CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

ff n studiebreak

Annemieke blikt terug op dat dagenlange surfen van vroeger. Tegenwoordig ben je binnen een half uur klaar.

Geschreven door:

sjhonnie (8e klas)

Datum ingestuurd:

11 februari 2004

Taal:

Woorden:

2.800

Bekeken:

7042 keer (31 deze maand)

Waardering:

3.4/5 (108 stemmen)

Deel op:

  • Door maatje op 19-03-2010
    Ik vind het een mooi spannend en erg boek echt heel mooi boek dat u dat uit gegeven heeft.
  • Door rieneke op 24-12-2007
    Ik heb een fout ontdekt. Er staat dat ze op 1 januari gingen botkloppen maar dat was op 13 januari

2.
S. Abramsz werd op 23 april 1867 te Amsterdam geboren en overleed op 28 januari 1924 te Velp. Hij was werkzaam als onderwijzer, als schrijver van kinderboeken en als redacteur van de kindertijdschriften ‘Voor het jonge volkje’, ‘De kinderwereld’ en ‘De kinderkamer’. Hij verzamelde oude kinderrijmen die hij onder andere publiceerde in Onze kinderrijmen van vroeger en nu (1910), Rijmpjes en versjes uit de oude doos (1910) en Sinterklaas en Pieterbaas (1911. Tot zijn beste boeken voor kinderen behoort Veertien dagen op een ijsschots, dat voor het eerst in 1898 verscheen en waarvan in de loop der jaren verschillende edities uitkwamen. Bij Den Hertog verscheen in 2000 een nieuwe editie van Veertien dagen op een ijsschots.

Deze informatie heb ik van www.hertog.nl dan klik je op auteurs informatie. Je kan dan de schrijver die je wilt hebben aanklikken.

3.
Vader Bording gaat met zijn twee zoons Jaap en Klaas botkloppen op het ijs van de Zuiderzee. Het ijs raakt los van de kant. Ze houden zich in leven met rauwe vis.

Na veertien dagen worden ze gevonden. Jaap overleeft het alleen want vader en Klaas sterven door de griep nadat ze gevonden zijn.

4.
Het verhaal van vader: vader en zijn knecht waren op zee toen er storm kwam. Het anker brak en het schip sloeg te pletter tegen een Urker schip. Later zijn ze gered door die Urkers.

Bodkloppen:
Ze gaan vissen op het ijs. Ze spannen netten onder het ijs. Met het klophout maken ze de botten wakker. Die schrikken en zwemmen zo de netten in.

Wegdrijven:
De schots waar ze op staan drijft weg van de kant met Border, Klaas en Jaap.

Zoektocht:
Arie Pauw doet een zoektocht maar komt terug zonder Bording en zijn zoons gezien te hebben.

Redding:
Een paar vissers zien drie mannen op het ijs en halen hulp. Vader en Jaap sterven na die tijd aan koorts en Jaap alleen
blijft over.

5. Van 31 december 1848 t/m ongeveer 31 januari 1849, want het verhaal van vader is op oudejaarsavond 1848. Het botkloppen is op zaterdag 14 januari. Ze zijn 14 dagen op een ijsschots geweest dus zijn ze 28 januari gered. Vader stierf 25 februari aan koorts. Een dag na de begrafenis gingen Jaap en moeder weer naar huis. Toen was het afgelopen. Dat is dan ongeveer 31 februari 1849.

6.
Bording, Klaas en Jaap, want Die zijn veertien dagen op een ijsschots en over hun belevenissen gaat het vooral.

7.
Alles speelt zich rond de Zuiderzee af want daar drijven ze op met de ijsschots.

Durgerdam:
Daar komen Jaap Klaas en Bording vandaan en blijft Bordings vrouw achter.

Uitdam: De eerste dag drijven ze er voorbij. Ze kunnen het torentje zien en de mensen op de dijk.

Muiden:
Hier drijven ze ook voorbij. Hier kunnen ze de wal niet bereiken wegens drijfijs.

Naarden:
Plaats op de Gelderse kust waar ze aan voorbij drijven.

Marken: Visserseiland wat ze in de verte voorbij zien drijven.

Enkhuizen:
Ze drijven over het Enkhuizerzand maar komen niet aan land.

Schokland:
Dit is weer een visserseiland waar ze de huisjes en de mensen zelfs zien staan

Vollenhove:
Hier zijn ze gered door de vissers van de ijsschots.

8.
Bording ziet er wat ouder uit dan hij is door zijn rimpels boven zijn ogen. Hij heeft een baard. Hij houd hoop tot voorbij marken. Later wilde hij zelfmoord plegen maar snapt later niet dat hij dat wilde.

Klaas is erg voorzichtig. Hij was met botkloppen ook al bang dat het ijs niet sterk genoeg zou zijn door de dooi. Hij praat niet veel in dit boek.

Jaap heeft hele goede ogen. Hij ziet alles van veraf al. Dat is ook bij Muiden zo. Dan ziet hij als eerste dat het vol drijfijs ligt. Hij houd moet en is erg geestdriftig. Als vader en Klaas al lang de moed hebben laten zakken hoopt hij noch. Na die veertien dagen op de ijsschots zegt hij dat hij toch weer varen wil en dat het water zijn vriend en zijn vijand is.

9.
Op oudejaarsavond 1848 zaten familie Bording bij elkaar in het oude schippershuisje in Durgerdam. De sloten, rivieren en zelfs de Zuiderzee lag dicht met ijs en er blies een felle noordoostenwind. Voor de schipper betekent dit geen inkomen. De olielamp brandde zacht en Bording keek tevreden. Hij ziet er wat ouder uit dan dat hij is door zijn rimpels. Kleine Martijn van 4 jaar stond tegen zijn knie gekke gezichten te trekken tegen Marietje de jongste. De jongens Klaas van 19,Jaap van 17 en Arie van 12 jaar zitten aan tafel te knutselen. Koosje van tien helpt moeder de bekers binnen te brengen. Ze krijgen oliebollen met chocolademelk. Maarten zei dat hij later ook schipper wilde worden. Vader zei toen: “het is een mooi maar ook een moeilijk en gevaarlijk beroep. Als ik noch denk aan de oudejaarsnacht van 1833. Toen aten we geen oliebollen en dronken geen chocolademelk”. Arie vroeg wat er gebeurd was en vader vertelt het. Hij lag met zijn schip voor anker bij Enkhuizen met zijn knecht Kees toen het op storm stond. Bording vroeg aan zijn knecht of hij bang was maar dat was hij niet. Hij dacht wel aan zijn oude moeder die afhankelijk van hem was. Kees zij: “schipper gaat u maar naar bed”. Maar daar wou border niets van weten. Toen opeens kwam er een harde rukwind die kees tegen de mast smakte. Dit was volgens hen een waarschuwing. Ze moesten schreeuwen om elkaar te verstaan en zagen elkaar amper. De storm ging zo hard te keer dat ze zich amper op de been konden houden. Toen knapte het anker en ze tegen een Urker schuit kapot. De Urkers probeerden hen noch te redden maar dat mislukte. Toen hebben ze de hele nacht op een balk gedreven. Daarna zijn ze gered door de Urkers. Ze hadden de kracht niet meer om zich op te hijsen maar een paar Urkers sprongen in het water en bonden een touw om hun middel. Toen konden ze opgehesen worden. Na het verhaal was het stil. Arie is de eerste die wat zegt. Hij zegt: ik wil toch visser worden want ik wil hart werken. Vader zegt: als het noch een tijdje doorvriest kunnen we over een weekje botkloppen. Arie vraagt of hij dan ook mee mag. Maar hij weet niet hoe het moet en hij is er noch te jong voor. Vader vertelt hem hoe het moet. Je moet eerst een bijt maken van 2 bij 2 meter.
Meters verder worden op de vier hoeken kleinere bijten gehakt. Door een lange lat van zeventien meter worden de netten onder het ijs geschoven. Door kurken aan de bovenkant wordt het net recht in het water gehouden. Met een balk aan de ene kant afgerond en aan de andere kant een touw word er op het ijs geklopt. Dan worden de botten wakker en zwemmen in de netten. Toen mochten ze noch een oliebol met een beker chocolademelk. Nadat ze wat gelezen hebben en een paar versjes gezongen hebben slaat de klok 12 uur, het nieuwe jaar is begonnen.

Op 1 januari gaan Jaap Klaas en vader weer botkloppen ondanks de dooi. De vangst van gisteren heeft veel opgeleverd. Ze vingen weer heel goed. Daarom blijven ze als alle vissers naar huis gaan. Om tien uur Komt de maan op. Maar als ze de netten uitzetten schuren die over de grond. Gelijk pakt klaas het pijllood en ze ontdekken dat ze drijven. Maar het is zo donker dat ze niet naar huis kunnen lopen over het ijs daarom wachten ze de volgende dag af. De volgende morgen zagen ze niets anders als ijs. Ze liepen in de richting van Durgerdam. Vader liep voorop en Jaap en klaas achter hem met de slee. Plotseling blijft Bording staan zodat jaap en klaas bijna tegen hem opbotsen. Toen ze langs hem heen keken zagen ze de zee schuimend van woede.

Moeder werd ongerust. Waar blijven haar man en de Jongens. Koosje is ook wakker geworden. Ze legt hun droge kleren alvast klaar. Eindelijk hoort ze voetstappen. Het is de buurman. Die heeft bijna niets gevangen. Hij zegt dat ze zo wel zouden komen.
Dan moet ze maar weer wachten. Ze denkt aan Jan Verdonk en piet de leur die ook verdronken zijn met noordoostenwind en regen, maar die probeerde over schotsen de wal te bereiken en het ijs is toch noch goed nu. Om kwart over twee kon ze het niet meer uithouden en Moeder en Koosje liepen naar buiten. Maar toen ze de Zuiderzee zag begon ze hartverscheurend te gillen. Een man vroeg at er gebeurd was. Ze schreeuwde met een verwilderde blik: “Mijn man, mijn jongens”. Al de mensen die er bij stonden waren verslagen en dachten dat ze verdronken waren. Een zus van haar man zij dat ze maar naar huis moest gaan. Daar kwam ze op rust. Ze dacht: als mijn man en Jongens niet meer terug komen moet ik voor de kinderen zorgen.

Bording en zijn zoons zijn naar het noorden gelopen. Misschien kunnen ze daar de Uitdam bereiken want dat steekt wat meer uit in zee. Maar ze drijven minstens vijf kilometer bij Uitdam voorbij. Ze maken daarom een noodvlag. Jaap z’n buis werd aan een lat gebonden. En met die noodvlag zwaait hij hart heen en weer en ze riepen om hulp maar ze dreven voorbij zonder opgemerkt te worden door de uitdammers. Toen gingen ze naar het zuiden misschien konden ze bij Muiden komen. Maar Jaap die de beste ogen had zij na een tijdje: ”het licht vol drijfijs dus daar komen we ook niet door. Vader en Klaas liepen toch noch even door omdat ze hoopten dat Jaap zich vergist had. Maar Jaap had zich niet vergist. Dan lopen ze weer naar het noorden hoewel vader en klaas de moed al lang hebben laten zakken. Na een hele tijd lopen zagen ze aan de horizon het visserseiland Marken liggen. Maar de storm deed hen in oostelijke richting afdrijven. Nu was alle hoop op uitkomst verkeken. Ze zitten moedeloos op de eis. Na een tijdje Zij Jaap: “Laten we een tent maken anders zijn we morgen dood.” “Was het maar zo” zegt Jaap maar vader en Jaap waren het er niet mee eens. Ze bouwden een tent. Toen hadden ze toch noch een beetje beschutting tegen regen en wind. Jaap hoopte noch dat ze een botter zouden sturen om hen te zoeken maar vader zij dat al de mensen dachten dat ze verdronken waren en dat ze daarom niet zouden gaan zoeken. “Zullen we de botten maar terug gooien want we moeten het anders steeds meeslepen. Maar vader zij gooi alles maar weg op vijftig na want die moeten we gebruiken voor eten. De volgende dag kwam de Gelderse kust in zicht. Ze zagen het dorpje Naarden zelfs liggen maar ze dreven het voorbij.
Tot schrik zagen ze dat de kanten van de ijsschots weg begonnen te dooien.

Het was 17 Januari toen er een dichte mist hing, maar het ergste is dat het ijs begon te kruien. De scheuren vlogen door de schots.opeens sloeg de ijsschots in stukken uiteen. Overspringen want we zinken riep Jaap. Maar als ze op een andere schots staan komt er een hele grote schots aandrijven. En weer klinkt het ‘Springen’. Een seconde laten slaat de vorige schots in duizenden stukjes. Hoe lang zou deze nieuwe schots het uithouden? De volgende morgen was vader stil. Jaap en klaas dachten dat hij aan thuis dacht of dat hij ziek was. Ze hielden vader steeds in de gaten. Plotseling ontwaakte hij uit zijn overpeinzing. In zijn ogen flikkerde een koortsig vuur en zijn lippen beefden. Hij pakte Jaap en klaas vast en staarden hen aan. Vader riep klaas. Stil zij vader ik wil noch even naar jullie kijken, ik weet wat je zeggen wilt. Dat ik mij rustig moet houden. Maar waar wachten wij op? Met ontzetting keken Klaas en Jaap vader aan. Hij herhaalde weet jij het? We hopen noch altijd zij Jaap. Een akelige lach klonk over het ijs. Hij zij weet je waas we op wachten om net als met die andere ijsschotsen te pletter te slaan en daarom geef mij die bijl dan hak ik een gat in het ijs en spring er in. Hij greep een bijl en sloeg die hart in het ijs. Dan maar met geweld fluisterde Jaap. Ze grepen vader vast en er ontstond een hevige worsteling. Klaas gooide de bijlen over boord. Vader schreeuwde. Als jullie niet willen sterven laat dan ik alleen maar sterven en rende naar de rand van het ijs. Klaas en Jaap renden achter hem aan en konden hem noch net vastgrijpen.
Toen legden ze hem op de grond. Laat me los riep hij ik wil sterven. Na een tijdje begon hij wat te bedaren. En zijn schreeuwen ging over in zenuwachtig snikken.

In een gelagkamer in Durgerdam zijn border en zijn zoons het onderwerp van gesprek. De een vond dat hij een waaghals was de ander dat hij het misschien ook gedaan had met zo’n gezin. De een zegt dat hij al lang te pletter geslagen is en de ander dat hij van honger gestorven is. Visser Arie Pauw die zich in het begin wat achteraf gehouden heeft zegt zo kunnen we tot morgen ochtend wel door praten maar we moeten wat doen. Wat moeten we dan doen vragen de andere schippers er is toch niets meer voor hen te doen? Arie vroeg aan die schipper die dat zij, doe jij mee Andries Jol? Ja op mij kunt u rekenen. Oké dan varen we morgen uit om zeven uur. Veel vissers vinden het gekkenwerk maar eindelijk krijgt hij toch genoeg vrijwilligers. Arie Pauw Ging het aan mevrouw Bording vertellen. Mevrouw Bording gaf ook noch kleren mee voor Bording en haar zoons. De volgende dag voeren zij uit nagestaard door bijna de hele bevolking van Durgerdam.

Mevrouw Bording haar geld was op. Toen was ze van plan haar bijbel met gouden sloten ten verkopen. Dat hoefde gelukkig niet doordat zij een gift kreeg van twee die het in de krant gelezen hadden. Het was een gift van tien gulden. Toen Bording na twee dagen weer bij kwam kon hij niet begrijpen waarom hij in het water wilde springen. Het was nu weer zaterdagavond. Toen de maan op kwam konden ze weer wat zien torens hoge ijsheuvels die naar een tijdje ruisend in elkaar zakten. Ook begon het te onweren. Ze voeren op heel ondiep water van maar zeven palm diep. Ze voeren op het Enkhuizerzand net voorbij Enkhuizen. De volgen de dag waren Klaas zijn voeten erg dik zo dik dat hij zijn klompen niet meer uitkonden. Het was die maandag en de dagen er na slecht weer het regende hard. Op 25 januari kwam schokland in zicht. Ze zagen uit de schippershuisjes rook omhoog kringelen. Ze riepen uit alle macht maar de mensen hoorden het niet. Toen zag Jaap een tjalk naderen Hij zwaaide uit alle macht maar ze werden niet gezien. Arie Pauw ging weer terug met de tjalk naar de botter van Arie en ze voeren terug naar Durgerdam. De mensen die hen opwachtten waren teleurgesteld en mevrouw Bording zij dat ze haar man en zoons nu nooit meer terug zou zien.

Op vrijdag 26 Januari is de schots heel klein geworden. Daarom gooien ze de latten en het klophout in het water. Ze zien dat ze nu iets hoger liggen. Aan de haven van Vollenhove wordt het ook druk besproken. Piet Tabois vertelt een paar sterke verhalen over zijn opa. Piet kon Bording, Jaap en Klaas wel want daar had hij vroeger wel mee gespeeld daar vertelde hij ook een verhaal over.

Toen twee vissers Klaas Edelenbosch en Gerit visser naar huis liepen zagen ze een meeuw met een haring in zijn bek. Dat bracht hen op het idee om de volgend e morgen uit te varen. Freek de knecht van Gerrit was de hele tijd wat stil. Toen visser vroeg wat er aan de hand was zij hij: “ik denk telkens aan de Durgerdammers”. Aan het einde van de dag toen ze naar huis wilden gaan hoorden ze roepen. Toen zagen ze twee mannen zwaaien. Eén lag er tegen een slee aan. Toen zijn Klaas Edelenbosch en Steven terug gevaren en hebben een tjalk en een roeiboot gehaald. Daarmee hebben ze hen gered. Het was moeilijk om hen te bereiken maar het lukte toch. Heel Vollenhove was uitgelopen voor hen. Ze werden in het huis van Meneer Sauer gebracht.
Daar werden ze door dokter Ekker verzorgd. Mevr. border kwam ook naar Vollenhove. Klaas is aan de koorts gestorven. Jaap en vader knapten gouw op. Een week na de begrafenis voelde Bording zich rillerig. De koorts Joeg door zijn lichaam 11 dagen later stierf hij ook. De dag na de begrafenis ging Jaap met moeder terug. Toen zagen ze de Zuiderzee. Klaas zij de zee is onze vijand en onze vriend. Moeder zei: ik moet voor de kleintjes zorgen, en wat ga jij doen? Jaap zegt zonder aarzelen Varen.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het dan weten door een reactie te geven.