geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

ff n studiebreak

Maandag begint de nieuwe Weg Over Rozen! Hier vast al het tergende, romantische, schokkende, suïcidale en strontvervelende uit seizoen 1 op een rij.

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

Geschreven door:

Wilke (4 vwo)

Datum ingestuurd:

29 maart 2004

Taal:

Woorden:

2.450

Bekeken:

6136 keer (15 deze maand)

Waardering:

2.8/5 (40 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 

Over Jacob van Maerlants ‘Der Naturen Bloeme’

In de Proloog vermeldt Maerlant dat hij de eerste Nederlandse auteur is die van zoveel schepselen de eigenschappen en het wezen behandelt. Hij heeft zijn stof gevonden bij Albertus Magnus, zo denkt Maerlant. In werkelijkheid is zijn bron geschreven door een leerling van Albertus: Thomas van Camtimpré. Maerlant bracht het Latijnse proza (titel: De naturis rerum) over in Middelnederlandse poëzie. Ten aanzien van Maerlants vertaaltechniek merken we het volgende op:
a. Hij volgt zijn bron vrij nauwkeurig.
b. Weglatingen zijn veelal vereenvoudigingen.
Doelgroep van Thomas: ordebroeders, Dominicanen, die het konden gebruiken bij hun preken.

Doelgroep van Jacob: leken (adel en burgerij).
Dit boek is geschikt tot ‘medicine en de dachcortinghe’ voor niet’latinisten.

c. Toevoegingen zijn vaak moralisaties. Hij hekelt regelmatig de slechte zeden van de adel!
Maerlant schreef zijn beestenboek voor Nicolaes van Cats, een edelman, in 1266.

Maerlant verenigt in zijn boek 2 tradities:

1. Wetenschappelijke traditie.
Pas in 1220 komt er in de Westerse wetenschappelijke wereld een vertaling van Aristoteles’ natuurwetenschappelijke werken: De animalibus (vertaling uit het Grieks in het Latijn)

2. Moralistische traditie.
Tot ongeveer 1250 worden de Middeleeuwse bestiaria beheerst door een Latijns volksboek: de Physiologus Latinus. Het is oorspronkelijk ongeveer 200 na Christus geschreven in het Grieks door christenen uit Alexandrië. De grondslag van de Physiologus ligt in Job 12 vers 7: ‘En waarlijk, vraag toch de beesten, en elkeen van die zal het u leren; en gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven.’
In de schepping liggen waarschuwingen voor de mens en zij moet de mens herinneren aan de heilsboodschap. Bijvoorbeeld: de leeuw roept na 3 dagen zijn jongen door middel van gebrul tot leven. Dit moet de mens herinneren aan de opstanding na 3 dagen uit de dood van Christus.
Ook heel populair in de Middeleeuwen was het boek van Isidorus van Sevilla (560-636 n. Chr.): Etymologiae. Grondgedachte hierin is: geen schepsel heeft zijn naam zonder zin ontvangen.

Bijvoorbeeld: Een aap heet Simia vanwege zijn silitudo (gelijkenis) met de mens. De ongeloofwaardige vertelsels die Maerlant in zijn werk ons opdist, vinden hun verklaring in de geschiedenis van de biologie zoals boven is uitgelegd en in het Middeleeuwse autoriteitengeloof. Een voorbeeld van dit laatste vinden we in de vertaling van het woord struisvogels in de Septuaginta (Griekse bijbelvertaling) door het woord Seirènes. Dit vinden we in Jesaja 13: de struisvogels en de boze geesten zullen in Babylon rondhuppelen. De conclusie die de Middeleeuwer nu trekt is deze: De Sirenen uit Homerus worden in de Bijbel genoemd, dus bestaan zij. De Bijbel bezat absolute autoriteit.
Bestiaria waren in de Middeleeuwen zeer populair. Motieven hieruit kom je tegen in: poëzie, kapitelen, koorbanken, preken, schilderijen en miniaturen.
Vele Middeleeuwse dieren leven nu nog voort in onze taal: een ongelikte beer, krokodillentranen, adelaarsblik, apenliefde, zwanenzang en struisvogelpolitiek.

Ik heb een vertaling van ‘Der Naturen Bloeme’ gelezen: Het boek der natuur.
Daaruit kies ik 10 dieren. Bij elk dier vat ik samen wat daarover gezegd wordt.

Aap
Het Latijnse woord voor ‘aap’ is simia. Apen zijn ruig behaard en hun lichaamsbouw komt overeen met die van de mens. Apen krijgen bij iedere worp twee jongen: het ene haten ze en het andere hebben ze lief. Als ze moet vluchten voor jagers geeft ze haar liefste jong prijs, doordat dat aan haar borst zit. Apen zijn schrandere beesten, ze doen alles na wat hun wordt voorgedaan. Daardoor kunnen apen ook makkelijk worden gevangen.
Apen kunnen niet stilzitten. Ze kunnen gemeen bijten en vergeten niet snel onrecht dat hen is aangedaan. Ze eten graag appels en noten.
Ze hebben meestal geen staart. Apen hebben de tanden, de mond, de ogen en de wenkbrauwen van een man, maar de armen, handen en borsten van een vrouw. Het inwendige van de aap heeft niets gemeen met dat van de mens.

Eenhoorn
De eenhoorn wordt ook wel unicornus of espentijn genoemd. Zijn Griekse naam is rhinoceros, omdat hij een hoorn tussen zijn neusgaten heeft staan.
Hij is klein en heeft korte poten. De eenhoorn is zeer snel en kwaadaardig: geen jager kan hem vangen. Zijn vacht is geelblond en zijn hoorn meer dan een meter lang, ijzersterk en heel scherp. Hij leeft hoog in de bergen en in onherbergzame en verlaten streken.
Als een maagd alleen in het woud loopt en er een eenhoorn komt, zinkt hij in aanbidding voor haar neer. Zo kan hij gevangen worden.
Volgens Van Maerlant is de eenhoorn een zinnebeeld van de Zoon van God, omdat Die eerst zijn gramschap over de aarde uitstortte en door de Maagd Maria Zijn toorn liet varen. Hij is in de schoot van de reine maagd gevangen door de jagers – dat zijn de joden. Zij hebben Christus vermoord.

Leeuw
De leeuw wordt ook wel leo of liebaard (in Vlaanderen) genoemd. Hij is de koning van de viervoetige dieren. Er zijn drie soorten. Leeuwen van de eerste soort zijn klein en hebben een ruwe vacht en krullende manen. Deze leeuwen zijn niet sterk en niet vurig. De tweede soort wordt verwekt door de wilde pardus. Deze zijn nobel noch moedig en hebben geen manen. De derde soort, de edele leeuwen, daarentegen zijn groot en gladharig, sterk, snel en onverschrokken. Ze hebben een nobele inborst en kennen geen valsheid. Hun gemoedsgesteldheid kan worden afgelezen aan hun voorhoofd en staart. De kracht van leeuwen schuilt in hun borst en voorpoten.
Leeuwen zijn ieder moment tot paren bereid. De leeuwin krijgt vijf keer jongen: de eerste keer vijf, de tweede keer vier, enz. De welpen worden pas drie dagen na de geboorte door het brullen en briesen van hun vader gewekt uit een slaap die niet van de dood is te onderscheiden.
Een leeuw wordt niet snel kwaad, tenzij iemand hem pijn doet, maar wanneer zijn woede eenmaal gewekt is, zijn de gevolgen fataal. Hij spaart echter degenen die zich voor hem op de grond werpen. Ook een ontsnapte gevangenen laat een leeuw met rust. Een leeuw doodt alleen mensen wanneer hij anders zou omkomen van de honger, en dan nog bij voorkeur mannen en liever vrouwen dan ongerepte maagden. Als een leeuw slaapt blijven zijn ogen geopend.
Zijn sporen wist hij uit met zijn staart, zodat hij minder makkelijk te volgen is.

Olifant
De elephas is de olifant. Hij is groot en sterk en heeft een slurf, waar hij mee kan eten. Door hun moed en trouw zijn het in de oorlog zeer bruikbare dieren. Het geluid dat olifanten uitstoten is zo krachtig dat het iedereen angst aanjaagt. Olifanten hebben grote slagtanden, die naar boven zijn gebogen en meer dan een meter lang zijn. Van deze tanden worden geneesmiddelen gemaakt. Het poeder dat overblijft als ze verbrand zijn, stelpt neusbloedingen, stopt diarree, is het beste middel om menstruatie te stoppen en geneest bloedende aambeien. Olifantstanden zijn gemaakt van het fijnste ivoor; hoe krommer de tanden, hoe meer ze waard zijn. In oude boeken staat hoe men olifanten moet vangen. Twee meisjes die nog maagd zijn lopen naakt de wildernis in. Een van hen draagt een kelk, de ander een zwaard en ze zingen uit volle borst. Zodra de olifant hen hoort, komt hij naar hen toe en als hij hen ziet likt
Uit ‘Der Naturen Bloeme’

hij hun kuise ledematen, hun borsten en hun naakte lichaam. Hij geniet er van en valt in slaap. Het ene meisje steekt dan het zwaard in zijn lijf, het andere vangt het bloed op. Met het bloed worden koningsmantels purperrood geverfd. Het bloed en de maagden verwijzen naar Jezus en naar het Oude en Nieuwe Verbond.
Olifanten moeten als volgt getemd worden: Eerst wordt het door de jagers afgeranseld. Vervolgens verschijnt degene die het dier aan zich wil onderwerpen en jaagt de eerst man weg. Dat maakt de olifant zo dankbaar dat hij degene die hem van de pijn heeft verlost met eerbied bejegend en altijd zal gehoorzamen. Dit verwijst ook naar het feit dat de mens Christus moet danken voor Zijn verlossing.
Tussen de olifant en de draak heerst een onverzoenlijke vete. De draak zuigt, als hij een olifant te pakken heeft, al het bloed eruit waarna de olifant ter aarde stort en soms zijn vijand verplettert. De olifant pakt de draak terug door de slaapplaats van de draak op te zoeken en hem te bedelven onder een massa stenen. Aan die vijandschap komt nooit een einde.
Olifanten paren als de vrouwtjes tien en de mannetjes vijf jaar oud zijn. De paartijd duurt twee jaar, maar ze paren slechts twee dagen van ieder jaar. Het zijn zulke kuise en preutse dieren dat ze in het verborgene paren en niet terugkeren naar de kudde voor ze zich gewassen hebben. Er wordt niet gevochten om de vrouwtjes, want olifanten plegen geen overspel. Mensen kunnen nog een voorbeeld nemen aan het beschaafde gedrag van deze dieren!
Als ze paren beklimt het mannetje het vrouwtje. De moeder loopt twee jaar rond met het jong in haar buik en brengt het ter wereld in een beek. Het mannetje blijft altijd in de nabijheid van het vrouwtje als ze moet kalven. De geleerde Solinus zegt dat olifanten maar één keer dragen, maar Van Maerlant zegt dat ze drie tot vijf keer drachtig kunnen worden.
Als een olifant een muis ziet, siddert hij van angst en slaat op de vlucht.
Nog een paar feitjes over de olifant:
Olifanten worden driehonderd jaar oud. Ze kunnen niet tegen de kou. Tamme olifanten buigen voor de koning. Om te rusten moet een olifant op zijn achterste gaan zitten. Olifanten hebben geen knieën; ze kunnen zich niet oprichten als ze zijn gevallen. Wind is zeer schadelijk voor een olifant. Alle olifanten drinken graag wijn. Ze blijven groeien tot ze veertig jaar oud zijn. Olifanten houden van rivieren.

Pegasus
De pegasus is een afschuwwekkend dier dat voorkomt in Ethiopië. Hij is zo groot als een paard en heeft de vleugels van een arend, maar dan veel groter. Op zijn kop staan grote horens. Alles wat hij tegenkomt, boezemt hij vrees in. Dit vliegende paard kan zo’n snelheid ontwikkelen, dat hij als een wervelwind voorbij komt stormen. Hij heeft veel voedsel nodig. Het is de schrik van alle dieren, maar hij heeft het vooral op mensen voorzien.

Wezel
De wezel wordt ook wel mustela genoemd. Het is een sluw roofdier, dat zijn jongen voortdurend verplaatst, om te voorkomen dat ze ontdekt worden. Wezels wonen in holen en vangen slangen en muizen. Wezels beschikken van nature over kennis van medicijnen. Als de wezel zijn jongen dood vindt, haalt hij een bepaald kruid, dat ze weer tot leven wekt. Solinus schreef dat de wezel zelf sterft korte tijd nadat hij de basilisk, die mensen doodt met zijn blik en dieren met zijn adem, heeft doodgebeten.
De gal van de wezel is een middel tegen het gif van de aspis. Als je de wezel kookt in olijfolie en daarna de olie door een doek perst, ontstaat een kostbare zalf die goed is tegen jicht, voor de zenuwen en tegen voetkwalen.

Zeemeermin
De zeemeermin wordt ook wel sirena genoemd. Zeemeerminnen bezitten tot hun navel het lichaam van een vrouw. Ze zijn groot en hebben een afschuwwekkend uiterlijk, met overvloedig en verwaarloosd haar. Zeemeerminnen geven hun kinderen, net als vrouwen, de borst. Zeelui moeten niets van hen hebben. Zeemeerminnen hebben arendsklauwen en vissenschubben, en een vissenstaart, die ze als roer gebruiken. Hun gezang is zo betoverend dat iedere zeeman die hen hoort, in slaap valt. Daarna wordt hij door de zeemeerminnen verdronken en verscheurd.
Zeemeerminnen leven voornamelijk in zee en minder vaak in rivieren. Odysseus bedacht een manier om aan hen te ontsnappen: hij stopte zijn oren dicht als hij hen voorbij moest varen.

Aspis
De aspis is een geelblauwe slang. Wie erdoor gebeten wordt, gaat dood, maar het is mogelijk om de aspis te bezweren, zijn gif onschadelijk te maken en hem te vangen. Er wordt jacht op hem gemaakt omwille van de zeldzame en kostbare steen in zijn kop. Solinus schrijft dat deze slangen altijd in paren leven. Als een van hen gedood wordt, is het verdriet van de andere zo groot, dat hij de dader hardnekkig achtervolgt en zal aanvallen. De slang zal niet rusten voor hij de moordenaar van het leven heeft beroofd.
Een Egyptenaar had de gewoonte om aan zijn tafel een aspis te voeren, die nooit iemand kwaad deed. Het dier kreeg twee jongen en een daarvan doodde een kind van de man. Toen de moederslang het merkte, verscheurde ze haar jong en verdween om nooit meer terug te keren.
De aspis heeft slagtanden, net als het everzwijn.

Basilisk
De basilicus draagt zijn Latijnse naam, die ‘kleine koning’ betekent, met ere: hij is de koning van alle giftige dieren. Dit dier is gewoonlijk vijftien centimeter lang en wit gevlekt. Alle slangen sidderen van angst voor de basilisk, omdat hij ze met zijn adem kan doden. Zijn blik is dodelijk voor mensen wanner hij hen eerder ziet dan zij hem.
Het gif van de basilisk richt ook bomen, gras en alle andere gewassen te gronde, zijn adem doet stenen barsten en vergiftigt de lucht. De basilisk kan alleen overwonnen worden door een wezel. De wezel bijt de basilisk dood, maar moet de overwinning wel met zijn leven betalen. Ook door de dood neemt de kracht van het serpent niet af: een muur die besmeerd is met de as van de basilisk houdt alle vergif tegen, zelfs spinnen weven daar geen web tegenaan.
Er bestaan ook gevleugelde basilisken, maar God staat niet toe dat die zich ver van hun woonplaats verwijderen, omdat ze anders de wereld in een woestenij zouden veranderen.

Draak
Draco, de draak, is de grootste van alle dieren. Draken hebben een kam op hun kop en een kleine bek voor dieren die zo groot zijn. Alles waar de draak zijn staart omheen slaat is ten dode opgeschreven. Draken houden zich op in rotsen en spelonken, want het zijn hete dieren. Alle mensen sidderen voor hun gebrul en hun blik doet sommigen sterven van angst. Als draken oud zijn, eten ze weinig. Draken vliegen soms door de lucht. Hun vleugels bestaan alleen uit vel. Waar een draak heeft gevlogen is de lucht vergiftigd.
In de kop van de draak bevindt zich een kostbare steen, de dracontia, die alleen goed is als hij eruit wordt gehaald terwijl de draak nog leeft. De steen is een middel tegen vergif. Hij is zeer geliefd bij oosterste koningen.
De tong en de gal van de draak kunnen iemand die bezeten is verlossen van de duivels die hem kwellen. Een draak vangt men zo: Eerst moet de draak bezworen worden, vervolgens moet men op een trommel slaan, waardoor de draak zal denken een donderslag te horen en dan bindt diegene zich vast op de draak en laat zich wegvoeren.
Een andere manier is: Een kalf ontdoen van zijn ingewanden en het vullen met versgebrande kalk. De draak verzwelgt het kalf. Als het kalk in zijn maag is aangeland begint het kalk te gloeien. De draak gaat drinken, mar daardoor wordt de kalk nog heter, het ontbrandt en breekt het hart van de draak.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het dan weten door een reactie te geven.