het Rode Paleis dat Truida Donk heet. Fré laat Truida de bijkelder zien, het is een ruimte van waaruit niemand je kan horen, Fré zegt dat Truida moet voorkomen dat ze daarin terecht komt. In de duisternis kan ze nog wel zien dat er ratten in de bijkelder zijn. Dan schuift ze aan bij de andere meisjes Elke ochtend is de tweede verschijningsvorm van mevrouw Doom als die van een soort mater familias. Ze zorgt dan heel goed voor de meisjes bij het ontbijt. Ze ziet er wel zwart uit, maar het dreigende van de eerste verschijningsvorm (Mevrouw Doom van half elf ’s avonds) is er niet meer. Truida zal voortaan Fibris heten, zegt Mevrouw Doom. Contrepartie moet van de dokter opgenomen worden. Ze zal het later niet halen.
Henri haalt meneer Helmstrijd erbij om Tijs tips te geven voor de beurs. Henri’s vader heeft op de beurs gewerkt. Henri zegt dat hij het niet werkelijk meende dat mevrouw Doom een demon is. Eigenlijk bewondert hij haar om de manier waarop ze te werk gaat. Henri heeft een soort abonnement bij het Rode Paleis. Tijs wil er nog wel een keer naar toe met Henri. Henri vindt Tijs amusant op een grimmige en soms grove manier. Henri gaat niet zo zeer om de seks naar het Rode Paleis (hij is immers impotent, beweert hij) maar om daar een luisterend oor te treffen. Tijs is volgens Henri niet besmet met de ziekte van het fin de siècle. Tijs voelt zich besmet raken en wil naar het Rode Paleis.
Grootvader komt naar het Rode Paleis. Hij is de meerdere van mevrouw Doom. Opa, die Hulbert heet, heeft Truida (Fibris) gekeurd en goed bevonden. Mevrouw Doom heet eigenlijk Keetje voor haar directe kennissen in Nederland. Hulbert is de geldschieter van het Rode Paleis.
Tijs heeft een vriendin, die uit een boerengezin uit het oosten van Nederland komt. Hij verdient intussen flink met zijn aandelen door de goede tips die Helmstrijd hem heeft gegeven.. Ze gaan samen enkele keren naar het Rode Paleis. Henri vertelt in het Rode Paleis altijd graag lugubere verhalen om indruk te maken op de meisjes bijv. over een keer dat hij door de woestijn was gelopen en gebeten was door een hagedis . Het verhaal werd erg ongeloofwaardig, omdat hij zegt dat hij ’s ochtends wakker werd temidden van reuzen, zogenaamd omdat je ’s nachts langer wordt en ’s middags weer korter.
Henri heeft zijn moeder niet gekend. Schaamte vindt hij niet erg, valse schaamte echter wel. In het Rode Paleis zijn in de zomer 20 meisjes en maar één man. Tijs’ aanstaande vrouw( hij wil principieel niet verloven) Marie van Dam, komt drie dagen bij hem langs. Als Tijs Marie in zijn oprechtheid over zijn bezoeken aan het Rode Paleis vertelt, wil zij het Rode Paleis een keer van buiten zien. Ze begrijpt niet dat hij er naar toe is gegaan. Ze vindt het een afschuwelijk gebouw. Tijs gaat daarna met Marie naar de Achterhoek terug.
Contrepartie gaat kort daarna dood. Henri vindt dat mevrouw Doom zich zonder medeleven gedraagt, hij vindt haar dan wel een demon. Hij haat haar om de galanachten die ze in het bordeel organiseert. Er wordt soms een galanacht georganiseerd waarbij de entreeprijs vier keer zo hoog is en alleen de duurste champagne geschonken wordt. Er vindt dan een grote orgie plaats waaraan het nieuwe meisje Fibris absoluut niet mee wil doen, omdat ze bang is gemaakt door Fré. Fré stuurt haar dan naar een kamer vol met ratten, dan wil ze wel meedoen. Er wordt dan een soort rattenkoning (een grote kluwen ratten) getoond. Een kleine Japanner raakt in de orgie gewond, maar wordt dan behandeld door Sauger.
Tijs zoekt in die periode een bedrijf dat hij kan opkopen en waarin hij dan kan gaan werken. Hij wil nu echts iets van zijn leven gaan maken. Als Tijs voor de zesde keer naar het Rode Paleis gaat, gaat hij alleen. Tijs is vooral geïnteresseerd in Finda, maar hij weet haar nog steeds fysiek te weerstaan. Mevrouw Doom vraagt Tijs of hij wil investeren in het Rode Paleis. Tijs zegt dat hij erover na zal denken.
Henri gaat naar de kerk en denkt na over de plaats die mensen innemen in de aarde, vroeger en in de toekomst. In het fin de siècle neemt men alles voor lief wat men krijgt, niet meer en niet minder. Henri hoopt het eind van dit tijdperk mee te maken. Henri komt ongeveer twee keer in de week in het Rode paleis, behalve in de zomer. Hij heeft nooit seks gehad met iemand uit het Rode Paleis. Mevrouw Doom respecteert Henri als een echte heer. Er komen steeds meer heren die alleen wat willen drinken en niet meer met de meisjes naar boven willen gaan. Het verval kondigt zich daarmee aan.
Henri vergelijkt Mokum met de ondergang van het fin de siècle. Hij is wel gehecht aan Amsterdam. Tijs koopt uiteindelijk een bedrijf dat zich met autohandel bezig houdt. Hij heeft nu echt een voorgenomen huwelijk met Marie van Dam en Henri zal Tijs’ getuige bij het huwelijk zijn. Tijs gaat voor de laatste keer, omdat hij gaat trouwen, naar het Rode Paleis. De mooie Finda grijpt haar laatste kans en ontmaagdt hem. Tijs heeft er al meteen spijt van en gaat weg zonder een fooi te geven. Finda is er woedend om. Later krijgt ze de fooi van Henri als ze zich tegen hem over Tijs beklaagt.
Henri gaat met mevrouw Doom met de trein naar Parijs, hij reist eerste, zij tweede klas, want standsverschil moet er zijn. Henri ervaart twee belangrijke dingen tijdens de reis. “Toen zij de grens van Frankrijk passeerden kwam het over hem. Chacun a deux pays, le sien et puis la France.Iedere korrel grond was hier anders. Frankrijk stond onder een stolp van eigen lucht. Het was de geschiedenis der wereld, van haar smaak, haar levenskunst. Voor alle dingen der wereld moest men tenslotte bij Frankrijk terecht. Hij was de obsessie van het fin-de-siècle kwijt.” En hij maakt kennis met het derde type van mevrouw Doom .Mevrouw Doom is een eerlijk mens. Henri raakt onder de indruk van “Een bijna-dame, en in zekere zin meer dan een dame. Zoals ook een vorstin geen dame is, maar meer.” Ze heeft het vak van hoerenwaardin geleerd in Marseille bij huize Corymbe, maar ze is het eenvoudige huisje zelf voorbijgestreefd met haar eigen Rode paleis. Waar hij haar voorheen gemoedelijk met ‘tantetje’ aansprak, wil hij nu “zijn handen op haar schouders leggen, haar zachtjes schudden en rondweg, eerlijk, vertederd en bewonderend zeggen, niet tantetje, maar: Wijf!” Henri maakt hier kennis met de mevrouw Doom op het toppunt van haar kunnen: de vierde mevrouw Doom..
Bij terugkomst van Henri in Nederland eist Marie van Dam van Tijs dat Henri geen getuige bij hun huwelijk is, omdat hij met zijn aanwezigheid Tijs teveel in verband brengt met het roze verleden. Henri kan Marie helemaal begrijpen en is niet boos. Opa Hulbert ontslaat omdat hij een slechte bui heeft zomaar het meisje Chabran . Ook vindt hij de twee zwarte meisjes die Keetje uit Frankrijk heeft meegebracht maar niets. Er is een ommekeer aan de gang. Henri heeft tijdens de treinreis naar Frankrijk zijn fin-de-siècle-gevoel verloren: hij gaat met de derde klas trein(!) naar Haarlem waar hij is opgegroeid. Henri heeft zijn abonnement niet verlengd bij het Rode Paleis en hij heeft mevrouw Doom niet meer gezien sinds ze in Marseille waren. Hij hield van zijn vader maar begint nu de invloed van het fin- de- siècle in hem te haten. Hij begint zich vanaf nu ook anders te noemen, namelijk Hendrik Lorrewa.. Deze naam heeft Henri eerder in de roman nog breeduit bekritiseerd tegen Tijs: “De verbastering van de naam is ook altijd samengegaan met een vulgarisering van de drager. De Lorrewa’s zijn werklui, of hoogstens kleine fabrikanten geworden. Ik heb er God zij dank niks mee te maken. Zelfs in mijn positie van schaduw zou ik me schamen Lorrewa te heten.” Nu vindt hij het als het ware een erenaam. Bovendien scheert hij zijn snor af en knipt zijn haren als teken van een nieuw begin. Hij biedt zich ook als vrijwilliger in het vreemdelingenlegioen in Frankrijk. Ook dat is een teken van een nieuw begin. Henri vindt dat Tijs nooit echt bij het fin de siècle heeft gehoord. Een sleutelpassage volgt wanneer Tijs voor het laatst bij Henri op bezoek gaat: “Ik heb vroeger wel eens gedacht, je reikt naar de overkant. Dat is niet waar, je bènt de overkant. Je bent nooit aan deze kant geweest. De eeuw had op jou nooit vat kunnen krijgen.”
Ook mevrouw Doom komt nog een keer langs. Hij ziet dan de vijfde dimensie van mevrouw Doom: Een uitgezakte vrouw in het grijs […] Het gelaat was zeer groot en hevig, maar heel anders dan vroeger. Het was niet geblanket, het vel geel en slap, oud vel gelooid door het jarenlang opmaken. Het haar was niet zwaar en zwart, flodderig grijs en dun. De paardentanden waren verdwenen. De mond was de mond van een bes. De stem was nog hees, maar lispelde tandeloos. De kin, ingekort, maakte het grote gelaat thans breder dan lang, meer een karikatuur, op de grens van een nachtmerrie. En bij dit alles kwamen de sombere ogen tot meerdere luister, tot meerdere demonie, in hun verschrikkelijke kringen van zwart. Hij begreep dat dit de ware mevrouw Doom was die hij nooit had gekend.”
Het Rode Paleis is inmiddels gesloten. Ze spreken af om de volgende dag om 23 uur in het café van Jacobs voor een laatste gesprek bij elkaar te komen. Mevrouw Doom zal naar Spanje vetrekken, maar voordat ze gaat, sticht ze brand in het Rode Paleis door rijkelijk met petroleum te strooien. Het bordeel brandt tot de grond toe af. Wanneer Henri gaat kijken, ziet hij de hond van het Rode Paleis Van Brandhuizen langslopen. Een mooie symbolische naam, denkt hij nog. De ondergang van de 19e eeuw is compleet.
In een kort hoofdstuk “Na” geeft Bordewijk aan dat hij de informatie over het bordeel heeft gehaald uit een aantal satirische artikelen van een Frans tijdschrift “L’Assiette au Beurre” en dat de roman voor het overige uitsluitend verdichtsel is.
Recensies uit de tijd van de roman
Via Literom is het mogelijk nog een aantal recensies uit 1936 te bestuderen. Onder de bewaarde recensies zijn die van bekende tijdgenoten als Simon Vestdijk en Jan Greshoff. Simon Vestdijk in “De Groene Amsterdammer”van 23 januari 1937 stelt na een uitvoerige bespreking van de positie van mevrouw Doom die hij als symbool van de opkomende vrouwenemancipatie ziet: “Het is ondoenlijk om in klein bestek een denkbeeld te geven van de rijkdom van dit fantastische en toch zo reële boek, dat ik als verreweg de beste roman beschouw uit de najaarsproductie…..Juist door deze rijkdom (….) stel ik het hoger dan “Bint”. “Rood Paleis” is breder, samengestelder en ik geloof belangrijker. Misschien is Bint wel iets beter, preciezer geschreven. Toch mag men wel stellen dat Bordewijk zijn originele ‘verticale’ stijl , die laatste chroomijzeren uitloper van ’80 onverzwakt handhaaft.”
Jan Greshoff gaat in zijn recensie van 8 september 1937 in de Haagsche Courant die de titel heeft “Waarheid uit de Tweede Hand” uitvoerig in op het Nawoord van Bordewijk.
Hij vindt het onbegrijpelijk dat iemand een boek kan schrijven zonder dat hij zich fysiek op de hoogte heeft gesteld van de omstandigheden in zijn roman. “Het mag natuurlijk wel, maar dan wordt het een onwezenlijk en onwaarachtig boek. Een ding houdt mij nog bezig: wat dreef Bordewijk tot deze bekentenis door niemand uitgelokt, door niemand verwacht? Wanneer hij bang was dat zijn advocatenpraktijk eronder te lijden zou hebben, wanneer hij de verdenking van een ontuchtig leven op zich laadde, had hij beter een ander onderwerp kunnen kiezen en geblameerd is hij in elk geval: zijn bekentenis redt zijn repetitie als ordentelijk medeburger, maar tast zijn schrijverswaardigheid op onherstelbare wijze aan.”
In een kort hoofdstuk “Na” geeft Bordewijk aan dat hij de informatie over het bordeel heeft gehaald uit een aantal satirische artikelen van een Frans tijdschrift “L’Assiette au Beurre” en dat de roman voor het overige uitsluitend verdichtsel is. verwacht? Wanneer hij bang was dat zijn advocatenpraktijk eronder te lijden zou hebben, wanneer hij de verdenking van een ontuchtig leven op zich laadde, had hij beter een ander onderwerp kunnen kiezen en geblameerd is hij in elk geval: zijn bekentenis redt zijn repetitie als ordentelijk medeburger, maar tast zijn schrijverswaardigheid op onherstelbare wijze aan.”
Over de schrijver F. Bordewijk (1884 - 1968)
Ferdinand Bordewijk werd in 1884 te Amsterdam geboren. In 1894 verhuisde hij naar Den Haag. Hij studeerde rechten te Leiden, en was enige tijd leraar. Als advocaat en letterkundige woonde hij in het Zuid-Hollandse Schiedam. In 1911 verloofde Bordewijk zich met de componiste Johanna Roepman met wie hij op 1 augustus 1913 trouwde. Zij kregen samen twee kinderen. Na onder een pseudoniem (Ton Ven) een bundel gedichten te hebben gepubliceerd, gaf hij tussen 1919 en 1924 drie delen Fantastische vertellingen uit. In Blokken (1931), Knorrende beesten (1933) en Bint (1934) ontwikkelt hij zich zijn eigen stijl van korte, stakerige zinnen.
Bordewijks belangrijkste boek is wel Karakter (1938), waarvan hij in 1928 de voorstudie in het blad De Vrijheid publiceerde. Deze voorstudie is in 1981 in boekvorm verschenen. Na de oorlog, in 1945, werd Bordewijk voorzitter van de ereraad voor Letterkunde. Dit college mocht schrijvers die samengewerkt hadden met de Duitse bezetters voor bepaalde tijd een publicatieverbod opleggen. Van 1947 tot 1952 is Bordewijk voorzitter geweest van de Jan Campert-stichting. Deze stichting werd door de gemeente Den Haag opgericht ter bevordering van de Nederlandse letterkunde. In 1954 werd F. Bordewijk de prestigieuze P.C. Hooftprijs toegekend.
Op 28 april 1965 overleed Bordewijk op tachtigjarige leeftijd als één van de belangrijkste prozaschrijvers van de moderne Nederlandse letterkunde.
Belangrijk!
De verslagen op Scholieren.com zijn bedoeld als naslagwerk. Lever nooit verslagen van internet zomaar bij je leraar in. Je bent zelf verantwoordelijk voor de gevolgen van dit soort fraude.
Wij krijgen de verslagen van scholieren. Hierdoor kan het gebeuren dat er foute informatie online staat. Gebruik geschiedt dus op eigen risico. Kom je een fout tegen? Laat het ons weten.




Openen in tekstverwerker
Printen
Emailen