Info over dit verslag

Geschreven door:

Anne-Lotte

Niveau:

6VWO

Kwaliteit:

Waardering:

Taal:

Nederlands

Woorden:

2083

Opvragingen:

7

Hulpmiddeltjes

Openen in tekstverwerker Openen in tekstverwerker

Printen Printen

Emailen Emailen

Waardering

Gemiddelde waardering: 3 uit 5 (10 stemmen)

Heb je er iets aan gehad? Geef zelf je waardering:
Erg goed bruikbaar
Goed bruikbaar
Bruikbaar
Een beetje bruikbaar
Niks aan gehad

Titels van Harry Mulisch

Laatst gewijzigd op 4 juni 2003

Ik kan niet anders zeggen dan dat de Ontdekking van de Hemel een geweldig boek is. Het is een boek waarin je, bij wijze van spreken, jezelf kan verliezen. De personages en de omgeving zijn bijna tastbaar gemaakt door Harry Mulisch. Zelfs de uitgebreide theorieën over kosmologie, natuurkunde, kunst, geschiedenis, taalkunde, filosofie en theologie zijn zo toegankelijk gemaakt in de dialogen tussen de hoofdpersonages, dat het lezen hiervan een interessante, meeslepende ervaring is. Soms werden me deze paginalange toeren iets teveel (vooral als je moe bent zijn de bladzijdenlange wetenschappelijke theorieën moeilijk te begrijpen). De beste manier om te omschrijven wat dit boek gedurende 2 maanden met mij heeft gedaan is zoals Carel Peeters het verwoordde: “In elk hoofdstuk zie je iets meer ontstaan en is het alsof het er zó moest staan, omdat het er al was, alleen door Mulisch nog moest worden uitgehakt. Het is een roman waarin je gaat wonen.” Het is vreselijk moeilijk om dit te boek in al zijn aspecten uit te leggen en te bespreken. Het is zo compleet, het past zo goed in elkaar, elk personage is een wereld op zich. Ik heb dus besloten om geen samenvatting van het gecompliceerde verhaal te geven, maar in de plaats daarvan een paar citaten uit het boek te kiezen die mij het meest aanspraken of van groot belang zijn voor het verhaal en die toe te lichten. Ervan uitgaande dat de lezer van dit document het boek al gelezen heeft, zal ik niet het hele verhaal vertellen, aangezien dat zo gecompliceerd in elkaar zit en er zoveel in gebeurt wat de moeite waard is om te vertellen dat ik dan pagina’s vol zou moeten schrijven.

In dit citaat komen Onno en Max aan bij het ziekenhuis nadat zij met Ada verongelukt zijn.

Ook in de ambulance was Ada niet tot bewustzijn gekomen. Max had naast de chauffeur gezeten, die niet zeggen wilde wat hij ervan dacht; toen hij bij het ziekenhuis in Hoogeveen uitstapte, zag hij dat ook Onno’s opluchting had plaatsgemaakt voor nieuwe onrust. Ada werd snel naar binnen gereden en zelf werden zij door een verpleegster naar een wasruimte gebracht, waar zij zich wat konden opknappen. In die lichte, smetteloze omgeving, schrokken zij zelf van hun aanblik in de spiegel: met gescheurde kleren, doorweekt en overdekt met modder en groene vegen van boombast, hun gezicht en hadden vol bloed en schrammen. Het leek of zij niet alleen uit een rampzalig noodweer kwamen, maar op een of andere manier ook uit een ander tijd.
‘Als dat maar goed afloopt,’ zei Onno. ‘Wat een zinloze rotzooi. Dat wij daar ook net moeten staan, waar die verdomde boom neervalt. Waar slaat dat allemaal op?’
(…)
‘Anderzijds,’ zei hij, ‘als zij achterin had gezeten, op jouw plaats, had zij het niet overleefd.’

Ik heb vele avonden in mijn leven in het ziekenhuis doorgebracht; meestal voor mijn opa en oma, maar ook weleens voor mijn vader. De hoofdstukken waarin Onno en Max hun tijd doorbrengen in het ziekenhuis zijn erg herkenbaar. De geur, het koude linoleum, de kleine dingetjes die je eraan herinneren dat je niet thuis bent. Eigenlijk is het vreemd dat je zoiets persoonlijks en emotioneels moet meemaken in een omgeving die zo koud en onpersoonlijk is als een ziekenhuis. Harry Mulisch beschrijft de situatie op een hele heldere manier, waar ik mij goed in kon herkennen. De paniek en de onzekerheid zijn heel goed te voelen.

Het volgende citaat gaat over het moment dat Quinten voor de eerste keer Ada, zijn moeder, ziet. Zij ligt al vanaf 3 maanden voor de geboorte van Quinten in coma door een ongeluk. Samen met Onno, zijn vader, bezoekt Quinten het ziekenhuis.
‘Je hoeft niet te schrikken.’
Quinten zag zijn moeder. Daar was zij: precies daar, op die plek in de wereld, en nergens anders. Haar zwarte haar was kortgeknipt. Hij stapte over de drempel en keek naar de roerloos slapende, - alleen het laken ging langzaam op en neer. Bij haar oren werd zij een beetje grijs.
Na een poosje vroeg hij:
‘Kan mama echt nooit meer wakker worden?’
‘Nee, Quinten, mama sliep al toen jij geboren werd. Ze kan niets meer horen en niets meer zien en niets meer voelen – helemaal niets meer.’
‘Hoe kan dat nou? Ze is toch niet dood, zoals opa. Ze ademt toch?’
‘Ze ademt, ja.’
‘Droomt ze?’
‘Dat weet niemand. De doktoren denken van niet.’
‘Hoe weten ze dat?’
‘Ze zeggen dat ze dat kunnen meten, met bepaalde toestellen. Volgens hen mag je eigenlijk niet eens zeggen, dat mama slaapt.’
‘Wat dan?’
Onno aarzelde, maar zei toen toch:
‘Dat ze niet meer bestaat.’
‘Terwijl ze niet dood is?’
‘Terwijl ze niet dood is. Dat wil zeggen,’ zei Onno en vertrok zijn gezicht, ’mama is dood terwijl ze niet dood is… ik bedoel, wat er niet dood is niet mama. Het is niet mama, die ademt.’
‘Wie dan?’
Onno maakte een hulpeloos gebaar.
‘Niemand.’
‘Dat kan toch zeker niet.’

Ik kan me niet voorstellen dat er iemand is deze dialoog kan lezen zonder even een steek in zijn borst te voelen. Ik kan me goed verplaatsen in de situatie. Ik voel wat Onno voelt: verwarring, aangezien hij het zelf nauwelijks begrijpt. Hoe kan je nou iets aan een kind uitleggen als je zelf nog steeds niet de antwoorden op de vragen hebt gekregen? Ze ziet dat Onno steeds terugvalt op wat de dokters hebben gezegd. Misschien is dat ook maar het beste.
Quinten wordt opgevoed in Groot Rechteren, door Max en Sophia, de moeder van Ada, die nog steeds in coma lig. Onno bedrijft politiek in Den Haag en heeft het veel te druk om voor Quinten te zorgen. Quinten wordt omringd door mensen die hem uiteindelijk zullen leiden naar zijn lotsbestemming: het terughalen van de Stenen Tafelen. Zo huist er een man genaamd meneer Verloren van Themaat, die hem heel veel bijbrengt over architectuur. Ook meneer Kern, een kunstenaar, leidt Quinten op. Quinten komt vaak langs in zijn atelier.
‘Hoe kun je nou iemand schilderen die niet bestaat? ‘
‘Dan fantaseer je wat. Of je gebruikt een foefje. Michelangelo heeft gewoon een of andere oude kerel geschilderd, die elke dag met pizza’s bij hem door de straat kwam: die liet hij i de luchtzweven en dan zei iedereen dat hij God was. Als ik van de gemeente Assen een beeld van God moest maken, dan zou ik gewoon mijn eigen kop kunnen hakken.’
‘Toch,’ zei Quinten, ‘zou je best een beeld van God zelf kunnen maken als hij niet eens bestaat.’
‘Dat moet je me mij maar eens vertellen, hoe dat zou moeten.’
‘Nou, dan neem je een blok marmer en je hakt er net zo lang aan tot er niets van over is.’
Perplex keek hij Quinten aan, en barstte toen uit in een bulderlach.
(…)
‘Wie is de duivel eigenlijk?’
‘Jezus Christus, Quinten! Wie is de duivel eigenlijk? Vraag dat allemaal liever aan de domina. De duivel is de aartsvijand van God!’
‘Bestaat die ook niet, of juist wel?’
‘Niet natuurlijk.’
‘Nou, dan weet ik ook hoe je een beeld van de duivel moet maken.’
Kern liet zijn klopper en beitel zakken en keek Quinten aan.
‘Hoe dan?’
‘Dan moet je de hele wereld juist volstoppen met marmer.’

Iedereen is het erover eens dat Quinten een buitengewoon kind is. En dat is hij ook. Hij is zeer intelligent maar tegelijkertijd kan hij zich slechts interesseren voor de dingen die hem opgelegd lijken te zijn. Ik vind de combinatie van kinderlijke logica en verbluffende wijsheid in dit citaat heel mooi. Als lezer knipperde ik echt even met mijn ogen toen ik dit stukje las. De bijzondere inzichten die Quinten heeft zonder dat hij een ouwelijk kind wordt vind ik prachtig.
Een voorbeeld van een fragment waaruit later blijkt dat Quinten voorbestemd is tot het terugbrengen van de Stenen tafelen, is het stuk waarin beschreven staat hoe hij bij Keller, een slotenmaker- en restaurateur, in het atelier ziet hoe deze man te werk gaat. Hij weet niet dat hij deze vaardigheden nog eens nodig zal hebben bij zijn toekomstige missie.

"Kijk nu toch eens, is het geen engel? Dit noemen we een schuifhangslot. Zie je hier die gleuven in de vorm van een H? Daar moet de steeksleutel in. Die ga ik straks maken. IN het binnenste zit een versperring van heel sterke veren; de punten daarvan zijn nu ontspannen, waardoor ze de beugel in de slotdoos vergrendelen.’
‘Hoe weet u dat? Heeft u erin gekeken?’
‘Nee, en dat ga ik ook niet doen. Tenminste nu nog niet. Ik ga eerst iets heel anders doen.’ Uit een van de voorraadkisten zocht hij een paar lange, stalen pennen bij elkaar, die in de H pasten. Terug achter zijn werktafel smeerde hij ze in met olie en begon ze langzaam naar binnen te schuiven., terwijl zijn ogen zich omhoof richten, alsof daar het inwendige van het slot te zien was. ‘Ja, nu voel ik de eerste kromming van de veerbladen… ja… juist ja… nog iets verder… nu worden ze samengeknepen… ja… het gaat moeilijk, het i roestig daarbinnen… misschien voorzichtig een beetje helpen met de klinkhamer… En nu nog een paar tikjes… En nu nog eentje, dat moet genoeg zijn…’ In het binnenste weerklonk een stroeve klik en hij trok de beugel uit de doos.
Lachend keek hij Quinten aan,
‘Ja, Kuku, ik zou op een heel wat makkelijker manier aan de kost kunnen komen. Maar: Gij zult niet stelen, Vraag maar aan de domina.’

Verder in het boek kom je erachter waarom deze man van zoveel belang is geweest voor Quinten. Hij heeft hem namelijk dingen geleerd die Quinten helpen bij het verkrijgen van de stenen tafelen in de kapel San Lorenzo. Hij moet meerdere sloten openkrijgen en weer vergrendelen voordat hij de stenen in zijn tas mee kan nemen naar het hotel.
‘Je bent krankzinnig!’ fluisterde hij, terwijl het leek of hij schreeuwde. ‘Dat is onmogelijk! Laat zien!’
‘Niet nu,’ zei Quinten beslist.’Geef de koffer.’
‘Laat zien of er iets op staat!’
‘Straks. Schiet op.’
Met trillende handen gaf Onno hem de koffer en Quinten liet de sloten openklikken. De steen was lichter dan hij dacht, maar toch bijkans zo zwaar als een trottoirtegel; voorzichtig vlijde hij hem tussen de kranten, die hij er thuis had ingelegd, - de Corriere della Sera, La Stampa, de Herald Tribune. Toen Onno ook de tweede steen zag verschijnen, begon zijn hoofd om te lopen. Het was toch ondenkbaar, dat dat werkelijk Mozes’ tafelen der wet zouden zijn! Dat was toch het allerondenkbaarste! Het waren natuurlij gewoon twee oude vloerstenen, Quinten zag wat hij wilde zien, hij was uitsluitend bezig zijn eigen kater groter en groter te maken!
Quinten liet de sloten van de koffer weer klikken, zocht zijn gereedschap bij elkaar en stopte het in de rugzak. Terwijl hij ermee in zijn handen stond, liet hij zijn ogen even over de schrijn dwalen, opende toen het rechter bovendeurtje en legde zijn rugzak in het vak.
‘Voor de eerlijke vinder,’ zei hij en deed het deurtje dicht. ‘Over duizend jaar.’
Het laatste deel van het boek, ‘het einde van het einde’, beschrijft hoe Quinten samen met Onno de stenen tafelen vindt en terugbrengt naar de Hemel. De manier waarop Quinten gedurende het boek naar deze gebeurtenissen ‘geleid’ wordt heeft niets te maken met stemmetjes in zijn hoofd, engelen die aan hem verschijnen of wat dan ook, het gaat op een veel subtielere wijze, waarover ik hier verder niet zal uitwijden. Wel kan ik zeggen dat het op een bijzondere wijze bepaald wordt door een hogere macht, die hem leidt naar zijn doel. Zo ook als hij de tafelen terug brengt naar de plek waar ze oorspronkelijk vandaan komen, de berg waar Mozes ze ontving van God. Dat lijkt te gebeuren in een soort goddelijk visioen waar hij zelf de hoofdrol in speelt.
‘Het einde van het einde’ is, naar mijn mening, zonder twijfel het spannendste gedeelte van het boek. De zoektocht en het uiteindelijke vinden leiden allemaal naar één gebeurtenis: het terugbrengen van de tafelen. Als lezer vroeg ik me hoofdstukken lang af hoe dit avontuur, want dat is het eigenlijk, af zal lopen. Het eind is dan ook even wonderlijk als onvoorstelbaar… Quinten verdwijnt, samen met de overeenkomst van God en mens, naar het Licht. Hij heeft zijn taak volbracht. Maar deze gebeurtenis heeft natuurlijk gevolgen voor de mensheid, zoals aan het eind van het boek de ene engel tegen de andere zegt dat Lucifer nu de vrije hand heeft. Ik bleef dus de vraag zitten: is dit nou een goed, of een intens slecht einde?

‘Het is volbracht. Ik ben aan het eind van mijn krachten. De mensheid heeft afgedaan. Alles heeft afgedaan- behalve Lucifer. Wat wij nooit voor mogelijk hadden gehouden, is gebeurd: de tijd heeft vat op ons gekregen.’

Belangrijk!
De verslagen op Scholieren.com zijn bedoeld als naslagwerk. Lever nooit verslagen van internet zomaar bij je leraar in. Je bent zelf verantwoordelijk voor de gevolgen van dit soort fraude.

Wij krijgen de verslagen van scholieren. Hierdoor kan het gebeuren dat er foute informatie online staat. Gebruik geschiedt dus op eigen risico. Kom je een fout tegen? Laat het ons weten.