
|
Geschreven door: | |
Datum ingestuurd: | 14 maart 2004 |
Niveau: | 4 vwo |
Taal: | |
Woorden: | 5991 |
Opvragingen: | 10749 (136 deze maand) |
Waardering: |
Titel: | Siegfried |
Auteur: | |
Jaar van uitgave: | 2001 |
Aantal pagina's: | 213 |
Moeilijkheidsgraad: |
|
Thema: | |
Prijs: | Genomineerd Libris 2002 |
Auteur: | |
Geslacht: | man |
Nationaliteit: | Nederlands |
Geboren: | 29 juli 1927 |
Informatie: | http://nl.wikipedia.org/wiki/Harry_Mulisch http://www.scholieren.com/weblog/nederland-moet-lezen |
Populaire titels: |
|


Beschrijving
H. Mulisch, Siegfried, een zwarte idylle, uitgeverij de bezige bij, Amsterdam, 2001
Titel en ondertitel
Bij de titel Siegfried, een zwarte idylle denk ik aan een roman met een vaag verhaal, of met een verhaal dat het daglicht niet kan verdragen.
Voorwerk
Harry Mulisch schreef: ‘Siegfried, een zwarte idylle’ in 2001. Het werd uitgegeven door uitgeverij de Bezige Bij in Amsterdam. Het is een oorlogsroman.
Zijn debuut verscheen in 1952 en was getiteld Tussen hamer en aambeeld
Volgens eigen zeggen is hij schrijver geworden omdat hij in juli jarig is. Dan is iedereen met vakantie en kun je nooit trakteren op school. Uit frustratie trakteert hij nu op boeken.
Harry Kurt Victor Mulisch is geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Mulisch is de enige zoon van Karl Victor Kurt Mulisch en Alice Schwarz. Zijn vader komt uit het toenmalige Oostenrijk-Hongarije (nu: Jablonec in Tsjechië). Na de Eerste Wereldoorlog emigreerde hij naar Nederland. Zijn moeder is joods en geboren in Antwerpen. Hoewel er thuis Duits wordt gesproken, wordt hij opgevoed met Nederlands. In 1936 scheiden zijn ouders waarna zijn moeder verhuist naar Amsterdam en Mulisch vooral wordt opgevoed door de huishoudster Frieda Falk.
Hij gaat na de lagere school naar het Christelijk Lyceum in Haarlem. Tijdens de oorlog werkt zijn vader bij de collaborerende bank Lippmann-Rosenthal & Co en door die positie kan hij zijn zoon en ex-vrouw beschermen tegen deportatie. In zijn middelbare schooljaren raakt Mulisch in de ban van de wetenschap. Hij richt een laboratorium in voor zijn experimenten, geïnspireerd door het jeugdboek De avonturen van Bram Vingerling van Leonard Roggeveen. Deze hobby gaat ten koste van zijn schoolprestaties: hij zakt voor zijn overgangstentamen in 1944 en gaat van school. Na de oorlog wordt vader Mulisch tot drie jaar gevangenisstraf veroordeeld vanwege zijn baan bij Lippmann-Rosenthal & Co. Zijn moeder emigreert naar Amerika.
Mulisch' belangstelling verschuift meer en meer van de wetenschap naar de kunst. Hij tekent veel en schrijft in 1946 het verhaal Mijn kamer, dat in 1947 gepubliceerd wordt in het tijdschrift Elsevier. Daarnaast begint hij met het lezen van grote schrijvers als Multatuli en Dostojevski, gaat toneelspelen en treedt op in een operette. Vanaf 1949 richt hij zich volledig op het schrijven. In 1957 overlijdt zijn vader.
In 1958 verhuist Mulisch naar Amsterdam. In dat jaar wordt ook hij lid van de redactie van het tijdschrift Podium. Hij is ook redacteur van Randstad en tot 1990 van het bekende literaire tijdschrift De Gids. In de zestiger jaren toont hij zich sterk betrokken bij de nieuwe maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. Hij voelt zich aangetrokken tot een communistische staat als het Cuba van Fidel Castro.
In 1971 trouwt Mulisch met Sjoerdje Woudenberg. Samen hebben ze 2 kinderen. In 1992 wordt er nog een zoon geboren uit een verhouding met een nieuwe partner. Op zijn vijftigste verjaardag wordt Mulisch benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. In 1992, bij het uitreiken van het eerste exemplaar van De ontdekking van de hemel, volgt een bevordering tot Officier in de Orde van Oranje Nassau. Van de gemeente Amsterdam ontvangt Mulisch de zilveren eremedaille.
Samenvatting
Hoofdstuk 1
In dit hoofdstuk komt de 72 jarige Nederlandse schrijver Rudolf Herter met zijn goede vriendin Maria op het vliegveld van Wenen aan. Hij komt in Wenen interviews en lezingen houden over zijn magnum opus “De uitvinding van de liefde” dat recentelijk in het Duits vertaald was. Als zij bij hun hotelkamer aankomen, zetten zij hun spullen weg en maken een flinke stadswandeling.
Hoofdstuk 2
Rudolf Herter heeft het met degene die hem interviewt, in het ietwat ouderwets Duits van voor de WO I, over zijn verbeeldingskracht c.q. fantasie. Als Sabine (de interviewster) vraagt of hij al iets kan verraden over zijn nieuwe verhaal zegt hij: “Ja, maar dat doe ik niet.”
Hoofdstuk 3
Rudolf zit met iets, opeens schrijft hij op de welkomskaart HITLER, na een minuut schrijft hij de anagrammen HELRIT en RELHIT op. Daarna kijken Maria en Rudolf naar Rudolf’s interview. Daarna praten zij weer verder over het onderwerp fantasie (zoals in het interview).
Hoofdstuk 4
De volgende dag heeft Herter weer twee interviews. Na zijn twee interviews wilde hij weg; naar buiten. Als hij weer binnen is in het hotel komt net de vermaarde dirigent Constant Ernst, die hij van gezicht kende, uit de lift. Ernst vertelt dat hij bezig is met het stuk “Tristan und Isolde”
Hoofdstuk 5
Herter belde zijn zoontje Marnix, hij vertelde dat als hij doodging dat hij dan verbrand wilde worden en dan een asloper (een zandloper met zijn as gevuld) wilde worden, die dan bij zijn vader op zijn werkkamer moest komen te staan.
Hoofdstuk 6
’s Avonds om zes uur geeft Herter een lezing over zijn in het Duits vertaalde boek “Die Erfindung der Liebe”. Hij vertelde dat als hij in zijn werkkamer was dat hij dan leefde tussen twee werelden, hij was dan in niemandsland. Na een aantal vragen beantwoord te hebben, werd hem gevraagd of hij bereid was boeken te signeren, waarop Herter zei: “Natuurlijk, ben ik bereid te signeren”. Nadat Herter zijn vulpen had dichtgeschroefd kwamen er twee oude mensen naar hem toe, de man zei met een sterk Duits accent: “Meneer Herter, kunnen wij u heel kort maal spreken?”
Hoofdstuk 7
De twee oude mensen stelden zich voor als Ullrich en Julia Falk, hij een slanke oude man en zij, zo dik was als hij slank. Ze zagen er armelijk maar verzorgd uit. Na een kort inleidend gesprek over wat Herter had gezegd over Hitler zei Falk: “Misschien kunnen wij u helpen.” Ze spraken af in het bejaardentehuis, Eben Haëzer, want Ullrich en Julia wilde dit niet in het openbaar bespreken.
Hoofdstuk 8
Op weg naar Eber Haëzer kocht hij een bloemetje voor mevrouw Falk. Al vertellend komt Herter te weten dat Ullrich en Julia beiden bedienden van Hitler zijn geweest. Als meneer Falk over zijn verleden verder gaat vraagt hij aan Herter of hij zijn eed zou willen overnemen zolang zij beiden nog leven.
Hoofdstuk 9
Mevrouw Falk vertelt over Eva Braun. Ze zegt over haar: “Juffrouw Braun was een eenzaam, ongelukkig schepsel, dat om politieke redenen verborgen gehouden moest worden. Julia en Eva konden het direct goed met elkaar vinden. Mevrouw Braun heeft voordat Ullrich en Julia op de Berghof kwamen, al twee zelfmoordpogingen gedaan, omdat Hitler té lang bij haar weg was, omdat hij het dan zo druk had.
Hoofdstuk 10
Ullrich vertelt nog verder over Hitler en zegt dat hij er spijt van heeft dat hij toen, toen het nog mogelijk was, hem niet vergiftigd heeft, maar dat hij het niet heeft gedaan omdat er toen nog geen reden voor was. Herter voelt aan dat Ullrich bijna zover is, hetgeen dat hij op zijn hart heeft komt er bijna uit, maar hij jaagt hem niet op door ernaar te vragen. Na de Anschluss werden Julia en Ullrich bij de Führer geroepen en hij zei: “Meneer Falk, mevrouw, ik zal u een staatsgeheim verraden: juffrouw Braun verwacht een kind.”
Hoofdstuk 11
Ullrich en Julia moesten een brief naar huis schrijven dat zij een kind verwachten. Siegfried, want zo heet het kind, wordt geboren. Als Hitler de vader zou zijn van dat kind zouden alle Duitse vrouwen hem als een bedrieger zien, want elke Duitse vrouw wilde wel een kind van de Führer. Dat kon dus niet. Vanaf toen waren Ullrich en Julia de ouders van Siegfried
Hoofdstuk 12
In dit hoofdstuk wordt veel verteld over Siggi, zijn verhoudingen met iedereen. Hij kwam altijd naar Julia als hij moest huilen en niet naar zijn eigenlijke moeder, wat juffrouw Braun erg veel verdriet deed en bij haar een groot gevoel van jaloezie opwekte.
Hoofdstuk 13
Hitler en zijn top trokken steeds meer naar de schuilkelders en naar andere verblijven in het hele land, dit tot groot verdriet van Eva Braun. Bormann komt mevrouw Braun ophalen om mee te gaan naar de Wolfsschanze, want de chef had gezegd dat hij haar in deze moeilijke dagen naast hem wilde hebben. Falk werd door een adjudant van Bormann geroepen om naar zijn chalet te komen. Daar zei Bormann tegen Ullrich: “Op bevel van de Führer moet u Siegfried doden.”
Hoofdstuk 14
Citaat:
Falk haalt zijn doorgeladen 7.65 pistool te voorschijn en laat Siggi het magazijn met de kogels zien. Hij gaat wijdbeens staan, houdt het wapen met twee handen vast en lost een schot, dat de schematische gestalte aan het eind van de baan in de buik treft, waarop Siggi roept: “Mag ik ook eens, mag ik ook eens.” De wereld bestaat niet. Het is allemaal niet waar. Niets bestaat. Hij laat zich op een knie zakken en demonstreert nog eens hoe het pistool vastgehouden moet worden. Voor de grap richt hij de loop van vlakbij op Siggi's voorhoofd. Als hij begint te lachen, haalt hij de trekker over. Met bloed bespat blijft hij kijken naar het punt waar zojuist nog Siggi's lach was. Niemand heeft iets gezien of gehoord. Hij sluit zijn ogen en laat langzaam het pistool zakken, tot de loop het roerloze lichaam raakt, terwijl hij denkt: - Niet ik heb hem gedood, Hitler heeft hem gedood. Niet ik, Hitler. Ik. Hitler.
Hoofdstuk 15
Herter neemt afscheid van Ullrich en Julia Falk, neemt een exemplaar van “Die Erfindung der Liebe” en schreef daar in:
Voor Ullrich Falk,
Die in tijden van het kwaad
een onvoorstelbaar offer bracht
aan de liefde.
En voor Julia.
Rudolf Herter
Wenen, November 1999
Hoofdstuk 16
Eenmaal terug op zijn hotelkamer praat hij wat met Maria, pakt zijn dictafoontje en neemt een monoloog op over filosofie en filosoferen.
Hoofdstuk 17
Hij vervolgt zijn monoloog over de filosofie en neemt het op. Hij vergelijkt citaten van Schopenhauer en Nietzsche met elkaar. Herter wordt zelfs emotioneel als hij vertelt dat Nietzsche het eerste 'slachtoffer' van Hitler was. Hij constateert dat Nietzsche in 1888 krankzinnig werd en dat op dat zelfde moment Hitler werd verwekt. Verder vraagt hij zich af in hoeverre Hitler een mens was.
Citaat:
Plotseling voelt hij dat iets ontzettends hem bij de keel grijpt en hem meesleurt, de slaap in, door de slaap heen, verder dan slaap…
Hoofdstuk 18
Dit hoofdstuk bevat allerlei stukken uit het dagboek van Eva Braun. Hierin komt naar voren dat zij een zeer ongelukkige vrouw is, omdat haar man steeds weg is.
Hoofdstuk 19
Maria komt de hotelkamer in en vreest het ergste als zij daar Rudolf bewegingsloos op de grond ziet liggen. Tevergeefs belt zij de dokter. De dokter constateert dat hij is overleden aan een hartstilstand, het waarschijnlijke gevolg van een (té) grote emotie. Ze belt naar Olga in Amsterdam en spreekt het verschrikkelijke bericht in op het antwoordapparaat. Even later pakt zij het dictafoontje en hoort dan: “…hij…hij …hij is hier…”
Genre
Bij dit boek wil ik het genre omschrijven als een roman.
Tijd
Het verhaal speelt zich af in november 1999. De flashback vertelt een periode van 1933 tot en met 1944. Dit kan je opmaken omdat Herter aan het einde van het verhaal een boek schenkt aan het echtpaar Falk. Dat boek signeert hij met: 'Voor Ullrich Falk, die in de tijden van het kwaad een onvoorstelbaar offer bracht aan de liefde. En voor Julia. Rudolf Herter Wenen, november 1999.' (citaat)
Personages
De hoofdpersoon Rudolf Herter is totaal geen held, omdat hij niets van alle gebeurtenissen heeft meegemaakt, maar alles hoort van Ullrich en Julia Falk. Ik vind vooral de eigenschappen van Ullrich en Julia Falk erg bewonderend, omdat zij het verhaal ongeveer 50 à 60 jaar bewaard hebben en daarna pas hun eed doorbroken. Ik vind ook dat ze erg menselijk, daarom waardeer ik de schrijver van dit boek ook heel erg.
Ruimte
Het verhaal speelt zich af in Wenen, waar Herter verblijft, vooral in het hotel en bij de Falks in huis. De flashbacks spelen zich af in het buitenverblijf Berghof in Duitsland. Het dagboek van Eva Braun speelt zich af in het ondergrondse verblijf van Hitler.
Perspectief
Het verhaal is geschreven vanuit een vertellers perspectief. Aan het eind is een stuk te vinden uit het dagboek van Eva Braun, dit dagboek is vanuit het ik-perspectief van Eva Braun geschreven.
Door dit perspectief ben je niet goed op de hoogte van de gedachten en gevoelens van de personen.
Structuur
Het boek is in de derde persoon enkelvoud. Het bestaat grofweg uit drie delen: Het begin, de vertelling van de Falks en de semi-filosofische gedachten van Herter over Hitler. De tijdsspanne is ongeveer 70 jaar. Het verhaal is chronologisch op de vertelling na, die op zich een chronologische flashback is. Aan het eind van het verhaal lijkt de tijd wel een stuk langzamer te gaan, dit heeft waarschijnlijk iets te maken met het feit dat Herter stervende is.
Thema en motieven
Die Endlösung der Hitlerfrage (i.p.v. Die Endlösung der Judenfrage)
De schrijver Rudolf Herter probeert Hitler te vangen in de fictieve wereld; die van het boek. Hij probeert er achter te komen wie Hitler was en waarom hij zo was.
Taalgebruik
Ook het taalgebruik van dit boek vind ik erg goed en fijn om te lezen. Wat ik alleen jammer vind is dat je aan het taalgebruik van de mensen niet kunt merken wie het is.
Recensies
Bron
Trouw
Publicatiedatum
01-02-2001
Recensent
Peter Henk Steenhuis
Recensietitel
Mulisch heeft Hitler te pakken : Vraaggesprek
Vandaag biedt burgemeester Job Cohen van Amsterdam de schrijver Harry Mulisch het eerste exemplaar van zijn boek 'Siegfried' aan. Een gesprek met de schrijver over zijn nieuwste werk en zijn fascinatie voor Adolf Hitler. 'Siegfried' begint met de introductie van Rudolf Herter, een wereldberoemde, pijprokende schrijver, die ooit over de nazi Adolf Eichmann een boek heeft geschreven, en in de pers vergeleken is met Homerus, Dante en Milton. Voor een lezing over zijn magnum opus, 'De Uitvinding van de Liefde', reist Herter naar Wenen, de stad waar zijn vader vandaan komt. Bij zijn verblijf in Oostenrijk wordt de schrijver geïnterviewd voor een kunstzinnig actualiteitenprogramma. Dit vraaggesprek, dat 's avonds op televisie wordt uitgezonden, is te lezen als de opmaat tot de roman. Het gaat over de 'fantastische fantasie' waarmee Herters boeken zijn geschreven, en over de vraag of de scheppende fantasie de aard heeft van dromen. Herter antwoordt: "Ook dat, maar niet alleen. Het heeft ook de aard van begrip." Om te voorkomen dat de interviewster, Sabine, hem tot een freudiaanse dromenduider bestempelt, maakt Herter een onderscheid tussen hem en Sabine's beroemde stadsgenoot: voor Freud waren dromen, dagdromen, mythen en romans objecten waar het begrip zich op richt, "maar ik bedoel dat zij zelf het begrip zijn". De interviewster staat paf van dit antwoord, en ook de schrijver begrijpt nauwelijks wat hij zegt. Herter probeert het Sabine uit te leggen: "Ik bedoel dat een kunstzinnige fantasie van een of andere soort niet zozeer iets is wat begrepen moet worden, maar eerder iets waarmee je begrijpt. Het is een werktuig." De zaak is nog steeds niet helemaal helder, Herter probeert zijn gedachten met een voorbeeld te verduidelijken. Het moet mogelijk zijn iemand die werkelijk bestaat, maar die je niet helemaal begrijpt, beter te gaan begrijpen door hem of haar in een totaal gefingeerde, extreme situatie te plaatsen en te zien hoe hij zich vervolgens gedraagt. "Bij wijze van gedachte-experiment - of nee: fantasieën-experiment." De interviewster huivert, experimenteren met mensen, dat klinkt griezelig. Herter erkent dat het experiment niet ongevaarlijk is, misschien mag je het alleen uitvoeren met een dode die niet te begrijpen is en die je haat. "'Hitler'", zei Herter onmiddellijk. "Hitler natuurlijk. Dat wil zeggen, ik ken hem nu juist niet." Ondanks alle studies is Hitler onbegrijpelijk gebleven. "Misschien is de fictie het net waarin hij gevangen kan worden. (...) Ik wil vanuit een of ander verzonnen, hoogstonwaarschijnlijk, hoogfantastisch maar niet onmogelijk feit uit de mentale werkelijkheid naar de sociale werkelijkheid." Herter dankt Sabine voor het gesprek, zij heeft hem op een idee gebracht. Zoals gebruikelijk bij Mulisch krijgt de reële wereld gaandeweg de roman gezelschap van een fantastische werkelijkheid. Herter komt namelijk een zeer onwaarschijnlijk verhaal ter ore van een ouder echtpaar, meneer en mevrouw Falk, die in de oorlog de persoonlijke bediendes van Hitler en Eva Braun zijn geweest. Het meest verbijsterende aan dit relaas is dat Hitler en Braun een zoon hebben gehad, met wie het gruwelijk afloopt. Het is dit verhaal dat Rudolf Herter ervan overtuigt dat Adolf Hitler "de manifestatie was van het niet-bestaande, nietigende Niets". Meneer Mulisch, waarom kiest Rudolf Herter juist Hitler uit voor zijn gedachte-experiment? "Herter zegt dat Hitler door zijn raadselachtigheid de dominerende persoon van de twintigste eeuw is geworden. Er waren andere massamoordenaars, Stalin, Mao, maar zij waren niet raadselachtig. Daarom is er ook veel minder over hen geschreven. Over Hitler zijn kasten vol geschreven, men heeft hem geprobeerd te verklaren vanuit de psychologie, vanuit de sociologie, vanuit historisch oogpunt, maar geen enkele verklaring bleek bevredigend. Herter denkt dat het mogelijk moet zijn hem met de fictie te pakken te krijgen, en zo bij het afstoten van de twintigste eeuw het laatste woord over hem te kunnen spreken." U deelt Herters fascinatie? "Ja. Nog steeds als ik Hitler op films zie, als ik hem hoor oreren, raak ik geboeid. Anders zou ik dit boek ook niet hebben kunnen schrijven. Die fascinatie van de Duitsers voor Hitler begrijp ik." Waardoor raakt u precies gefascineerd? "Omdat iets van Hitler ook in mij zit?" In 'Siegfried' wordt van Herter gezegd dat hij door alle bewondering meer en meer zelf in een kunstwerk veranderde. Over Hitler staat er dat hij weliswaar een mens was, maar tegelijkertijd iets onmenselijks was, eerder iets als een kunstwerk. Is het deze overeenkomst die boeit? "Nee. Herter heeft het idee dat de bewonderaars hem langzamerhand als een kunstwerk gaan zien. Maar hij ziet zichzelf nog altijd als een jongen van achttien, die vlak na de Tweede Wereldoorlog, zittend achter een met ijsbloemen beslagen raam, een verhaal op papier probeert te krijgen. Hitler keek nooit achterom, hij zag zichzelf als een soort kunstwerk, als iemand die gezonden was door de voorzienigheid, als een wonder, of hij vergeleek zich met Napoleon en Nero." Wat fascineert u dan? "Als ik dat wist, was de fascinatie voorbij. In de roman vertelt een van Hitlers persoonlijke bediendes over de aankomst van de chef- zo noemde het personeel Hitler - op de Obersalzberg, Hitlers buitenverblijf. Terecht stelt deze bediende, Falk, dat er een wereld van verschil was tussen de man die op de Obersalzberg arriveerde als een 'demonische acrobaat' en de man die 's avonds onderuitgezakt zat in een gebloemde fauteuil. En deze man was weer wezensvreemd aan de schreeuwende fanaticus, zoals de wereld hem kende. Rudolf Herter spreekt in dit verband van de 'heilloze drie-eenheid'. In die drie-eenheid moet de fascinatie liggen." Wie was uiteindelijk dan de echte Hitler? "Wat ik zeg: die drie-eenheid. Hij was niet het een of het ander. Hij was die drie personen tegelijk, en dat kon omdat hij zelf niets was. Hij was een masker zonder gezicht erachter." Deze uitspraak verdient veel uitleg. "Op een gegeven moment laat ik Herter refereren aan de negatieve theologie van Pseudo-Dionysius Areopagita, uit de vijfde eeuw. In zijn theorie is God een subject zonder predikaten, want hij is te groot om ook maar iets over hem te kunnen zeggen. Bij Hitler was het precies omgekeerd: hij is een bundel predikaten zonder subject, er is van alles over hem gezegd, zonder dat men hem te pakken heeft kunnen krijgen." Dit is een van de vele filosofische en theologische citaten in het boek. "Wanneer je Hitler de eniggeboren zoon van het Niets noemt, de absolute, logische Antichrist, ja, dan zit je al gauw op het terrein van de theologie en de filosofie." De filosofie en de theologie zijn net als de fictie bruikbare werktuigen om vat te krijgen op Hitler? "Het zijn zelf voortbrengselen van de fictie. Als we ervan uitgaan dat God niet bestaat - wat niet uitgesloten moet worden - dan is hij toch een fictieve schepping? Je kunt zeggen: 'God bestaat niet'. Akkoord, maar de theologie bestaat wel, en de Paus ook, en godsdienstbeleving ook. Deze voortbrengselen boeien me meer dan de vraag of God bestaat of niet. Als iemand mij kan bewijzen dat God bestaat, zeg ik: 'Nou ja, dus toch'. Vanuit die onzekerheid is het een niet geringe creatieve prestatie van de verbeelding om het Zijn, het Licht, God, het Totaal Andere, noem het maar op, zo te funderen als de theologie en de filosofie doen. Het is niet meer dan vanzelfsprekend dat de theologie en de filosofie dan ook geschikte werktuigen zijn om het tegendeel van deze begrippen te begrijpen: het Niet-zijn, de Duisternis, de Duivel, of iemand als Hitler." Op een gegeven moment is er sprake van een droom die Hitler gehad moet hebben. "Dat is een historisch feit. Er is een bediende geweest die Hitler op de rand van zijn bed heeft zien zitten, verward, gutsend van het zweet. Hitler stamelde: 'Hij... hij... hij was hier...' Wie was die Hij? Zijn vader? Wagner? De Duivel? Ik weet het niet." Als we de gedachtegang van Rudolf Herter volgen, is de duivel onlogisch. Waarom zou de zoon van de Duivel bang zijn voor zijn vader? "Wie is het dan, God?" Meedrijvend op de ideeën van de roman lijkt het me niet idioot die droom te interpreteren als het Zijn dat een tegenaanval onderneemt op het Niets." "Als God die de duivel omver probeert te werpen? Het is een aardige optie. Maar zo werk ik niet. Ik ga niet uit van het idee dat het boek een strijd is tussen het Licht en de Duisternis, Goed en Kwaad. Als lezer zou ik een dergelijke interpretatie kunnen geven, als schrijver beperk ik me tot concrete gegevens. 'Siegfried' is een verhaal over twee mannen, hun daden en hun gedachtes." Nadat hij het fantastische verhaal over Hitlers zoon Siegfried heeft gehoord, verzucht Herter dat hij wel weer geprezen zou worden om zijn fantasie, maar dat niemand zijn verhaal zou geloven. Acht u het waarschijnlijk dat men uw verhaal serieus neemt? "Niemand zal geloven dat Hitler een zoontje had, laat staan dat hij dit zoontje heeft laten vermoorden. Het is wel zo dat ik het verhaal zo heb proberen te schrijven dat het mogelijk gebeurd zou kunnen zijn." En de ideeën over Hitler als het nietigende Niets, die Herter met behulp van het werktuig van de fantasie construeert, zullen die serieus worden genomen? "Een hoop lezers zullen zeggen: opgeblazen flauwekul, typisch Mulisch. Ik kan me ook voorstellen dat nogal wat lezers denken: 'Verdraaid, misschien moet je Hitler zo begrijpen'." Maar het loopt met Herter slecht af. Zijn laatste woorden zijn: '...hij...hij ...hij is hier...' "Ja. Hitler haalt hem, en daarna is er niets meer." Dus Hitler is weer ontkomen. "Herter is dood. Maar ik leef." U heeft het boek geschreven. "Dat is het verschil." Dus niet ontkomen. "Nee. Ik denk dat ik Hitler te pakken heb."
Bron
Trouw
Publicatiedatum
03-02-2001
Recensent
T. van Deel
Recensietitel
Hitler in een literaire proefopstelling
In de nieuwe roman van Harry Mulisch, 'Siegfried', staan opmerkelijk veel uitspraken over het schrijven zelf, over de verbeelding en aanverwante kwesties als de inspiratie. Dat is ook weer niet zo verbazend als je bedenkt dat de hoofdpersoon, Rudolf Herter, een schrijver is en wel eentje die is gemodelleerd naar Mulisch zelf. Er zullen ongetwijfeld mensen zijn die dit spiegelbeeld van 'de beroemde schrijver' uiterst irritant vinden; ik had er wel aardigheid in wat oppervlakkige autobiografie, duidelijk ironisch, in dit verhaal verwerkt te zien. De schrijver heeft het wereldsucces 'De Uitvinding van de Liefde' op zijn naam staan en is aan het begin van het boek in Wenen te gast om eruit voor te lezen. Tijdens een televisie-interview gaat hij nader in op de aard van zijn werk, dat hij beschrijft als een onderzoek door middel van de fantasie. 'De fantasie als werktuig van het begrip.' En hij neemt als voorbeeld iemand die hij volkomen onbegrijpelijk vindt, een enigma, en dat is Hitler. Over hem zou hij wel eens willen schrijven: "Misschien is fictie het net waarin hij gevangen kan worden.' De interviewster vraagt dan of hij al aan een nieuw verhaal bezig is -ja- en hoe ver hij is: ongeveer op een tiende, en dat klopt precies met de bladzij in 'Siegfried'. De roman geeft dus niet alleen het verhaal over Hitler, maar ook de ontstaansgeschiedenis ervan. Het ligt zelfs nog ingewikkelder, want het verhaal over Hitler wordt de schrijver in de schoot geworpen zoals nog zal blijken. Eerst denkt hij naarstig over zijn onderwerp na: hoe moet hij de onbegrijpelijke in de proefsituatie van de fictie plaatsen: "De dood was de grondtoon van zijn [Hitler] wezen. Hoe kon hij onderzoeken of er misschien toch nog een laatste greintje levensliefde school in die sterveling? Iets met zijn lievelingshond misschien? Of met Eva Braun, met wie hij op de valreep immers nog was getrouwd? Waarom? Hoe kon hij een laboratoriumopstelling construeren om hem onder hoge druk te zetten, zodat hij en face zijn volledige gezicht moest tonen?' Hier zien we de schrijver toewerken naar de vondst van zijn verhaal, naar het centrum van waaruit 'Siegfried' geschreven is. Het is duidelijk dat hij dit zelf al kent, maar de schrijfwijze geeft de indruk dat hij er naar op zoek is. Ergens veel verderop in de roman prijst de schrijver het 'studeren in het kielzog van een idee' en het lijkt niet te ver gezocht om ook het schrijven van een roman te beschouwen als een literaire studie 'in het kielzog van een idee', zeker in het geval van Mulisch. Hij doet het in deze roman voorkomen alsof het idee hem wordt aangereikt door de werkelijkheid zelf, een kunstgreep die hij wel vaker toepast en die ook heel verrassend werkt in fictie. Bij zijn lezing, daags na het televisie-interview met de opmerkingen over Hitler, is een stokoud echtpaar aanwezig, dat hem aanspreekt. Hij beseft terstond dat zij hem in de genese van zijn voorgenomen roman behulpzaam kunnen zijn en maakt een afspraak voor de volgende dag. Hun verhaal, dat hij aanhoort in hun kamer in het bejaardentehuis, is de kiemcel van de roman. Het echtpaar blijkt gediend te hebben bij Hitler in diens buitenverblijf villa Berghof in Berchtesgaden en ze zijn daar verwikkeld geraakt in een verzinsel, waar geen schrijver zich aan gewaagd zou hebben, ware het niet dat 't in dit geval realiteit was. Het is natuurlijk Mulisch' verzinsel, dat moeten we er steeds bij bedenken, en het komt erop neer dat hij Hitler een zoon heeft laten verwekken bij Eva Braun: Siegfried. Met in het achterhoofd de gedachte aan een dynastie. Maar aangezien Hitler niet openlijk voor zijn keuze voor Eva Braun wilde uitkomen, moest het kind wettelijk andere ouders krijgen en daar koos hij zijn bedienend echtpaar voor uit. Het is een behoorlijk ingewikkelde constructie en de rol van het personage Eva Braun is in deze vaak niet goed te volgen, maar goed, het echtpaar gold dus officieel als ouders van Hitlers kind en het leefde in al die jaren in de Berghofse idylle. Dit gedeelte van de roman, waarin Siegfrieds pleegouders hun verhaal vertellen, is meesterlijk, ook wat tempo en informatievoorziening betreft. Mulisch kan met zijn onderwerp spelen, hij vindt verrassende manieren om fictie en werkelijkheid binnen zijn boek stuivertje te laten wisselen. Hij roept het diabolische verleden, een zwarte idylle inderdaad, met vaste hand op, hij kent zijn geschiedenis en laat merken dat hij zich heeft ingeleefd. De salto mortale van het verhaal is het onbegrijpelijke bevel van Hitler, overgebracht door de sinistere Bormann, dat de pleegvader Siegfried moet doden. De jongen is dan bijna zes jaar en het is de man een raadsel waarom dit kind, waar Hitler juist de laatste tijd dikwijls mee speelde -als 'oom'- nu omgebracht moet worden. Het echtpaar is niet achter de reden gekomen, maar Mulisch, of laat ik zeggen de schrijver Rudolf Herter in zijn roman, wel. Verschillende raadsels worden opgelost, maar er blijven er toch ook nog genoeg bestaan. Wat is nu eigenlijk precies bewezen of begrijpelijk geworden aan Hitler door hem in deze literaire proefopstelling een zoon te hebben gegeven? Het is zeker een schokkend idee en nog schokkender is dat de vader zijn eigen zoon laat ombrengen omdat hij meent dat deze een klein percentage Joods bloed heeft. Een complot, naar achteraf blijkt. Vandaar dat Hitler, ter compensatie, op de laatste dag van zijn leven Eva Braun huwt. Wat is de inzet van deze roman? Het centrale idee lijkt de zoon, maar in het filosofisch college dat de schrijver zichzelf en zijn vrouw geeft, nadat hij het verhaal van het echtpaar heeft vernomen, probeert hij Hitler als het Niets tegenover het Zijnde af te schilderen. Het is een typisch staaltje Mulisch-denken, verbaal gejongleer met tegenstellingen, dat ook iets vrijblijvends heeft. Hitler wordt het Niets, een vacuüm dat zich volzoog met mensen, die daardoor vernietigd werden. Ook de Antichrist komt als benaming in aanmerking, het geïncarneerde Niets. Ook is het natuurkundige zwarte gat geen slechte vergelijking. In deze fase is de proef met Hitler en zijn zoon toch gewoon weer uitgelopen op een poging het Totaal Andere, waar Hitler de uitdrukkingsvorm van was, oftewel het Niets te karakteriseren. Vooral Nietzsche krijgt een hoofdrol te spelen, aangezien hij een vreemde gast verwachtte, het nihilisme, maar Mulisch, of de schrijver in zijn boek, keert de zaken zoals altijd met graagte om en weet via geslepen redeneringen aannemelijk te maken dat Hitler de oorzaak is van Nietzsche's geestelijke dood, een chronologische onmogelijkheid, maar in het metabletisch denken van Mulisch logisch wel degelijk mogelijk. 'Siegfried' laboreert aan de inbedding van verhalen in verhalen; het is alsof we te veel lagen of niveaus krijgen aangeboden, waardoor het oorspronkelijk project -Hitler in proefopstelling- ondergesneeuwd raakt. Op het eind lijkt Rudolf Herter, wiens achternaam al omineus op die van Hitler rijmt, zich zozeer met zijn onderwerp te identificeren, dat hij na een gefingeerd dagboek van de laatste dagen van Eva Braun (te hebben gedroomd? verbeeld?) in dit boek, het zoveelste slachtoffer wordt van dit Niets. Wie zo dichtbij de negatieve godheid komt, de vergoddelijking van datgene wat niet bestaat, bekoopt het met zijn leven.
Vergelijking van de recencies
Ik vind de eerste recensie niet goed, omdat ik hem veel te vaag vind. Hij geeft niet echt relevante informatie over het boek. De tweede daarentegen gaat wel in op het boek, daar heb je wel iets aan. Ik vind namelijk dat een goede recensie in moet gaan op het boek waar het overgaat, en niet een beetje vage onzin uitkramen.
Auteur
Korte levensbeschrijving:
Harry Kurt Victor Mulisch wordt op 29 juli 1927 in Haarlem geboren als eerste (en enige) zoon van Karl Victor Kurt Mulisch (geboren 1892 in Gablonz, Oostenrijk-Hongarije, thans Jablonec, Tsjechië) en Alice Schwarz (geboren 1908 in Antwerpen).
Zijn grootouders van moederszijde waren voor de oorlogsgebeurtenissen van de Eerste Wereldoorlog naar Nederland gevlucht; zijn grootvader was bankdirecteur in Amsterdam geworden. Via hem krijgt Harry’s vader (in de Eerste Wereldoorlog commandant; daarna naar Nederland geëmigreerd) een betrekking. In het ouderlijk huis zorgt Frieda Falk (geboren in Polen) voor de huishouding. Hoewel thuis Duits gesproken wordt, krijgt Harry een opvoeding in het Nederlands. Hij bezoekt de lagere school (van 1933 tot 1939) en het Christelijk Lyceum (van 1940 tot 1944) in Haarlem. In 1936 scheiden zijn ouders; zijn moeder vestigt zich in Amsterdam, Harry blijft bij zijn vader en Frieda. In de oorlogsjaren is Harry’s vader directeur bij Lippmann-Rosenthal & Co, het bankiershuis dat verplicht ingeleverde joodse bezittingen ‘beheerde’. In die functie kan hij zijn joodse ex-echtgenote en zijn zoon uit Duitse handen houden. Na de oorlog wordt hij gearresteerd en verblijft hij drie jaar lang in een interneringskamp; hij overlijdt in 1957. Harry’s moeder emigreert in 1951 naar San Fransisco en verkrijgt de Amerikaanse nationaliteit.
Harry Mulisch debuteert met een kort verhaal, ‘De kamer’, in Elsevier Weekblad (1947). Na enkele baantjes wijdt hij zich vanaf 1949 aan ‘de schrijverij’.
Twee jaar (1949-1951) werkt hij aan de roman Archibald Strohalm, die bekroond wordt met de toen nog gezaghebbende Reina Prinse Geerligsprijs (1951). In 1955 verlaat hij het huis van zijn vader; sedert 1958 woont hij in Amsterdam. Uit zijn huwelijk met Sjoerdje Woudenberg (in 1971) worden twee dochters geboren, Anna en Frieda. In 1992 maakt Mulisch bekend dat hij op 65-jarige leeftijd vader is geworden van een zoon, genaamd Menzo, geboren uit zijn verhouding met een nieuwe vriendin.
Van 1958 tot 1962 is Mulisch redacteur van Podium, van 1961 tot 1969 eveneens van Randstad en van 1965 tot 1990 van De gids. Sedert 1962 is hij bestuurslid van De Bezige Bij.
Zijn werk is veelvuldig bekroond met belangrijke literaire prijzen. Behalve de Reina Prinsen Geerligsprijs voor zijn debuutroman Archibald Strohalm (1952) ontving hij de Bijenkorf Literatuurprijs (1957, voor Het zwarte licht¬¬¬¬), de Anne Frankprijs (1957), de visser Neerlandiaprijs (1961, voor zijn oeuvre), de Vijverbergprijs (1963, voor De zaak 40/61), de Constantijn Huygensprijs van de Jan Camperstichting (1977, voor zijn oeuvre), en in 1978 de Nederlandse staatsprijs voor letterkunde, de P.C. Hooftprijs 1977. Voor de bestseller De aanslag (1982) krijgt hij in 1986 de Diepzee-prijs voor de mest gewaardeerde auteur onder middelbare scholieren. De ontdekking van de hemel wordt bekroond met de Multatuli-prijs 1993 (van de Gemeente Amsterdam) en de Mekka-prijs 1993 namens literaire critici in Nederland en Vlaanderen. Ter gelegenheid van zijn 65ste verjaardag richt het Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (’s Gravenhage) een tentoonstelling over zijn leven en werk in. Bij de uitreiking van het eerste exemplaar van De ontdekking van de hemel wordt hij bevorderd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau; tevens krijgt hij de zilveren eremedaille van de Gemeente Amsterdam.
Werk van Mulisch is ook verfilmd. In 1977 het korte verhaal ‘De grens’ (regie Bobby Eerhart), in 1981 met een internationale rolbezetting de roman Twee vrouwen (1975) (regie George Sluizer). Fons Rademakers’ film van De aanslag wordt in 1986 bekroond met de Golden Globe én een Oscar. In 1994 is Hoogste tijd (1985) verfilmd, onder regie van Franz Weisz.
Wat voor soort boeken schrijft de auteur vooral:
Harry Mulisch schrijft over het algemeen psychische, filosofische en ontwikkelde romans, ook schrijft hij korte verhalen en poëzie.
Waar gaan zijn boeken vaak over?
Harry Mulisch’ boeken gaan vaak over Duitsland, sommige boeken gaan ook nog over homoseksualiteit.
Wat vinden de boekbesprekers in het algemeen van zijn boeken?
De meeste recensies van zijn boeken zijn positief, hij heeft daarom ook een keer een boekenweek geschenk geschreven, “Het theater, de brief en de waarheid.”
Welke andere boeken heeft deze auteur geschreven?
Poëzie
• Woorden, woorden, woorden, 1952
• De vogels,1974
• Tegenlicht, 1975
• Kind en Kraai, 1975
• De wijn is drinkbaar dank zij het glas, 1976
• Wat poëzie is, 1978
• De taal is een ei, 1979
• Opus Gran, 1982
• Egyptisch, 1983
• De gedichten 1974-1983, 1987
Romans
- Archiblad strohalm, 1952
- De diamant, 1954
- Het zwarte licht, 1956
- Het stenen bruidsbed, 1959
- De verteller, 1970
- Twee vrouwen, 1975
- De aanslag, 1982
- Hoogst tijd, 1985
- De pupil, 1987
- De elementen, 1988
- De ontdekking van de hemel, 1992
- De procedure, 1999
Verhalen
- De kamer, 1947
- Tussen hamer en aanbeeld, 1952
- Chantage op het leven, 1953
- De sprong der paarden en de zoete zee, 1955
- Het mirakel, 1955
- De versierde mens, 1957
- Paralipomena Orphica, 1970
- De grens, 1976
- Oude lucht, 1977
- De verhalen 1947-1977, 1977
- De gezochte spiegel, 1983
- Het beeld en de klok, 1989
- Voorval, 1989
- Vijf fabels, 1995
- Het theater, de brief en de waarheid, 2000
Theater
- Tancht elijn, 1960
- De knop, 1960
- Reconstructie, 1969
- Oidipous Oidipous, 1972
- Bezoekuur, 1974
- Volk en vaderliefde, 1975
- Axel, 1977
- Theater 1960-1977, 1988
Studie, tijdsgeschiedenis, autobiografie, etc:
- Manifesten, 1958
- Voer voor psychologen, 1961
- De zaak 40/61, 1962
- Bericht aan de rattenkoning, 1966
- Wenken voor de Jongste Dag, 1967
- Het woord bij de daad, 1968
- Over de affaire Padilla, 1971
- De Verteller verteld, 1971
- Soep lepelen met een vork, 1972
- De toekomst van gisteren, 1972
- Het seksuele bolwerk, 1973
- Mijn getijdenboek, 1975
- Het ironische van de ironie, 1976
- Paniek der onschuld, 1979
- De compositie van de wereld, 1980
- De mythische formule, 1981
- Het boek, 1984
- Wij uiten wat wij voelen, niet wat past, 1984
- Het Ene, 1984
- Aan het woord, 1986
- Grondslagen van de mythologie van het schrijverschap, 1987
- Het licht, 1988
- De zuilen van Hercules, 1990
- Op de drempel van de geschiedenis, 1992
- Een spookgeschiedenis, 1993
- Twee opgravingen, 1994
- Bij gelegenheid, 1995
- Zeilespiegel, 1997
- Het zevende land, 1998
Persoonlijke reactie
Mijn eerste reactie op dit boek was een zeer positieve reactie, ik begrijp alleen niet waarom het eerste stuk van het boek (ongeveer 60 bladzijden) zo langdradig moest zijn. Naar mijn mening had dit eerste stuk gemakkelijk in 15 à 20 bladzijden beschreven kunnen worden, dit is namelijk een inleiding waarin wordt beschreven wie Rudolf Herter is en wat hij doet. Ik vind de rest van het boek erg interessant en veel dingen verbazen mij dan ook. Bijvoorbeeld de manier van omgaan met elkaar en de manier waarop alles daar geregeld werd. Ondanks alle positieve argumenten, vind ik het wat jammer van dit boek dat het gewoon vaag is. Je moet te veel zelf bedenken en daar houd ik gewoon niet zo van.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons dan weten.
a d v e r t e n t i e
Win beltegoed met Cash
Cash helpt je slimmer met je geld omgaan. Zodat je minder snel zonder beltegoed komt te zitten. Probeer nu de tools van Cash! Met de Cashculator Mobiel ontdek je wat voor beller je bent. Of speel de Cash Battle op Hyves, daag je vrienden uit en maak kans op €500 beltegoed! De game duurt maar een minuutje!
a d v e r t e n t i e

Wat ga jij later doen voor je poen? Het liefst wil je een uitdagende baan met een goed salaris. Misschien iets met economie en biologie. Met mensen werken, in een team van experts of als zelfstandig ondernemer. Niet alleen op kantoor, maar ook buiten aan de slag. Wil je weten hoe? Check www.beleefbuiten.nl, doe mee met de actie en win een VIP-dag!

Jarenlang organiseerde Scholieren.com de Docent & Conciërge van het Jaar verkiezing. Het werd tijd voor een ode aan deze geweldige mensen. Die is er nu.