Boekverslag Willem F. Hermans
De donkere kamer van Damokles
Info over dit verslag
Geschreven door: | |
Niveau: | 6VWO |
Kwaliteit: | ![]() ![]() ![]() ![]() |
Waardering: | ![]() ![]() ![]() |
Taal: | Nederlands |
Woorden: | 4675 |
Opvragingen: | 32 |
Hulpmiddeltjes
Waardering
Gemiddelde waardering: 3 uit 5 (15 stemmen)
Titels van Willem F. Hermans
Au pair (31) 1989 De donkere kamer van Damokles (54) 1958 De elektriseermachine van Wimshurst (0) 1967 De god denkbaar denkbaar de god (0) 1956 De laatste roker (0) 1990 De tranen der acacia's (3) 1949 De zegelring (2) 1984 Een heilige van de horlogerie (1) 1987 Een landingspoging op New Foundland (0) 1957 Een wonderkind of een total loss (2) 1967 Filip's sonatine (4) 1980 Geyerstein's dynamiek (0) 1982 Herinneringen van een engelbewaarder (10) 1971 Het behouden huis (42) 1952 Het evangelie van O. Dapper Dapper (0) 1973 Het sadistisch universum (1) 1966 Homme's hoest (2) 1980 Ik heb altijd gelijk (2) 1951 In de mist van het schimmenrijk (5) 1993 King Kong (1) 1972 Malle Hugo (0) 1994 Mandarijnen op zwavelzuur (0) 1964 Moedwil en misverstand (0) 1948 Naar Magnitogorsk (1) 1990 Nooit meer slapen (29) 1966 Onder professoren (6) 1975 Paranoia (1) 1953 Periander (0) 1974 Ruisend gruis (6) 1995 Uit talloos veel miljoenen (4) 1981
Laatst gewijzigd op 16 maart 2003
Primaire Gegevens:
Titel: De Donkere Kamer Van Damokles
Auteur: Willem Frederik Hermans
Uitgeverij: G.A. van Oorschot
Jaar van Uitgave: 1958
Plaats van Uitgave: Amsterdam
Genre: Roman
Aantal pagina’s 410
Leestijd: ± drie weken
Samenvatting:
Henri Osewoudt is de zoon van een sigarenwinkelier in Voorschoten. Als Osewoudt nog op de lagere school zit, wordt zijn vader vermoord door zijn moeder (wie psychisch niet helemaal in orde is). Hierdoor komt Osewoudt bij zijn oom Bart Nauta in Amsterdam terecht, waar hij zijn verdere jeugd zal doorbrengen. Al op jonge leeftijd wordt Osewoudt door zijn volle nicht Ria ingewijd in de liefde, met wie hij later ook trouwt. Op de middelbare school maakt Osewoudt geen vrienden, en is eigenlijk alleen bezig met zichzelf. Hij richt zich vooral op judo.
Als Osewoudt 18 jaar oud is, trouwt hij z'n nicht en zet de vroegere tabakszaak van z'n vader voort, waardoor hij ook zijn moeder kan onderhouden.
Op het moment dat de oorlog begint en Osewoudt afgekeurd wordt voor militaire dienst, dient zich opeens ene luitenant Dorbeck aan. Dorbeck lijkt sprekend op Osewoudt, het enige verschillen zijn dat Dorbeck zwart haar heeft en Osewoudt blond en dat Osewoudt geen baardgroei heeft. Dorbeck vraagt Osewoudt om een paar fotorolletjes te ontwikkelen, Osewoudt doet dit, en na een tijdje komt Dorbeck weer terug met nieuwe rolletjes die ontwikkeld moeten worden. Daarnaast vraagt Dorbeck of hij kleding van Osewoudt kan krijgen, Osewoudt moet het kostuum van Dorbeck verbergen en begraaft het in de tuin. Als Osewoudt de foto's ontwikkeld heeft, blijken ze mislukt te zijn. Hij koopt van al z'n geld een Leica (fototoestel) en gaat zelf wat militaire objecten fotograferen, om Dorbeck niet teleur te stellen.
Een tijd later laat Dorbeck weer van zich horen en vraagt Osewoudt naar Haarlem te komen. In Haarlem ontmoet hij Dorbeck en Zéwüster, met wie hij 2 mannen in de Kleine Houtstraat vermoordt.
Daarna ontwikkelt Osewoudt de foto's die hij in eerste instantie van Dorbeck had gekregen. Het gebouw waar hij de mislukte foto's naartoe had moeten sturen, wordt gebombardeerd en de hele familie Jagtman komt hier bij om.
Pas in 1944 laat Dorbeck weer van zich horen, schriftelijk. Hij vraagt Osewoudt de foto's naar een bepaalde postbus te sturen.
Een paar dagen later ontmoet Osewoudt Elly Sprenkelbach Meijer, die uit Engeland is overgekomen, zij identificeert zich met één van de foto's die Osewoudt had opgestuurd. Osewoudt moet een slaapplaats voor haar vinden, en brengt haar naar z'n oom Bart in Amsterdam.
Osewoudt gaat terug naar Voorschoten en komt Moorlag tegen (een student die bij hen een kamer huurt). Moorlag vertelt hem dat zijn vrouw en moeder gevangen zijn genomen en dat ook hij wordt opgewacht. Osewoudt gaat met Moorlag naar Leiden, waar een vriend van Moorlag valse persoonsbewijzen maakt voor Osewoudt en Elly Sprenkelbach Meijer. Voor Osewoudts persoonsbewijs wordt zijn haar zwartgeverfd door Marianne Sondaar(een joodse die daarom haar naam veranderd heeft).
Later gaat hij weer terug naar Amsterdam, naar oom Bart. Maar Osewoudt krijgt van Dorbeck de opdracht om naar de stationswachtkamer in Amersfoort te gaan, waar hij een vrouw zal ontmoeten.
Samen met haar gaat hij naar Lunteren, waar hij een aanslag op Lagendaal, Gestapo-lid, moet plegen. In Amsterdam ontmoet hij opnieuw Marianne, met wie hij naar de bioscoop gaat. Hier ziet hij zijn hoofd in het beeld verschijnen ‘gezocht wegens straatroof, 500 gulden beloning’. Osewoudt probeert te vluchten maar wordt toch gepakt. Hij wordt verhoord en geslagen, maar hij heeft het idee dat ze hem voor iemand anders (Dorbeck) aanzien. Vanwege zijn verwondingen wordt hij naar het ziekenhuis gebracht, waar hij ontvoerd wordt en daarmee bevrijd. Hij gaat naar Leiden, waar meerdere verzetsleden zich verschuilen in het huis van Labare. Hier krijgt Osewoudt de gelegenheid om foto's te ontwikkelen. ‘s Nachts worden ze overvallen door de Duitsers, iedereen wordt opgepakt. Wanneer Osewoudt in de gevangenis zit, komt hij in aanraking met Ebernuss, die zich voordoet alsof hij van goede doen is.
Osewoudt sluit een deal met Ebernuss, en brengt hem in contact met Dorbeck. Osewoudt vermoordt Ebernuss (in opdracht van Dorbeck) en krijgt een schuiladres van Dorbeck. Osewoudt moet zich verkleden als verpleegster en krijgt ook het persoonsbewijs waarop hij als verpleegster staat. Dorbeck belooft hem binnen twee dagen op te halen, maar hij laat nooit meer iets van zich horen. Behalve een briefje waarin hij schrijft dat Marianne, Osewoudt’s vriendin, in de Emmakliniek ligt om te bevallen.
Uiteindelijk wil Osewoudt zich nog een keer aanmelden bij het leger (als verpleegster zijnde) in Breda, maar hij wordt direct opgepakt, en raakt in Nederlands gevangenschap. Osewoudt wordt van ontzettend veel dingen beschuldigd, en men ziet hem als een groot oorlogsmisdadiger. Hij probeert zijn onschuld op alle manieren te bewijzen, maar hij heeft een bewijs nodig dat Dorbeck bestaat en de werkelijke dader van alles is. Alle bewijzen die hij kan verzinnen, kunnen niet als bewijs dienen. Uiteindelijk, als alles is mislukt, wordt hij doodgeschoten (als hij probeert te ontsnappen).
Schrijversinformatie:
Pseudoniem: Age Bijkaart, pater Anastase Prudhomme S.J.
Geboren: 01-09-1921
Te: Amsterdam
Overleden: 27-04-1995
Genre(s): autobiografie
columns
essays
non-fictie
novelle
poëzie
polemiek
reisverhalen
roman
scenario
toneel
verhalen
'Mensen die geen querulant zijn, die zijn óf heel erg handig, óf ze laten alles over hun kant gaan.'
Gard Sivik, okt-nov 1963
'Er zijn geen goede schrijvers. Soms ontstaat in ons land een goed boek, dat op het gemiddelde peil geen invloed heeft. De goede boeken zijn meestal afkomstig van zonderlingen, liefhebbers die stiekum schrijven in het holst van de nacht en niets te maken hebben met het literaire leven, met de levende literatuur als geheel.'
Mandarijnen op zwavelzuur, 1964
'Het bevrijden door te schrijven. Dat was iets waar een optimist als Goethe in geloofde: het van zich af schrijven. Ik zie daar weinig in. Mijn schrijven is eerder zich erin schrijven; ik geloof dat dat desnoods de satanische roeping van de schrijver moet zijn.'
Gard Sivik, okt-nov 1963
Moedwil en misverstand: twee termen die de sleutel vormen tot het imposante oeuvre van Willem Frederik Hermans. In het literaire universum van Hermans worden de daden van zijn hoofdpersoon door chaos en blindheid veroorzaakt. Vrije wil is volgens Hermans een illusie, als je beseft hoe mensen zich gedragen in oorlogstijden. Toeval en verkeerde interpretaties van de werkelijkheid bepalen de uitkomst van gebeurtenissen, hoe intelligent of gevoelig je ook bent. De wereld is wreed en het universum 'sadistisch', als je er goed over nadenkt. Hermans behoorde tot de 'Grote Drie' van de naoorlogse Nederlandse letteren, samen met Gerard Reve en Harry Mulisch.
Willem Frederik Hermans wordt op 1 september 1921 geboren in het Diaconessenhuis aan de Overtoom te Amsterdam. Zijn moeder is weliswaar kerkelijk, maar hij wordt "niet gedoopt, waar hij zich heel goed bij voelt," zoals hij in zijn autobiografische Fotobiografie uit 1969 zal schrijven. Zijn vader is onderwijzer en vergelijkt Willem voortdurend in negatieve zin met zijn zus Corry, die alles heeft wat de jongen niet heeft. Hij gaat op school naar het Barlaeus Gymnasium Amsterdam, waarna hij bij in 1940 eerst Sociografie (sociologie) gaat studeren. Later stapt hij over naar Fysische Geografie. Als op 10 mei 1940 de oorlog uitbreekt gebeurt er iets dat altijd als een zwart gat in Hermans' leven zal blijven: zijn zus Corry pleegt zelfmoord met haar geheime liefde Piet Blind - een neef. Hermans is dan achttien en het zal voor hem in velerlei opzichten het einde van zijn jeugd betekenen.
In 1943 doet hij kandidaatsexamen bij Fysische Geografie, maar hij weigert de Loyaliteitsverklaring te tekenen. In de oorlog begint Hermans met schrijven en al snel publiceert hij zijn eerste schrijfsel - een opstel - in Algemeen Handelblad en in 1944 zal hij debuteren met de gedichtenbundel Kussen door een rag van woorden. Ook schrijft hij in deze tijd de novelle Conserve die pas in 1947 uit zal komen, maar weinig succes heeft. In de loop van de oorlog leert hij literaire 'vrienden' als Charles B. Timmer en Adriaan Morriën kennen. Timmer bezorgt Hermans een baantje in de houthavens van Amsterdam. Hermans schrijft in deze tijd ook verhalen, zoals 'Elektrotherapie', dat pas na de oorlog in Moedwil en misverstand worden gebundeld. Het verhaal 'Cascaden en Riolen' zal pas in 1991 in De laatste roker verschijnen. "De stijl is plechtig, bijna oudtestamentisch," zal een recensent in 1992 over dit laatste verhaal opmerken.
Enige erkenning voor zijn literaire werk begint pas te komen met zijn roman De tranen der acacia's uit 1949. In deze roman, over een jongeman die aan het eind van de oorlog de chaos in Amsterdam ontvlucht en bij zijn vader in Brussel een soort paradijs binnenstapt, zal voor het eerst de nihilistische visie van Hermans naar voren komen. Nog sterker is de pessimistische blik in Ik heb altijd gelijk (1951), waarin de terugkeer van een Indië-ganger wordt geschetst. Vanwege een aantal kritische passages over Rooms-katholieken ("ouwel-vreters") wordt hij voor het gerecht gedaagd wegens het beledigen van een bevolkingsgroep - Rooms-katholieken - maar hij wordt in 1952 vrijgesproken. In deze tijd publiceert hij voor talloze tijdschriften van Criterium tot Vrij Nederland, van Podium tot NRC Handelsblad. Hij is een meester in de polemiek en zal vele imposante debatten voeren, zoals de Weinreb-affaire in de jaren zestig. Met Mandarijnen op zwavelzuur uit 1964 zal hij vrijwel de gehele Nederlandse literaire wereld op de hak nemen.
In 1948 reist hij naar Newfoundland en Canada, een reis die later zal beschreven worden in de verhalenbundel Een landingspoging op Newfoundland (1957). Pas in 1950 legt hij zijn doctoraalexamen af. In datzelfde jaar treedt Hermans in het huwelijk en na vijf jaar wordt zijn zoon Ruprecht geboren. In hetzelfde jaar promoveert hij cum laude op een dissertatie-onderzoek naar bodemonderzoek in Luxemburg. Drie jaar later wordt hij lector Fysische Geografie in Groningen en verhuist het gezin naar het nabijgelegen Haren. In 1960 maakt hij een reis naar Zweden en Noorwegen, wat de inspiratie zal vormen voor de roman Nooit meer slapen uit 1966, over een mislukte expeditie naar een meteorietinslag. Daarvoor was al zijn belangrijkste en meestgeprezen boek verschenen, De donkere kamer van Damocles (1958), een oorlogsroman waarin op zeer ingenieuze wijze het dubbelgangersmotief is verwerkt. De roman zal later worden verfilmd door Fons Rademakers onder de titel Als twee druppels water en wordt in vele talen vertaald. Het zal Hermans' internationale doorbraak betekenen, hoewel hij nooit de status van Nobelprijskandidaten Mulisch, Boon of Claus zal bereiken.
Een thema dat in Hermans' werk veel terugkomt is dat het leven een reeks vormt van toevalligheden. De mens heeft niet het inzicht dat nodig is om situaties goed te kunnen overzien en daarom maakt hij steeds beoordelingsfouten. Nooit is te bepalen wat onze handelingen zullen uitrichten. Bovendien hebben deze handelingen vaak niet het gewenste effect, wat leidt tot teleurstelling. Het enige dat een beetje houvast kan bieden is de exacte wetenschap. Daarin kun je met enige zekerheid vaststellen wat waar is en wat niet. Daarnaast komt vaak uit zijn boeken naar voren dat de taal in het algemeen een ontoereikend middel is om de werkelijkheid te beschrijven. De werkelijkheid is in Hermans' opvatting veelomvattend, ingewikkeld en verandert bovendien continu. Om een goede omschrijving van de werkelijkheid te kunnen geven, zou de taal een oneindig aantal woorden moeten bevatten die bovendien binnen één seconde van betekenis zouden moeten kunnen veranderen. Taal is een gebrekkig begrip en het geeft mensen een schijngevoel van orde in een wereld zonder enige zinvolle samenhang.
Vanaf het midden van de jaren zeventig zal Hermans zich steeds verder van Nederland en de Nederlandse cultuur verwijderen. Eerst krijgt hij een conflict met zijn uitgever Van Oorschot over honoraria en het herdrukken van zijn werk, maar dat geschil wordt in 1971 ten gunste van Hermans beslist. "De Nederlandse uitgeverij kent een groot aantal gebruiken die volkomen onrechtmatig zijn, maar waaraan iedereen gewend is," zegt hij in Gard Sivik. "Zelfs een vent die met pakjes schuurpoeder aan de deur komt, stuur je toch ook niet een paar weken later de fooi die je goeddunkt. Zo gaat het hier bij kranten en tijdschriften." In dat jaar weigert hij ook de P.C. Hooft-prijs voor zijn gehele oeuvre - net als hij jaren daarvoor al deed met de Prijs van de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945. Twee jaar later neemt hij na een conflict op de Universiteit van Groningen ontslag. Hermans dacht dat hij professor zou worden en de verhouding met zijn collega's is ten zeerste verslechterd. Hij verhuist naar Parijs, naar 18 Rue Théodule Ribot, vanwaar hij zijn 'kunstjes' naar Nederland zal blijven sturen. "Ik ga met mijn pet rond als orgeldraaier of kermisklant om in leven te blijven," schrijft hij in Malle Hugo (1994).
Het dieptepunt in de relatie Hermans-Nederland komt in het midden van de jaren tachtig als het gemeentebestuur van Amsterdam een fototentoonstelling van Hermans wil sluiten vanwege zijn bezoek aan Zuid-Afrika in 1983. Het komt uiteindelijk niet tot een sluiting van de tentoonstelling, maar Hermans is vanaf dat moment een "ongewenste" in de hoofdstad. In Gard Sivik zei hij in 1963 al: "Schrijvers die later nog gelezen worden, waren allemaal met een of ander negatief etiket beplakt. Verlaine was altijd dronken, Rimbaud was een landloper, Multatuli een flessentrekker, dat wordt nog altijd beweerd. Ik heet dus een querulant. Het is niet te vermijden."
Met zijn literaire werk gaat het vanaf het midden van de jaren zeventig ook minder. Hij lijkt steeds meer door rancune en negatieve invloeden van buitenaf gedreven te worden en minder van binnenuit. Zijn polemische sleutelroman Onder professoren uit 1975 was weliswaar scherp en geestig, maar de drie novelles uit het begin van de jaren tachtig, Filips' sonatine, Homme's hoest en Geyerstein's dynamiek worden door de kritiek schouderophalend ontvangen. Pas met de roman Au pair uit 1989 weet hij weer iets van zijn oude glorie terug te krijgen. Het recensentendom heeft het echter tegen die tijd al lang verbruid voor hem. In zijn bric-à-brac bundel De laatste roker uit 1989 schrijft hij: "Hoe heb ik de brutaliteit van critici onderschat! En hoe heb ik kunnen vergeten dat critici in een klein land als het onze voornamelijk schrijven voor lezers die even grote misbaksels zijn als zijzelf en daarom even jaloers op rijke schrijvers!" Reinjan Mulder in NRC Handelsblad: "Ik weet niet of ik Hermans' ontwikkeling op dit punt moet toejuichen. Maar het is wel een zinnetje dat er mag zijn. Of de schrijver nu arm is of rijk, hij blijft om zich heen slaan. Frapper, frapper toujours. "
In de jaren negentig begint ook de verhouding met Nederland iets te stabiliseren. In 1990 begin een driejarige tentoonstelling over het leven en werk van Hermans en in 1992 schrijft hij het Boekenweekgeschenk. Inmiddels is hij verhuisd van Parijs naar Etterbeek bij Brussel. Hij overlijdt op 27 april 1995 in een ziekenhuis - niet in Amsterdam, zoals bij zijn geboorte, maar in Utrecht.
Recensie:
Bron: Trouw
Publicatiedatum: 07-08-1999
Recensent: Onno Blom
Recensietitel: Zinnen als pistoolschoten
Zwart, inktzwart was het boek dat mijn vader uit de kast met de leeuwenkopjes en glazen deurtjes haalde. Het Boek Waar Het Allemaal Mee Begon. Ik pakte het aan en las in gouden, licht verzonken letters op de band: 'De donkere kamer van Damocles'. Zonder het zelf te weten, stond ik, elf jaar oud, op de drempel van de literatuur, de duizelingwekkende wereld waarin ik vanaf dat moment uren, dagen en uiteindelijk zelfs jaren in zou verkeren. De boeken van Tonke Dragt, Jan Terlouw, Thea Beckman, de historische jeugdromans die op mijn eigen kamer stonden, had ik letterlijk stukgelezen. Ik moest verder.
Met het zwarte boek onder mijn arm liep ik de trap op, ging mijn kamer in en deed de deur achter mij dicht. Ik knipte het bedlampje aan en ging op mijn buik op bed liggen. Het boek legde ik op het kussen, voorzichtig sloeg ik de eerste bladzijde open en begon te lezen: ,,. . .Dagenlang zwierf hij rond op zijn vlot, zonder drinken. Hij stierf van dorst want het water van de oceaan was zout. Hij haatte het water dat hij niet drinken kon. Maar toen de bliksem in zijn vlot sloeg en het vlot in brand vloog, schepte hij dat gehate water met zijn handen op, om te proberen de brand te blussen! De onderwijzer begon zelf eerst te lachen, de klas lachte tenslotte ook mee.''
Van schrik las ik de eerste zinnen nog eens. De man op het vlot blust een brand met zeewater, redt zich het vege lijf, maar zal na het blussen evengoed doodgaan, van de dorst. Wat was dit voor een afschuwelijk dilemma om een boek mee te beginnen? Ik realiseerde mij nog niet dat ik terecht was gekomen in Het sadistisch universum van W. F. Hermans, de schrijver die vlak na de Tweede Wereldoorlog de literatuur had doen sidderen onder zijn snijdende commentaren. Een schrijver die in zijn romans een wereld van Moedwil en misverstand had geschapen, waarin het met de held steevast slecht afliep.
Voorlopig viel ik tijdens het lezen van de ene verbazing in de andere. Net als de hoofdpersoon van Hermans' roman - Henri Osewoudt, een blond jongetje dat een kop kleiner is dan de jongetjes in zijn klas - kon ik maar nauwelijks bevatten wat er zich precies allemaal afspeelde. Het verhaal speelt in de jaren dertig. Osewoudt komt op een dag thuis van school en kreeg te horen dat zijn moeder zijn vader had vermoord. Hoe, dat weet hij niet. Door zijn oom Bart wordt hij uit zijn ouderlijk huis in Voorschoten meegenomen naar Amsterdam, waar hij 's avonds in bed kruipt bij zijn zeven jaar oudere nicht Ria.
Met rooie oortjes las ik verder. ,,Zo ben jij al een grote jongen?'' zegt Ria tegen hem, niet geheel naar waarheid. ,,Weet je dat wel zeker? Als jij zo'n grote jongen bent, moet je mij eens een kusje geven.'' Een jongen van een paar jaar ouder dan ik, die met zijn nicht de koffer indook! Daarna volgden de gebeurtenissen in 'De donkere kamer van Damocles' (in latere drukken van het boek zou de 'c' door een 'k' worden vervangen) zich snel op. Osewoudt trouwt met zijn nicht en neemt de sigarenzaak van zijn vader in Voorschoten over. Kort daarna vallen de Duitsers Nederland binnen en krijgt hij bezoek van een man die - hoewel hij een baard heeft en zwart haar - als twee druppels water op hem lijkt: Dorbeck. Deze Dorbeck geeft Osewoudt geheime opdrachten, die hem in het verzet doen belanden. Zo moet Osewoudt fotorolletjes ontwikkelen, een pistool bewaren en met dat pistool op een afspraak in Haarlem verschijnen.
Volgens de oude literaire wet van Tsjechov, zo weet ik nu, kan nooit een pistool getoond worden zonder dat ermee wordt geschoten. Op bevel van Dorbeck schiet Osewoudt in Haarlem drie verdachte figuren dood. Nog later brengt hij in Lunteren een Jeugdstormleidster, een provocateur en zijn vrouw om het leven. Intussen knoopt hij verhoudingen aan met Elly, die zich op mysterieuze wijze bij Osewoudt meldt, en Marianne, een Joodse onderduikster. Zijn vrouw Ria, die hij gaandeweg is gaan haten en die hij verdenkt van verraad, steekt hij neer.
Osewoudt wordt, vanwege de roekeloosheid waarmee hij zijn daden pleegt, door de Duitsers opgepakt en door het verzet weer bevrijd. Maar als de oorlog afloopt, wordt Osewoudt tot zijn verbijstering voor een verrader aangezien en in het gevang gegooid. Hij beroept zich op de orders van Dorbeck, maar die blijkt niemand te kennen en spoorloos verdwenen te zijn. Tot op de laatste bladzijde blijft het onzeker of Dorbeck, Osewoudts dubbelganger, überhaupt wel had bestaan. Een foto waarop Dorbeck en Osewoudt samen te zien zouden zijn, blijkt niet op het rolletje te staan. Zwart. Osewoudt vlucht na die ontdekking in wanhoop de straat op, maar wordt door een bewaker neergeschoten.
Het hele verhaal had zich met grote snelheid voor mijn ogen afgespeeld. Hermans schreef zinnen als pistoolschoten die, pang!, vaak voorzien waren van bravoure uitroeptekens. Bovendien ging hij zich te buiten aan bizarre en surrealistische - geen term die ik toen zou gebruiken - typeringen, die ik ook in het werk van Bordewijk zou leren kennen. Over de monsterlijke Ria denkt Osewoudt bijvoorbeeld: ,,Haar tanden vormden geen sieraad van de mond, of zelfs maar een wapen, maar eerder de afsluiting ervan, iets als de knip op een portemonnaie.''
Ik hield bij al dit soort zinnen mijn adem in, en las het boek in één ruk uit. Een procédé dat zich later bij al Hermans' romans zou herhalen. Toch bleef er iets knagen. Aan het eind van de roman wist ik nog steeds niet wat er nu precies wel en niet waar was geweest. Waarom durfde Osewoudt zich zo te gedragen? Wie was Dorbeck? Had hij bestaan? Het fascinerende van 'De donkere kamer van Damocles' is dat die onzekerheid blijft bestaan.
Zeker, over de omstandigheden waarin Hermans het verhaal laat spelen, heb ik sindsdien nogal wat bijgeleerd. Veel van de subtiele verwijzingen naar de Duitse Bezetting, die mij destijds ontgingen, kan ik nu beter volgen. Hermans heeft in interviews verteld dat hij zich onder andere heeft gebaseerd op de zaak rond de verrader Van de Waals. Bovendien heeft Hermans, toen hij in de jaren vijftig aan zijn roman schreef, gebruikgemaakt van de drie dikke delen van het rapport van de Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945. Hij noemde het rapport zijn 'onvolprezen bron van leedvermaak en misantropie':
,,Dat heeft jarenlang bijna mijn dagelijkse lectuur gevormd. Ik vond dat buitengewoon intrigerend, al die verklaringen van die mensen, van parlementsleden, van generaals, van ex-ministers, van spionnen, van verzetslieden, die soms de meest fantastische verhalen hadden. Die verhalen waren dikwijls volstrekt met elkaar in strijd, zodat daarna de slotsom was, van ja, nou heb ik al duizenden pagina's gelezen, maar nu weet ik nog niet precies hoe het in elkaar zat.'' Het is precies het gevoel dat mij na de eerste lezing van 'De donkere kamer van Damocles' overviel.
Houvast aan Hermans' werkelijkheid dacht ik, toen ik eenmaal op het gymnasium zat en de hele Nederlandse literatuur begon te verslinden, ook te kunnen ontlenen aan de nog steeds bestaande locaties die in het boek een rol spelen. Om de hoek van mijn ouderlijk huis in Leiden, op nog geen steenworp afstand, bevond zich namelijk de Zoeterwoudse Singel 74, het pand waar Osewoudt tijdens de oorlog filmrolletjes had staan ontwikkelen en halsoverkop had moeten vluchten voor de Duitsers. Ik woonde om de hoek bij de donkere kamer van Damocles!
Het zijn van die dingen die eigenlijk niets betekenen, maar die me desondanks het gevoel gaven een speciale band te hebben met dit boek. Veel later is dat, gek genoeg, nog een keer gebeurd. Toen ik drie jaar geleden bezig was iets uit te zoeken in het Nederlands Fotoarchief in Rotterdam, werd daar net een contactvel van de fotograaf Ed van der Elsken gevonden met onbekende foto's van Hermans. Het verbluffende van die foto was dat Hermans, terwijl hij allerlei malle poses aannam, gekleed was in een SS-uniform. Enig speurwerk leidde tot de conclusie dat Van der Elsken die foto's bij Hermans thuis had gemaakt voor 'Als twee druppels water', Fons Rademakers' verfilming van 'De donkere kamer van Damocles'. In de film wordt een van de foto's uit de zak van de vermoorde Jeugdstormleidster gevist.
Met de vondst van dit filmrolletje werd in mijn fantasie Hermans' spel met de dubbelgangers, met Osewoudt en Dorbeck die zich als positieve en negatieve afdruk tot elkaar verhouden, nog eens verdubbeld. Het is niet ondenkbaar dat zich in de toekomst nog meer van dit soort dingen zullen voordoen. Zeker is het dat Hermans mij met 'De donkere kamer' in één klap voor de literatuur heeft gewonnen en voor altijd heeft doen duizelen.
Eigen commentaar:
De Donkere Kamer Van Damokles, nooit van gehoord, dacht ik toen ik het boek leende in de bibliotheek. Willem Frederik Hermans kende ik echter wel en dankzij eerdere goede ervaringen met zijn werk heb ik dit boek gekozen. Het is me achteraf gezien helemaal niet tegengevallen. Het is een prachtig boek en het lezen ervan heeft me geen moment verveeld.
Hermans heeft een hele aparte, eigen stijl en dat komt in dit boek duidelijk naar voren. Het is heel direct geschreven en de auteur windt er geen doekjes om. Wat dit betreft sta ik volledig achter de titel van de recensie: “Zinnen als pistoolschoten.”
Ook de inhoud is typerend voor hem. Veel gebeurtenissen vond ik behoorlijk confronterend, zoals de momenten waarop mensen in koelen bloede doodgeschoten worden. Dit geeft echter wel een realistisch beeld van de tijd waarin dit boek zich afspeelt, namelijk de Tweede Wereldoorlog.
De personages hebben allemaal hun eigen persoonlijkheid en eigenaardigheden. De hoofdpersoon Osewoudt bijvoorbeeld is een aparte man. Hij is klein, heeft geen baard en kan hierdoor makkelijk doorgaan voor een vrouw. (Deze eigenschappen komen hem overigens later nog van pas). Hij leidt een doodnormaal leven totdat er iemand in de zaak komt die als twee druppels water op hem lijkt. Deze man heet Dorbeck. Hij betrekt Osewoudt bij het verzet en is uiteindelijk de oorzaak van het overlijden van de hoofdpersoon.
In de loop van het verhaal krijgt de hoofdpersoon te maken met allerhande personen die geenszins op elkaar lijken. Iedereen is anders en heeft zijn eigen voor- en nadelen. Iedereen valt, na korte of lange tijd, weer weg. Uiteindelijk vertrouwt de hoofdpersoon niemand meer. Hij wordt beschuldigd van een enorm aantal misdaden die Dorbeck heeft begaan. Deze is echter volkomen spoorloos. Osewoudt blijft hardnekkig ontkennen en lijkt ervan overtuigd dat Dorbeck op komt dagen om de onschuld van Osewoudt te bewijzen. Dit gebeurt niet en Osewoudt wordt doodgeschoten. Dorbeck wordt nooit gevonden.
Dit einde vond ik zeer onbevredigend. Het is een open einde en daar houdt ik niet van. Dit zette voor mij toch wel een domper op het hele verhaal.
Wat ik wel weer een pluspunt vond is het feit dat het boek heel spannend is opgebouwd. Osewoudt zit op het laatst veel gevangen en iedere keer onderneemt hij weer iets anders om zijn onschuld te bewijzen. Al deze pogingen mislukken en samen met de hoofdpersoon zakt de moed je behoorlijk in de schoenen. Je vraagt je constant af of Dorbeck nog komt opdagen of niet. Deze opbouw maakt dat je door blijft lezen.
Al met al vond ik het een zeer mooi boek en het is zeker een aanrader, vooral omdat het vrij gemakkelijk te lezen is. Het einde vond ik een minpunt, maar in z’n totaliteit wordt mijn oordeel toch gedomineerd door de positieve eigenschappen van dit boek.
Opvallend citaat:
Het volgende citaat komt uit hoofdstuk 6, bladzijde 24 en 25.
Hoe is de naam?
- Dorbeck. Met ck.
,Dorbeck’ schreef Osewoudt op het filmpje, met ck.
- Ik heet Osewoudt met dt, zei hij en legde het rolletje in de la van de toonbank.
- Dan lijken onze namen op elkaar.
De officier gaf Osewoudt een hand en keek hem recht in zijn ogen. Osewoudt zag dat de ogen van de luitenant op precies dezelfde hoogte als de zijne lagen. Het waren grijsgroene ogen, die hem aankeken of zij iets bijzonders in hem zagen. Nog nooit hadden ogen hem aangekeken op zo’n manier, behalve als hij zichzelf in de spiegel zag.
- U bent even lang als ik, zei Osewoudt, en ik ben afgekeurd voor de militaire dienst.
- Ik bijna ook. Maar ik heb mij uitgerekt.
Dorbeck lachte. Zijn witte tanden stonden zo recht en aaneengesloten, dat het leek of zijn gebit uit twee ononderbroken messen van ivoor bestond. Hij had zwart haar en langs zijn onderkaak lag een blauwe schaduw van baardstoppels, zijn wangen gloeiden roodachtig onder zijn jukbeenderen. Hij had een stem als een klok van brons.
- Bedankt, zei hij, overmorgen hoeft het niet klaar te wezen, want dan kom ik nog niet terug. Maar terugkomen doe ik.
Hij liep de winkel uit en sprong op zijn vrachtauto.
Dit is de eerste keer dat Osewoudt en Dorbeck elkaar ontmoeten. Dorbeck komt in de winkel van Osewoudt om een fotorolletje te laten ontwikkelen. Hier komen ze allebei tot de ontdekking dat ze precies op elkaar lijken. Dorbeck weet waarschijnlijk al dat hij Osewoudt best eens ergens voor zou kunnen gebruiken. Dit schemert al een beetje door in de zin: “Maar terugkomen doe ik.”
Vanaf dit moment raakt Osewoudt betrokken bij het verzet en ook de foto’s op het rolletje blijken later nog van belang te zijn.
Wanneer deze ontmoeting niet had plaatsgevonden en Dorbeck ergens anders heen was gegaan, had Osewoudt nog steeds het leven gevolgd wat hij tot dan toe volgde en was nergens bij betrokken geraakt. Deze ontmoeting is dus in feite de basis voor de verdere levensloop en het tragische einde van Osewoudt. Het hele verdere verhaal hangt hiervan af.
Belangrijk!
De verslagen op Scholieren.com zijn bedoeld als naslagwerk. Lever nooit verslagen van internet zomaar bij je leraar in. Je bent zelf verantwoordelijk voor de gevolgen van dit soort fraude.
Wij krijgen de verslagen van scholieren. Hierdoor kan het gebeuren dat er foute informatie online staat. Gebruik geschiedt dus op eigen risico. Kom je een fout tegen? Laat het ons weten.




Openen in tekstverwerker
Printen
Emailen