geef je mening
Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?
ff n studiebreak
Annemieke blikt terug op dat dagenlange surfen van vroeger. Tegenwoordig ben je binnen een half uur klaar.

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.
Gebruikte editie
De eerste druk verscheen in 1995 bij uitgeverij De Harmonie te Amsterdam. De roman telt 142 bladzijden. De voorkant van de roman is overwegend wit met de titel in gele letters: daaronder staan twee foto’s van een oudere jongen en een jonger broertje. Op de rechterfoto is het jongere broertje symbolisch afgeknipt. Het moet de broer voorstellen die in dit boek overlijdt. Op de achterkant staat een foto van de auteur met een woeste kop en een grijze baard.
Genre
De uitgeverij geeft op de omslag aan dat dit de derde autobiografische roman van de schrijver is. De andere twee zijn: “Een gouden kind “ (1991) en “Een goede vader” (1993)
Verhaalopbouw
De roman is onderverdeeld in 13 hoofdstukken. Deze hoofdstukken worden niet getiteld en genummerd. Ze zijn onderling gescheiden door stukken wit. In de hoofdstukken zelf zijn door middel van witregels allerlei passages van elkaar gescheiden. Het verhaal begint wanneer de verteller 51 jaar is en meteen op de eerste pagina te horen heeft gekregen dat zijn vier jaar jongere broer Jos keelkanker heeft. Ze gaan nog samen een biertje drinken en in het café halen ze allerlei jeugdherinneringen op.
Perspectief
Het verhaal wordt in de ik-vorm verteld door de 51-jarige Paul. Hij vertelt zogezegd onwetend in de tegenwoordige tijd.(vision avec) Het laatste hoofdstuk van een halve pagina vertelt hij achteraf (vision par derrière). Hij vertelt dat zijn broer twee jaar na de operatie in zijn armen is gestorven. Omdat Jos in de monoloogvorm veel herinneringen ophaalt, is er als het ware toch een tweede verteller. Jos vertelt dingen over Pauls jeugd: de hersenoperatie uit deel I wordt vanuit een ander perspectief bekeken. Verder verhaalt hij hoe hij tegen zijn broer aankeek en over zijn homofiele geaardheid. Ook de buurvrouw uit deel II komt nog een aantal keren aan het woord, zij het niet zo prominent en overtuigend als in “Een goede vader”.
Tijdlagen
Net als in het eerste tweede delen van de autobiografische reeks, haalt Franssens de tijdlagen door elkaar. In het begin vertelt hij als 51-jarige Paul over de ziekte van zijn broer Jos. Zijn broer is vier jaar jonger. Het moet dan in het jaar 1989 zijn (Jean-Paul Franssens is in 1938 geboren). De tijdlaag die begint met de mededeling dat Jos kanker heeft, loopt eigenlijk maar kort door en wordt pas aan het einde weer opgepakt. Na de mededeling gaan ze naar het café en halen daar jeugdherinneringen op. Na een kleine week gaat Jos naar het ziekenhuis, waaruit hij na een paar dagen wegloopt. Vanaf dat moment wordt er vrijwel chronologisch verteld. Paul spoort hem weer op en beweegt hem weer naar het ziekenhuis te gaan. Kort daarna wordt Jos geopereerd en twee jaar daarna sterft hij in de armen van zijn broer.
Titelverklaring
De titel is niet moeilijk te verklaren. De derde autobiografische roman van Jean-Paul Franssens gaat over de dood van zijn broer. Die broer woont in een huisje aan de Loosdrechtse Plassen. Dat huisje heet “Broederweelde”. De twee broers die er woonden, zijn op dezelfde nacht gestorven aan onderkoeling. Zo goed als die twee broers met elkaar omgaan is de omgang tussen Paul en Jos niet. Als oudere broertje keek hij nauwelijks naar Jos om. Toch voelt hij zich hieraan min of meer schuldig. Hij zet ook door bij de ziekenhuisopname van Jos, waardoor de laatste flink wordt toegetakeld. Het lijkt erop alsof zijn broer hem dat verwijt. Beide mannen lijken niet zo goed om te gaan met de weelde een broer te hebben.
Thematiek
Op het eerste gezicht lijkt de verhouding tussen de twee broers het thema van de roman. Een uitwerking van het bijbelse Kaïn en Abel-motief. Vroeger hebben ze eigenlijk weinig naar elkaar omgekeken: ook in de verhalen die Jos vertelt, wordt er bijvoorbeeld niet verteld dat ze vaak samen optrokken. Jos kijkt enigszins tegen Paul op: die is namelijk geopereerd aan zijn hersenen en gaat na een korte tijd alweer schaatsen. Jos heeft Paul vaker bewonderd om zijn daadkracht: bijvoorbeeld toen zijn vader stierf en de pastoor de laatste heilige rituelen niet wilde uitvoeren. Paul ging er krachtig achteraan. Maar uit niets blijkt dat ze vaak samen speelden of met elkaar bevriend waren. Dan komt de jongere broer op 47-jarige leeftijd vertellen dat hij keelkanker heeft en dood zal gaan. Paul voelt zich dan toch wel weer verantwoordelijk voor hem: dat blijkt het beste uit de passage waarin Jos weggelopen is uit het ziekenhuis en Paul naar hem opzoek gaat. Hij vindt hem en pusht hem min of meer de operatie te ondergaan waarvoor Jos is gevlucht. Als de operatie toch wordt uitgevoerd, ziet Jos er armzalig uit. Jos zegt de volgende woorden die ook op de flaptekst van de roman staan: ”Wanhoop en verwijt kijken me aan: “Kijk eens wat ze me hebben aangedaan. Kijk eens wat jij me hebt aangedaan. Broeder van het eerste uur. Die alles zo goed weet voor een ander. Nu heb je je zin.” Het zijn de woorden waarmee Paul toch met een schuldgevoel zit opgescheept en de roman wellicht zijn literaire hulpmiddel is om het schuldgevoel kwijt te raken. Een betere formulering van het thema van de roman zou daarom “schuld” kunnen zijn.
In de roman komt ook de thematiek van de beide voorgaande autobiografische romans terug: de vader-zoonverhouding (maar nu vooral tussen Jos en zijn vader), de homoseksuele geaardheid van Jos (die door de vader niet wordt geaccepteerd), het overspel van de vader en de moeder van Paul, de “onechte” kinderen, de schaamte voor de buitenwereld, de ernstige ziektes ( alle drie: vader, moeder en broer sterven aan kanker resp. prostaatkanker, een hersentumor en keelkanker). De keelkanker symboliseert ook het stroeve contact, de minder goede communicatie tussen beide broers. Natuurlijk speelt ook het “fout-zijn” van de vader tijdens de Tweede Wereldoorlog een rol, zij het niet zo prominent als in de eerste twee romans. Toch is het duidelijk dat Jean -Paul Franssens met deze derde autobiografische roman de bron van zijn eigen geschiedenis heeft uitgeput. Hij is toch wel een beetje in herhaling gevallen.
Samenvatting van de gebeurtenissen
De 51-jarige Paul hoort op een dag plotseling van zijn broer Jos die vier jaar jonger is dat deze aan keelkanker lijdt. Hij probeert hem in eerste instantie op allerlei manieren moed in te spreken, maar zijn broer geeft aan dat hij echt geen lijdensweg wil en dat hij dan maar liever dood is. Hij had vroeger zelf een café in Vlaanderen en hoewel een nuchtere noorderling was, kwamen de stamgasten graag bij hem. De verteller vraagt hem om te blijven eten, maar Jos weigert dat. Wel gaan ze samen nog even langs een café om wat te drinken.
Jos vertelt dat hij al vijf jaar niet meer werkt en dat hem nu dit weer overkomt. Ze halen herinneringen op. In de oorlog van 1942 werd hij geboren en hij kenmerkte zich door vanaf het begin al veel te janken. Het huilen hield maar niet op en zijn vader kon daar heel slecht tegen. Het verhaal wordt weer aangevuld met dat van de benedenbuurvrouw (bekend uit deel 2 “Een goede vader”) Jos is een van de eersten die schurft heeft en de buurvrouw voorspelt dat hij zijn hele leven daarvan last zal ondervinden. Hij groeit ook maar slecht. Paul weet zich te herinneren dat hij een keer de mond van zijn broertje had dichtgeknepen, omdat hij vond dat het huilen eens moest ophouden. Zijn vader vindt dat Jos als hij aan het opgroeien is maar een “kween” is (we zouden nu zeggen een “mietje”). Inderdaad blijkt aan het einde van dit hoofdstuk dat Jos homoseksueel is. Zijn vader heeft hem een keer met een jongen in bed betrapt en daarna mag hij het huis niet meer in.
Jos geeft aan dat hij inderdaad met een kapper heeft samengewoond die ook homoseksueel was. Voor die man had hij zelfs zijn haar blond geverfd, maar de kapper sloeg hem en heeft zelfs een einde aan de relatie gemaakt. Daarna vertelt hij dat hij erg opziet tegen alle aanstaande onderzoeken, want hij is kleinzerig en illustreert dat met een anekdote van een bezoek aan de tandarts. Hij vraagt hem dan ook of Paul volgende week met hem mee wil gaan naar het ziekenhuis. Hij belooft dat hij zal zwijgen over vroeger. Hij vertelt dan echter wel over de tijd dat Paul uit het ziekenhuis kwam na de hersenoperatie (Deel I “Een gouden kind”) en dat hij in die tijd de doofstomme schoenmaker Wikkel hielp. Ook vertelt hij van de vieze kinderspelletjes die ze deden met Trees Kruit (Vader Kruit beheert het pand waarin Wikkel werkt) De man geeft hem wel eens een aai over zijn bol. Zijn eigen vader heeft hem nooit aangehaald, dat heeft zijn leven wel beïnvloed. Zijn homovriend de kapper was het zat geworden, telkens dat “gezeik over je vader”.
Dat Paul een hersenoperatie had moeten ondergaan, had diepe indruk op Jos gemaakt. Iedereen is huis moest Paul in die tijd ontzien. Twee jaar later ging moeder dood en ook dat maakte diepe indruk op Jos. Nog steeds in het café zittend halen ze steeds meer herinneringen op. Jos vertelt van een anekdote met de doofstomme schoenmaker Wikkel. Die had ook een doofstomme vriend en op een zeker moment had hij hen betrapt op een vrijpartij, waarbij de man zijn geslachtsdeel met schoenmakerslijm (dacht Jos) in smeerde en vervolgens bij de schoenlapper naar binnen drong. Jos had hetzelfde gezien als bij de hondjes in de straat die maar niet los konden komen, totdat de benedenbuurman er een emmer water over heen gooide. Jos had er bij het stiekem kijken naar de mannen zelf zijn eerste orgasme door gekregen. De doofstomme vriend was later op de fiets doodgereden en Wikkel moest zijn zaak opdoeken toen Kruit failliet ging.
Jos vertelt in het café verder hoe hij tegen het aspect van Paul hersenoperatie aankeek. Met Kerstmis was een roodharige man een kerstboom komen brengen en zijn enige roodharige broertje had bovendien een rijksdaalder van die man gekregen. Toen Vader thuiskwam, was hij die avond in woede uitgebarsten. Er wordt gesuggereerd dat het enige rode kind van de kerstboomverkoper is. Jos vertelt verder over de oudejaarsnacht die volgt, waarbij de buurt aan het melkbus schieten met carbid is. In de winter die volgt ligt er ijs, Paul wil persé schaatsen, maar hij valt daarbij natuurlijk op zijn hoofd, maar gelukkig gaat er niets fout. Kort daarvoor was namelijk het verband rondom zijn wond nat geworden; het bleek niets ernstigs, want er was een hechting blijven zitten.
In het café waarin ze zich nog steeds bevinden, zit een oude vrouw die sprekend op een ex-werkgeefster van Jos lijkt, mevrouw Tortelier. Hij werkte bij haar in een kantoorboekwinkel en ze was erg van gecharmeerd van hem. Hij had er een mooie tijd, maar toen ze stierf had ze hem niets nagelaten. Dan praat Jos verder over de begrafenis en de grafsteen van zijn vader en zijn moeder. Hij vertelt van zijn ervaringen met de dokter die vlak voor zijn vaders dood nog een onnodige operatie aan diens prostaat uitvoerde en de pastoor die niet wilde komen om hem het sacrament der Stervenden te geven, (hij was namelijk niet rooms meer) waarna Paul zich naar de pastoor begaf om die hem daartoe alsnog te dwingen. Elke dag was Jos naar de kist van zijn vader gaan kijken; hij had op een dag een dronken man die tegen het lijk stond te kletsen, moeten opvangen. In de kerk waren ook al niet veel mensen geweest. In de kerkdienst is één van hun buurjongens, Wally Kruit, wel aanwezig. Met die jongen had Jos in bed gelegen toen hij nog bij zijn vader woonde en zijn vader er achter kwam dat hij praktiserend homoseksueel was. Daarna werd hij het huis uit gesmeten.
Hij vindt dat Paul er veel beter aan toe is dan hij: als je op jonge leeftijd iets ernstigs overwint, kun je daar je hele latere leven van profiteren. Hij vindt zichzelf een loser: in de liefde wil het niet echt lukken, hij loopt in de “steun” en nu heeft hij nog keelkanker ook. Hij ziet er vreselijk tegenop om zich te laten behandelen. Daarna gaat hij eindelijk met de tram naar zijn eigen huis “Broederweelde”.
De week erna gaat Paul met Jos mee naar het ziekenhuis. In het ziekenhuis doet men erg onaardig. Paul gaat een paar dagen niet op bezoek, maar denkt wel na over zijn relatie met zijn broer. Als hij na een week eindelijk weer op bezoek gaat, is het bed leeg en de zuster meldt dat Jos is weggelopen. Niemand weet waar hij is: in zijn eigen huis woont hij ook niet. Als hij bot heeft gevangen bij o.a. de politie, loopt hij langs het café waar ze eerder iets hebben gedronken en daar zit Jos te praten met de oude mevrouw die al eerder in dat café zat en op zijn oude bazin leek. Jos geeft aan dat hij vreselijk bang geworden is. Een man die dezelfde operatie moest ondergaan als hij, zag er niet meer uit en had het heel moeilijk. De operatie is erg ingewikkeld en heeft nogal wat gevolgen. De man had ten einde raad zelfmoord gepleegd. Om die reden is Jos uit het ziekenhuis weggelopen en wil hij zich niet laten opereren. Het vrouwtje neemt het voor Jos op en geeft aan dat ze een jodin is. Paul denkt terug aan zijn Duitse studententijd toen men hem ook aanzag voor een jood en daar positief om gediscrimineerd werd. Hij heeft daar een soort schuldgevoel over.
Jos vertelt dat hij ook nog bij zijn oude homofiele vriend langs is geweest, de kapper. Hij mocht niet binnen komen en hij vroeg helemaal niet hoe het met Jos ging. Eigenlijk is Jos heel zielig. Ze gaan nog even bij Jopie, het oude vrouwtje, langs en drinken daar een stevige borrel. De volgende morgen weet Paul het heel zeker: Jos moet terug naar het ziekenhuis.
Hij belt het ziekenhuis op om te vertellen dat Jos terecht is. Hij mag komen maar dan geen fratsen meer. Paul haalt Jos op bij Jopie en rijdt hem direct naar het ziekenhuis. Daar wordt hij dan geopereerd en na de operatie ziet Paul dat er inderdaad een enorme verbouwing aan het gezicht van Jos heeft plaats gevonden. Hij ziet er beroerd uit, ook zonder snor nu. Jos verwijt hem dat hij de operatie heeft doorgezet.
In een halve pagina tellend slothoofdstuk vertelt Paul dat Jos nog twee jaar na de operatie heeft geleefd. Het laatste half jaar was hij er slecht aan toe en werd hij verpleegd in een verzorgingstehuis voor bejaarden. Hij is (in Groningen) in zijn armen gestorven, maar dat “kan op toeval berusten”, omdat het de beurt van Paul was om bij hem te waken.
Recensies en kritieken
Er zijn 5 recensies beschikbaar via Literom CD. Ze variëren van negatief tot heel positief.
Johan Diepstraten is in De Limburger van 26 augustus 1995 gematigd positief. Eigenlijk bespreekt hij de drie romans in één keer: “Het zal Jean-Paul Franssens er niet om te doen zijn een portret vol mededogen te schetsen van zijn familie en van zichzelf. De autobiografie is de literaire verwerking van al zijn schaamte en schuldgevoelens. Verheffend zijn de gebeurtenissen bepaald niet en het is geen wonder dat Jean-Paul Franssens zo lang heeft gewacht met het schrijven van zijn autobiografie. Het voordeel van dat lange wachten laat zich raden: hij heeft afstand kunnen nemen en de juiste toon gevonden.”
Mark Reugebrink in Het Nieuwsblad van het Noorden van 5 mei 1995 is veel negatiever over deze derde roman dan hij was over de eerste twee. Hij heeft vooral kritiek op de verteltechniek. Er wordt gesuggereerd dat Jos de gebeurtenissen vertelt, maar eigenlijk houdt Jen Paul Franssens zich niet aan die structuur. Daardoor wordt het eigenlijk een herhalingsoefening van de eerdere twee boeken. En waarom heeft hij het boek dan geschreven? “De reden voor dit boek is uiteindelijk het schuldgevoel van de auteur. Dat schuldgevoel moet gedelgd worden. Dat motiveert Broederweelde, maar het redt het boek als zodanig niet. Ik bedoel: ik kan me heel goed de noodzaak van het boek voor de auteur voorstellen, maar voor mij als lezer geldt dat het toch één keer afgelopen moet zijn. Wat een andere manier is om te zeggen dat deze vormgeving van de eigen herinneringen zichzelf heeft uitgeput.”
Gert-Jan van Schoonhoven in het NRC van 9 juni 1995 . Zijn conclusie is vrij hard: “Voor wie de roman leest in samenhang met de twee vorige delen is Broederweelde bijvoorbeeld een tamelijk teleurstellende ervaring. Veel van de gebeurtenissen uit de Noorderkerkstraat die uit de mond van Josje worden opgetekend, zijn al uit de vorige delen bekend. Hetzelfde geldt voor de personages. Josjes perspectief is weliswaar anders –beduidend machtelozer- dan dat van Paul. Maar dat levert, afgezien van een wat harder beeld van de onbehouwen NSB-vader, weinig nieuwe inzichten op. Te weinig om een heel derde deel te rechtvaardigen. En ook de monoloogvorm breekt de roman uiteindelijk op: bij de veelstemmigheid van ‘Een gouden kind ‘en ‘Een goede vader’ steekt de monotonie van Broederweel de bleekjes af.
Paul Beers vindt in Vrij Nederland van 20 mei 1995 dat Franssens te smakelijk en te sappig vertelt. “Er zit iets clichéachtigs in de wijze waarop over dokters, homoseksuele broeders en geestelijken en de sekspelletjes van kinderen etc. wordt geschreven. Het blijkt ook veel gemakkelijker om over de eigen irritatie en lamlendigheid te schrijven dan over het de kop opstekende mededogen.” Het boek lijdt onder een grote mate van eentonigheid door de monoloogvorm van Jos, vindt Beers. Pas als Paul zelf weer een rol gaat spelen aan het einde van de roman, keert de spanning terug. Beers vindt het jammer dat Franssens verzuimd heeft de diepte van de afgrond tussen de beide broers te peilen.
Theodoor Holman in Het Parool van 5 mei 1995 daarentegen is laaiend enthousiast. “Broederweelde” is zijn derde autobiografische roman. Het was weer een voorrecht om het te mogen lezen. Het blijft onbegrijpelijk dat er jury’s zijn van beroepslezers en schrijvers die prijzen mogen uitreiken en die dan nimmer de naam van Franssens laten vallen. …… “Dit boek is absoluut het beste dat ik het afgelopen jaar heb gelezen. Ontroerend wat betekent: soms sentimenteel, maar soms ook juist niet. Hard en humoristisch, beeldend en meeslepend. Broederweelde: de twee oude mannen stierven van de kou. Bij Jean Paul en zijn broer was er kou, maar door de kanker ging de kachel aan en kwam er warmte -natuurlijk te laat, maar hij kwam wel……..Terwijl ik deze recensie schrijf, ben ik er nog helmaal kapot van.”
Waardering
Van de drie autobiografische romans is “Een gouden kind” me het beste bevallen. Niet alleen de structuur (vertellen tijdens een hersenoperatie) maar ook de diversiteit aan anekdotes en de vertelsnelheid gekoppeld aan een fraaie, bondige en humoristische stijl maken dat kleine romannetje tot een pareltje. “Broederweelde” is de minste van de drie romans: de verhouding tussen de broers (zeker nu de jongste aan keelkanker lijdt) is niet uitgewerkt: er hadden indrukwekkender gesprekken tussen beide broers verteld kunnen worden. Ook de laatste twee jaar (in de roman in een halve pagina verteld) had prachtige verhaalstof kunnen opleveren. M.i. een gemiste kans.
Over Jean-Paul Franssens
Franssens werd geboren in Groningen op 5 februari 1938 en overleed op 65-jarige leeftijd in Amsterdam in 2003. Jean-Paul Franssens was een artistieke duizendpoot. Hij was operaregisseur, schrijver, dichter en schilder. Hij publiceerde poëzie en proza en illustreerde zijn eigen roman 'Rozen uit het Zuiden' en zijn verhalenbundel 'Kinderschrik'. In 1981 debuteerde hij met de novelle 'De wisselwachter', die vier jaar later door Jos Stelling werd verfilmd. Franssens schrijft voornamelijk proza maar heeft ook een aantal dichtbundels gepubliceerd. Sinds zijn debuut werkt Franssens gestaag aan zijn literair oeuvre. Veelbesproken werd zijn roman: Vriend dood in 1988, omdat dit verhaal het relaas geeft van een lustmoordenaar.
Bekend werd verder zijn autobiografische drieluik: Een gouden kind (1991) Een goede vader (1993) en Broederweelde (1995)
Als illustrator kreeg hij bekendheid door zijn illustraties in De vertellingen van duizend-en-één-nacht'.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het dan weten door een reactie te geven.