
CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.
ff n studiebreak
Bij klassieke muziek moet je niet aan je grijze oma denken, maar aan YouTube. 5 tips van Lucas en Arthur Jussen.
geef je mening
Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?
A.
Titel: Het Parfum
Naam auteur: Patrick Süskind
Naam uitgever: Prometheus en Bert Bakker
Jaar van uitgave: 1ste druk in 1985 en de 28ste druk in 1995
B.
Samenvatting:
Jean- Babtiste Grenouille wordt 17 juli 1738 op de markt in Parijs geboren. Zijn moeder is dan viswijf en baart hem onder de kraam tussen de visresten omdat ze weer een miskraam verwacht. Grenouille geeft echter een instinctieve kreet om leven en zo belandt zijn moeder op het schavot wegens mishandeling van een baby.
Grenouille wordt bij een min ondergebracht maar die houdt dat niet lang vol. Dus gaat hij naar een nieuwe min en die brengt hem onder toezicht van het klooster in de buurt. Want ze kan hem niet ruiken. Hij had geen geur zoals alle andere baby’s.
Pater Terriër brengt hem onder toezicht van Mme Gaillard. Een vrouw die niets kan ruiken en zeer streng is in de onderverdeling van de taken, het eten en de voorrechten. Maar als ze merkt dat hij dingen in de toekomst kan zien, eigenlijk ruikt hij het gewoon als er iemand aan komt en waar Mme Gaillard haar geld heeft verstopt, verkoopt ze hem aan een leerlooier.
Grimal, de leerlooier, geeft niets om het leven van zijn werknemers en laat ze dus ook gewoon ziek worden. Ook Grenouille wordt verschillende keren levensgevaarlijk ziek. Maar hij komt er steeds bovenop met alleen maar wat littekens. Zo stijgt hij in waarde voor Grimal want hij is ondertussen immuun voor een hoop looiers ziekten. Zo komt het dat hij Grenouille voortrekt en hem vrijetijd geeft. Die vrijetijd besteedt hij om zijn geuren verzameling aan te vullen; hij heeft namelijk een fotografisch geheugen voor geuren zodat hij een geur die hij eenmaal heeft geroken nooit meer vergeet hij kent al enorm veel geuren, van stank tot lekkere geuren. Hij ruikt op een gegeven moment de geur van een meisje dat hij zo’n bijzondere geur vindt dat hij er het liefs in wil verdrinken, hij sluipt naar haar toe en vermoordt haar. Dronken van haar geur vertrekt hij weer. Op een gegeven moment moet Grenouille naar Baldini, de grootste parfumeur van Parijs, om hem lappen leer te gaan bezorgen.
Baldini had net besloten om zijn zaak op te heffen omdat hij vindt dat hij een slecht parfumeur is geworden. Hij kan namelijk geen nieuwe geur bedenken en ook niet eens een parfum van een andere parfumeur ontleden om hem te kunnen verbeteren. Grenouille ruikt meteen waar hij mee bezig was en biedt aan om het voor hem te doen. Baldini laat hem uiteindelijk maar zijn gang gaan en is verschrikkelijk verbaasd over het resultaat, Grenouille had de mengbeker helemaal gevuld met het parfum zonder ook maar het recept te hebben gezien.
Nadat hij van dit wonder is bekomen gaat Baldini naar Grimal en koopt Grenouille van hem over. Grimal bezuipt zich van het geld en valt diezelfde nacht nog in de Seine, morsdood.
Baldini leert Grenouille hoe hij de spullen moet gebruiken en de kunst van het destilleren. Het proces van het destilleren bestaat uit het koken van geurende stoffen in alcohol en als je dat dan een tijdje laat borrelen neemt de alcohol de geur van de stof in zich op. Ondertussen wordt Baldini ontzettend rijk en stijgt zijn roem en aanzien tot op Europees niveau. Want Grenouille schudt de heerlijkste geuren zo uit zijn mouw. Op een gegeven moment hoeft hij zelfs niet meer te experimenteren want dat doet hij allemaal in zijn hoofd. Hij gaat gewoon zitten en schrijft de formule zo op.
Na een tijdje te hebben geëxperimenteerd met het destilleren wordt Grenouille erg teleurgesteld omdat hij de geur van vaste stoffen, zoals zand, glas, metaal en hout niet kan destilleren. Het gevolg daarvan is dat hij doodziek wordt. Baldini is in alle staten en haalt de beste arts van Parijs erbij die beschouwt hem al zo goed als dood en kan niets meer voor hem doen. Baldini smeekt Grenouille om toch niet dood te gaan.
Op een gegeven moment opent Grenouille zijn ogen en vraagt stamelend of er nog andere manieren zijn om geuren uit stoffen te halen. Baldini zegt dat ze in het zuiden macareren vooral in Grasse.
Drie dagen later is Grenouille weer beter. Hij krijgt na twee jaar zijn gezellenbrevet onder drie voorwaarden: hij mag de bij Baldini bedachte parfums niet opschrijven, uitbrengen of het recept aan iemand anders geven, hij mag Parijs niet meer betreden tijdens Baldini’s leven en hij moet overal strikt over zwijgen. Dan is het inmiddels 1756. Grenouille vertrekt op een mooie dag in mei en diezelfde nacht nog stort Baldini’s huis in terwijl Baldini ligt te slapen. Er blijft niets van zijn rijkdom over.
Op zijn voettocht verwijdert hij zich steeds verder van de bewoonde wereld want hij stoort zich steeds meer aan de geur van mensen. Als hij bij een berg komt beklimt hij hem en op de top is hij intens gelukkig, want hij ruikt geen mensen meer. Hij vindt een grot en daarin verblijft hij zeven eenzame jaren.
In die zeven jaar voedt hij zich met slangen, mos en insecten. Hij droomt steeds dat hij de koning is van een geurenrijk en dat hij overal geuren heeft gekweekt. Als hij in zijn vertrekken van zijn dromen kasteel zit drinkt hij de geuren die hij in zijn hoofd heeft gemaakt. En elke droom beëindig hij met een of twee flessen van de geur van het meisje uit de Rue de Marais. Maar op een gegeven moment krijgt hij een nachtmerrie, hij droomt dat hij zelf geen geur heeft. Hij rent de grot uit en ruikt of hij een geur van hemzelf ruikt. Maar niets, hij bedenkt zich dat hij waarschijnlijk zijn neus heeft afgestompt voor zijn eigen geur. Hij bedenkt zich dan dat hij als hij een tijdje zijn eigen geur niet ruikt dat hij hem dan waarschijnlijk wel weer zou ruiken. Dus trekt hij zijn kleren, of wat daar nog van over is, uit en klimt de berg op, hij stekt alles uit en houdt zijn neus zo ver mogelijk van zijn lichaam af zodat hij zijn geur, al had hij die niet, niet zou ruiken. Dat houdt hij minstens drie uur vol, dan gaat hij weer naar beneden. Hij ruikt aan zijn kleren: niets. Hij ruikt heel zijn eigen lijf af maar hij ruikt niets. In wanhoop rent hij de grot in die toen hij er voor het eerst kwam rook naar een plek waar nog nooit een mens was geweest. Nu ruikt het precies als toen. Hij gaat weer naar buiten, trekt zijn haveloze kleren aan en vertrekt. Hij gaat recht naar Montpellier de dichtst bijgelegen stad.
Al snel is hij een fenomeen en zo hoort ook markies de la Taillade-Espinasse. Deze man had een theorie over de straling en de lucht van de aarde, deze zou gevaarlijk zijn voor mensen. Dus deze “holbewoner” was voor hem reuze geschikt voor een onderzoek. Hij riep de wetenschappers uit heel de stad bijeen en liet Grenouille zien. Hij zou hem genezen met vitaal-fluïdale lucht zoals hij de lucht die wat hoger was dan de lucht direct bij de grond noemde. Grenouille werd in een hok gestopt met een enorme schoorsteen waaruit dan vitaal-fluïdale lucht zou moeten komen.
Na zes dagen liet de markies hem kappen, wassen, bracht hij hem naar een kleermaker en bracht een viooltjesparfum op hem aan. Nu was hij een echte heer. Grenouille keek voor het eerst in de spiegel en zag dat hij niet eens bijzonder lelijk was maar er best mee door kon. De volgende dag kreeg hij een aanval(zie het bijzondere fragment) toen hij was bijgekomen ging hij naar een parfumeur en ontwikkelde daar een parfum met een menselijke geur. Toen hij de straat op ging merkte hij dat hij voor het eerst in zijn leven werd geaccepteerd als mens en dat beviel hem zeer goed. Want hij voelde zich machtig, hij kon de mensen met een eenvoudig geurtje inpalmen en men geloofde hem meteen.
Een maand of twee nadat de markies zijn theorie had bewezen doordat Grenouille “weer gezond was” vertrok Grenouille eindelijk naar Grasse.
In Grasse verkent hij eerst heel de stad, zoals hij altijd al had gedaan, op geuren. Zo komt het dat hij een geur ruikt die nog bijzonderder is dan de geur van het meisje destijds in Rue de Marais. Hij beseft dat ze na twee jaar nog sterker zal ruiken, en dit keer wil hij niet onvoorbereid zijn en de geur in zich nemen. Hij wil haar geur bezitten en daarom wil hij een techniek leren waarmee hij ook geuren uit dingen zoals glas en zand en ook mensen. Zo komt hij bij Mme Arnulfi terecht, ze is net weduwe geworden en heeft een eerste gezel waarmee ze het bed deelt. Grenouille moet alle rotklusjes doen maar vind dat niet erg. Hij is allang blij dat hij de kunst van het macareren leert. Men roert geurende stoffen door kokend vet, laat het dan het vet stollen en er ontstaat een geurige pommade. Als de markt verzadigd is van pommades zegt Mme Arnulfi tegen Druot(de eerste gezel) dat hij er maar essence absolue van moet maken. Dan halen ze de pommades uit de kelder en verwarmen het vet weer. Dan gooien ze een hoop alcohol bij het warme vet en laten het dan weer afkoelen. Dan scheidde de alcohol zich van het vet en de geur zat niet meer in het vet maar in de alcohol. Dit goedje moet dan gedestilleerd worden op een zo laag mogelijk vuur. Het resultaat is een extreem geconcentreerde vloeistof die zéér sterk ruikt en als je één druppel essence absolue vermengt met een liter alcohol heb je een perfect uitgebalanceerd parfum . Op een gegeven moment merkt Druot dat hij wel erg vaak “meent” en “het gevoel heeft dat” het vet verzadigd is of dat het te heet is geworden en dat de meeste geur nu wel uit de alcohol zou zijn gedestilleerd. Daarom laat Druot hem steeds vaker beslissingen geven. Na een jaar trouwt Mme Arnulfi met Druot en zo komt het dat hij zich al helemaal niet meer laat zien. Daar zat Grenouille al die tijd op te wachten. Hij kan nu pas experimenteren hij probeert het met een deurknop, kattenharen en met glas. Uit alles weet hij de geur in het vet op te nemen. Dan probeert hij ook levende dingen zoals een hond en wat insecten zo ontdekt hij dat hij er geen goede geur uit kan krijgen as ze levend zijn. Want ze schijten in zijn vet uit pure angst en proberen weg te vliegen, te kruipen of te rennen. Daarom maakt hij ze dood en dan krijgt hij het wel voor mekaar. Hij weet een laken van een aan de tyfus gestorven man te bemachtigen. Als hij dat laken heeft gemacareerd dan lijkt het net of de man doodziek naast hem staat. Grenouille experimenteert net zo lang tot hij weet onder welke omstandigheden mensenlucht zich het best laat absorberen door het vet.
Ergens begin mei vindt men een lijk van een meisje. Ze is helemaal naakt en haar haar is afgesneden. Dit was het eerste lijk uit een reeks van vierentwintig. De meisjes waren allemaal net vrouw aan het worden en waren allemaal heel erg mooi. Alleen waren ze geen van allen seksueel misbruikt. De mensen in de omgeving van Grasse brachten allemaal hun kinderen naar familie of naar het klooster als ze zich dat konden permitteren.
Maar de moorden hielden op toen de bisschop de moordenaar vervloekte en in de ban deed. Alle mensen waren opgelucht toen er meldingen kwamen dat er nu een soortgelijke moordenaar aan de gang was in Grenoble, een stad op zeven dagreizen afstand. Men is de voorvallen al snel weer vergeten behalve één man, hij heet Dhr Richis. Hij is tweede consul en raadsheer van Grasse en heeft de mooiste dochter van heel Grasse en omgeving. Hij beseft dat de moordenaar een soort puzzel maakt van mooie meisjes en dat hij nu wacht op een goed moment dat hij ook Laure te pakken kan krijgen. Zijn puzzel is natuurlijk niet compleet zonder het plaatje van het mooiste meisje van de stad in de puzzel. Als zijn dochter Laure vijftien wordt krijgt hij dan ook steeds vaker nachtmerries waarin hij Laure kaal en naakt vindt. Hij beseft dat de moordenaar nog één moord zal plegen en dan op zijn dochter.
Dan besluit hij te vluchten. ‘s Nachts staat hij op en laat al zijn bedienden alles klaarmaken voor vertrek. Hij vertelt Laure niet wat hij van plan is. Hij laat de bedienden weten dat hij naar Grenoble gaat om daar zaken te doen en over het huwelijk van zijn dochter te onderhandelen.
Hij gaat tegen de ochtend de stad uit de weg naar Grenoble op. Als hij uit het zicht van de stad is verlaat hij samen met zijn dochter en haar dienstmaagd de weg en gaat richting Cabris. Daar wil hij zijn dochter inschepen om naar een klooster te gaan op een eiland. Ondertussen schrijft hij een brief aan baron du Bouyon dat hij zijn dochter met zijn zoon wil laten trouwen onder één voorwaarde en die is dat de geslachtsgemeenschap nog op de huwelijksnacht moet gebeuren. Want hij heeft namelijk bedacht dat Laure niet meer interessant zou zijn voor de moordenaar als ze ontmaagd zou zijn.
Daar heeft hij ook gelijk in want ze verliest haar onschatbare waarde voor Grenouille als ze ontmaagd is. Want dan verliest ze een deel van haar geur.
Grenouille krijgt ondertussen iets in de gaten. Als hij goed ruikt mist hij iets. Het is het smalle geurlint van Laure. In paniek ren hij naar de poortwachter en vraagt of hij soms weet waar Richis naartoe is gegaan. Volgens hem zijn ze de weg naar Grenoble opgegaan maar Grenouille laat zich niet bedriegen. Hij ruikt dat de geur uit het zuiden komt, de richting van Cabris uit. Hij rent terug naar zijn hut en pakt de spullen om te macareren in. Hij neemt het beste vet mee dat hij heeft en rent richting Cabris. Al snel ruikt hij de geur van de paarden, van Dhr Richis, Laure en de dienstmaagd afzonderlijk. Hij weet dat ze naar Cabris gaan en hij haalt ze in om ze vervolgens in een herberg op te wachten. Hij vertelt aan de herbergier dat hij een looiersgezel is. En hij mag in de stal slapen. Hij hoort de Richis aankomen en doet zijn onopvallendheidparfum op en doet alsof hij slaapt. Later komt Richis nog even kijken wie die looiersgezel dan wel niet is maar hij verwacht niets gevaarlijks van Grenouille. Sterker nog hij is nadat hij uit de stal is gegaan eigenlijk alweer vergeten dat daar iemand was.
Bijzonder moment hst. 31+32:
*31*
De volgende dag –de markies was juist bezig hem de nodige poses, gebaren en danspassen voor het aanstaande optreden in het openbaar bij te brengen –fingeerde Grenouille een flauwte en zeeg volkomen uitgeput en als door verstikking bedreigd neer op een divan.
De markies was in alle staten. Hij riep om dienaren, riep om waaiers en draagbare ventilators en terwijl de bedienden renden, knielde hij naast Grenouille, waaierde hem met zijn van viooltjesgeur doordrenkte zakdoek lucht toe en bezwoer hem, smeekte hem gewoonweg toch weer op te staan, toch niet nu zijn laatste adem uit te blazen maar daarmee, als het even ging, nog tot overmorgen te wachten, daar anders het overleven van de letale fluïdaaltheorie aan een zijden draad hing.
Grenouille draaide zich om en kronkelde, kuchte, steunde, weerde met zijn armen de zakdoek af, liet zich ten slotte op zeer dramatische wijze van de divan vallen en kroop weg in de verste hoek van de kamer. “Niet dit parfum!” riep hij, als met zijn laatste kracht, “niet dit parfum! Het is mijn dood!” En pas toe de markies de zakdoek uit het raam en zijn eveneens naar viooltjes ruikende jas in de zijkamer had geworpen, liet Grenouille zijn aanval bedaren en vertelde hij met kalmer wordende stem dat hij als parfumeur een voor zijn beroep onontbeerlijke gevoelige neus bezat, en altijd al, maar vooral in deze periode van herstel, op bepaalde parfums zeer hevig reageerde. Dat uitgerekend de geur van het viooltje, op zich toch zo’n in en in lieflijk bloempje, hem zo sterk aangreep, kon hij alleen maar verklaren doordat het parfum van de markies een groot aandeel aan viooltjeswortelextract bevatte, dat door zijn onderaardse herkomst op een letaal-fluïdaal aangetast persoon als hij, Grenouille, een verderfelijke uitwerking had. Gisteren al bij de eerste toediening van de geur had hij zich wat slapjes gevoeld en nu hij vandaag de wortelgeur nogmaals had waargenomen, had hij zelfs het gevoel gekregen dat ze hem weer terugduwden in het ontzettend vunzige aardhol waarin hij zeven jaren in had gevegeteerd. Zijn natuur was daartegen in opstand gekomen, anders kon hij het niet uitdrukken, want nadat hij eenmaal door de kunst van meneer de markies een leven als mens in de fluïdaalloze lucht deelachtig was geworden, stierf hij liever terplekke dan dat hij zich nog eenmaal aan het gehate fluïdum zou overleveren. Nu nog onderging hij inwendige krampen als hij alleen maar aan het wortelparfum dacht. Hij meende echter met zekerheid op zijn genezing te mogen rekenen als de markies hem toestond ter verdrijving van de viooltjesgeur een eigen parfum te ontwerpen. Hij dacht daarbij aan een bijzonder lichte, luchtige toets, die voornamelijk uit van de aarde verwijderde ingrediënten, zoals amandel - en oranjebloesemwater, eucalyptus, sparrennaaldenolie en cipressenolie bestond. Een enkel scheutje van zo’n geur op zijn kleren, een paar
druppeltjes op hals en wangen –en hij zou voor eens en voor altijd tegen herhaling van die smartelijke aanval die hem zojuist had overmand zijn gevrijwaard...
Wat we hier voor alle begrijpelijkheid in keurige indirecte rede weergeven was in werkelijkheid een door veel hoesten en kuchen en ademnood onderbroken stamelende woordenstroom van een half uur, die Grenouille met beven en gebaren en rollen van zijn ogen illustreerde. De markies was zeer onder de indruk. Nog meer dan de symptomen van de kwaal overtuigde hem de spitsvondige argumentatie van zijn protégé, die geheel en al in de geest van de letaal-fluïdaal theorie was geformuleerd. Natuurlijk het viooltjesparfum! Een stuitend aardgebonden zelfs onderaards product! Waarschijnlijk was hijzelf, die het al sinds jaar en dag gebruikte, er reeds door aangestoken. Zonder een flauw idee dat hij door deze geur dag na dag de dood nader tot zich bracht. De jicht, de stijfheid in zijn nek, de slapte van zijn lid, de aambeien, het gonzen in zijn oren, de rotte kies – dat kwam allemaal zonder twijfel door de stank van de fluidaalverziekte viooltjeswortel. En deze kleine domme mens, dat hoopje ellende daar in de hoek van de kamer, had hem op het idee gebracht. Hij schoot vol. Het liefst was hij naar hem toegegaan, had hem opgetild en aan zijn verlichte hart gedrukt. Maar hij was bang nog naar viooltjes te ruiken en daarom riep hij nogmaals om zijn dienaren en beval alle viooltjesparfum uit het huis te verwijderen, het hele paleis te luchten, zijn kleding in de vitaalluchtventilator te ontsmetten en Grenouille meteen in een draagstoel naar de beste parfumeur van de stad te brengen. Dit was precies wat Grenouille met zijn aanval had beoogd.
Het geurwezen kende in Montpellier een oude traditie en ofschoon de zaken in de afgelopen tijd vergeleken bij de concurrent Grasse niet meer zo floreerden, leefden er nog ettelijke goede parfumeurs en handschoenmeesters in de stad. De meester met het grootste aanzien, een zekere Runel, verklaarde zich met het oog op de zakelijke band met het huis van markies de la Taillade-Espinasse, wiens zeep -, olie – en geurstofleverancier hij was, bereid tot de buitengewone stap zijn atelier voor een uur af te staan aan de in een draagstoel naar hem toegebrachte zonderlinge Parijse parfumeursgezel. Deze liet zich niets uitleggen, wilde zelfs niet weten waar hij iets kon vinden, hij kende de weg, zei hij, kwam er wel uit; en sloot zich in de werkplaats op en bleef daar een dik uur, terwijl Runel met de major domus van de markies voor een paar glazen wijn naar de herberg ging, om daar te horen waarom ze zijn viooltjeswater niet meer konden luchten.
Runels werkplaats en winkel was bij lange na niet zo overdadig voorzien als indertijd Baldini’s geurstofhandel in Parijs. Met de paar bloesemolien, waters en kruiden had een doorsnee parfumeur geen grote sprongen kunnen maken. Maar Grenouille herkende bij de eerste snuffelende ademteug dat de aanwezige stoffen voor zijn doel ruimschoots voldoende waren. Hij wilde geen grote geur creëren hij wilde geen prestige watertje in elkaar flansen, zoals vroeger voor Baldini, zo’n water dat ver uitstak boven de zee van middelmaat en waar de mensen op vielen. Zelfs geen eenvoudig oranjebloesemgeurtje, zoals hij de markies had beloofd, was zijn eigenlijke doel. De bekende essence van neroli, eucalyptus en cypresseblad moesten de eigenlijke geur die hij wilde samenstellen alleen maskeren: dat was de geur van het menselijke. Hij wilde zich, ook al was het voorlopig nog een slecht surrogaat, de geur van het menselijke toe-eigenen, die hij zelf niet bezat. Natuurlijk, de geur van de mens bestond niet, evenmin als het gelaat van de mens bestond. Iedere mens rook anders, niemand wist dat beter dan Grenouille, die vele duizenden individuele geurtjes kende en al vanaf zijn geboorte de mensen met zijn neus onderscheidde. Maar toch – er bestond een parfumistisch basisthema van de menselijke geur, overigens tamelijk eenvoudig: een zweterig-vet, kazig-zuur, een alles bij elkaar genomen behoorlijk walgelijk basisthema, dat in gelijke mate aan alle mensen kleefde en waarboven pas in verfijndere details het wolkje van een individuele aura zweefde.
Maar deze aura, deze uiterst gecompliceerde, onmiskenbare code ven de persoonlijke geur, was voor de meeste mensen al helemaal niet waarneembaar. De meeste mensen wisten niet dat ze deze bezaten, en ze deden er bovendien alles aan om hem onder kleding of onder modieuze kunstmatige geuren te verstoppen. Alleen deze basisgeur, die primitieve menselijke uitwaseming was zeer vertrouwd, alleen daarin leefden ze en voelden ze zich geborgen en slechts wie deze walgelijk walm afscheidde werd door hen als een gelijke aanvaard.
Het was een merkwaardig parfum dat Grenouille die dag creëerde. Een merkwaardiger parfum was er tot dan toe op de wereld nog niet geweest. Het rook niet als een geur, maar als een mens die ruikt. Als je dit parfum in een donkere ruimte had geroken, dan had je gedacht dat er nog een mens stond. En als een mens die zelf als een mens rook hem had gebruikt, dan had hij bij ons wat geur betreft de indruk gewekt dat hij twee mensen was of, nog erger, een monsterlijk dubbelwezen, een gedaante die je niet meer eenduidig kunt bepalen omdat hij zich wazig onscherp presenteert, als het beeld van de bodem van een meer waarover de golven spelen. En om deze mensengeur te imiteren –met vele tekortkomingen, zoals hij zelf wist, maar toch handig genoeg om anderen te misleiden –zocht Grenouille in Runels werkplaats de meest onwaarschijnlijke ingrediënten bij elkaar.
Er lag een hoopje kattenpoep achter de drempel van de deur die naar de binnenplaats leidde, nog vrij vers. Daarvan nam hij een half lepeltje en deed het samen met een druppel azijn en vergruizeld zout in de mengbeker. Onder de werkbank vond hij een stukje kaas zo groot als de nagel van zijn duim, dat kennelijk van een maaltijd van Runel afkomstig was. Het was behoorlijk oud, begon al te rotten en er stroomde een bijtend scherpe geur vanaf. Van het deksel van de sardienenton die achter in de winkel stond, schraapte hij een visachtig-ranzig riekend goedje af, mengde het met een rot ei en castoreum, ammonia, nootmuskaat, gevijlde hoorn en geschroeid varkenszwoerd, in fijne kruimels. Daarbij goot hij een betrekkelijk grote dosis civet, mengde deze afschuwelijke ingrediënten met alcohol, liet digereren en filterde in een tweede fles. Het brouwsel stonk afstotelijk. Het stonk rottend als een latrine, en als je de uitwaseming met een waaier met zuivere lucht mengde, was het alsof je op een warme zomerdag in de Rue aux Fers in Parijs stond, op de hoek van de Rue de la Lingerie, waar de geuren van de Hallen, van de Cimentière des Innocents en van de overvolle huizen bij elkaar kwamen.
Over deze gruwelijke basis, die op zich meer als een kadaver dan mensachtig rook legde Grenouille nu een laag van olieachtig frisse geuren: pepermunt, terpentijn, limoen, eucalyptus, die hij met een bouquet van fijne bloesemoliën zoals geranium, roos, oranjebloesem en jasmijn tegelijkertijd in toom hield en maskeerde. Na verdere verdunning met alcohol en wat azijn was van de onderbouw waarop het hel mengsel rustte, niets akeligs meer ruikbaar. De latente stank was door de frisse ingrediënten tot in het onopvallende verloren gegaan, het walgelijke was door de geur van bloesem opgesierd, zelfs haast interessant geworden en van verrotting was merkwaardig genoeg niets meer te ruiken, niet het minste spoortje meer. Er leek daarentegen een heviger en zwieriger levensgeur van het parfum uit te gaan.
Grenouille vulde het mengsel af in twee flacons die hij van een stop voorzag en bij zich stak. Toen waste hij glaswerk, vijzel, trechter en lepel zorgvuldig met water af, wreef ze in met olie van bittere amandelen om alle geursporen uit te wissen en nam een tweede mengbeker. Daarin componeerde hij snel een ander parfum, een soort kopie van het eerste dat eveneens uit fleurige elementen bestond maar waarbij de basis niets meer van het heksenbrouwsel bevatte, doch zeer conventioneel wat muskus, amber, een klein beetje civet en olie van cederhout. Voor hem rook het volkomen anders dan het eerste -matter, onbezoedelder, minder virulent –want voor hem ontbraken de componenten van de geïmiteerde mensengeur. Maar als een gewoon mens het opdeed en met zijn eigen geur verbond, dan zou het van het parfum dat Grenouille uitsluitend voor zichzelf ontworpen had niet meer te onderscheiden zijn.
Nadat hij ook het tweede parfum in flacons had afgevuld kleedde hij zich helemaal uit en besprenkelde zijn lichaam met het eerste. Toen bracht hij druppeltjes aan onder zijn oksels, tussen zijn tenen, op zijn geslachtsdeel, op zijn borst, in zijn nek, oren en haar, kleedde zich weer aan en verliet de werkplaats.
*32*
Toen hij op straat kwam overviel hem plotseling angst, want hij wist dat hij voor het eerst van zijn leven een menselijke geur verspreidde. Zelf vond hij dat hij stonk, weerzinwekkend stonk, en hij kon zich niet voorstellen dat andere mensen zijn geur niet eveneens als stinkend ondergingen en waagde het niet regelrecht naar de herberg te gaan, waar Runel en de major domus van de markies op hem wachtten. Het leek hem minder riskant zijn nieuwe aura eerst in een anonieme omgeving uit te proberen.
Door de smalste en donkerste stegen sloop hij naar de rivier waar de leerlooiers en de textielververs hun werkplaatsen hadden en hun stinkende beroep uitoefenden. Als iemand hem tegemoet kwam of als hij langs een huisdeur liep waar kinderen speelden of oude vrouwen zaten, dwong hij zichzelf ertoe langzamer te lopen en zijn geur in een grote gesloten wolk om zich heen te dragen.
Hij was van jongs af aan gewend dat mensen die hem voorbij liepen geen enkele notie van hem namen, niet uit minachting –zoals hij vroeger geloofde - maar omdat ze niets van zijn bestaan merkten. Er had zich een ruimte om hem heen bevonden, geen golfslag die hij, zoals andere mensen, in de atmosfeer sloeg, geen schaduw, om zo te zeggen, die hij over het gezicht van andere mensen had kunnen werpen. Alleen wanneer hij pardoes tegen iemand was opgebotst, in de drukte of plotseling op de hoek van een straat, was er een kort moment van waarneming geweest; en meestal deinsde de ander ontsteld terug, staarde hem, Grenouille, een paar seconden aan alsof hij een wezen zag dat eigenlijk niet mocht bestaan, een wezen dat, hoewel het er onmiskenbaar wás, op een of andere manier niet aanwezig was –en nam de benen en was hem ogenblikkelijk weer vergeten...
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het dan weten door een reactie te geven.