CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

ff n studiebreak

Bij klassieke muziek moet je niet aan je grijze oma denken, maar aan YouTube. 5 tips van Lucas en Arthur Jussen.

Geschreven door:

Margriet (6 vwo)

Datum ingestuurd:

22 maart 2003

Taal:

Woorden:

6.100

Bekeken:

2346 keer (1 deze maand)

Waardering:

2.6/5 (23 stemmen)

Deel op:

  • Door Somari op 05-06-2003
    zou je alsjeblieft de gedichten Als ik ooit, de schildpad en z'n schaduw, lieve aadre, halfalig, laat dag, eenvoudige berekening, de dom vanuit brooklin kunnen sturen. plse, anders ga ik maybe niet meer over.
  • Door nash op 04-06-2003
    hey, is het goed als ik je tiltels geef van gedichten dat je die gedichten mij stuurt? ik heb ze HEEL hard nodig nash

Avondgymnastiek

Dit gedicht bestaat uit 7 losse gedichten die genummerd zijn. Tussen deze gedichten is wel overeenkomst qua inhoud maar niet qua vorm.

1) De ik-figuur loopt door de kamer van zijn geliefde. ‘Als je niet thuis bent loop ik meer door je ruimtes heen en weer’ betekend waarschijnlijk dat hij bij haar inwoont, maar dat hij rusteloos is als ze weg is. Hij mist haar en daarom loopt hij door de kamer, hij wil haar sfeer proeven.

2) In de eerste twee strofes haalt de ik-figuur herinneringen op aan zijn vriendin, terwijl hij in haar klerenkast snuffeld. In de derde strofe heeft hij het over een boek, maar het is niet duidelijk welk boek hij bedoeld. Ik denk dat hij doelt op het leven van zijn vriendin. ‘en wil daartussen wel verslonden als een stuk papier per ongeluk in een oud boek mee ingebonden’, zou kunnen betekenen dat hij deel van dat leven wil uitmaken, of zij dat nou ook wil of niet. In de vierde strofe maakt hij duidelijk dat hij wil dat zij hun seks niet vergeet.

3) Hij geilt op zijn vriendin en houdt van alles wat zij heeft aangeraakt. Alleen de wc
vind hij niet zo fris, dus die heeft hij nog niet zo vaak gekust als de rest.

4) Nu hij alleen is beseft hij dat hij de tijd dat zij bij hem is nog intenser wil beleven. Dit wordt gezegd in de eerste strofe. In de tweede heeft hij daar wel vertrouwen in, want hij voelt het al sterk als zij iets aanraakt. Het woord ‘geschubd’ in de laatste regel wordt gebruikt om aan te geven dat ze niet zomaar iets aanraakt, maar dat ze haar sporen duidelijk achter laat.

5) De ik-figuur zou het niet vreselijk vinden als zijn lief alleen maar een droom was geweest, want dan hebben ze toch nog een ding gemeen: ze zullen allebei ophouden te bestaan. Misschien bedoelt hij dat zij ophoudt te bestaan als hij dood gaat, en dat het daarom niet zo erg zou zijn als ze helemaal niet bestaat.
Hij zou het erger vinden als ze zomaar weg zou gaan, en dat ze nooit meer terug komt. Dan blijft hij alleen achter en zal haar missen. De laatste vier regels zijn een beetje raar. Je zou kunnen denken dat hij de plek van de vrouw gaat innemen door haar schort aan te trekken. Haar schoenen hoeft hij dan niet aan, omdat ze geen hoge hakken hebben en dus ook niet vrouwelijk zijn.

6) Dit gedicht is niet zo duidelijk als de voorgaande gedichten, en is vast op vele manieren uitlegbaar. Dit is mijn versie: De ik-figuur is alleen thuis naar buiten te kijken en denkt aan zijn vriendin. Hij vergelijkt haar gedachten met een aantal vellen papier die ristelen voor het open raam. Als het begint te waaien hoort hij haar niet meer, de vellen beginnen te wapperen. In feite kan hij zijn eigen gedachten niet meer horen, hij wordt uit zijn concentratie gehaald. Het begint te regenen en als hij het raam dicht doet beseft hij dat hij alleen is, en hoezeer hij haar mist. Hij gaat maar wat aanrommelen terwijl hij ‘tegen de wind vecht’. Ik denk dat hij weer in die roes wil zitten, toen hij helemaal door haar gedachten in beslag werd genomen.

7) Hij wil vliegen maar het lukt niet. Hij vergelijkt zichzelf met een vogel, die gekortwiekt is en dus heel hard loopt te fladderen zonder ooit los van de grond te komen. Eerst vraag je je af waarom hij dit doet, maar in de derde strofe blijkt dat hij haar achterna wil gaan als ze ‘s ochtends weg gaat van huis. Als ze uit zijn gezwaait doet hij ochtendgymnastiek. Zo begint hij elke dag zijn dag.

Uit alle gedichten kun je opmaken dat hij een vrouw of een vriendin heeft, van wij hij erg veel houdt. Als zij weg is kan hij niks anders doen dan aan haar denken. De zeven gedichten vertellen geen doorlopend verhaal, maar beschrijven elk een moment dat hij aan haar zit te denken.

Net weg

Bij het aantrekken van zijn sokken staat de dichter stil bij zijn jeugd. Alles was toen groot, alle problemen duidelijk en achteraf onbelangrijk. Hij kon toen nog lekker vrij fantaseren. ‘en mis van toen mijn dagelijks gegrien om zachte dromen die verdroogden tot hard jokken’ Misschien dat hij op bedplassen doelde. Als hij huilde was het hierom. Nu weet hij niet meer wat de werkelijkheid is: ‘ik voel al hoe de wereld mij ontgaat alle verbindingen worden met kracht verbroken’. In de laatste strofe wordt het gedicht samengevat. Hij was klein en Nederland was groot. De meubelen waren onwankelbaar, wat betekend dat alles duidelijk was. ‘Nu drijven continenten uit elkaar en vervloeien naar een verveloos verschiet’. Tegenwoordig begrijpt hij de wereld niet meer en lijkt alleen het verleden nog scherp.
Dit gedicht heeft weinig overeenkomst met het vorige gedicht, ochtendgymnastiek. Wel zou je kunnen zeggen dat hij wel in allebei onrustig is en naar iets verlangt. In het eerste gedicht is dat zijn vrouw/vriendin, in deze is dat zijn jeugd.

Amerika

De ik-persoon woont in Amerika, maar kijkt vaak naar Holland, waar hij vandaan komt. Hij beschrijft de stranden uit de buurt, en achter de zee ligt Nederland. Hij beschrijft enkele mensen die hij kent. Je hebt Bonnie, die zich druk maakte over het behoud van de natuur, vooral het strand. Verder zijn er de mensen van de computerzaak. Hij observeert Amerika, hij beschrijft het. Verder heeft hij er niks mee, het enige is dat hij er woont. Hij ‘leent’ het land als het ware. Verder zou hij best zo’n makkelijk leven willen hebben als de domme mensen die er wonen, die zich druk maken over alle problemen in de wereld. Later in het gedicht zegt hij wel dat hij van Amerika houdt. (Zoals ik van hem in zijn wereld hou Amerika zo ben ik dol op jou zoals ik ook je slechtste krant bemin ben ik verzot op ieder mens daarin zoals ik ook verliefd ben op één vrouw) . Ik denk dat hij lacht om alles wat er gebeurd en doorziet hoe onbelangrijk het allemaal is. Alleen de laatste zin van de net geciteerde strofe begrijp ik dan weer niet. Na deze strofe wordt het allemaal veel onduidelijker wat bedoeld wordt. Hij beschrijft zijn droom over een dichter, die een schone vrouw beschrijft. Maar de dichter wordt verpletterd ‘door haar geweldig ooft’. Die droom komt er dus op neer dat je in vervoering kunt raken van iets, maar dat dat nooit voor eeuwig duurt. Wat dat met zijn beschrijving van Amerika te maken heeft weet ik niet.
Net als in het vorig gedicht (net weg) voelt de schrijver zich niet thuis op de plek waar hij is. En even komt de vrouw uit ‘Ochtendgymnastiek’ naar voren, in de zin: ‘zoals ik ook verliefd ben op één vrouw’.

De dom vanuit Brooklyn

Hij denkt aan vroeger, aan Utrecht waar hij heeft gewoont. De herinneringen zijn zeer levendig. Met de strofe: ‘iets dat zich dan niet meer verschuilt kijkt scherp op alsof het even hard naar mij terug wil leven ik weet niet meer waarom het huilt’ wordt denk ik bedoelt dat hij even emotioneel wordt, maar dat hij niet weet waarom. Maar hij wordt al gauw uit zijn droom gehaald door de dingen die gebeuren die ochtend. Hij ziet dan zijn vrouw Tineke, en denkt aan de maagd die ze vroeger was, toen ze allebei in Utrecht studeerden. Hij krijgt een stijve.
Net als in ‘Net weg’ denkt hij aan vroeger. Maar in dat gedicht was het duidelijk dat het heden niet beviel, en dat gevoel is hier niet. Uit de titel en het vorige gedicht kun je opmaken dat hij nu in Amerika woont, en opgegroeid is in Nederland. Tineke zal de vrouw uit het eerste gedicht wel zijn. Hij heeft immers maar van één vrouw gehouden (zie ‘Amerika’)

Analyse
*Eindrijm: alle strofes hebben een omarmend rijmschema, abba. De strofes die volgen hebben niet dezelfde rijmklanken, dus de tweede strofe heeft cddc. Er is zowel staand als slepend rijm.
*Alliteraties: dieren, dingen (1e strofe, r 2)
dichte, denkboek (4e strofe, r 2), driedimensionale (4e strofe, r 3)
blewegelijke (5e strofe, r 3), bleke, bovenschijven (5e strofe, r 4)
*Assonanties: perspectief (1e strofe, r 1), vrienden, dieren (1e strofe, r 2)
schimmelgras (4e strofe, r 1), dichte (4e strofe, r 2)
sterke, werkelijkheden (7e strofe, r 1)
*Metrum: het metrum is over het algemeen trochee, maar er zitten ook aardig wat regels jambe tussen. En hier en daar zijn nog uitzonderingen hierop, bijvoorbeeld: ‘en dat heb ik juist zo lief’ (1e strofe, r 4) (^ _ _^_^_)
*Opbouw: 9 strofes van 4 regels.
*Beeldspraak: vergelijking zonder als: ‘zijn volk een vacht’ (3e strofe, r 2)
Metafoor: ‘hun bewegelijke gaten in hun bleke bovenschijven’ (5e strofe, r 3 en 4) Hier wordt de mond mee bedoeld.
Metafoor: ‘mijn dichte denkboek vol vergeelde driedimensionale beelden’ (4e strofe, r 2 en 3). Dit is zijn hoofd vol herinneringen.
*Stijlfiguren: enumeratie: vrienden dieren dingen (1e strofe, r 2)
Anticipatie: ‘Een pocketlandkaart lijkt de stad Utrecht’ (3e strofe, r 1)
Je kunt dit gedicht als half traditioneel half vrij beschouwen. Het is geen sonnet en de opbouw is regelmatig. Het metrum is ook min of meer vast, al zitten er wel veel uitzonderingen in.

Voor Kadjiyama, vriend en bewaker

De ik-persoon schrijft zijn gedachten op, in de vorm van een brief aan
Kadjiyamasan, of Kadjiyama, ik weet niet wat het verschil is. Kadjiyama was zijn bewaker in het jappenkamp, maar hij voelde ook sympathie voor hem, want hij noemt hem zijn vriend. De bewaker was getraind om te haten en te vechten. Maar de schrijver van de brief doorzag dat. Hij wil dat Kadjiyama het verleden met rust laat. Op een gegeven moment schrijft de ik-persoon dat hij er niet meer over droomt, later schrijft hij dat hij dat wel doet. Maar het lijkt allemaal zo onwerkelijk, alsof het nooit gebeurd is. Hij is bang om te ontwaken en dan weer in dat kamp te zijn. Dat de liefde tussen hem en Tineke nooit bestaan heeft, of dat het wel heeft bestaan, maar er nu niet meer is. Hij wil nooit meer van haar gescheiden worden. Hij vraagt op het eind aan Kadiyamasan waar hij van droomt.
Hier gaat het ook weer om herinneringen, maar je krijgt een heel ander deel van zijn leven te horen als in de andere gedichten. Wel komt Tineke er ook weer in voor, zij was niet in het kamp, en duidelijk is dat hij zowel toen als nu van haar houdt.

Kruimels in bed

Als zij hem op zou willen eten, dan zou hij daar geen problemen mee hebben. Hij zou het bloed uit zich persen, de spieren van zijn botten losmaken, en een lekker smeuïg hapje van de rest van zijn lichaam maken, want ze houdt eigenlijk niet zo van vlees. Dat vindt hij wel weer jammer.
Ik heb vreselijk moeten lachen om dit gedicht. Het is echt een hele ranzige beschrijving van zijn ontbinding, en dan eindigt het met de woorden: ‘want je houdt min of meer helaas eigenlijk niet zo van vlees. He?’ Dat was wel een weer droge opmerking.
Het verband met de vorige gedichten is even zoek. Wel zou je kunnen zeggen dat hij alles voor zijn geliefde over heeft, en ook dit zou hij met plezier voor haar doen.

Analyse
*Eindrijm: De eerste en de laatste strofe hebben omarmend rijm (abba), alle andere gekruist rijm. De laatste strofe klopt ook niet helemaal, want er komt nog ‘He?’ na het laatste rijmwoord. Dit is wel goed, want anders was dit ‘He?’ ook niet meer onverwacht. Er is zowel staand als slepend rijm.
*alliteraties: -lieve lippen (1e strofe, r 1)
-lekker laten (1e strofe, r 4), lediging laten ontlokken (2e strofe, r 1), laatste (2e strofe, r 2)
-verwelk (5e strofe, r 5), verdun (5e strofe, r 6), vlies (5e strofe, r 7), vetgele (5e strofe, r 8)
*assonanties: -stroom, chocola (5e strofe, r 4)
-gekookte (5e strofe, r 7), room (5e strofe, r 8)
-wil ik willoos (3e strofe, r 1)
*metrum: onregelmatig
*opbouw: zes strofes, waarvan de eerste vier en de laatste, vier regels hebben. De vijfde strofe heeft tien regels.
*beeldspraak: metafoor: ‘het vlies van gekookte melk’ (5e strofe, r 7). Dit stelt een witte, loslatende huid voor. ’Keurig staafje beschuit’ (5e strofe, r 10). Dit zijn zijn brosse ribben. ‘Vietnamees wordstwerk vol pindakaas’ (6e strofe, r 2). Dit zijn zijn darmen.
*stijlfiguren: eufemisme ‘terwijl ik voor je verwelk’ (5e strofe, r 7)
understatement: ‘mij lekker laten ontglippen’ (1e strofe, r 4).
Het gedicht is een tussenvorm van traditioneel en vrij. Er zit nog wel een struktuur in, maar het heeft geen vast metrum. Het heeft weer wel een vrij regelmatig rijmschema.

kleine landschappen

Dit gedicht bestaat uit vijftien losse gedichten. Er is één inleiding, en de rest is genummerd van I tot XIV.

Inleiding
De inhoud is onduidelijk. Het enige dat je te weten komt is dat er een dramatische verandering is geweest. Er komt iets gevoeligs en teder voor de eerste wereld in de plaats.

I
Er lopen kinderen rond, maar het vel hangt in flarden los aan hun lichaam. Ze hebben veel pijn en begrijpen niet wat er gebeurd. De beelden van het grind waar ze op lopen wordt in hun geheugen gegrift.

II
Ook de inhoud van dit gedicht is onduidelijk. Er worden ballonnen beschreven. Het zijn de laatste, en ze zijn volmaakt. Ze weerspiegelen het licht van de zon, en de zon is ook het enige (huilende) oog dat naar ze kijkt.

III
In de bewoonde wereld halen ze herinneringen op aan de tijd dat daar nog wel leven was.

IV
Hier valt geen touw aan vast te knopen. Ik denk dat er een waas hangt over de wereld. Daar onder is het gras, daar boven de wolken. Het gras wuift in de zon. Als alles stil is merk je pas echt dat het gras wuift, want daarvoor was te veel chaos om het op te merken.

V
De wereld is vergaan, en de stad waar naar gekeken wordt staat onder water. De spullen zijn er nog, maar er is niemand meer over om het te beseffen. Alles over het lijden is opgeschreven, maar van het leven zelf is niks meer over.

VI
Er is een kernramp geweest. Iedereen verschuilt zich achter lood, want daar komt geen straling door. De ramen zijn bedekt met platen die taferelen laten zien van vroeger. Op de beneden verdieping zag je een gezinnetje lezen, op de bovenverdieping een paar die zit te vrijen. Maar binnen denkt iedereen constant aan de dood. Na dit gedicht begrijp je de vorige ook beter. Je wist al dat er iets was gebeurd, en dat veel mensen dood waren, maar nu weet je ook waarom.

VII
Hij denkt aan vroeger. In die tijd was het goed, en wou hij niet dromen. Dat zal denk ik geweest zijn omdat zijn dromen minder mooi waren dan de werkelijkheid. Een andere mogelijkheid is dat hij in de slechte periode niet meer wou denken aan de mooie tijd. Hij beschrijft in ieder geval de natuur, met veel kleuren, bloemen en dieren.

VIII
De bom is ontploft. Zijn vernietigende werking raast de hele wereld over. Hij komt de oceaan tegen, steekt deze over, en gaat aan land weer verder met verwoesten. Dorpen staan in brand, en daar middenin verbranden ook de kinderen en de gewassen. De ontploffing is langsgekomen, alles is nu zwart en de lucht kolkt van hitte.
Als je nu weer het gedicht I leest begrijp je waarom de huid van de kinderen los aan hun lichaam hing.

IX
Mensen die zich in hadden laten vriezen worden verstoord. De ik-persoon kijkt naar hen. Ze beseffen dat ze dood zijn en ze vermengen zich met de andere doden, ze gaan elkaar troosten of liefhebben. Ook de Ik-persoon is niet meer levend, maar alleen een gedachte.

X
Het speelt zich denk ik af na de ramp. Alles is weer rustig geworden. De enkeling
die echt wat wilde zeggen werd niet gehoord, en de rest hield zich min of meer bezig met niets. Sommigen daarvan wilde weer lichamen maken. De mensen over wie gesproken wordt, zullen dus ook niet veel meer dan geesten zijn. De grote groep vond het alleen nog wel interessant als er iemand dood ging. Niemand beseft wat er werkelijk gebeurde. Voor mij is niet duidelijk wat er welke kant bedoeld wordt in de laatste strofe.

XI
Enkele mensen zijn gewond, maar hebben het overleefd. Maar er is niks meer om voor te leven. Er is geen doel, droom of moederschap meer.

XII
Het is tijdens of na de ramp. De helft van de straat is weggevaagd door de explosie. Een meisje en een jongen verlaten het. Wat er met ‘rugzakken als longen voor het luchtledige bestemd’ bedoeld wordt weet ik niet.

XIII
De schrijver had een visioen of een droom, waarin hij oud is. Vroeger had hij nog dromen, dus nog een toekomst, nu niet meer. Zijn oude ‘ik’ begint te huilen als hij naar zichzelf kijkt.

XIV
De aarde wordt weer rustig. De geigercounters begonnen te zwijgen, dus er was geen straling meer. Er rees de vraag of Iets hun had vergeven voor de grote dood. Twaalfduizend jaar is er verstreken sinds het vergaan van de wereld, maar voor de gestorven mensen lijkt dit maar een halve seconde. En ze beseften dat de liefde nog steeds bestond. Ze vroegen om een nieuwe wereld. De aarde begon te bewegen, het regende en de er kwam een nieuw paradijs.

‘Kleine landschappen’ is waarschijnlijk een visioen. De schrijver kan namelijk de wereld beschrijven terwijl hij is vergaan. Er is een ongelovelijk grote kernbom ontploft. De aarde staat in brand, en iedereen komt meteen, of na een tijdje om. Er is veel pijn. De geesten beginnen te dwalen, ze zoeken steun bij elkaar. Ook de schrijver leeft niet meer. De steden zijn er nog en in de kranten kun je lezen wat er is gebeurd. Maar er is geen teken van leven te bekennen, van alle vrolijkheid is niks merkbaars achtergebleven. Na twaalfduizend jaar is de aarde weer tot rust gekeerd. De geesten beseffen dat er nog liefde bestaat, en ze vragen aan de aarde om nieuw leven te maken. En dat komt er.
Pas na een aantal gedichten heb je door wat er gebeurd. Dan moet je de vorige weer opnieuw lezen, omdat je ze dan wel een beetje begrijpt. Het is vreemd dat het gedicht ‘kleine landschappen’ heet. Er worden geen landschappen in beschreven, maar meer een situatie. En klein zijn ze ook niet.
Het verband met de vorige gedichten is even zoek. Vroman heeft het nog niet eerder over de dood gehad en bovendien komt in bijna al zijn gedichten Tineke voor, maar hier niet. Bovendien zijn de gedichten een beschrijving en praat hij weinig over zichzelf. Ook heeft hij het vaak over ‘wij’. ‘Wij’ zijn de mensen die dood zijn gegaan.

Halftalig

Hij zit te denken over de betekenis van zijn moederstaal. Hij praat Engels met een Nederlands accent. Hij denkt nog steeds in het Nederlands. Hij krijgt steeds schunnige klanken in zijn hoofd, die hij vroeger niet mocht zeggen. Nu kan hij ze voluit in zijn gedichten zetten.
Het is logisch dat hij over zijn moederstaal nadenkt, want hij woont nu immers in Amerika en is in Nederland opgevoed.

Analyse:
*Eindrijm: de strofes van vier regels hebben omarmend rijm (behalve de laatste), de strofes van twee regels rijmen ook, de strofe van zes regels heeft eerst gekruist rijm en dan gepaard rijm. De laatste twee strofes horen drie regels te hebben, die op elkaar rijmen. Dit is ook zo, behalve dat de laatste strofe een vierde regel heeft die op de tweede regel rijmt.
*alliteraties: -gezond, gezegd (str 6, r 6), gezegdes (str 7, r 1), gezeten (str 7, r 2)
-groenig (str 3, r 2), goudse (str 3, r 3)
-kerkelijker (str 5, r 4), verkapte (str 6, r 1), klanken (str 6, r 2)
*assonanties: -verkapte (str 6, r 1), klanken (str 6, r 2), ginnegapten (str 6, r 3)
-hollands rond (str 6, r 5), gezond (str 6, r 6), onbelicht (str 7, r 1)
-moederstaal (str 8, r 1)strakgebroekte (str 8, r 2) praatstoel (str 8, r 3)
*metrum: jambe. Enkele uitzonderingen zijn: ‘lief lief kussen houd mij heet’ (str 9, r 4)
‘mogen nu heel gezond gezegd’ (str 6, r 6)
*opbouw: dit gedicht is opgebouwd uit strofes van 2, 3, 4 en 6 regels.
*beeldspraak: vergelijking zonder als: ‘ik praat engels met een groenig waas van bejaarde goudse kaas’ (str 3, r 1 en 2)
metafoor: ‘in een mondhoek staat nog steeds het kerkelijker woord’ (str 4, r 1-3)
metafoor: ‘gezegdes warm en platgezeten’ (str 7, r 1 en 2)
*stijlfiguren: repetitio: lief lief (str 8, r 4)
antithese: ‘mijn tong baadt zich – of baadt zich niet’ (str 2, r 2)
*Dit is een redelijk traditioneel gedicht, omdat het een vrij regelmatig rijmschema heeft, en weinig vreemd afgekapte zinnen bevat.

Niet verder terug

Hij heeft het idee dat hij al eeuwig leeft en ook nog eeuwen zal blijven leven. De tijd staat stil. Maar tegelijkertijd voelt het alsof hij zijn geliefde nog maar net kent, de tijd ging zo vlug. Vooral dat moment dat hij voor de eerste keer in haar ogen keek. Hij voelt zicht dichter bij haar dan ooit. ‘En daarvan stijg ik dan toch weer naar jou maar nog dezelfde dag zink ik weer in je terug.’ Dit is een beetje vage zin. Hij vergelijkt het met een citroenpit in sodawater. De pit stijgt en zakt, maar ondertussen zit hij wel altijd in de soda. Ik denk dat hij bedoeld dat hij haar altijd voelt. Het kan daarbij ook op het tijdsgevoel slaan. Eerst gaat hij langzaam, vervolgens weer snel. Maar de tijd blijft wel hetzelfde.
Uit de voorgaande gedichten kon je al afleiden dat hij zeer veel van zijn vrouw houdt, en ook hier wordt dat weer bevestigd.

Analyse
*Eindrijm: de 1e, 2e en 4e strofe hebben gekruist rijm, de 3e en de 5e strofe hebben omarmend rijm. De 7e rijmt op de 6e (dus abc, abc). De 8e heeft geen vast rijmschema, maar het rijmt wel. Er is zowel staand als slepend rijm.
*alliteraties: zijdelingse, zwaartekracht (2e strofe, r 3)
branding, binnen, bruist (2e strofe, r 4), bed (3e strofe, r 1)
schijnt, stil, staan (4e strofe, r 1)
*assonanties: tijd, schijnt (4e strofe, r 1)
daarin, bestaan (4e strofe, r 3)
dicht, dichterbij (5e strofe, r 2), krimpt, binnen (5e strofe, r 3)
*metrum: voornamelijk jambe, maar ook een aantal regels trochee. Verder zijn er uitzonderingen, zoals ‘op een ontwapend strand afzet’ (3e strofe, r 4): _ ^ ^_^_^_
en de laatste zin: ‘(belletje kwijt) weer zakt’ _ ^ ^_^ _
*opbouw: eerst vijf strofes van vier regels, dan twee van drie, en de laatste strofe heeft zes regels.
*beeldspraak: vergelijking zonder als: ‘de tijd - een zee die zich niet meer ververst’ (4e strofe, r 1 en 2)
vergelijking zonder als: een andere tijd – een zijdelingse zwaartekracht (2e strofe, r 2 en 3)
personificatie: onze tijd een ander kruist (2e strofe, r 2)
*stijlfiguren: dysfemisme: vergaan (1e strofe, r 3)
paradox: ‘En daarvan stijg ik dan toch weer naar jou maar nog dezelfde dag zink ik weer in je terug.’ (7e strofe)
*Ook dit gedicht is half traditioneel half vrij. Hij is ongeveer hetzelfde opgebouwd als de vorige gedichten.

William Turks

De dichter, misschien zijn vrouw en Peggy liepen vroeger soms door een stille straat, en kochten bagels bij Avenue X Bagels. Op midzomernacht liep daar William Turks, een neger, met een paar vrienden. Een groepje blanke jongens scholden hem uit. De zwarten vluchtten de auto in, maar William werd er weer uitgesleurd. Ze sloegen hem, en misschien dat William zich afvroeg hoelang alles nog zou duren. Ze slaan hem dood. De dichter vraagt zich af of je tijdens het sterven in de eeuwigheid terecht komt. Blijven de gedachten die je dan hebt eeuwig hangen? Hij wil dat William aan watervallen dacht in plaats van aan het geruis van het riool waar hij op stierf. Hopelijk was alles niet meer zo erg toen het slaan was gestopt.
Dit speelt zich af in Amerika, wat je kunt afleiden uit Avenue X Bagels en het blank/zwart probleem. Vroman heeft het over vroeger, dus hij woont al aardig lang in Amerika. Voor het eerst heeft hij het over een andere vrouw, namelijk Peggy. Dit zal toch niet zijn vriendin zijn geweest, want hij schrijft: ‘Peggy woonde vlak bij ons’. Ons zullen hij en Tineke wel zijn. Net als in het vorige gedicht denkt hij na over de betekenis van tijd.

Analyse:
*Eindrijm: De eerste 8 strofes bevatten niet of nauwelijks eindrijm. Vanaf dan is er gepaard, omarmend, gekruist en gebroken rijm. Er zit dus geen systeem in.
*alliteraties: -werden, evenwel (5e strofe, r 1) weggeschreeuwd (5e strofe, r 2), witte, witte (5e strofe, r 3)
-klap (11e strofe, r 1) kwaad (11e strofe, r 2), kleine diezelstenen (11e strofe, r 3)
-steniging (20e strofe, r 2), stemmen, stenen (20e strofe, r 3)
*assonanties: -opgevonkte (12e strofe, r 2), onbezeerd (12e strofe, r 3), duistervolle (12e strofe, r 4), op, zonnig (12e strofe, r 5), Wordt (13e strofe, r 1)
-in, witte (1e strofe, r 5), in, winkeltje (2e strofe, r 1), dicht (2e strofe r 2), wit (2e strofe, r 3)
-waterval (18e strofe, r 2), lange vakantie dacht (18e strofe, r 3)
*metrum: Af en toe kom je wel een aantal regels achter elkaar tegen in jambe of
*trochee, maar er zit geen regelmaat in. In de eerste strofes is er helemaal geen metrum.
*opbouw: niet regelmatig
*beeldspraak: personificatie: ‘een eensklaps dood geheel tracht (…) te vertellen’ (15e strofe, r 2 en 3)
personificatie: ‘de tijd … sterft’ (10e strofe, r 2)
metafoor: ‘witte horde’ (9e strofe, r 2)
*stijlfiguren: repetitio: witte witte (5e strofe, r 3)
repetitio: William William (7e strofe, r 4)
Dit is een vrij gedicht. Er is geen regelmatige opbouw, het heeft geen regelmatig rijmschema, en er is ook geen vast metrum.

Het bovenaardse der seringen

Planten verdringen elkaar onder de grond met hun wortels en boven de grond met hun bloemen. Maar gaat het ons beter af? Wij willen alleen maar nieuwtjes horen, maar interesseren ons niet werkelijk voor anderen. ‘We moeten onze ogen sluiten om te kijken naar het weer’. Kortom, je sluit je ogen voor wat werkelijk belangrijk is en gaat over het weer zitten praten. Dit vind ik een erg mooie zin. Het is beter om dankbaar te zijn voor het leven, en te hopen dat het leven nog even door mag gaan. Want hoe klein is het leven vergeleken met de dood?
Vroman begint steeds vaker over de dood en de eeuwigheid te praten.

Analyse:
*Eindrijm: de strofes 1, 3, en 4 hebben gekruist rijm, 2 en 5t/m11 omarmend rijm. Strofe 12 heeft een afwijkend rijmschema: abacbc.
*alliteraties: -geslachtelijk gekrijs (2e strofe, r 1)
-ongezonde (7e strofe, r 1), Zoek (7e strofe, r 2), zuip, zoen (7e strofe, r 3), smaak (7e strofe, r 4), zitten (8e strofe, r 1)
-hoofdverstand, handgebied (9e strofe, r 2)
*assonanties: -vormen korsten op (str 6, r 2
-zo, groot (str 9, r 1), schoot (str 9, r 2)
-onze wortels opgevouwen (str 3, r 2)
*metrum: het metrum is jambe. Er zijn wel veel uitzonderingen, maar minder dan in de gedichten hiervoor besproken. Neem bijvoorbeeld de vijfde strofe, dan zijn de regels 2, 5, 7 en 8 jambe, 3 en 6 trochee en 1 en 4 afwijkend.
*opbouw: het gedicht bestaat uit 12 strofes van vier regels, met als uitzondering strofe 5 (8 regels), 10 (5 regels) en 12 (6 regels)
*beeldspraak: personificatie: ‘Het geslachtelijk gekrijs van bloemen’ (str 2, r 1 en 2)
vergelijking zonder als: ‘wij zijn uiteindelijke reuzen’ (str 10, r 1)
metafoor: ‘onze wortels opgevouwen en veilig in die schedelpan’ (str 3, r 2 en 3)
*stijlfiguren: paradox: ‘we moeten onze ogen sluiten om te kijken naar het weer’ (str 6, r 3 en 4)
paradox: ‘Leerden wij harde feiten jokken’ (str 7, r 1)
*dit is ook weer een combinatie tussen een vrij en een traditioneel gedicht. Hij heeft niet de opbouw van een een sonnet, maar wel een vast rijmschema, en ook een vast metrum.

Bar Harbor, Maine

De dichter is met een aantal mensen op het eiland Bar Harbor in Main (VS). Daar beklimmen zij de berg (of vulkaan) Champlain. Als ze boven zijn staat er een meeuw ontzettend hard te schreeuwen, te klagen: ‘o mijn god mijn prachtige land laat het toch niet toch niet hiermee nog niet gebeuren’. Dit zal wel op de mensen slaan, dat ze hier nog niet de natuur mogen verwoesten. Maar in ieder geval, die mensen staan daar dus, ‘s nachts is er noorderlicht en er lopen mensen hen te zoeken. Maar ze worden niet gevonden. Wat er in de laatste zin met ‘brandende kinderen’ bedoeld wordt weet ik niet.

Eenvoudige berekening

Tineke gaat eerder het huis uit dan de dichter, en dan zwaaien ze naar elkaar door het raam. Hoe kleiner ze wordt, hoe meer hij van haar houdt. En dat gebeurd elke morgen en het wordt steeds erger. Hij kan er daarom wel een grafiek van maken, met op de x-as het aantal uren dat ze zijn getrouwd, en op de y-as hoeveel hij van haar houdt. Hij geeft de formule hiervan.
Vromans liefde voor Tineke kom je in de hele bundel tegen. Dit heeft ook verband met het eerste gedicht, Avondgymnastiek. Daar wacht hij ongeduldig tot zij weer thuiskomt. Hij is dichter, dus hij zit de hele dag alleen thuis als zij naar haar werk gaat.

Analyse:
*Eindrijm: Er is veel eindrijm, maar alle vormen hiervan worden door elkaar gebruikt. Het is voornamelijk staand rijm. De laatste ‘strofe’, de formule, bevat geen rijm.
*alliteraties: -verschrikkelijk verkikkerd (str 3, r 1)
-wuif (str 1, r 2), wittere (str 1, r 3), wuift (str 1, r 4)
-huis (str 1, r 1), hoekraam (str 1, r 2), haar (str 1, r 3)
*assonanties: -ik verschrikkelijk verkikkerd (str 3, r 1), waarin (str 3, r 2)
-ochtend wordt, bovenopgebouwd (str 4, r 2)
-huis (str 1, r 1), wuif (str 1, r 2), kruin (str 1, r 3) wuift (str 1, r 4), schuin (str 1, r 5)
*metrum: hier en daar zijn gedeelten jambe, maar het grootste gedeelte heeft geen vast metrum. De formule op het eind heeft ook geen metrum.
*opbouw: deze is niet regelmatig
*beeldspraak: metafoor: ‘een grafiek’ (str 4, r 3)
‘ze krimpt van de ochtendperspectief’ (str 2, r 1) (ik weet niet waar dat onder valt).
*stijlfiguren: paradox: ‘tot ik verschrikkelijk verkikkerd ben op een een punt waarin ik niets herken’ (str 3)
*Dit is een vrij gedicht. Er zit geen vaste opbouw in, en de formule op het laatst is niet eens leesbaar.

Lieve aarde

De dichter houdt van de aarde, die hij Diane noemt. Hij vergelijkt deze met een negerin. Hij vindt het jammer dat zoveel mensen de kleine wonderen op deze aarde niet meer zien, maar alleen naar zichzelf kijken. Hij stelt Diana gerust, hij wil niets van haar maar voelt zich gewoon bij haar op zijn gemak. De laatste regel ‘(behalve dan van top tot teen)’ is ook hier weer onduidelijk. Misschien betekent het dat hij zich wel fijn voelt op de aarde, maar niet als hij er helemaal in ligt, dus dood is.
Dit gedicht is te vergelijken met ‘het bovenaardse der seringen’. Daar vind Vroman immers ook dat de mensen alleen maar aan zichzelf denken. Alleen vindt hij in dat gedicht dat de mensen meer om anderen moeten geven, en hier vindt hij dat de mensen zich moeten verbazen over de wonderen van de aarde.

Laat dag

Het is weer herfst, volgens de dichter is dit alweer veel te snel en veel te ruig. Doet de herfst dit om hem iets te leren? Tegenwoordig kijkt de dichter met wellust naar het sterven van de bladeren. Wat goed is (rimpels waar hij net mee lachte) kan zo maar omslaan naar het slechte (rimpels van verdriet). Is dat wat hij moest leren?
Het gedicht eindigt wel grappig. Hij vraagt of dat is wat hij moest leren, zodat de herfst zijn zin heeft en ze dus nu weer terug kunnen naar de zomer. Zo komt het in ieder geval op mij over.
Dit is het eerste gedicht waar Vroman negatief is over de natuur.

Moiré

Er wordt een nacht beschreven met volle maan. In de kamer is de schaduw van de jaloezieën op de muur te zien. Je kunt er zebra’s in herkennen. Buiten is de bewegelijke schaduw van de varens. De dieren en de wieren in de zee hebben een parelmoeren glans. Steeds worden figuren geschapen, vervormd en gaan ze weer verloren. Ze staan nooit stil. De wind waait over het strand, en zingt. Dan komt de zon weer op. Ook wij zijn zo bewegelijk als het licht van de maan die in het water breekt. Nog bewegelijker dan dat, ‘door een vlucht van snijpunten getekend’ Moraal van dit verhaal: wij zijn er maar even, en in we staan nooit stil, maar veranderen constant.
Vroman beschrijft wel vaker landschappen, maar altijd komt er op het eind een gedachte. Hij beschrijft de natuur om het leven mee te vergelijken, zoals ook in ‘laat dag’, ‘lieve aarde’ en ‘het bovenaardse der seringen’.

Analyse:
*Eindrijm: het meeste rijmt wel, maar er zit geen regelmaat of systeem in.
*alliteraties: -weerspiegelende wieren (str 3, r 3), wuiven, wiegelen (str 3, r 4)
-vliegen, vergaan (str 3, r 6)
-vaag (str 6, r 1), vlammen (str 6, r 2), vlucht (str 6, r 3), vervliegen (str 6, r 4)
*asonanties: -bestaande, raken (str 3, r 5) vergaan gemaande draken (str 3, r 6+7), verwaaien (str 4, r 1)
-zandbank (str 4, r 1), nachtgezangen (str 4, r 2), klanken, langzaamaan, lange (str 4, r 3)
-parelmoer (str 5, r 6), waaiers waar, water slaan (str 5, r 7), opalen baren (str 5, r 8), paren (str 5, r 9), overgaan (str 5, r 10)
*metrum: geen vast metrum
*opbouw: onregelmatig
*beeldspraak: metafoor: ‘zebra’s’ (str 1, r 2)
personificatie: ‘spartelen de ruisende veren’ (str 2, r 1)
vergelijking zonder als: ‘parelmoer geschubde dieren’ (str 2, r 2)
*stijlfiguren: tautologie: wuiven en wiegelen (str 3, r 4)
hyperbool: die vervliegen sneller dan het licht (str 6, r 4)
*Dit is een vrij gedicht. Net als bij de meeste andere gedichten klopt de zinsopbouw
vaak niet, is de rijm onregelmatig en zit er geen metrum in.

De schildpad en zijn schaduw

De naakte schildpad vraagt aan zijn schaduw wat die wil. Hij krijgt geen antwoord en de schildpad begint te zweten. Dit vormt een pantser. Elke dag wordt ook de schaduw groter en zweet hij meer. Na 200 jaar is er een schild gevormd en spring de schildpad uit elkaar. Het schild blijft over. Moraal: wie gaat het eerst ten onder in een onder die niet bestaat:
In veel oorlogen kom je dit principe tegen. Jij bouwt wapens, en de vijand doet dat ook. Dus moet je zelf weer meer wapens maken, waarop de vijand dat ook doet enz. Uiteindelijk ben je hier tot je dood mee bezig, zonder dat er een reden was voor de oorlog.
Dit verhaal kan ook op de maatschappij slaan. Je kunt bezwijken onder je angst, terwijl er niks is om bang voor te zijn. Vroman heeft het immers niet zo op mensen die niet zien waar het echt om gaat in het leven.

Als ik ooit

Dit gedicht is haast niet te volgen. Als je alle onduidelijkheden schrapt, blijft er over: ‘raak mij aan, raak mij aan’. Hij wil zich verstrengelen met zijn geliefde. Uit de laatste strofe zou ju kunnen halen dat de zaken die mensen bezig houden (het vermoorde meisje) hem niet raken, maar onopvallende bijzonderheden wel (het geruis van de radio). Deze verklaring zou ook in overeenstemming zijn met vorige gedichten.

Over de hele bundel:
Allereerst wil ik zeggen dat ik het een hele mooie bundel vind. Bij de vorige gedichtenopdrachten kwam ik weinig leuke gedichten tegen, en ik zou hiervoor ook nooit spontaan poëzie lezen. Toch besloot ik om een bundel te kiezen, voornamelijk omdat je je dan wat meer in een dichter kunt verdiepen, en zo verbanden kunt ontdekken tussen zijn gedichten. Dit bleek inderdaad veel leuker te zijn dan allemaal losse gedichten. Leo Vroman kende ik nog niet, maar ik ben blij dat ik voor hem gekozen heb. In de toekomst wil ik nog wel meer gedichtenbundels van hem lezen.
Leo Vroman schrijft heel afwisselend. Sommige zijn makkelijk te volgen en erg grappig, zoals ‘kruimels in bed’ en ‘de schildpad en zijn schaduw’, anderen zijn heel ingewikkeld, zoals ‘als ik ooit’. Maar ook in de moeilijke gedichten kun je wel enige betekenis ontdekken, omdat in gedichten daarvoor of daarna net zoiets naar voren kwam.
De thema’s die aan bod zijn gekomen, zijn Vromans enige liefde Tineke, de dood, Amerika/Nederland, de natuur en wat belangrijk is in het leven. Er lijkt geen ontwikkeling te zijn in het boek, de gedichten hadden net zo goed in een andere volgorde kunnen staan. In de meeste gedichten is eindrijm en een onregelmatig metrum.
De gedichten zijn autobiografisch. Leo Vroman is opgegroeid in Nederland, heeft gestudeerd in Utrecht en woonde later in Amerika. Hij heeft ook in een japans kamp gezeten. Met Tineke is hij in 1947 getrouwd. Peggy, waarvan ik dacht dat ze een vriendin van Leo en Tineke was, blijkt hun dochter te zijn.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het dan weten door een reactie te geven.