
CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.
ff n studiebreak
Online een chick scoren, je liefde laten zien op Whatsapp en digitale kusjes sturen. Zonder een blauwtje te lopen. Aanrader?
geef je mening
Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?
Zakelijke gegevens
Auteur: Jan H. Eekhout
Titel: Pastoor Poncke, Callenbach, Nijkerk, 1941, 263 blz.
Genre: roman
Eerste reactie
Keuze:
Ik zocht nog een boek voor mijn lijst vanonder het kopje ‘protestants-christelijk’. Ik ging daarvoor naar een christelijke bibliotheek en vond een aantal boeken. Dit boek leek me het leukst. Ik moest al zoveel voor school lezen dat ik geen zin in iets moeilijks had.
Inhoud:
Dit boek vond ik heel erg leuk. Er staan een heleboel grappige dingen in en ik heb er af en toe hardop bij zitten lachen. Inhoudelijk vind ik het wat minder: voor mijn gevoel slaat het verhaal niet echt ergens op en is het vooral als ontspanning bedoeld.
Verdieping
Samenvatting:
Pastoor Poncke is de hoofdpersoon van dit vrolijke boek. Hij is pastoor van Damme, een dorpje in Vlaanderen. Pastoor Poncke wijdt zich vol vuur aan zijn taak. Wel lijkt hij een tikje vreemd. Zo praat hij bijvoorbeeld met zijn ezel Socrates, snuift tabak en draagt een mantel vol vlekken. Hij uit ook op zijn tijd zijn filosofische gedachten, waar soms hele vreemde gedachtenkronkels in voorkomen. Jammergenoeg kunnen we niet alle leuke gebeurtenissen noemen in deze samenvatting.
Pastoor Poncke gaat vaak ‘brevieren’ met zijn ezel. Hij kijkt dan meer in zijn gebedenboek dan naar de rest van de wereld, met als gevolg dat Socrates op een dag dwars door een weiland loopt. Hij wil –volgens de pastoor- in het water naar zichzelf kijken. De pastoor valt daardoor bijna in het water. Gelukkig gooit een daggelder een steen in het water, waarvan Socrates zo schrikt dat hij achteruit springt. Pastoor Poncke steekt een preek tegen Socrates af, bedankt de daggelder en zet zijn tocht voort.
Hij komt ‘Sanderken’ tegen, die treurt om het verlies van zijn broer, die zichzelf opgehangen heeft. Poncke probeert hem er –zonder resultaat- van te overtuigen dat zijn broer niet in het vagevuur terecht is gekomen.
Op een avond houdt de Baljuw een banket. Hij heeft de pastoor ook uitgenodigd, met de vraag van zijn vrouw of hij een schone mantel wil aantrekken. Op de betreffende avond laat Pastoor Poncke zijn mantel, gewassen en wel, door zijn diensmeid Katrijne naar de Baljuw brengen. Hij beweert dat de mantel is uitgenodigd voor het banket. Katrijne komt al snel weer terug met een briefje. Het geval berust op een misverstand en de pastoor moet maar zo snel mogelijk komen, het maakt niet uit wat hij daarvoor aantrekt. Het banket verloopt goed, de pastoor geniet van de wijn en de gesprekken. Hij danst niet, vanwege zijn likdoorns.
Er heerst een zeer droge zomer in Damme en de mensen zijn ontevreden. Maar als Poncke een extra lange breviertocht maakt, die hij met vurige smeekbeden vult, gaat het toch rekenen. Pastoor noemt zijn eigen moestuintje ook in zijn gebed. Het gaat inderdaad regenen, alleen wordt het hele moestuintje daardoor overspoeld, maar dat vindt Poncke niet erg.
Op een andere tocht komt Poncke toevallig langs als Sanderken zich in de sloot werpt om te verdrinken. Hij haalt de man eruit, laat hem beloven dat nooit meer te doen en stuurt hem naar huis. De volgende dag heeft Sanderken zich toch opgehangen.
De winter is erg streng en de pastoor onderneemt een tocht langs de boerderijen om eten voor de armen in Damme te verzamelen. Hij slaagt heel goed in zijn tocht, doordat hij door slimme woorden de mensen overrompelt. Met zijn tassen vol vlees rijdt hij op Socrates richting Damme. Een roversbende wil hem het vlees afhandig maken. Dat lukt hen niet omdat de pastoor opnieuw het woord als zwaard gebruikt. De mannen vinden hem zo grappig dat ze een preek van hem willen horen. De pastoor houdt een preek waarin hij het leven van de rovers met dat van de Heere Jezus vergelijkt. De preek eindigt ermee dat Jezus uit de hel is weergekeerd maar dat de rovers daar zullen blijven in tegenstelling tot Hem. Hij kan het eten naar de armen brengen.
Socrates is al oud en krijgt op een goede dag nukken. Hij maakt telkens ‘vereeuwigingen’ van hem en de pastoor; hij is soms een kwartierlang niet vooruit te branden. Daarom besluit de pastoor hem te verkopen op de markt in Brugge. Dat lukt hem, maar hij kan geen andere ezel vinden. Als hij Socrates weer tegenkomt, koopt hij hem weer en rijdt tevreden terug naar Damme.
De pastoor moet nu noodgedwongen te voet gaan brevieren. Hij wordt steeds magerder en uiteindelijk komt hij op sterven te liggen. In zijn testament denkt hij aan al zijn vrienden, inclusief Socrates. Hij sterft rustig: ‘Pastoor Poncke lag daar gelijk een waarachtig kerkvorst, zoo verheven streng en mild.’
Onderzoek van de verhaaltechniek
- De schrijfstijl van dit boek is niet moeilijk. Je moet eerst even wennen aan de vele Vlaamse woorden en de ouderwetse schrijfwijze. Als dat eenmaal goed gaat leest het makkelijk weg.
- Het boek speelt zich af in Damme, een dorpje in Vlaanderen, rond het einde van de achttiende eeuw.
- De hoofdpersoon van het verhaal is Pastoor Poncke, de vriendelijke, strenge, humoristische zielenherder van Damme. Hij heeft een ezel, Socrates, en een dienstmeid, Katrijne. Dan zijn er nog een heleboel Dammenaren: de Baljuw, die met zijn vrouw een banket houdt, de Apotheker die altijd met Voltaire schermt, Sanderken die zich ophangt, en natuurlijk de twee vrome zussen Roozeke en Melanie.
- In het verhaal komen veel verschillende situaties voor. Eigenlijk bestaat het boek uit een verzameling verhalen uit het leven van de pastoor.
Op zoek naar de thematiek
Dit boek gaat over het kerkelijke en godvruchtige leven in het Vlaanderen van die tijd. De schrijver is zelf protestants. Hij wil denk ik ook wat misverstanden bij protestanten over katholieken wegnemen door dit boek. De levenshouding van Pastoor Poncke wordt eigenlijk aangeprezen.
Ik denk dat het in dit boek vooral om humor gaat. Voorin staan twee motto’s: ‘Humor is een zacht moedig zijn’ en ‘Der mensch ist nur dort ganz mensch, wo er spielt.’ Humor is volgens de schrijver dus heel belangrijk.
Plaats in de literatuurgeschiedenis
Jan H. Eekhout is geboren in 1900 en heeft aanvakelijk vooral poëzie gepubliceerd. Wij herinneren slechts aan de bundels Louteringen (1927), Doodendansen 1929, Branding 1931, Osmaansche strofen 1936 (vertalingen), De neger zingt (1939, Amerikaansche negerlyriek), Harmonica (1938), Solaas (1940). Roel Houwink, gelijk den lezers van onze courant uit zijn recensies bekend zal zijn, een groot bewonderaar van Jan Eekhout, heeft zeer onlangs een goede bloemlezing samengesteld uit zijn dichterlijk werk, die hij vooraf liet gaan door een uitvoerige inleiding.
De laatste jaren heeft Eekhout een bijzonder groote productiviteit getoond op velerlei letterkundig gebied: nadat hij aanvakleijk alleen poëzie, essay's en korte vertellingen had doen uitgeven, verscheen in 1933 zijn roman De boer zonder God; twee jaar later gevolgd door Patriciërs. Beide boeken kan men rekenen tot de regionale romans, op zichzelf zeker de moeite waard om te lezen, maar voor wie Eekhout's latere prestaties in het oog houdt, zijn het toch meer voorstudies voor het latere werk, waarin hij - al bleef hij ook den uiterlijken vorm van den boerenzoon trouw - méér trachtte te geven dan een waarheid, die alleen aan zijn eigen geboortestreek, Zeeuwsch Vlaanderen, eigen was. Wij denken nu vooral aan zijn roman Aarde en Brood, waarin Eekhout de macht van het noodlot heeft uitgebeeld, een noodlot, dat hier weliswaar aan een bepaald stuk land gebonden is, maar dat toch ieder menschenleven - zoo beseft men - zou kunnen vernietigen, op welk stuk land of in welke straat het ook wordt geleefd. Warden, een koning, verschenen in 1937, behoort eveneens tot zijn veel gelezen proza-werken, doch dit boek schijnt ons door de publieke opinie wel wat overschat.
Met meer waardering kan men de twee grote heldendichten vermelden, die Eekhout in het Nederlandsch heeft vertaald: het Soemerisch-Babylonische epos Gilgamesj en het groote heldendicht van de Finnen: de Kalevala. Wel heeft hij zich, met name bij het laatste werk niet zeer nauwgezet gehouden aan zijn vertaalvoorbeeld, maar de belangrijkste motieven van dit epos hebben toch hun centrale plaats behouden. Het epos heeft hij weten weer te geven in zijn eigen, herhaaldelijk rake beeldspraak en de daden der helden heeft hij nu en dan verklaard door, in deze oude geschiedenis wel wat wonderlijk aandoende, maar niettemin soms aardige, psychologische trekjes. De Vlaamsche en oud-Nederlandsche woorden, die hij in dit werk gebruikt, geven een passenden, archaïschen toon aan het geheel.
Er schijnen wel meer van dit soort ‘pastoorromans’ geschreven te zijn. Vaak hebben die echter het karakter van streekromans, maar dat kun je over Pastoor Poncke niet zeggen.
Beoordeling
1. De humor in het boek heeft voor mij een positieve werking. Er waren talloze stukjes waar ik om moet lachen en ik lees niet vaak boeken waarbij ik dat heb.
2. De passage over de ontmoeting met de rovers en de daarop volgende preek van de pastoor vond ik het leukst. Het is echt het hoogtepunt van alle grappige gebeurtenissen in het boek. Ik vond het ook de beste overwinning die de pastoor behaalt in het boek.
3. Soms vond ik de grapjes in het boek een beetje gemaakt. Bij het verhaal over Socrates zag ik bijvoorbeeld al helemaal aankomen dat de pastoor gewoon weer met Socrates zou thuis komen. Soms ligt het er allemaal een beetje te dik bovenop af en toe. Het verhaal is ook niet echt realistisch. Er zal wel nooit een pastoor zoals Poncke geleefd hebben, want hij zegt soms dingen die een pastoor absoluut niet zou zeggen. De verhalen zijn ook allemaal net iets te mooi om waar te zijn.
4. Dit bijzondere boek kan ik met geen ander boek vergelijken.
5. Het thema van het boek vind ik best goed. Ik leest niet elke dag (zelfs niet elk jaar) boeken over een pastoor, dus dat was wel een keer grappig. Ik waardeer ook een groot deel van de humor en de levensvisie die eruit spreekt.
6. Het taalgebruik vind ik heel mooi. Als je er eenmaal aan gewend bent leest het heel lekker. En ik vind dat die Vlaamse woorden, die ik niet gewend ben, het boek nog grappiger maken.
7. Een leuk boek. Vooral als je gewoon eens iets grappigs wilt lezen. Wel neigt het af en toe naar spotten, maar ik geloof niet dat dat de opzet van de schrijver is.
8. Ik zou het anderen wel aanraden, omdat het zo’n grappig boek is. Ik zou er dan wel voor waarschuwen dat sommige dingen wat vreemd verteld worden, zodat het lijkt of er wordt gespot.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het dan weten door een reactie te geven.