Info over dit verslag
Geschreven door: | |
Niveau: | 4VWO |
Kwaliteit: | ![]() ![]() ![]() ![]() |
Waardering: | ![]() ![]() ![]() ![]() |
Taal: | Nederlands |
Woorden: | 4056 |
Opvragingen: | 43 |
Hulpmiddeltjes
Waardering
Gemiddelde waardering: 4 uit 5 (28 stemmen)
Titels van Maarten 't Hart
De aansprekers (9) 1979 De droomkoningin (9) 1980 De Jacobsladder (11) 1986 De kroongetuige (86) 1983 De nakomer (6) 1996 De ortolaan (8) 1984 De scheltopusik (1) 2003 De steile helling (1) 1988 De versnijdenis (1) 1982 De vlieger (12) 1998 De zonnewijzer (27) 2002 Een vlucht regenwulpen (23) 1978 Het longvolume (1) 1982 Het psalmenoproer (3) 2006 Het uur tussen hond en wolf (6) 1987 Het vrome volk (3) 1974 Het woeden der gehele wereld (20) 1993 Ik had een wapenbroeder (6) 1973 Laatste zomernacht (10) 1977 Laatste zomernacht & De kroongetuige (1) 1983 Lotte Weeda (7) 2004 Mammoet op zondag (1) 1977 Stenen voor een ransuil (6) 1971 Verzamelde verhalen (1) 1992
Laatst gewijzigd op 13 juni 2004
Beschrijvingsopdracht
Titel: Ik had een wapenbroeder
Auteur: Maarten ’t Hart
Eerste druk: 1973
Gebruikte druk: 1990 (10e)
1.1) Motivatie boekkeuze
Meneer Maas had aan het begin van het schooljaar enkele goede schrijvers/boeken genoemd voor de vierde klas. Wat me opviel was dat Maarten ’t Hart een behoorlijk aantal goede boeken had geschreven en dit boek heb ik daaruit gekozen, omdat het met de militaire dienst te maken heeft en dat vind ik altijd wel interessant. Daarom heb ik dit boek gekozen.
1.2) Samenvatting van de inhoud
Ammer, een militair in opleiding, zit in de cel omdat hij beschuldigd wordt van het vermoorden van Arthur, zijn beste vriend. Hij is schuldig, maar hij weet niet of hij het met opzet heeft gedaan. Bij een schietoefening hapert zijn pistool en op het moment dat hij zich omdraait om dit tegen de sergeant te zeggen gaat het pistool af en wordt Arthur dodelijk getroffen. In de cel denkt hij terug aan de tijd die hij samen met Arthur doorbracht om erachter te komen wat zijn gedachten waren op het moment dat hij Arthur dood schoot.
Ammer was opgeroepen voor militaire dienst en kwam er tijdens zijn militaire dienst achter dat hij homo was. Hij kreeg een relatie met Arthur die bij hem in de groep zat.
Arthur was een heel zelfverzekerd persoon waar Ammer steun bij kon vinden, want Ammer was eigenlijk veel te zwak voor de militaire dienst. Ammer is iemand die nooit voor zichzelf opkomt en daardoor veel dingen misloopt. Arthur wil graag weten hoe zijn vader het heeft gehad tijdens zijn periode in een concentratiekamp. Hij denkt dat militaire dienst er een beetje op lijkt, omdat militairen ook de wil van een ander wordt opgelegd en of men daar dan ook naar luistert. Dit gebeurt wel zo in het leger. Hij test deze dingen ook zelf uit. Tijdens de ‘kleine oorlog’, een gespeelde oorlogssituatie. Arthur is hier door gefascineerd.
Ammer en Arthur besluiten om samen hun weekendverlof door te brengen bij het gekraakte huis van Arthur. Ammer heeft het gevoel dat je als vrouw zwakker mag zijn en wil zich daarom altijd al eens als vrouw verkleden. Hij schaamt zich voor de zwakke persoon die hij is en als vrouw is hij iemand anders. Dit is er echter nooit van gekomen, maar nu Arthur er bij is, helpt hij hem. Ammer wil zijn toekomst delen met Arthur, maar Arthur vindt Ammer te slap en heeft geen zin om zijn leven te verpesten door zich aan hem te binden. Op de terugweg naar de kazerne woord er geen woord gesproken en de volgende dag komt Arthur om bij de schietoefening.
Ammer vlucht weg tijdens de begrafenis van zijn opa. Hij verschuilt zich in een grafkelder en vlucht later naar een bekende van hem. Daar komt hij tot rust, maar zit nog steeds met de schuldvraag; was het echt een ongeluk of was er iets diep in hem dat dit deed?
1.3) uitgewerkte persoonlijke reactie
Het onderwerp van de tekst is volgens mij hoe het is om homo te zijn. Dit is waar de hoofdpersoon het meest mee worstelt. De moord van Arthur is eerder bijzaak, en dienstplicht is ook niet het belangrijkste onderwerp van het boek. Ik vind dit onderwerp niet echt boeiend, omdat ik zelf geen homo ben en dus ook niet met dit probleem worstel. Ik had verwacht dat het boek meer over het soldatenleven zou gaan, maar dat is niet het geval. Mijn verwachtingen zijn dus niet uitgekomen.
Ik ben door dit boek niet anders over bepaalde zaken gaan nadenken. Ik heb het boek gelezen omdat ik het nu eenmaal had gekozen en geen tijd en zin meer had om een ander boek te gaan lezen. Ik denk wel dat de schrijver het onderwerp en de bijzaken (dienstplicht, moord) wel goed heeft uitgewerkt. Hij beschrijft alles duidelijk en uitvoerig. Er wordt niet echt een bepaalde visie over homofilie gegeven, maar wel over travestieten. Ik denk dat de schrijver deze mensen niet echt kan begrijpen, omdat hij de hoofdpersoon in een hoofdstuk als travestiet aangeeft en die wordt vervolgens door de andere belangrijke persoon; Arthur genadeloos onderuit gehaald.
Ik heb ooit een ander boek gelezen over homofiel zijn, maar ik weet de titel niet meer. Ik weet nog wel dat het niet echt interessant was om te lezen, dus dit boek vind ik beter.
De belangrijkste gebeurtenis in het verhaal is de moord van Ammer op Arthur. Ik vind dat deze gebeurtenis voldoende wordt beschreven, temeer omdat Ammer de hele tijd de rede van de moord probeert te ontdekken, was het echt een ongeluk of deed hij het onbewust expres.
De gedachten van de hoofdpersoon spelen de hoofdrol. Het verhaal is in de ikvorm geschreven en daarom zie je het verhaal constant vanuit één visie met de bijbehorende gedachten. Het verband tussen de verschillende gebeurtenissen is in het begin, als je nog niet weet waar het verhaal over gaat, moeilijk te verklaren, Later is dit gemakkelijker, vooral omdat je het verhaal dan snapt. Er blijven dingen inzitten waar je op het eerst ogenblik het verband niet ziet. Een voorbeeld, het verhaal begint in de cel van Ammer. Hij denkt dan over de schoten maar je weet niet wat hij bedoelt. Vervolgens zit het verhaal in een militairkamp ergens in Nederland. Je ziet het verband dan nog niet.
Ik vind het verhaal niet spannend. De gebeurtenissen zijn redelijk voorspelbaar. Ik heb alleen tijdens de ontsnapping van Ammer en de vlucht naar de grafkelder en in de grafkelder in spanning gezeten. Zouden de bewakers hem ontdekken? Verder is er niet iets wat me aan het denken heeft gezet. Ik ben vrij vlot begonnen met het boek, maar het werd steeds minder interessant. Later toen er weer wat meer vaart in het verhaal kwam, de vlucht, nieuw onderkomen enz. toen werd het weer wat interessanter.
De personage is volgens mij het tegenovergestelde van een held. Het is een zwakke persoonlijkheid, heeft geen eigen wil of durft die niet te verkondigen en hij wil in een relatie altijd de zwakke spelen als gevolgd van de vorige kenmerken. Arthur hekelt dit en daarom verbreekt hij min of meer de relatie na hun weekend in Amsterdam. Hoe het verder met hun relatie zou gaan, is onbekend, omdat hij de dag daarna wordt vermoord.
De karaktereigenschappen zijn levensecht, omdat er in onze maatschappij heel veel zwakke mensen zijn. Er zijn echte overwinnaars, een type net als Arthur, en je hebt veel losers zoals Ammer. Wat dat betreft zijn het herkenbare, levensechte persoonlijkheden.
Ik ben niet veranderd over mijn gedachten over homo’s en ook niet over travestieten. Wel begrijp ik ze iets beter. Het is nu duidelijker waarom mannen bijvoorbeeld in vrouwenkleren gaan rondlopen. Zij voelen zich dan meer op hun gemak zoals Ammer meerdere keren aangeeft.
Ik vind Ammer een in zichzelf gekeerde jongen, daarom moet ik hem niet zo. Arthur is het tegenovergestelde, hij praat veel en heeft overal een mening over. Ik vind dit ook niet altijd een goed eigenschap, maar kan het wel meer waarderen dan het slappe karakter van Ammer.
Ik vind de beslissing van Arthur om Ammer te laten vallen als hij zich als vrouw blijft kleden, heel begrijpelijk. Ook kan ik de actie van Ammer om te vluchten van zijn bewakers heel begrijpelijk, daar ben ik het ook mee eens.
Ik vind de personages voorspelbaar reageren. Het enigste onverwachte in het verhaal is de moord. Daarom is dat ook de belangrijkste gebeurtenis.
Ik vind, zoals ik al zei, in het begin het verhaal een beetje ingewikkeld. Naarmate het verhaal vorderde snapte ik de lijnen in het verhaal en bleek het niet zo ingewikkeld te zijn. Ik vind het verhaal niet spannend. Er is, bij mijn weten, niet geprobeerd het verhaal een spannende wending te geven.
Er zitten veel flashbacks in het verhaal. Het verhaal speelt voor een groot gedeelte ook in het verleden. Je krijgt dus vaak een verwijzing naar iets in het verleden. Ik vind dit wel makkelijk. De opbouw past perfect bij het verhaal: een jonge, homofiele jongen die zijn vriend heeft gedood tijdens een oefening en nu in de cel terugdenkt aan zijn diensttijd, die eindigt in de cel.
Je ziet de gebeurtenissen vanuit de ogen van één personage. Alleen de gedachte en gevoelens van Ammer kom je te weten. Van de andere belangrijke personage, Arthur, kom je veel te weten tijdens gesprekken die Ammer en hij voeren.
Ik zit zeker nog met enkele vragen, nu ik het boek uit heb. Ik weet niet of Ammer nog in de cel belandt, of hij veroordeeld wordt of dat hij verstopt blijft voor de rest van zijn leven. Misschien gaat hij wel verder als vrouw, met een nieuwe identiteit. Ik weet het niet. Ik vind dit geen prettig einde van een boek, omdat ik altijd wil weten hoe iets afloopt.
Ik vind het taalgebruik niet moeilijk, maar ook niet heel erg eenvoudig. Het is een normaal niveau. Ik heb nooit gedacht: “ Dit woord snap ik niet, ik zoek het op.” Dat was niet nodig. Ik vind de verhouding tussen gesprek en dialoog precies goed gekozen. Er zijn redelijk veel gesprekken, maar niet overdreven veel en soms ‘vertelt’ Ammer een heel stuk. Het is een goede verhouding.
Ik vind dat de tekst geen duistere taal gebruikt. De personages doen dit ook niet en daarom is het een duidelijk verhaal geworden. Er is mij niks bijzonders opgevallen.
2) Verdiepingsopdracht
2.1) Titelverklaring
Het boek heet “Ik had een wapenbroeder”, omdat de hoofdpersoon, tijdens zijn dienstperiode een jongen leerde kennen waar hij verliefd op werd. Samen doorstonden ze de trainingen. Daarom gebruikt de schrijver wapenbroeder. Later schoot hij de jongen zelf dood, daarom staat er ‘had’ en niet ‘heeft’.
2.2) Tijd
Hierna volgen de verteltijd, vertelde tijd en de historische tijd.
2.2.1) Verteltijd
De verteltijd van het boek bedraagt 222 bladzijden.
2.2.2) Vertelde tijd
Als je kijkt naar de logisch-chronologische volgorde van het verhaal, dan beslaat de vertelde tijd ongeveer 15 jaar. Ik baseer dit getal op het feit dat iemand die in dienst is, rond de 20 jaar oud is. Trek er 15 jaar vanaf omdat hij iets vertelt over toen hij 5 was en ik kom op 15 jaar.
.3) Historische tijd
De tijd speelt in de jaren ’70. Dit staat niet letterlijk vermeld in de tekst, maar ik baseer dit op het feit dat het na de oorlog is, de belangrijkste personages hebben de oorlog zelf niet meegemaakt ( na 1945 zijn ze geboren ). Ik kan verder geen harde feiten noemen over de tijd, maar ik vermoed ergens in de jaren ’70.
) Personages
Hierin bespreek ik de volgende onderwerpen: de hoofdpersonen – andere personen, de karakterisering en het karaktertype.
.1) Hoofdpersonen – andere personen
De hoofdpersoon in het verhaal: “Ik had een wapenbroeder” is Ammer Stol. Hij is de belangrijkste persoon, omdat zijn gevoelens en gedachten het meest ter sprake komen. Hij neemt het grootste gedeelte van het boek voor zich. Het verhaal is een ik-verhaal en daardoor kom je al gauw het meest van die ikpersoon te weten.
Een tweede hoofdpersoon in het verhaal is Arthur. Hij heeft een belangrijke tweede rol in het verhaal en over hem kom je ook redelijk veel te weten. Verder komen er in het verhaal nauwelijks noemenswaardige personen in voor. Hoogstens de sergeant van de groep waar Ammer en Arthur bij behoren. Ook de vriend van Ammer, waar hij naartoe vlucht wanneer hij ontsnapt is, kun je onder ‘andere personen’ noemen.
.2) Karakterisering
Ik zal een karakterbeschrijving geven van de twee belangrijkste personen. Ten eerste heb je Ammer, hij is een stille jongen. Hij zegt niet veel en laat een beetje over zich heen lopen. Hij zal nooit als eerste ergens bij zijn, daarom vindt hij veel steun bij Arthur. Hij laat niet met zich sollen en zal ook niet toestaan dat andere dat bij Ammer doen. Ammer hecht hier veel waarde aan en vindt het prettig om bij Arthur te zijn. Hij wordt door hem beschermt. Later gaat hij zich als vrouw kleden en heeft dan echt het gevoel alsof het normaal is: een vrouw die wordt beschermd door haar man.
Arthur is een veel sterkere persoonlijkheid dan Ammer. Hij weet waar hij voor staat en geniet meer van het leven in tegenstelling tot Ammer die meer aan iets vastklampt. Arthur is losser en geniet meer van het leven. Hij vindt Ammer dom doordat hij zo slap doet. Hij wil dat veranderen, maar neemt Ammer toch in bescherming. Tijdens het weekend in Amsterdam, waarin Ammer zich verkleedt, wordt hij het echt zat. Hij heeft genoeg van Ammer en ze krijgen flinke ruzie doordat Arthur niet wil dat Ammer zich zo vrouwelijk gedraagt. Dit tekent zijn eigen karakter. Hij is meer een vent.
.3) Karakter – type
Karakters in het verhaal zijn Ammer en Arthur. Je komt hun gevoelens te weten en hun karakter verandert ook in de loop van het verhaal. De types in het verhaal worden gevormd door de sergeant en de vriend van Ammer. Ik vermeld ook de medesoldaten in het verhaal, omdat die ook af en toe aan het woord komen.
In deze paragraaf noem ik de volgende punten: geleding, flashbacks en begin – einde.
.1) Geleding
Het boek is opgedeeld in 3 grote stukken van elk ongeveer 75 bladzijden. Die hoofdstukken heten: ‘De verhoren’, ‘De kleine oorlog’ en ‘De grafkelders’. Die 3 hoofdstukken zijn weer onderverdeeld in kleinere hoofdstukken van elk ongeveer 7 a 8 bladzijden. Deze hoofdstukken hebben geen naam maar een nummer.
.2) Flashbacks etc.
Het verhaal bestaat voor 80% uit terugverwijzingen en flashbacks. Het verhaal begint in Ammers cel, waarna er een terugverwijzing komt op bladzijde 8 naar toen hij de bevelen van de sergeanten moest gehoorzamen die hij vanuit zijn cel hoort schreeuwen. Op bladzijde 66 is een flashback over Arthur die in Amsterdam, in het vrije weekend met een meisje is gezien. Op bladzijde 154 is ook een terugverwijzing. Ammer zit verstopt in de grafkelder en denkt aan Arthur, hoe ze samen gingen douchen na een zware oefening.
.3) Begin – einde
Het begin van het verhaal heeft een opbouw volgens de mogelijkheid; in medias res. Het verhaal begint in de cel, waarna Arthur terugdenkt aan zijn dienstperiode. Nadat de lezer ongeveer alles te weten is gekomen, gaat het verhaal weer vooruit. Hij ontsnapt, verstopt zich in de grafkelder enz. enz..
Het einde van het boek is ergens midden in het verhaal. De laatste alinea’s gaan over de twee dodelijke schoten van Ammer. Dit eind heeft te maken met het begin. ( door de moord zit hij in de cel ) Daarom zit er in dit verhaal een cyclische opbouw.
) Vertelsituatie
ik behandel de vertelsituatie en de effecten hiervan.
.1) Welke vertelsituatie
De vertelsituatie in dit verhaal is overduidelijk de ikvertelsituatie. Je komt alleen de gedachten en gevoelens van Ammer te weten. Je leest het verhaal vanuit zijn ogen. Je ontdekt dit al uit de eerste paar regels: “Lang zal ik hier niet blijven. Ik betreur het niet. Het verblijf is bedompt, klein. Bovendien mag ik hier niet lezen, behalve de bijbel. Had ik maar een radio, zodat ik naar muziek zou kunnen luisteren.” Je merkt al meteen dat het een ikverhaal is door de inleiding.
.2) Effect van de vertelsituatie
Doordat het verhaal een ikvertelsituatie heeft, kom je veel te weten over de ikpersoon, in dit geval Ammer Stol. Je weet hou hij zich voelt, wat hij denkt en wat hij doet. Bij de andere personen in het verhaal is dit niet of minder het geval.
) Thematiek
Ik zal nu de verhaalmotieven, abstracte motieven en het thema behandelen.
.1) Verhaalmotieven
Het verhaalmotief van Ammer begint wanneer hij ongeveer 5 jaar is. Hij geeft bloemen aan zijn moeder. Wanneer hij ongeveer 20 jaar is, moet hij in dienst. Hij volgt alle oefeningen en doet mee aan de ‘kleine oorlog’. Na de ‘kleine oorlog’, gaat hij samen met Arthur een weekend naar Amsterdam. Hij verkleedt zich als vrouw en gaat met Arthur hand in hand over straat. Ze krijgen daarna ruzie en gaan op zondag terug naar de kazerne. De volgende dag vermoord Ammer Arthur tijdens een oefening. Hiervoor moet hij de cel in. Hij denkt veel terug aan zijn dienstperiode. Zijn opa sterft en hij mag naar de begrafenis. Hij ontsnapt en verstopt zich in de grafkelder. Hij vlucht na een tijdje naar een kennis ergens in de wildernis.
Het verhaalmotief van Arthur is korter. Zijn verhaal begint op het moment dat hij in dient gaat. Hij raakt bevriend met Ammer, ze voelen zich tot elkaar aangetrokken. Hij doet mee aan de ‘kleine oorlog’, en gaat met Ammer naar Amsterdam. Hij helpt Ammer met het verkleden en krijgt later een hekel aan het slappe karakter van Ammer. Later wordt hij vermoord door Ammer tijdens een schietoefening.
2.6.2) Abstracte motieven
De abstracte motieven in dit verhaal zijn: liefde, jaloezie, onderdrukking, angst, spanning, onbegrip en afschuw. Liefde omdat er een liefde is tussen Ammer en Arthur. Jaloezie omdat Ammer jaloers is op de sergeant die samen met Arthur het bos in loopt. Onderdrukking omdat de militaire dienst één grote onderdrukking is van de rekruten tegenover de sergeanten. Angst voor wat er met Ammer gaat gebeuren en , toen Ammer nog niet wist of Arthur dood was, of Arthur door hem is doodgeschoten. Spanning tijdens de ‘kleine oorlog’. Onbegrip omdat Ammer niet weet waarom hij zijn beste vriend heeft vermoord. Afschuw van zijn moeder omdat hij homo is.
2.6.2) Thema
Het thema van het verhaal is aan de ene kant het leven tijdens zijn dienstperiode en aan de andere kant het homo zijn.
2.7) Secundaire literatuur
Ik kies voor vertelsituatie.
Hier volgt een stuk uit het Haarlems Dagblad, wat aantoont dat het verhaal in de ikvertelsituatie is geschreven. Het stuk is van recensent A.B. en is verschenen in 1973.
Van Martin Hart is de roman "Ik had een [wapenbroeder]" (Arbeiderspers) verschenen. Martin Hart debuteerde in 1971 met "Stenen voor een ransuil".
Tussen dit debuut en zijn nieuwe roman is een duidelijk verband. Weer is Ammer Stol, afkomstig uit een streng orthodox domineesgezin de ik-figuur, opnieuw in conflict met de gevestigde maatschappelijke normen, ook al is hier sprake van een grotere distantie ten opzichte van zijn ouderlijk milieu. Had "Stenen voor een ransuil" de groeiende bewustwording van een jongen dat hij "anders", homofiel, was als thema, hier wordt Ammer Stol in al zijn kwetsbaarheid geconfronteerd met de normen van het leger, een maatschappij in de maatschappij. De vriendschap die hij tijdens de kleine oorlog opbouwt met Arthur, van Joodse afkomst, vervreemt hem van het leger waar afwijkend gedrag nu eenmaal niet getolereerd wordt. Deze vriendschap eindigt op een absurde manier doordat Ammer bij het exerceren zijn vriend doodschiet.
De verhoren roepen een Kafka-situatie op. Ze verlopen zeer moeizaam omdat Ammer niet weet waarom hij geschoten heeft.
De officier-commissaris die hem verhoort, meent de oplossing gevonden te hebben. Het is een moord uit jaloezie geweest. Arthur ontkent deze beschuldiging, maar heeft geen verklaring. De reden van dit zwijgen is het eigenlijke thema van dit verhaal - de lang-gekoesterde wens van de ik-figuur, een vrouw te zijn. Hij, in travestie, was die vriendin en dat was dan ook de reden van de verkilling in de verhouding tussen de beide vrienden en van zijn verstandsverbijstering tijdens de schietoefening. Dit verhaal is dus nogal gecompliceerd van opbouw: door de ogen van een dromerige, gevoelige jongen worden de absurditeiten van een gedwongen groepsconformisme in de kazerne geschilderd. Als tweede thema de schuldvraag, tegen de achtergrond van zijn calvinistisch verleden. En ten slotte het hoofdthema: travestie. De eerste twee thema's zijn onderling zeer goed geïntegreerd weergegeven: de ik-figuur die er in de kazernecel niet uitkomt, zich steeds schuldiger voelt. Tot zover de Kafka-situatie.
Maar in het geval van een open einde zou de hoofdproblematiek van Ammer Stol niet naar voren gekomen zijn. Vandaar de oplossing: Ammer vlucht en komt tot het inzicht dat hij niet schuldig is. Deze vlucht doet afbreuk aan het verhaal: de sobere geïntegreerde verteltrant krijgt een pathetische draai: Ammer mag de begrafenis van zijn grootvader, geleid door zijn vader, bijwonen - hij vlucht in een grafkelder en vervolgens naar een oude kennis bij wie hij veilig is.
Hier volgt nog een stuk waaruit blijkt dat het verhaal in de ikvertelsituatie is geschreven. Dit stuk, afkomstig uit het NRC Handelsblad is in 1973 geschreven door Marja Roscam Abbing.
Martin Hart's tweede roman betreft twee dienstplichtige academici Arthur en Ammer, van wie de laatste het verhaal "Ik had een [wapenbroeder]" vertelt. Had, omdat Ammer zijn vriend bij de eerste schietoefeningen op het kazerneplein dood schiet. Per ongeluk. Of niet - met die vraag is Ammer een boek lang bezig.
Hart heeft geprobeerd een traditionele roman te schrijven, een gewoon ouderwets verhaal in de ik-stijl. Dat is een sympathieke en ook wel moedige poging, omdat men met dit genre vermoedelijk eerder door de mand valt dan met een experimentele roman. Dat doet Hart dan ook - de stunteligheid van zijn proza is van tijd tot tijd ronduit pijnlijk. Lang niet altijd: beschrijvingen van de eerste weken militaire dienst, het rondsjouwen over de zomerse Veluwe met veldfles en schopje, zijn competent genoeg. Pas in de dialogen - en Arthur en Ammer wisselen voortdurend van gedachten - krijgt de totale onwaarschijnlijkheid de overhand. Ik weet niet of Hart wel eens zo'n alinea tussen aanhalingstekens hardop heeft voorgelezen, maar ik kan mij niet voorstellen dat iemand deze teksten uit de mond zou kunnen krijgen ("Goed: ik heb een tijdlang de gewoonte gehad om van het huis van mijn ouders via Den Haag naar Leiden te fietsen op de eerste zaterdag van de maand" - het spoorboekje bekt beter).
Volgens de flap is Ik had een [wapenbroeder] een soort "ethologische thriller". Dat zal wel doelen op Arthurs bezeten belangstelling voor concentratiekampen: hij ligt wakker van de vraag warom de slachtoffers van het Derde Rijk niet in opstand kwamen, en beschouwt de militaire dienst als een goed van pas komend studiemodel. Hij verdiept zich in de invloed van speciale kleding en hiërarchie op het menselijk gedrag, wat dan weer zijn pendant vindt in Ammers behoefte aan travestie.
Voor deze visie op de militaire dienst hoeft men geen biologie gestudeerd te hebben (wat Hart deed, hij is etholoog). Studies over de autoritaire persoonlijkheid, over sadisme, over Befehl ist Befehl (de Amerikaanse elektrische-schok-proeven) zijn zo langzamerhand dermate gemeengoed geworden, dat dit thema van Ik had een [wapenbroeder] een wel erg simplistische indruk maakt. Bovendien struikelt Hart hier over zijn gebrek aan techniek: omdat zijn roman door Ammer vertelt wordt, kan Arthur niet denken, kan er niets over Arthur's verleden vermeld worden - wat weer tot die bespottelijke dialogen leidt.
Een ander thema is de homosexualiteit, en dat wordt heel wat aannemelijker beschreven. Ammers onderworpen, zwakke persoonlijkheid is altijd geloofwaardig, en soms ontroerend. Helaas is hij de enige levende figuur in een boek vol figuranten - als Hart denkt dat hij de rekruten op het tweede plan een eigen gezicht geeft door ze bijvoorbeeld consequent "tering!" te laten zeggen, vergist hij zich. Ook Arthur, de toch niet onbelangrijke [wapenbroeder], blijft voortdurend bedacht, zoals ik bij het hele boek het onredelijke gevoel heb dat het geen echt boek is. Ammer heet Stol of Holm (Arthur dus Holm of Stol), en dat kan ik gewoon niet geloven, evenmin als een beeldschone luitenant die Eelwout heet, en een vroeger vriendinnetje van Arthur dat Marijke Reehorst heet.
Die mensen bestaan niet, en dat ligt aan Martin Hart. Hij kan wel schrijven, anders waren die stukken over het rekrutenleven en over Ammers persoonlijkheid niet zo geslaagd; maar "Ik had een [wapenbroeder]" is door zijn beginners-gebreken niet meer dan een vingeroefening
Vooral uit het laatste stuk blijkt dat het verhaal in de ikvertelsituatie is geschreven. De recensent van het laatste stuk vindt dit niet prettig, omdat je zo te weinig over de op één na belangrijkste persoon, Arthur, te weten komt. Hierdoor blijft het, volgens hem, een matig boek. Hij vindt de schrijver nog een beginneling die nog veel moet oefenen.
3) Evaluatie
3.1) Eindoordeel over het boek
ik vond het boek niet echt heel erg interessant. Het gaat vooral over de gevoelens van Ammer en als ik niet had besloten dat dit mijn boek zou worden voor het laatste leesverslag, zou ik daar weinig om geven. Het boek bevat weinig spanning en de schrijver probeert dit ook niet te ontwikkelen.
Ik vond de verdiepingsopdracht niet zo heel moeilijk, behalve geschikte secundaire literatuur vinden. Dat is niet zo makkelijk, er is wel veel, maar vaak over hetzelfde. De opdrachten 2.1 tot en met 2.6 waren niet echt moeilijk, omdat er extra over wordt verteld en wordt vermeld in Laagland.
Belangrijk!
De verslagen op Scholieren.com zijn bedoeld als naslagwerk. Lever nooit verslagen van internet zomaar bij je leraar in. Je bent zelf verantwoordelijk voor de gevolgen van dit soort fraude.
Wij krijgen de verslagen van scholieren. Hierdoor kan het gebeuren dat er foute informatie online staat. Gebruik geschiedt dus op eigen risico. Kom je een fout tegen? Laat het ons weten.




Openen in tekstverwerker
Printen
Emailen