Info over dit verslag

Geschreven door:

anoniem [meer]

Niveau:

5VWO

Kwaliteit:

Waardering:

Taal:

Nederlands

Woorden:

3670

Opvragingen:

6

Hulpmiddeltjes

Openen in tekstverwerker Openen in tekstverwerker

Printen Printen

Emailen Emailen

Waardering

Gemiddelde waardering: 4 uit 5 (13 stemmen)

Heb je er iets aan gehad? Geef zelf je waardering:
Erg goed bruikbaar
Goed bruikbaar
Bruikbaar
Een beetje bruikbaar
Niks aan gehad

Titels van Jan Wolkers

Laatst gewijzigd op 14 september 2003

Inleiding
 Ik heb dit verhaal gekozen omdat ik Jan Wolkers een goede schrijver vind, en het leek me ook dat één van zijn verhalen geschikt was voor deze opdracht. Ik heb een verhalenbundel van Jan Wolkers uit 1963 gekozen. Het verhaal 'Gezinsverpleging' leek me het geschiktst omdat dit verhaal tien bladzijden besloeg en het leek me goed analyseerbaar. Het verhaal vind ik natuurlijk ook leuk om te lezen, als ik dat niet had gevonden had ik een ander verhaal gekozen.
 Na de eerste lezing vond ik het verhaal 'wel leuk'. Ik vond het ook raar, er zit niet echt een eind aan, het is opeens afgelopen. Eerst wilde ik het verhaal niet kiezen, omdat ik het ook een beetje oud verhaal vond en het stond me ook niet echt aan. Maar toen ik het nog eens had gelezen zag ik dat het eigenlijk best een leuk verhaal was. Na de eerste keer lezen kwamen er ook meteen vragen bij me op, vragen over waarom mensen bepaalde dingen doen in het verhaal, maar ik denk dat ik daar wel achter ga komen.

2 Samenvatting van de inhoud
Marie is een bijna genezen patiënt van het gesticht, die, voor dat ze haar plaats in de maatschappij weer gaat innemen, aan de omgang in een normaal gezin moet wennen. Er is een gezin dat tegen een vergoeding van acht gulden per week Marie wel in huis wil nemen. Maar Marie voelt zich niet thuis in het gezin. Er worden grapjes met haar uitgehaald en twee van de drie kinderen proberen haar weg te pesten. Het is duidelijk dat niemand van het gezin haar echt mag. Ze behandelen Marie niet op een vriendelijke wijze, maar bespotten haar en respecteren haar niet. Als de oorlog uitbreekt komen de voedingsmiddelen op de bon. Ze krijgen voor elk gezinslid een bon. Maar de moeder gebruikt de bon van Marie om haar eigen kinderen te voeden. Hierdoor raakt Marie steeds meer ondervoed, maar ze kan er niets tegen beginnen. Als er op een dag een controle van een arts van het gesticht komt, wordt ze - omdat ze ondervoed is - weggehaald.

Perspectief / vertelsituatie
 Het verhaal heeft een enkelvoudig perspectief. Het verhaal wordt verteld vanuit één persoon.
 Het is een ik-vertelsituatie. De verteller is zelf een verhaal personage. Het is niet duidelijk wie hij of zij precies is, de naam wordt bijvoorbeeld niet genoemd. De ik-verteller kijkt terug op wat hij beleefd heeft, hij kent de afloop. Hierdoor is het een verhalend-ik.
- R 17-18: "Ik was toen twaalf jaar. Toen ik uit school kwam wachtte moeder me bij de deur op."
- R 29/30: "Toen ik binnenkwam zat ze in een hoek op een rieten stoel met een pan aardappelen op baar schoot."
- R 39-43: "Toen ik op haar toeliep - ik dacht niet beter dan dat ik mij beleefd voor te stellen had - hief ze haar rode, wrattige gezicht naar mij op, en het scheen nog roder te worden als om mij af te schrikken, dacht ik."

Tijd
 Tijdsprongen:
- R 16-17: "Men moet het…toen twaalf jaar."
- R 85-90: "Terwijl ze terug…in ons huis."
- R 117-120: "Toch heeft hij…tot haar doordrong."
- R 133-136: "Omdat we een…mijn broer dreigend."
- R 183-188: "Maar toen ik…de dertiger jaren."
- R 210-212: "Enige tijd later…op de bon."
- R 219-223: "Godverdommes met bochels…haar mond stopte."
 Tijdversnellingen / tijdverdichtingen:
- R 89/90: "De eerste weken merkte ik niet veel van haar aanwezigheid in ons huis."
- R 173-175: "Mijn broer was al die tijd onbeweeglijk blijven staan, maar nu draaide hij op zijn hakken rond, nog steeds met uitgestrekte arm, naar de deurpost."
- R 190-193: "Na een uur haalde hij een horloge te voorschijn, dat aan een gouden ketting zat die over zijn vest glinsterde, keek erop, en stond tegelijkertijd op."
- R 201-203: "Na een half uur stond hij op en vroeg aan mijn moeder of hij even met zijn dochter alleen kon zijn."
- R 210-211: "Enige tijd later kregen we het bericht dat hij overleden was."

- R 228-230: "Ze werd dezelfde dag nog met een auto, een groene vrachtwagen met getraliede raampjes aan de zijkanten, weggehaald."
 Er komen geen tijdvertragingen in het verhaal voor.
 Flashbacks:
- R 26-28: "Ik had de avond tevoren aan de deur staan luisteren en wist dat de acht gulden die per week als vergoeding betaald werden erg welkom waren."
 Er komen geen vooruitverwijzingen in het verhaal voor.
 Het verhaal is chronologisch, de gebeurtenissen staan in de natuurlijke volgorde. De tijdsvolgorde is niet verbroken.
 Het verhaal is niet-continu:
- R 16-17: "Men moet het…toen twaalf jaar."
- R 85-90: "Terwijl ze terug…in ons huis."
- R 117-120: "Toch heeft hij…tot haar doordrong."
- R 133-136: "Omdat we een…mijn broer dreigend."
- R 183-188: "Maar toen ik…de dertiger jaren."
- R 210-212: "Enige tijd later…op de bon."
- R 219-223: "Godverdommes met bochels…haar mond stopte."

Plaatsomschrijving
 De plaatsen die in het verhaal voorkomen (als er plaatsen meerdere keren voorkomen, zoals 'de serre', heb ik die extra plaatsomschrijvingen niet opgeschreven):
- R 18: bij de deur.
- R 26: aan de deur.
- R 29: de serre.
- R 29-30: in een hoek op een rieten stoel.
- R 55: achter in de tuin.
- R 55-56: tussen de manshoge springbalsemien.
- R 61: de keuken.
- R 67: op het stoepje voor de keukendeur.
- R 83: de tuin.
- R 93: op de gang.
- R 94: tegen de muur.
- R 130: op haar kamer.
- R 137: mijn zusters kamer.
- R 142: tussen de jassen onder de kapstok.
- R 161-162: op een stoel bij het raam.
- R 180: op hun kamer.
- R 181: de trap.
- R 183: de huiskamerdeur → kun je uit opmaken dat het in de huiskamer is.
- R 188: op de divan.
- R 193: bij de kamerdeur.
- R 214-215: aan tafel.

Ruimte
 Ruimtebeleving:
- R 55-60: "Daarna rende ik…de plant knakte." → Hij gaat tussen de hoge springbalsemien zitten, omdat hij niet wil dat iemand hem ziet. Hij wil zich verschuilen, maar wel de serre in het oog houden, om Marie in de gaten te houden.
- R 93-96: "Als ik haar…bocheltje in paste." → Marie wil zich het liefst verschuilen op de gang, maar dan kan niet, ze kan zich nergens verschuilen, dus gaat ze heel dicht langs de muur staan, ze wil zichzelf de muur in drukken, in de muur laten verdwijnen. Als je jongen haar tegenkomt op de gang, voelt hij zich gewoon veilig en prettig daar, hij heeft geen behoefte om zich te verschuilen. Ze ervaren de ruimte allebei anders.
- R 141-145: "Ik stond tussen…zich alleen wanen." → De jongen staat tussen de jassen, daar houdt hij zich verscholen, daar voelt hij zich veilig en kan hij ongestoord luisteren naar wat de anderen doen en zeggen.
- R 214-220: "Aan tafel, als…en rode wrattengezichten." → Marie krijgt haast geen eten, het eten van Marie wordt aan de kinderen gegeven door de moeder. De kinderen zitten lekker te eten, terwijl Marie bijna niets krijgt. Dan beleven de kinderen de ruimte dus 'goed', ze krijgen goed te eten. Maar Marie beleeft de ruimte helemaal niet goed, ze zit met honger te wachten tot ze wat krijgt, ze voelt zich rot.

Personages
 De hoofdpersoon is de jongen die het verhaal vertelt. Je leert zijn gedachten en gevoelens kennen. Maar Marie is ook een belangrijke persoon, het verhaal gaat voor een groot gedeelte over haar. Ik vind dat het moeilijk is om op te maken wie de hoofdpersoon is, maar omdat het verhaal verteld wordt vanuit de jongen, denk ik dat de jongen de hoofdpersoon is en Marie een bijfiguur.
 Hoofdpersoon
- De jongen is een vlak personage. Hij maakt geen karakterontwikkeling door, zijn karakter blijft hetzelfde. Het gaat in het verhaal ook niet echt speciaal om hem, meer over hoe hun gezin omgaat met het feit dat Marie in huis is. Zijn persoonlijke gevoelens spelen ook niet echt een rol, ze zijn niet belangrijk voor het verhaal. Je leert hem ook niet echt kennen, hij geeft niet veel van zichzelf bloot, en omdat hij het verhaal vertelt, is het ook niet zo dat je via anderen de jongen leert kennen.
 Bijfiguren (figuren als 'de geneesheer-directeur' (R 2-3) en 'een arts van het gesticht' (R 226) heb ik niet genoemd)
- Marie van der Tang: ze maakt geen karakterontwikkeling door, maar je leert haar wel goed kennen, beter dan de jongen. Ze is een bijna genezen patiënt van het gesticht, die, voor ze haar plaats in de maatschappij weer gaat innemen, aan de omgang in een normaal gezin moet wennen. Maar niemand doet aardig tegen haar, niemand respecteert haar. Ze hebben haar alleen maar in huis om de acht gulden per week te verdienen. Ik denk dat Marie opzich wel weer zou kunnen wennen aan de omgang in een normaal gezin, maar dan moet dat gezin haar wel helpen, en haar niet aan haar lot overlaten en haar onderbedelen. Marie is best wel van goede wil, maar zij merkt ook dat het gezin haar niet respecteert. Eerst probeert ze nog een beetje respect af te dwingen →
R 46: "Sta daar niet zo naar me te loeren, ik ben niet mal!"
Maar daarna merkt ze dat het niet veel zin heeft →
R 79-80: "Marie zat daar nog, alsof ze erop had zitten wachten, met het aardappelmesje in haar hand."
- Vader: over hem is niet zo veel bekend. Alleen dat hij na het eten uit de bijbel voorleest en dat hij de kunst van het zonder plooien opprikken van het projectielaken niet erg goed verstond. Hij is natuurlijk een vlak personage, want hij maakt absoluut geen karakterontwikkeling door.
- Zuster: zij denkt erg negatief over de komst van Marie, ze haalt stomme geintjes uit die het Marie heel moeilijk maken. Ze haalt bijvoorbeeld te pan met nog een paar ongeschilde aardappelen weg, zodat moeder denkt dat Marie het niet goed heeft gedaan →
R 60-77: "Mijn oudste zuster…in onze ogen."
Ook haalt ze samen met haar broer geintjes uit. Ze hullen zich in lakens er vertellen Marie dat ze het huis moet verlaten voor de geesten haar uit het raam stoten. Marie is dan doodsbang →
R 136-172: "Laten we gaan…het raam stoten."
Ze vindt ook dat ze Dick (waarschijnlijk haar vriend) nu nooit meer te eten kan vragen. Ze ziet Marie echt als een last, ze probeert er niet nog iets van te maken →
R 132-135: "Ik kan nu…als een varken."
Ook de zuster is een vlak personage.
- Moeder: zij ziet Marie gewoon als iemand die een poosje bij hen in huis is, maar waar je verder niet op hoeft te letten →
R 19-20: "Er is binnen…van moet nemen."
Moeder probeert haar ook niet te helpen bij het wennen aan hun gezin, terwijl ik dat wel zou verwachten. Ze wordt boos op Marie als ze iets niet goed doet, ze legt haar ook niet uit wat ze fout heeft gedaan en wat ze anders zou kunnen doen →
R 70-79: "Even later kwam…naar de keuken."
Ook moeder is een vlak personage.
- Broer: over hem is heel weinig bekend, alleen dat hij samen met zijn zus een geintje bij Marie uithaalt, waarbij ze haar heel bang maken en proberen weg te pesten →
R 136-172: "Laten we gaan…het raam stoten."
Ook de broer is een vlak personage.
- Vader van Marie: de familie waar Marie verblijft kan geen hoogte krijgen van hem. Hij is een kleine man, gekleed als een heertje uit de bollenstreek in de dertiger jaren. Als hij zijn dochter op komt zoeken, praat hij helemaal niet met haar. Ik vind het een beetje een zinloos bezoek. Hij lijkt me een man die niet van praten houdt, hij lijkt me niet erg sociaal tegenover andere mensen →
R196-198: "Als mijn vader…niet begrijpend op."

Titelverklaring
Het verhaal heet 'Gezinsverpleging', omdat het gezin zwaar op de proef gesteld word door Marie in huis te nemen. Alles gaat anders dan anders en ze hebben veel last van haar. Niemand is blij dat ze er is, behalve dan voor het geld dat ze ervoor ontvangen. De mensen worden helemaal gek van haar. Eigenlijk is het zo dat Marie verpleegd moet worden, omdat ze uit een gesticht komt. Maar de mensen worden zo gek van haar, dat ze eigenlijk zelf ook verpleegd moeten worden, om Marie te 'verwerken'.

Motto
De verhalenbundel 'Serpentina's petticoat' heeft één thema voor alle vijf de verhalen die er in voorkomen. Dit thema luidt: 'Hij die op den Dood komt moet van voren af aan beginnen en betaalt den Inzet'. Het heeft betrekking op het spel het ganzenbord. Als je op 'de dood' komt, moet je weer terug naar het begin, je moet opnieuw beginnen, je betaalt opnieuw de inzet. Het betekent eigenlijk een beetje dat als iets kapot is gegaan, of als er iets gebeurd is, dat je dan van voren af aan moet beginnen om het weer op te bouwen. Dit is een beetje van toepassing op het verhaal omdat Marie ook van voren af aan moet beginnen, met vallen en opstaan. Ze moet haar plaats in de maatschappij weer zoeken en innemen.

Thema
Het thema is 'respectloosheid'. Dit is zo omdat de familie heel respectloos tegen Marie doet. Ze hebben haar alleen in huis voor de centen. Ze vinden haar maar lastig en vervelend. Ze hebben absoluut geen respect voor haar persoonlijkheid, ze gebruiken haar gewoon. Als in de oorlog de levenmiddelen op de bon komen, wordt Marie's eten aan de kinderen gegeven. Marie wordt niet behandeld zoals ze behandeld zou moeten worden. Ze zien haar als iets waar ze voordeel uit kunnen behalen voor zichzelf. Ze letten niet op hoe het met Marie gaat.

Motieven
 Het zijn hoofdmotieven omdat de motieven het thema direct ondersteunen.
- R 60-70: "Mijn oudste zuster…de keuken in." → Omdat dit een situatie is waarin iemand (in dit geval de zus) respectloos tegen Marie doet.
- R 70-77: "Even later kwam…in onze ogen." → Omdat de moeder hier respectloos tegen Marie doet.
- R 132-135: "Ik kan nu…als een varken." → De zus praat respectloos over Marie.
- R 136-172: "Laten we gaan…het raam stoten." → De broer en de zus halen een respectloos grapje uit met Marie.
- 213-220: "Mijn moeder gebruikte…en rode wrattengezichten." → Hier krijgt Marie minder te eten dan de rest, haar kaart werd gebruikt om de kinderen van de moeder te voeden.

Idee
Het misbruik maken van iemand om er zelf voordeel aan te behalen.

Beeldspraak
 Vergelijkingen
- R 3-6: "Een brein vreemder en zachtzinniger dan dat van zijn meest verwaterde patiënten, die met reusachtige waterhoofden in plassen van urine en speeksel leefden als absurde moeraswoekeringen."
→ Overeenkomst: leefwijze.
→ Beeld: absurde moeraswoekeringen.
→ Verbeelde: zijn meest verwaterde patiënten die met reusachtige waterhoofden in plassen van urine en speeksel leefden.
- R 6-8: "Of met hun hersens als grijze adders om het hoofd als verdronken medusa's in een bad van lauwe melk kronkelden."
→ Overeenkomst: hoe het om het hoofd zit.
→ Beeld: grijze adders.
→ Verbeelde: hun hersens.
- R 6-8: "Of met hun hersens als grijze adders om het hoofd als verdronken medusa's in een bad van lauwe melk kronkelden."
→ Overeenkomst: hoe ze kronkelen.
→ Beeld: verdronken medusa's.
→ Verbeelde: hun hersens als grijze adders om het hoofd.
- R 13-16: "Jouw gezicht was hobbelig als een opgebroken landweg en kersrood, als had de schepper zo'n excuus gezocht voor zo'n aanzicht."
→ Overeenkomst: hoe hobbelig het is.
→ Beeld: een opgebroken landweg.
→ Verbeelde: jouw gezicht.
- R 39-44: "Toen ik op haar toeliep - ik dacht niet beter dan dat ik mij beleefd voor te stellen had - hief ze haar rode wrattige gezicht naar mij op, en het scheen nog roder te worden als om mij af te schrikken, dacht ik. Zoals vuurbuikpadden hun felgekleurde buik tonen bij nadering van gevaar."
→ Overeenkomst: afschrikken door middel van kleur.
→ Beeld: vuurbuikpadden tonen hun felgekleurde buik.
→ Verbeelde: ze heft haar rode wrattige gezicht op.
- R 46-50: "- Sta daar niet zo naar me te loeren, ik ben niet mal, zei ze met een hoge stem waarin een vreemde bijklank meetrilde, als had ze bij het spreken een leeg conservenblik onder haar mond gehouden, zoals wij wel deden als we radiomannetje speelden."
→ Overeenkomst: klank van het spreken.
→ Beeld: bij het spreken een leeg conservenblik onder de mond houden.
→ Verbeelde: een hoge stem waarin een vreemde bijklank meetrilde.
- R 85-88: "Terwijl ze terug liep naar de serre zag ik hoe krom en scheef ze was als een zieke boomstam, en dat ze een klein bocheltje tussen haar nek en schouderbladen angstvallig met zich meedroeg."
→ Overeenkomst: uiterlijk.
→ Beeld: een zieke boomstam.
→ Verbeelde: ze.
- R 99-100: "Haar mond deed me aan een stoofpeer in gelei denken, een zogenaamd roodkokertje."
→ Overeenkomst: uiterlijk.
→ Beeld: roodkokertje
→ Verbeelde: haar mond.
- R 148-153: "Mijn broer strekte plots zijn arm uit en stond onbeweeglijk. Ik herkende er het gebaar in dat Mozes maakte op de toverlantaarnplaat uit de serie 'het oude testament in twintig afbeeldingen' als hij de Rode Zee doet instorten over het leger der Egyptenaren."
→ Overeenkomst: manier van arm uitstrekken.
→ Beeld: het gebaar dat Mozes maakt als hij de Rode Zee doet instorten over het leger der Egyptenaren.
→ Verbeelde: mijn broer's arm.
- R 162-165: "Ze had een witte zakdoek tot een bol geknepen en draaide die tussen haar vingers door als deed ze vingeroefeningen voor het aardappelschillen."
→ Overeenkomst: manier van vingers bewegen.
→ Beeld: vingeroefeningen voor het aardappelschillen.
→ Verbeelde: de bol tussen haar vingers draaien.
- R 165-166: "Maar haar ogen waren van starre schrik als inktvlekken uitgelopen op haar brillenglazen."
→ Overeenkomst: uiterlijk.
→ Beeld: inktvlekken.
→ Verbeelde: haar ogen.
- R 186-188: "Zondags kwam Marie haar vader, een kleine man, gekleed als een heertje uit de bollenstreek in de dertiger jaren."
→ Overeenkomst: kleedwijze.
→ Beeld: een heertje uit de bollenstreek in de dertiger jaren.
→ Verbeelde: Marie haar vader.
- R 189-190: "Hij zat schuin weggezakt tegen de leuning als een gekapseisde maraboe."
→ Overeenkomst: manier van zitten.
→ Beeld: gekapseisde maraboe.
→ Verbeelde: hij.
 Metaforen
- R 219-220: "Godverdommes met bochels en rode wrattengezichten."
 Er komen geen metonymia in het verhaal voor.

Mening
Ik vind het een leuk verhaal om te lezen. Alleen het verhaal heeft niet echt een 'bedoeling', vind ik. Daarmee bedoel ik dat het lijkt alsof Jan Wolkers het verhaal zonder enige bedoeling heeft geschreven, alsof er geen clou aan vast zit. Het eind vind ik ook erg raar, opeens is Marie weg, je hoort niet wat de familie daar van vind. Dat zou ik wel verwachten, ook omdat het een ik-vertelsituatie is. Ik zou dan verwachten dat de jongen nog zou vertellen hoe het dan verder gaat met zijn gezin. Maar met zo'n plotseling einde heeft Jan Wolkers denk ik ook wel een bedoeling, dat je er zelf over na gaat denken hoe het verder gaat. Toen ik het vaker ging lezen, voor de opdrachten, vond ik het verhaal steeds saaier worden. Dat is ook wel logisch natuurlijk, je leert het verhaal steeds meer 'kennen', aan het eind van de opdracht kon ik het verhaal wel domen! Ik vind het leuk dat in het verhaal een familie voorkomt, dat je dan ziet hoe ze met elkaar omgaan en wat voor problemen ze hebben. Het is ook leuk om te zien dan elk lid van de familie weer ander omgaat met het feit dat Marie in huis is. Het verhaal speelt zich eigenlijk alleen in en om het huis af. Dat vind ik wel een beetje jammer, je weet niet in wat voor omgeving ze wonen, daardoor ben je ook minder betrokken bij het verhaal vind ik. Als je echt de hele stad of het hele dorp leert kennen, kun je je beter verplaatsen in het verhaal. Ik vind het onderwerp van het verhaal opzich wel interessant, dat er een 'gek' in huis komt, maar het is niet echt 'boeiend' uitgewerkt. Misschien is dat juist wel de bedoeling, maar ik zou het leuker vinden als er meer was gedaan om ook het verhaal van Marie aan bod te laten komen, want nu zie je Marie alleen vanaf de kant van de familie, en die mogen haar niet, dus lees je eigenlijk bijna alleen maar negatieve dingen over haar. Daardoor ga je heel negatief over haar denken, terwijl ze misschien eigenlijk een heel ander persoon is, maar die leer je dan niet kennen. Ik vind dat Jan Wolkers een plezierige manier van schrijven heeft, hij is niet zo 'vaag'. Hij zegt waar het op staat, maar laat de lezer wel nadenken over zijn verhaal. Ik vind het fijn lezen vanuit een ik-vertelsituatie, omdat je de andere personen via de ik-persoon te weten komt, je krijgt alle informatie via die persoon en daarom leer je die persoon heel goed kennen. Ik vind altijd dat je dan een beetje een 'band' met die persoon krijgt, omdat je ook zijn geheimen etc. te weten komt. Het lijkt alsof hij zijn verhaal speciaal aan jou vertelt, terwijl er natuurlijk nog heel veel mensen zijn die het verhaal ook lezen, aan wie hij zijn verhaal ook vertelt.

Jan Wolkers
Jan Wolkers wordt op 26 oktober 1925 in Oegstgeest geboren. Hij groeit op in een streng gereformeerd gezin, als derde van elf kinderen. Hij wordt vanwege slechte resultaten van de MULO gestuurd. Hij helpt eerst zijn vader in de winkel en heeft daarna een aantal verschillende baantjes: bijv. dierenverzorger, tuinman en lampenkappenschilder.
In de oorlog duikt hij onder. In 1944 sterft onverwacht zijn oudste broer. Dit grijpt hem erg aan, omdat hij zijn broer bewonderde vanwege diens protesten tegen hun vader. Na de oorlog studeert hij beeldhouwkunst in Den Haag, Amsterdam en Salzburg. In 1957 krijgt hij een beurs voor een stage bij Ossip Zadkine in Parijs. Hij debuteert in 1961 als schrijver met de verhalenbundel Serpentina's petticoat. Kort Amerikaans (1962) is zijn eerste roman. Jan Wolkers roept met de ongeremde beschrijvingen van thema's als sexualiteit, dood en geloof veel weerstanden op. In 1963 ontvangt hij de Novelleprijs van de stad Amsterdam, maar drie jaar later geeft hij het geld terug uit protest tegen het politieoptreden tegen de provo's. Vervolgens weigert hij in 1982 de Constantijn Huygensprijs en in 1989 de P.C. Hooftprijs. Het Auschwitzmonument in Amsterdam is zijn bekendste sculptuur.
Een selectie uit zijn omvangrijke oeuvre:
Romans: Kort Amerikaans ('62), Terug naar Oegstgeest ('65), Turks fruit ('69) en Brandende liefde ('81): allen verfilmd.
Verhalen: Gesponnen suiker ('63), 22 Sprookjes, verhalen en fabels ('85).
Essays: Tarzan in Arles ('91), Mondriaan op Mauritius ('97).

Belangrijk!
De verslagen op Scholieren.com zijn bedoeld als naslagwerk. Lever nooit verslagen van internet zomaar bij je leraar in. Je bent zelf verantwoordelijk voor de gevolgen van dit soort fraude.

Wij krijgen de verslagen van scholieren. Hierdoor kan het gebeuren dat er foute informatie online staat. Gebruik geschiedt dus op eigen risico. Kom je een fout tegen? Laat het ons weten.