Info over dit verslag
Geschreven door: | |
Niveau: | 5VWO |
Kwaliteit: | ![]() ![]() ![]() ![]() |
Waardering: | ![]() ![]() ![]() |
Taal: | Nederlands |
Woorden: | 2498 |
Opvragingen: | 5 |
Hulpmiddeltjes
Waardering
Gemiddelde waardering: 3 uit 5 (10 stemmen)
Titels van Maarten 't Hart
De aansprekers (9) 1979 De droomkoningin (9) 1980 De Jacobsladder (11) 1986 De kroongetuige (86) 1983 De nakomer (6) 1996 De ortolaan (8) 1984 De scheltopusik (1) 2003 De steile helling (1) 1988 De versnijdenis (1) 1982 De vlieger (12) 1998 De zonnewijzer (27) 2002 Een vlucht regenwulpen (23) 1978 Het longvolume (1) 1982 Het psalmenoproer (3) 2006 Het uur tussen hond en wolf (6) 1987 Het vrome volk (3) 1974 Het woeden der gehele wereld (20) 1993 Ik had een wapenbroeder (6) 1973 Laatste zomernacht (10) 1977 Laatste zomernacht & De kroongetuige (1) 1983 Lotte Weeda (7) 2004 Mammoet op zondag (1) 1977 Stenen voor een ransuil (6) 1971 Verzamelde verhalen (1) 1992
Laatst gewijzigd op 6 juni 2004
Beschrijving
1. De schrijver heet Maarten ‘t Hart.
2. De titel is: Het vrome volk.
3. Dit boek is in 1985 bij drukkerij Tulp in Zwolle gedrukt.
4. Het boek is uitgegeven door Uitgeverij De Arbeiderspers te Amsterdam.
5. Het jaar van eerste druk is 1974.
6. Het boek telt 134 bladzijden.
7. Dit boek bevat noch een motto, noch een opdracht.
8. Het boek is verdeeld in 11 korte verhalen, met elk een eigen titel. De verhalen zijn allen weer verdeeld in hoofdstukken, aangegeven met gewone cijfers. Met name de laatste verhalen zijn zo ingedeeld; de eersten zijn te kort om ook nog in hoofdstukken te verdelen.
9. De samenvatting zal ik per verhaal vertellen:
(Door het hele boek is de hoofdpersoon met ‘ik’ aangeduid. In de samenvatting heb ik hem de naam Ammer gegeven. Dit om de samenvatting wat makkelijker te kunnen lezen.)
Verhaal 1: Het braakland
Tijdens een kerkdienst zit Ammer voor zich uit te staren. Hij denkt na over wat er nou eigenlijk wordt gezegd in de preek. Zijn gedachten dwalen voortdurend af, waarna zijn vader hem weer moet aanstoten, om hem er weer met z’n gedachten bij te halen. Opeens hoort hij naast zich een zacht gebrom. Eerst denkt men dat Quack, de man naast hem, in slaap is gevallen. Later blijkt, dat hij aan het sterven is. Ammer denkt nog wat na en vindt, dat Quack een mooie dood heeft.
Verhaal 2: De bunzing
Ammer ziet achter zijn huis een bunzing rondscharrelen. Hij roept zijn vader, die er, samen met de buurman, meteen met een riek achteraan gaat. Ze jagen de bunzing op en drijven hem door de tuin. Wanneer het beestje zich heeft verschanst in een schuurtje, weet Ammers vader de bunzing te doden. Ammer baalt van het feit, dat hij wat tegen zijn vader heeft gezegd. ‘s Avonds, bij het vieren van de bunzingjacht schreeuwt Ammer tegen de volwassenen dat hij het gemeen vindt. Ze hebben een schepsel van God gedood. Dat hoort volgens hem niet. Volgens zijn opa mag dat juist wel, als mens zijnde. Ammer vindt het zielig voor de bunzing en aait het beest. Iedereen voelt zich een beetje schuldig eigenlijk.
Verhaal 3: Het paard
Ammer hoort van een paar mensen dat er een paard in de gracht ligt. Wanneer hij gaat kijken, is men al bezig het beest op de kant te zetten. Dit mislukt een aantal keren. Dan besluiten de mensen om het paard naar de zandwal te trekken, net buiten te stad. Dat lukt en het paard klimt op de kant. Na onderzoek van de dierenarts, moet het paard afgemaakt worden. Niemand durft dat, maar Ammers vader wil het wel doen. Het hakt het hoofd eraf en het paard sterft.
Verhaal 4: Handel
Ammer wordt door zijn oom gevraagd om hem te helpen bij zijn werk. Hij leert hoe hij moet handelen en hoe hij simpel geld kan verdienen. Hij hoeft bij de mensen waarvan zijn oom de orgels inkoopt even wat te spelen, zodat zijn oom het geluid kan beoordelen. Zijn oom belazert de mensen door te zeggen dat de inkoopproducten in slechte staat zijn, om ze zo tegen een klein prijsje mee te nemen. Ammer vindt dat heel stom, maargoed, dat is handel.
Verhaal 5: De aardbeienplukker
Ammer heeft een vakantiebaantje gevonden als aardbeienplukker. Als hij daar aankomt wordt hij meteen al een beetje gepest omdat hij nog zo jong is en dat hij met zijn kleine handjes geen aardbeien kan plukken. Als hij aan het plukken is hoort hij dat de meisjes en de jongens na het plukken het koren in gaan om daar te vrijen. Hij is daar hartstikke bang voor en wil er niets van weten. De jongens pesten hem overal mee. Ze roepen dat hij besneden zou zijn. Op een gegeven moment pakken ze met ze allen hem en trekken ze broek uit en wrijven over z'n penis. Hij gaat helemaal ten onder van schaamte en vlucht het koren in waarin hij uitrust. Ook besluit hij dat hij nooit meer gaat aardbeien plukken.
Verhaal 6: De neef van Matahari
Er is een nieuwe dominee in het dorp gekomen. Hij heet dominee Zelle en hij zou de neef van Matahari zijn. De dominee kan doen wat hij wil, want iedereen accepteert hem vanwege zijn goede preken. Hij is de beste dominee die ze ooit gehad hadden. Toch zijn de echte kerksleden niet blij met hem en ze proberen op alle mogelijkheden van hem af te komen. Maar in eerste instantie lukte dat niet. Op een gegeven moment achtervolgen ze de dominee. Ze verliezen hem uit het oog en alleen Ammer wist waar hij heen ging. Hij vertelde de achtervolgers welke kant de dominee opging. De achtervolgers gingen hem achterna en ze ontdekten dat de dominee naar de hoeren ging. Ze hebben dus nu een goede reden om hem af te zetten als dominee.
Verhaal 7: Ouderlingenbezoek
De familie van Ammer krijgt ouderlingenbezoek van de kerk. Ondertussen was er in de familie al heel wat veranderd ten opzichte van de kerk. De familie was niet meer streng gelovig waren. De ouderlingen waren een beetje boos dat de familie niet meer in de kerk kwam, maar de vader zag dat heel anders in. Hij vond de ouderlingen niet meer belangrijk. Vooral in zijn huis hadden zij niet meer recht dan hij. Dus dat liet hij ook duidelijk merken. Hij liet ook duidelijk merken dat zijn kinderen (dus ook Ammer) zelf moesten weten naar wat voor scholen ze gingen en wat voor dingen ze deden. Daar hebben ouderlingen niks over te zeggen, vindt vader.
Verhaal 8: Hoge hoed
De oom van Ammer vertelt hem een verhaal over hoge hoeden. Zijn oom, die dominee is, moest is in een dorp een preek houden bij een begrafenis waar hij een speciale hoge hoed op wilde doen, omdat dat gepast was dacht hij. Toen hij in het dorp was, bleek de hoed niet te paste. Hij droeg de hoed dus maar voor zijn buik. Iedereen dacht dat
zo hoorde bij zo'n begrafenis. Dus nu dragen ze nog allemaal hun hoge hoed voor hun buik als er iemand begraven werd. De oom vond het wel grappig maar Ammer vond het niet echt een leuk verhaal.
Verhaal 9: Hoofdschedelplaats
Als Ammer in het leger wordt overgeplaatst naar een andere kazerne ontmoet hij daar zijn oom die lang geleden het contact verbroken had met de familie. Die oom is nu kapper in het lege. De kapper vertelt allemaal dingen over god en Jezus die Ammer, naar eigen zeggen, begrijpt. Iedereen verklaart de kapper voor gek en Ammer moet maar niet zeggen dat hij zijn neefje is. Maar hij schaamt zich helemaal niet voor zijn oom en hij vertelt rustig aan de anderen dat de ‘maffe’ kapper zijn oom is.
Verhaal 10: Een oxim uit Amerika
Ammer moet naar Brussel om daar een vergadering bij te wonen van chemische stoffen. Hij krijgt daar allemaal dingen te horen over biologische en chemische wapens. Hij krijgt ook testen te zien die op dieren worden uitgevoerd en die verschrikkelijk slecht zijn voor hen. Hij kan niet naar die dierproeven kijken. Hij vindt het zielig dat dat soort testen op dieren worden uitgeoefend. Hij ziet het allemaal met pijn in zijn hart aan.
Verhaal 11: Hoogzomer in april
Ammer is weer thuis en zit weer in het normale leven. Hij ziet nu alle dingen anders. De hele natuur klopt niet meer volgens hem. Hij ziet alle dingen allemaal anders en probeert er dingen in te veranderen. Hij heeft gezien dat de mens alles met de natuur kan doen. Ze kunnen dieren klonen, de bloemen in de winter laten groeien en zon altijd maar laten schijnen. Hij denkt ook steeds weer terug aan vroeger met de goede godsdienst. Hij is nog altijd een beetje gelovig. Het boek sluit af met Ammer, die aan zichzelf vraagt of het wel rechtvaardig is dat de mens blijft voortbestaan.
Structuurelementen
1. Het verhaal speelt zich zo’n veertig à vijftig jaar geleden en neemt ongeveer 25 jaar in beslag. Dat is te zien aan het gedrag van de hoofdpersoon. Het verhaal is wel chronologisch verteld, maar er ontbreekt wel een groot gedeelte. Het ene moment is de hoofdpersoon een klein jochie en het andere moment is hij al volwassenen.
2. Het verhaal speelt zich af in Maassluis, maar de plaats speelt niet geen belangrijke rol.
3. Personen: ik zal de belangrijkste personen uit het boek beschrijven:
De ik-figuur: hij is de hoofdpersoon van het verhaal. Deze persoon is in alle verhalen aanwezig waar hij elke keer een andere gebeurtenis beleeft. De ene gebeurtenis is leuk de andere een nachtmerrie. Deze jongen is heel ondernemend en doet veel dingen. Zo helpt hij zijn oom om te helpen handelen met orgels en werkt hij bij aardbeienplukkers. Dit boek gaat vaak niet om de eigen persoon. Hij is meestal niet de persoon waar het om verhaal echt om gaat. Hij is altijd wel degene waardoor je het verhaal ziet maar het draait meestal om anderen.
Quack: Een oud erg gelovig mens, die in de kerk voor zijn ogen de mooiste dood heeft wat je ook maar kunt bedenken.
Dominee Zelle: is niet bang voor kritiek. Bedenkt helemaal zijn eigen manieren en doet dingen die andere mensen nooit zouden doen. Hij krijgt bijna de hele kerk achter zich maar niet iedereen. Dat kwam omdat hij niet wilde trouwen en dus ergens anders aan zijn trekken kon komen. Iemand van de kerk is hem gevolgd en heeft gezien dat hij naar de hoeren ging. De hoofdfiguur had hem verraden.
De vader van de ik-figuur: Hij is erg stug en laat niemand over zich heen lopen. Hij kan erg boos zijn en laat goed merken dat hij de baas is in zijn eigen huis. Zijn vrouw ziet dat allemaal anders. Zij is meer gelovig.
Oom Tjeerd: oom Tjeerd is de oom van de ik-figuur. Oom Tjeerd komt pas laat in het verhaal voor. Hij is kapper op de militaire basis waar de ik-figuur ook zit. Ze komen elkaar daar tegen waar de kapper veel over God en Jezus praat. Hij zegt allemaal dingen die de ik-figuur zegt te snappen, maar eigenlijk snapt hij het helmaal niet. Deze oom Tjeerd wordt door iedereen voor gek verklaard.
4. Het hele boek is geschreven in het ik-perspectief.
5. Het verhaal is realistisch en alle verhalen zouden echt gebeurd kunnen zijn.
6. Lange zinnen en korte zinnen worden afgewisseld. Veel beschrijvingen van mensen, dieren en dingen zijn er niet, maar wel veel beschrijvingen van gedachten van de ik-persoon. Er worden niet veel bijvoeglijke naamwoorden gebruikt. Ook wordt geen gebruik gemaakt van beeldspraak.
Bedoeling
1. In Maassluis, waar de ik-persoon woont, is iedereen erg gelovig, erg vroom. Iedereen gaat naar de kerk. De inwoners van Maassluis zijn dus een vroom volk.
2. Er is geen motto.
3. Het motief is eigen wil; ook al is iedereen in Maassluis gelovig, iedereen doet toch wat hij of zij zelf wil. Vooral bij de ik-persoon komt dit goed naar voren.
4. Het leidmotief is onzekerheid; de ik-persoon is snel onzeker over dingen. Zo langzamer-hand krijgt hij wel meer een eigen wil.
5. Het thema is het gereformeerde geloof.
6. De idee is dat ook al zijn mensen gereformeerd, ze hebben nog wel een eigen wil en kunnen nog doen wat ze zelf willen.
Schrijver
1. Maarten 't Hart is op 25 november 1944 geboren in Maassluis. Hij groeide op in een streng gereformeerd gezin. Uit dit milieu probeerde hij zich later los te maken. Tegenwoordig heeft hij een zeer goede band met zijn vader die hem, naast liefde voor literatuur, een hoop bijbracht over de natuur. Het is dus niet verwonderlijk dat hij na het lyceum biologie ging studeren. De studie verliep vlot en in 1978 promoveerde ‘t Hart zelfs in de ethologie.
2. Zijn carrière begint in 1971 wanneer hij als Martin Hart de roman 'Stenen voor een ransuil' publiceert. Vanaf 1972 schreef Maarten veel kranten- en tijdschriftartikelen. In 1974 publiceert hij zijn eerste verhalenbundel 'Het vrome volk', waarvoor hij de Multatuliprijs ontving. In 1978 brak hij door bij een zeer groot publiek met 'Een vlucht regenwulpen', waar inmiddels een miljoen exemplaren van zijn verkocht. De verfilming oogstte eveneens grote successen. Sindsdien toont zowel binnen- als buitenland een enorme belangstelling voor zijn werk. Met name in Duitsland zijn zijn boeken bestsellers. Niet alleen zijn romans en verhalenbundels worden goed verkocht, ook zijn essaybundels zijn kaskrakers.
3. In de pers worden ‘t Harts werken lovend besproken. ‘t Hart formuleert “spits, openhartig en humoristisch” en zijn opinies “dagen je uit om over allerlei zaken na te denken die je anders nauwelijks aandacht zou geven”.
4. Met de verschijning van de roman 'Het woeden der gehele wereld', die werd bekroond met de Gouden Strop 1994 voor het spannendste boek, werd de twee miljoenste 'Maarten 't Hart' verkocht en dat getal stijgt elke dag. Voor de reeks Privé-domein schrijft 't Hart in 1984 zijn autobiografie 'Het roer kan nog zesmaal om': een ongekend succes bij zowel liefhebbers als buitenstaanders. De auteur maakt een 'persoonlijke kroniek 1999' die in 2000 als Privé-domein verschijnt onder de naam 'Een deerne in lokkend postuur': niet alleen een dagboek, maar ook een boek der herinneringen.
Beoordeling
1. Het onderwerp is het gereformeerde geloof. Ik vind religie eigenlijk best een leuk onderwerp: het interesseer me best wel. Ook vind ik het wel leuk om op deze manier, via korte verhalen, wat over het geloof te weten te komen. Ik vond dat het onderwerp niet oppervlakkig behandeld werd: je kreeg van allerlei kanten wat te weten over het geloof.
2. De gebeurtenissen en de gevoelens en gedachten zijn best belangrijk in het boek. Door middel van het weergeven van gebeurtenissen kom je de gedachten van sommige personen te weten. Er gebeurde genoeg in het boek: het was niet saai of langdradig. Maar er gebeurde ook niet zo veel dat het lastig was om te volgen. Ik vond de gebeurtenissen vrij normaal: er worden allemaal dingen uit het dagelijks leven beschreven, waar we nu nog steeds mee te maken hebben. De gebeurtenissen riepen geen bepaalde gevoelens bij me op. De aflopen van de verhalen vond ik altijd goed: het werd nooit afgeraffeld.
3. De personen worden goed beschreven. Met name de hoofdpersoon is levensecht. Je kijkt met een gewoon persoon mee door zijn ogen. Ook de andere personen waren levensecht: iedereen reageert menselijk op de gebeurtenissen. De relaties tussen de personen waren duidelijk beschreven en waren ook levensecht.
4. De opbouw van het verhaal was goed. De verhalen zijn makkelijk opgebouwd. Ik denk dat dit wel moet omdat het vrij korte verhaaltjes zijn. Het leest dan heel plezierig als het een makkelijke opbouw heeft. Er zaten geen delen in het boek die ik niet heb gelezen omdat ze te saai of onbegrijpelijk waren. Ik vond niet dat er spannende delen in het boek zaten. De verhalen vond ik wel humoristisch.
5. Het taalgebruik vond ik vrij makkelijk: er wordt op een gewone manier beschreven wat er allemaal gebeurt en wat de mensen denken. Er worden geen moeilijke woorden in gebruikt. De beschrijvingen zijn erg goed: ik kon de personen levensecht voor me zien. Er komen veel gesprekken in het boek voor en deze werden op een natuurlijke wijze weergegeven.
Belangrijk!
De verslagen op Scholieren.com zijn bedoeld als naslagwerk. Lever nooit verslagen van internet zomaar bij je leraar in. Je bent zelf verantwoordelijk voor de gevolgen van dit soort fraude.
Wij krijgen de verslagen van scholieren. Hierdoor kan het gebeuren dat er foute informatie online staat. Gebruik geschiedt dus op eigen risico. Kom je een fout tegen? Laat het ons weten.




Openen in tekstverwerker
Printen
Emailen