ff n studiebreak

Experiment: geen Twitter, mail en Whatsapp meer voor Nina. Wel faxen, brieven in enveloppen en ouderwetsch bellen.

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

Geschreven door:

Minke Langenhof (6 vwo) [meer]

Datum ingestuurd:

30 januari 2003

Taal:

Woorden:

6.650

Bekeken:

4825 keer (16 deze maand)

Waardering:

3.5/5 (41 stemmen)

Deel op:

  • Door Yury op 21-02-2003
    Heel erg bedankt voor het insturen van jou Leesverslag, ik doe dit jaar 5HAVO en ik zit momenteel met het probleem dat ik mijn Leesdossier af moet maken binnen anderhalve week omdat ik door ziekte en omstandigheden en nog niet eerder aan toegekomen was Wij gebruiken beide hetzelfde Nederlands boek,... lees meer

1: Zakelijke gegevens
auteur: Louis Paul Boon
titel: Wapenbroeders – een getrouwe bewerking der aloude boeken over reinaert en isengrimus
Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam,
3e druk 1975 (1e druk 1955).
Blz. 551-730 in een verzamelbundel, dus 179 blz.
opdracht: “Voor Gaston Burssens”
motto: Hem vernoide soo haerde
Dat die aventure van reinaerde
In dietsche was onvulmaket bleven…

Willem, die madocke makede
eerste zin: “Dit is van den vos reinaerde en den wolf isengrimus, die tot ons komen al uit de donkere en beboste tijd
van de middeleeuwen, waarin de graafschappen woest en uitgestrekt waren, en de kathedralen met hun stenen
kantwerk en hun spuigaten naar de hemel gingen reiken, waarin de kasteelheren katholiek waren – gelijk zij nu
nog steeds katholiek zijn, of iets anders, of iets heel tegenovergesteld maar toch altijd nog altijd hetzelfde – en zij
van hun roof-kruisvaarten terugkeerden, gedoopt zijnde ter heilige mis togen en ten onzenheren gingen – gelijk zij
nu nog steeds ter onzenheren gaan, of tot marx of tot hitler of tot de kloten van de hond – maar ongestraft de
hofstedekens konden platbranden, ‘op de koe en de spaarzame centjes neerstrijkend gelijk gieren, en op de
vrouwen zich werpend gelijk dolle stieren.’
laatste zin: “Want als reinaert niet langer reinaert meer gaat zijn, doch nobel worden moet, dan zou dit alles nog
nuttelozer zijn dan het reeds is.”
verdeeld in:
Het begin (blz. 555-560) – 2 hoofdstukken
Boek 1 (blz. 561-584) – 8 hoofdstukken
Boek 2 (blz. 585-610) – 10 hoofdstukken
Boek 3 (blz. 611-646) – 14 hoofdstukken
Boek 4 (blz. 647-686) – 14 hoofdstukken
Boek 5 (blz. 687-718) – 10 hoofdstukken
Slot (blz. 719-730) – 4 hoofdstukken
plaatjes: geen
genre: roman

2: Eerste reactie

Moet dat nou, die vreselijk lange eerste zin? Geen wonder dat hiervan geen boekverslagen te vinden zijn! Bij nader inzien vond ik deze zin toch eigenlijk prachtig. Ik zal er later nog eens uitgebreid naar kijken. Ik had verwacht dat het verhaal meer op ‘Van den vos Reynaerde’ zou lijken, maar ‘Wapenbroeders’ heeft een heel andere volgorde dan de Reinaert, en sommige gebeurtenissen zijn strijdig met elkaar. Toch denk ik dat je de helft van het boek mist als je niet de Reinaert gelezen hebt. Misschien had ik ook de ‘Isengrimus’ en ‘Le roman de Renard’ moeten lezen, maar dat was me iets te veel werk. De eerste paar bladzijden heb ik veel gelachen om de grappige manier van schrijven van Boontje. Later, toen ik aan zijn schrijfstijl gewend was, werd dat wat minder.

inhoud:
Boontje heeft de boeken ‘Isengrimus’ van Nivardus, ‘Le roman de Renart’ van Pierre de st. Cloud en ‘Van den vos Reynaerde’ van Willem die Madocke maakte samengenomen en met behulp van dezen het verhaal van Reinaert de vos en Isengrimus de wolf herverteld. Reinaert pest de wolf, die er door zijn dommigheid steeds weer slecht van af komt, haalt streken uit, maar moet ten slotte zelf ook vluchten.

3: verdieping
Samenvatting:


Begin: Introductie van het boek, de bronnen en de Middeleeuwen.

Boek 1: Reinaert de vos, Isengrimus de wolf en Nobel de leeuwenkoning gaan op jacht, maar zoals het een echte koning betaamt laat Nobel Reinaert de koe voor hem vangen. Dan vraagt hij Isengrimus het beest (inmiddels een stier, een vaars en een lam geworden) te verdelen, maar deze eigent zichzelf het kalf toe, waarop Nobel hem een dreun geeft en Reinaert wijselijk besluit de koning alles te doen toekomen. Daarop sticht Reinaert de republiek der Vrijen en spreekt met Isengrimus af voortaan alles te zullen delen, maar de wolf heeft daar een ander idee van en gaat er met het stuk varkensvlees vandoor dat Reinaert bemachtigd heeft. Vervolgens maakt hij eenzelfde afspraak met de kater Tibeert, maar ook deze gaat er door bedrog vandoor met het stuk worst dat Reinaert te pakken kreeg. Hongerig doet de vos dan een poging vader Frobert de krekel of dan in ieder geval zijn psalmenboek te verschalken, maar ook dit mislukt.

Boek 2: Hermeline legt Reinaert’s droom over gelijkheid en broederschap heel anders uit en raadt hem aan andere aanpak aan: ja zeggen en nee doen, met het ene oog meehuilen en met het andere uitlachen. Reinaert neemt deze raad aan en brengt haar van dan af aan ook in praktijk, met als gevolg dat hij nu geen honger meer heeft, en veel lacht.
Eerst doet hij alsof hij dood ligt, en vreet vervolgens de kraai die aan zijn lijk wil pikken op. Dan jat hij het stuk varkensvlees terug dat Isengrimus van hem gestolen heeft, om daarna voor dood op de weg te gaan liggen en door visverkopers op een kar met paling gegooid wordt, die hij prompt leegrooft. Als Isengrimus hem dat wil nadoen meppen de visverkopers, ook niet achterlijk, hem in elkaar. Hongerig komt de wolf bij zijn neef bedelen om voer, maar Reinaert maakt hem wijs dat hij dan toch eerst Broeder moet zijn gewijd en brandt hem met kokend water een monnikskruin op het hoofd. Dan laat hij zijn oom in een wak in het ijs vissen vangen, en wel met zijn staart, die prompt vastvriest. Reinaert belooft hulp te halen, maar komt pas terug als een menigte hem op de hielen zit, die bij gebrek aan vos dan maar op de wolf inslaan en hem zijn vastgevroren staart afhakken. Tenslotte leidt de vos hem naar een wei om een geschil tussen rammen te beslechten, maar de domme wolf raakt tussen hen beklemd en wordt geramd.

Boek 3: Sommige dieren gaan op bedevaart om voor beterschap voor de altijd zieke Nobel te bidden, en Reinaert en Isengrimus slaan hen gade en verdelen vast de buit. Isengrimus is echter te voorbarig en wordt door de pelgrims ontdekt en hun hut uitgejaagd, waar hij nog vast kwam te zitten tussen deur en belagers. Door het kabaal van zijn oom mist ook Reinaert zijn prooi, een haan. Tegenover een oude mus roept Reinaert alweer zijn republiek uit, maar vlucht voor de honden van de pape met de woorden dat dan wel de republiek uitgeroepen is, maar dat de honden haar nog niet ondertekend hebben. Door jicht voor te wenden ende ermee onder een boom te gaan liggen neemt hij de welbekende raaf met kaas beet, en door schokkend nieuws te vertellen bemachtigt hij de kaas. De raaf ontsnapt hem evenwel. Dan kondigt Reinaert de godsvrede af in bijzijn van een stel kippen en doet alsof hij een onschuldige pelgrim geworden is, maar grijpt vervolgens de onbezorgde kippen, wat leidt dat de dood van o.a. Coppe, de dochter van Canteclaer. Ook lokt Reinaert zijn oom Isengrimus nog mee naar de kelder van de pape om zich vol te vreten, maar de wolf is door het eten zo dik geworden dat hij er niet meer uit komt, en hem wordt tot overmaat van ramp door een stel aanstormende boeren ook nog eens een oog uitgegooid. Als Isengrimus in een klooster de idioot begint uit te hangen door een teveel aan miswijn laat Reinaert hem alleen, maar als de vos in een put geraakt roept hij de hulp van zijn oom in om hem eruit te halen, waarbij hij natuurlijk daarop zijn oom er vrolijk in laat zitten. Deze wordt er later door de paters weer uitgevist en monnik gemaakt. Ook dan gedraagt hij zich echter nog als een idioot en wordt er spoedig uitgetrapt. Terwijl de verminkte Isengrimus de monnik uithangt gaat Reinaert vreemd met zijn vrouw Hersinde, die het verhaal spontaan verdraait en aan haar echtgenoot vertelt.

Boek 4: Isengrimus, woedend dat Reinaert hem bedrogen heeft met zijn wijf, gaat naar het hof van Nobel en eist dat iedereen bijeen geroepen wordt om de valse vos aan te klagen. Nobel, raadgevers en vooral vrouw Nobeline houden vast een geheim beraad waarin ze alles besluiten, en treden dan in het openbaar om aan democratie te gaan doen. De stier, uit op geweld, betoogt dat Reinaert – schuldig of niet maar toch per definitie schuldig – vermoord moet worden, maar de das Grimbeert komt tussenbeide en weet de schuld af te wentelen op Hersinde zelf, en ook op Isengrijn. Hersinde geeft op haar beurt toe dat Reinaert haar eigenlijk geen kwaad heeft gedaan, maar pleit er toch voor dat gestraft wordt, omdat hij veel andere dingen heeft misdaan. Carcofas de ezel en hofkapelaan meent ook dat Reinaert een lesje geleerd moet worden. Coppe de kip wordt begraven en meteen ook maar heilig verklaard, en daarna wordt Bruun de beer bevolen Reinaert te gaan dagvaarden. Deze laat Bruun honing zoeken en een boomstam, waar de beer vast komt te zitten en mishandeld wordt door de boeren totdat hij tenslotte weet te ontsnappen naar het hof. Daarna werd Tibeert de kater onder protest naar de vos gestuurd, die hem in een strop laat lopen tijdens het muizen vangen. Tibeert krijgt dezelfde behandeling als Bruun, maar castreert ondertussen nog even de pape. Grimbeert gaat als derde Reinaert halen, en nu gaat hij mee, maar niet alvorens eerst bij zijn neef de das te biechten. De vos kletst zich aardig uit de aanklachten, beschuldigt Isengrimus, en vertelt de koning dat een wolvenvel geweldig zou zij tegen zijn ziekte. Isengrimus wordt hierop gestroopt, jankt nog wat en vlucht vervolgens van het hof.

Boek 5: Door vleierij troggelt Reinaert Nobeline haar gouden ring af, en, omdat hij aanvoelt dat de situatie penibel wordt, beweert dat hij op bedevaart moet naar Rome. Daartoe krijgt hij van Nobeline – die nogal van hem gecharmeerd is – de schoenen van Hersinde en Isengrimus cadeau, alsmede een kruis en staf. Het volk vind dit niet wat, dus Reinaert maakt zich uit de voeten voordat hij tij keert, en laat zich vergezellen door Cuwaert de haas en Belijn de ram. Thuisgekomen vreet hij Cuwaert op en stuurt Belijn terug naar Nobel met de hazenkop, hem vertellende dat het een afscheidsbrief aan de koning is. De ram mag zelfs zeggen dat hij die brief zelf geschreven heeft. Reinaert loop hem overmoedig vooruit om te kijken hoe het hof hierop reageert en bespot hen. Daarop rent het volk woedend op hem af en maakt hij zich uit de voeten. Hij gaat achter Isengrimus aan, omdat die misschien nog een paar kastanjes voor hem uit het vuur kan halen, en laat hem er weer eens inlopen. Ondertussen verschalkt Reinaert nog een kraanvogel. Carcofas de ezel is de eerste die Reinaert en Isengrimus weet te bereiken, en Reinaert laat hem geloven dat de wolf de schuldige is, niet hij. Isengrimus komt hierdoor met z’n poot in een wolvenklem terecht en moet zijn poot afbijten om vrij te komen. De wolf gaat dan naar een varken toe om van haar een poot of huid of oog ter vervanging van zijn missende onderdelen los te krijgen, maar het varken gaat op hem zitten, en zo komt Isengrimus tot een triest einde.

Slot: Reinaert gaat nog even door, maar wordt tenslotte ingesloten en moet een eed afleggen. Door een list weet hij te ontsnappen, valt al rennende in een put, weet zich er over de rug van Carcofas uit te werken, maar hij wordt nu toch definitief gepakt en naar Nobel gebracht. Daar hangt hij een biecht op over zijn schuldige jeugd en laat terloops het woord goud vallen, waar Nobel onmiddellijk alles van af moet weten. In ruil voor amnestie gaat Reinaert akkoord en vertelt de koning de weg. Nobel en Carcofas gaan samen op weg om de schat te halen en hebben afgesproken om eerlik te delen – iets wat de koning absoluut niet van plan is. Per ongeluk valt Nobel in de kuil waar de schat in had behoren te liggen (natuurlijk is er geen schat). Carcofas keert terug naar het hof en wordt er meteen van beschuldigd de koning te hebben vermoord en de schat zelf te hebben ingepikt, en wordt opgehangen aan de galg die voor Reinaert bedoeld was.

Verhaaltechniek:

Schrijfstijl:

Boontje (zoals hij zichzelf geregeld noemt en wat je als lezer snel gaat overnemen) heeft een zeer uitgesproken stijl. Bepaalde kenmerken daarvan: het slechts sporadisch voorkomen van hoofdletters (eigenlijk alleen aan het begin van een zin), omdat hij, zoals hij zelf ergens zegt, de hoofdletters minacht. Het effect daarvan is dat als hij ergens toch een hoofdletter gebruikt, dit meteen opvalt en aangeeft dat er iets speciaals met het woord is, zoals hij af en toe doet met het woordje ‘Dit’. Ook met aanhalingstekens heeft Boontje niet veel op: men moet uit het tekstverband maar zien te halen wanneer iemand spreekt, en wie, en wanneer diegene dan weer ophoudt met spreken. Ellenlange monologen zoals in de Reinaert komen hier niet voor, waaruit duidelijk blijkt dat het een moderner verhaal is. De situaties binnen het verhaal volgen elkaar snel op, en er worden ontzettend veel verschillende avontuurtjes verteld.

Het Vlaamse taalgebruik is weer zoiets dat de tekst een heel eigen karakter geeft. De dieren spreken elkaar me ‘ge’ en ‘gij’ en ‘u’ aan, en ook de losse manier van schrijven en de zinsmelodie doen Vlaams aan. Er worden vaak woorden gebruikt die in het Nederlands niet of nauwelijks voorkomen, en de zinnen zijn bij tijd en wijlen ernstig lang en doen sterk aan spreektaal denken. Boontje maakt veel gebruikt van O’s en ah’s, elaas’ en godverdomme’s (‘O god o godverdomme, men had reinaert weer eens liggen…’ (blz. 578.)), mismaakte spreekwoorden en cynische, ironische of sarcastische zinnen, meestal bedoeld om een of andere groep subtiel of niet-zo-subtiel voor schut te zetten. Dit samen zorgt ervoor dat het verhaal steeds luchtig blijft, met een komisch tintje ook waar het een ‘ernstige’ situatie betreft. Ik was op zoek naar een sprekend voorbeeld, maar dat viel tegen omdat het vooral het geheel aan zinnen is dat dit effect geeft en er nauwelijks een zin te vinden is die al deze kenmerken in zich heeft.

Verder citeert Boontje om de haverklap uit de Reinaert, de Roman de Renard en de isengrimus, en meestal veelvuldig dezelfde regels (de dagen waarin willem zijn ‘vos reinaerde’ begint te dichten, die tsinxendaghe dat beede bosch ende haghe met groenen looveren waren bevaen, en waar perrot de saint cloud al even schoon weet te zeggen que ja estoit passe ivers et que la rose espanissoit et l’aube espine florissoit et pres estoit l’asencions…die tijd is het voor ons nog niet: c’etoit ivers: un peu avant noël, au temps ou l’on sale les porcs: le ciel était clair, étoilé, en het vroos kassiestenen. (blz. 600)). Hij weet de overgang tussen Vlaams en Middelnederlands zo te laten verlopen dat het voor de niet-Vlaamse en niet-Middelnederlandse lezer lang niet altijd duidelijk is wat nu wat is, of hij gaat plotseling en de Middelnederlandse stijl door: ‘De bedevaarders gingen voort hun gang, al singend ende al leesend, en ook al af en toe eens achter den rug kijkend, of hen die veelvraat van een isengrimus niet op de hielen volgde’ (blz. 616). Ook maakt hij net als Willem gebruik van redelijk grof taalgebruik, zoals bij het onder de staartloze kont trappen van Isengrimus, en het zweren bij de kloten van de hond.

In zijn inhoud maakt Boontje gebruik van bijna dezelfde topoi als Willem dat eerder deed, en soms zelfs in bijna dezelfde bewoordingen:
Noemen van de schrijver: iemand die de hoofdletters minachtte en dus verre familie was van boontje (1e al.)
Reden om het stuk te schrijven: hem (Willem namelijk) vernooide so harde / dat die avonture van
Reinaerde / in Dietse ongemaket bleven (v 3-5)
Noemen van opdrachtgever: ± Ik, Boontje, (…) moet maar naar mijn vrouw luisteren, die zit te vertellen hoe
en op welke wijze zij een roman zou schrijven (blz. 563)
Bronnen vermelden: Hij noemt in zijn tweede hoofdstuk vaak en uitgebreid ‘Willem die madoc en amok
maakte met zijn tijd’ (‘Van den vos Reynaerde’) , Pierre de Saint Cloud (‘Le roman de Renard’) en
Nivardus (‘Isengrimus’)
Aangeven voor wie het bestemd is: Maar als ge dit toch leest, dorpers ende dooren, begin dan niet te doen
gelijk de raven die krassen en alles zwart maken (vgl de Reinaert)
Oproep doen tot opletten: laar uw bewondering uitgaan naar reinaert, die sluwe, die felle met den rooden
baerde (4e al.)
Ik denk dat de stijl van Boontje over te herkennen is, en heb er inmiddels grote bewondering voor opgevat. Sommige zinnen (o god o godverdomme, men heeft reinaert weer eens liggen!) zijn een hele tijd in mijn geheugen blijven hangen.

Tijd:
‘Wapenbroeders’ speelt zich eigenlijk in twee tijden af: de Middeleeuwen, en de tijd van Boontje, zo 1955. Vooral in de eerste paar bladzijden wordt het erg duidelijk dat het vlak na de oorlog geschreven is, en dat de schrijver die oorlog heeft mee gemaakt: gelijk zij nu nog steeds ter onzenheren gaan, of tot marx of tot hitler of tot de kloten van de hond en ook gelijk men u nu op bedevaart kan sturen naar de concentratiekampen (…) om dan in het terugkeren te moeten constateren, o schone taal van reinaert, dat hi mijn wijf hevet verhoert ende mine kindre so mesvoert, dat hise bezekerde daer si lagen, datter twee noint nemeer ne saghen ende si worden staerblent…(blz. 557)
Verder komen erg vaak verwijzingen voor naar het socialisme, de democratie, het marxisme; dingen die niet in de Middeleeuwen of een verhaal over de Middeleeuwen thuishoren, maar die daarentegen verwijzen naar ‘onze’ tijd.

Het grootste gedeelte van het verhaal speelt zich echter af in de Middeleeuwen, en Boontje gebruikt er veel woorden voor om de tijd aan te geven, het liefst door veelvuldig de tsinxendaghe dat beede bosch ende haghe met groenen looveren waren bevaen te citeren, en dan aan te geven dat hij, boontje, dit heel anders aanpakt. Het verhaal begint daarom eerder dan de Reinaert, met een informatieve opening op het moment dat er weer eens koningsvrede was afgekondigd, om dan chronologisch via Reinaerts streken door te lopen naar de schone tsinxendaghe om tenslotte bij de dood van Isengrimus en het vertrek van Reinaert aan te komen en met een gesloten einde te eindigen.
Er is weinig sprake van flashbacks, omdat Boontje voor een andere opbouw heeft gekozen dan Willem, en die dingen die Willem door middel van flashbacks verteld plaats Boontje naar het beging van het verhaal, zodat alles een doorlopend verhaal wordt. Flash-forwards komen eveneens niet of nauwelijks voor: er wordt nergens duidelijk aangegeven wat er straks met een van de hoofdpersonen zal gebeuren.

Plaats:

De plaats in beide tijden is dezelfde als die in de Reinaert, het Vlaamse Westland. Echt gebruikgemaakt van belangenruimtes wordt er niet: de meeste situatiebeschrijvingen bevinden zich in de dialogen en gedachtes van de hoofdpersonen, of van de schrijver zelf. Het valt zelfs op dat aan plaatsen nauwelijks een woord wordt vuil gemaakt. Blijkbaar heeft Boontje geen belangenruimtes nodig om de bepaalde sfeer te creëren waarin zijn verhaal zich moet afspelen. Lange beschrijvingen van een omgeving passen ook helemaal niet in het verhaal, dat zich zo snel voortbeweegt.

Verhaalfiguren:
Reinaert de vos: In tegenstelling tot de Reinaert is onze vos hier wel een round character. In het begin is hij nog vol goede moed en enthousiaste theorieën over gelijkheid en broederschap, maar doordat men hem geregeld ‘heeft liggen’ raakt hij ontgoocheld en verandert in een sluwe profiteur. Hij gelooft niet meer in god of gebod, hecht nog veel minder waarde aan de staat, de vlag en de koning, en vindt het belangrijker om verstandig van het leven te genieten dan verstandig te leven. Er zit dus duidelijk ontwikkeling in zijn karakter. Reinaert is getrouwd met Hermeline en heeft een troep kindertjes, waarom hij veel geeft. Hij rooft niet alleen voor zichzelf, maar ook om zijn gezin te voeden. Hij vindt het geweldig leuk om anderen in de val te laten lopen – ook als hij ze niet opeet – maar wanneer ze eenmaal goed in de problemen zitten bespot hij ze, of hij loopt weg met het argument dat hij hier toch niets mee te maken heeft (en meestal was het inderdaad andermans stommigheid die ze in de problemen had gebracht).

Isengrimus: Deze wolf is een domme, lompe sukkelaar, getrouwd met het valse wijf Hersinde en met eveneens een stel kindertjes, die waren echter volgens Boontje toch maar de jongen van de dwaze isengrimus, en zij zouden op hun beurt al even dwaas geworden zijn (blz. 644). In het begin is hij nog even wat minder dommig, maar hij wordt al dwazer aan naarmate Reinaert, zijn wapenbroeder en neef, slimmer aan wordt. Hij is zelfs zo dom dat hij niet door heeft dat Reinaert de oorzaak is van al zijn problemen, en denkt tegen zijn einde nog dat Reinaert hem af en toe nog eens uit de penarie heeft geholpen. De ontwikkeling van Isengrimus door het boek heen is overduidelijk: eerst heeft hij alles nog wat hij wil hebben, vervolgens krijgt hij een harde mep van Nobel, raakt hij een oog kwijt, wordt hij meerdere malen in elkaar geslagen, raakt hij zijn staart kwijt, breekt hij al zijn ribben en een deel van zijn vel, wordt zijn wijf verhoert ende zine kindre so mesvoert, dat hise bezekerde daer si lagen, datter twee noint nemeer ne saghen ende si worden staerblent, wordt hij gestroopt door Nobel, raakt hij zijn ander oog kwijt, raakt hij een poot kwijt en sterft hij tenslotte doordat hij verpletterd wordt door een varken. Reinaert speelt met hem, gebruikt hem als schild, maar mist hem toch ook als hij gestorven is, terwijl ook Nobel hem vrolijk tot zondebok bestempelt en gebruik van hem maakt. Isengrimus is een flat character, en ik denk dat hij een groep in de maatschappij zou kunnen vertegenwoordigen die het slachtoffer wordt van de machtigen.

Nobel de leeuwenkoning: Een zwakke koning met veel te dun en te blauw bloed, die aan een zeer geheimzinnige ziekte schijnt te leiden, doe overigens verdacht veel weg heeft van machtswellust en grootheidswaanzin. Doordat hij echter de nobele koning is mag deze ziekte geen naam gegeven worden, maar men moet wel alles voor hem doen. Hij is te lui en te ziek en te volgevreten om iets te zeggen. De vrouw van Nobel, die eigenlijk de macht achter de troon is, deelt bevelen uit in naam van haar echtgenoot. Het algemeen belang is de koning zelf. Zoals op blz. 563 beschreven staat: (…) de koning en keizer en paus van al de wilde dieren tegenkwamen: nobel, wiens wijsheid in zijn klauwen zat. Nobel was, gelijk dat hoorde, een weinig ziek, een weinig levensmoede… hij sprak met wat men noemt een vreemd accent, van wie in ander landen is geboren en daar familie was van god-de-heer – gelijk bijvoorbeeld onder anderen de paus van rome en ook de keizer uit het land der jappen – en waar ook hij wel honger had of schijten moest, of nu en dan een veel te jong wijfje wou doorboren, noemde hij dat nooit bijzijn vieze naam, want dat was totem en taboe. Hij stond erop dat ánderen zich om zijn spijs bekommerden, zodat hij het ongestoord kon hebben over het algemeen belang en ’s werelds gang van zaken (…) Doch hij sprak dat alles uit met een r-klank, die vanachter in de keel heel hoofs klonk, en met een neusstem die aan zijn ziekte een ongewoon relief vermocht te geven.’ Hij staat min of meer voor de democratische koning die zich gedraagt als alleenheerser.
Vrouw van Isengrimus, en een vals en gemeen wijf. Zij is de tante van Reinaert, maar heeft er schijnbaar weinig problemen mee als hij met haar overspel pleegt. Dit geeft ze zelfs publiekelijk toe.

Vertelwijze:
Wapenbroeders is geschreven in het perspectief is van een alwetende verteller, te weten Boontje zelf, die het geregeld over zichzelf heeft en zijn meningen rechtstreeks én door middel van zijn personages uit. Hij legt verantwoording af voor de keuzes die hij maakt met betrekking tot het opnemen of juist weglaten van bepaalde fragmenten. Wat dat betreft lijkt het ook veel op een ik-verhaal waarin de hoofdpersoon een verhaal vertelt, een soort raamvertelling. Boontje is in zekere zin alwetend, maar toch geeft hij aan dat hij niet weet welke van zijn drie bronnen het nu bij het juiste eind heeft (oftewel: of de sprekende vos nu drie of vier of vijf kinderen heeft). Toch vertelt hij het verhaal op zíjn manier, waarbij híj, als schrijver, degene is die altijd gelijk heeft.

Soms richt hij zich rechtstreeks tot de lezer, zoals op blz. 602, waar hij aangeeft dat de lezer een leeg hoofd heeft.

Motieven:
- Commentaar op de middeleeuwse en hedendaagse maatschappij, wat bijna als een rode lijn door het verhaal loopt, onder te verdelen in:
* Belachelijk maken van de geestelijke macht. Steeds weer in een situatie waarin de pape (pastoor), de kapelaan of een andere priesterachtige voorkomt kun je schampende opmerkingen over de kuisheid van deze mannen verwachten, of een sarcastische opmerking over hun voorliefde voor eten, of een sprekend voorbeeld dat hun gehechtheid aan aardse zaken aangeeft.
‘En liggend tussen zijn parochianen keek hij naar hen op met een zwellend oog, en wist hij dit vreemd gebeuren te verklaren: het was geen kater die daar had vertoefd, maar belzebub, de duivel.’ (blz. 582), oftewel, zogauw de geestelijke macht faalt is dat het werk van de duivel, en nooit van iets triviaals zoals een kat.
Over de kuisheid van de meneer de pape: ‘Oei, meneer de pape, ik zie daar entwat onder uwen rok! riep verschrikt de oude kween aldrade. En daar zij haastig een beschermende hand over de ogen legde – maar toch door de opengesperde vingers heenkeek – moesten heimelijk lachen de witte maagden met hun bloemen, en fluisterden zij tot elkander: voor zo een beetje… dat hebben wij reeds láng gezien!’ (blz. 582), en ook nog: ‘- kwamen eerst de maagdekens met hun witte bloemen. En dat ene daarvan reeds goed zichtbaar vruchtbaar was geworden lette niet, haar ruiker was wat groter om haar rijpend buikje te verbergen. En achter hen aan kwam de vader…’ (blz. 580)
Verder ziet de eerbiedwaardige pape zijn gelovigen als een bron van inkomsten, en hij schijnt zichzelf te zien als een soort uitdeler van Gods gunsten. De pape’s eigen belang gaat natuurlijk voor deze God: ‘En [de pape] staakte het singen en het looven, en zette de parochianen aan de vos te achtervolgen…er kwamen nog dagen genoeg waarin men missen zingen kon, nu was er iets dat van dringender belang genoemd mocht worden. Ter hulp, ter hulp, kreet hij…gij, mijn parochianen, die door mijn gebed verdiensten kreegt bij god…en gij vooral – en hij wendde zich naar de koster en de klerken – wien het geloof der anderen een stuiver opbrengt, haast u toch wat haastiger, dat wij den vos nog kunnen vatten!’ (blz. 602)

* Commentaar geven op de staatkundige verdeling, hetzij in de Middeleeuwen of ook nu nog (het is vaak niet helemaal duidelijk waarnaar zijn commentaar verwijst). Hij bekritiseert de democratie van koning Nobel en is van mening dat deze als alleenheerser zijn gang gaat en slechts de schijn van democratie nog ophangt, wat hij ook illustreert door Nobel en zijn vrouw in een achterkamertje alles te laten bekonkelen. Verder is de koning ook maar een dier en dus enkel belust op eigen gewin en goud.
‘Kotfertoeme, riep toen nobel buiten zichzelf, vergetend dat hij was wie hij altijd was geweest, een slaphanger van een heerser, met veel te dun en te blauw bloed in zijn aderen. Kotfertoeme, wat raakt mij isengrimus en uw biecht, zeg mij waar die schat verborgen is en hoepel op!’ (blz. 727)
Of ook, als de koning beweert het algemeen belang te dienen en zich dus alle vlees toeeigent terwijl Isengrimus toch gedacht had dat hij tenminste het kalf kon krijgen: ‘Doch isengrimus geloofde wat te hevig in ’s werelds hogere belangen, en dacht verkeerdelijk dat deze belangen ook dezijne waren.’ (blz. 566)
Een ander voorbeeld van des konings lust naar goud: ‘Voer deze gruwbare aanblik van onder zijne ogen, zei nobeline…geef bruun de decoratie van moed en zelfopoffering, maar doe ze hem betalen….’ (blz. 674).

* Commentaar geven op de Middeleeuwse (of ook nog 20e eeuwse) variant op recht, wat er op neer komt dat de zwakken zwakker worden en de machtigen machtiger. Schuldvraag is van geen belang: ‘In dit geval is niet het voornaamste of reinaert ja dan neen zou kunnen schuldig zijn – want wat is dat weeral voor een overbodige uitdrukking…ja dan neen misschien onschuldig schuldig? Iedereen is schuldig als dat nodig is voor de goede gang van zaken’ (blz. 655)

* De misère van de zwakken illustreren als gevolg van de daden van de machthebbers en de slimmen, zoals weergegeven wordt door de dood van Isengrimus, symbool voor deze zwakken. De wolf wordt steeds meer vertrapt door Reinaert en de koning, totdat hij uiteindelijk sterft: ‘Ja, vroeger zou hij moord en brand beginnen schreeuwen hebben, doch nu kreunde hij alleen maar even, zwak en gelaten…hij was nu reeds zoveel geschopt, gehoond, bespuwd en aan het kruis genageld, dat hij dit stilaan als zijn natuurlijke staat van leven was beginnen aanzien. (blz. 716)
Dieren met nieuwe ideeën worden absoluut niet gewaardeerd door de maatschappij, en ze worden het liefst afgemaaid zogauw ze de kop boven het maaiveld durven steken: ‘Doch niemand hoefde hem het een of ander wijs te maken, zijn woorden werden koel ontvangen, en de ezel sprak stomweg uit wat de anderen hadden gedacht: gij hebt een merkwaardig talent, maar past niet in het kader waartussen ónze samenleving is opgebouwd…gij ontsiert de auter en de heerd als ge ernaast zit, en onze kinderen krijgen onheimelijk het gevoel dat er nog iets anders is dan hetgeen wij hen voorhouden te geloven…naar mijn gedacht zouden wezens zoals gij, van bij hunne geboorte moeten…nu ja…er schiet mij voor het ogenblik uit onze bijbel geen passend citaat te binnen, waarbij aan uwe moeder vruchtafdrijving toegelaten was.’ (blz. 619)
- Begrip voor Reinaert, die toch een soort communist in hart en nieren is. Om de haverklap roept hij de Republiek der Vrijen uit, alleen kan hij geen broeders vinden die zich eraan willen houden en hem zijn deel willen geven als ze gezamenlijk – of ook geregeld Reinaert alleen – iets gevangen hebben. Het feit dat Reinaert een vos is en dus een rood vel heeft helpt daar ook nog eens aan mee. Boontje legt uit dat onze vos eerst een brave burger was, die van de koning allemaal decoraties en erelinten waren geschonken die niets waard zijn: ‘de orde van de gevallen en weer opgeraapte kousenband, de medalie van de kreeft die achterwaarts de wegen van de plicht bestreed’ (blz. 590). Pas nadat hij bedrogen wordt door de zn. democratische koning besluit hij dat het beter is om aardig te doen en ondertussen te nemen wat hij kan.

Thema:
Deze motieven leiden nog het meest tot dit thema: commentaar op de maatschappij (om het even welke). Dit wordt in de eerste zin heel mooi samengevat, onder de titel van het hoofdstuk: ‘De middeleeuwen van voeger en van nu’, oftewel, we leven nog steeds in de middeleeuwen.
“Dit is van den vos reinaerde en den wolf isengrimus, die tot ons komen al uit de donkere en beboste tijd van de middeleeuwen, waarin de graafschappen woest en uitgestrekt waren, en de kathedralen met hun stenen
kantwerk en hun spuigaten naar de hemel gingen reiken,( wordt hier misschien al gewezen op de overmoed van de kerk, dat zij al hebberig naar de hemel reikt?) waarin de kasteelheren katholiek waren – gelijk zij nu nog steeds katholiek zijn, of iets anders, of iets heel tegenovergesteld maar toch altijd nog altijd hetzelfde (het geloof van de regeerders maakt geen donder uit) – en zij van hun roof-kruisvaarten terugkeerden, gedoopt zijnde ter heilige mis togen en ten onzenheren gingen – gelijk zij nu nog steeds ter onzenheren gaan, ( de vroegere heersers waren schijnheilig, en die van nu zijn het nog steeds) of tot marx of tot hitler of tot de kloten van de hond (de overtuiging verandert misschien, maar hun daden blijven even slecht)– maar ongestraft de hofstedekens konden platbranden, ‘op de koe en de spaarzame centjes neerstrijkend gelijk gieren, en op de vrouwen zich werpend gelijk dolle stieren.’ (ofwel, de machthebbers zijn enkel op eigenbelang uit)

En het is ook logisch dat Boontje voor dit thema een dierenverhaal heeft gekozen, omdat dit genre zich uitstekend leent voor het geven van commentaar zonder dat je personen hoeft te noemen. Dat is wat Willem deed, dat is ook dat Boontje deed.

Verband tussen titel en thema:
‘Wapenbroeders’ wordt in het boek uitgelegd als de relatie tussen Isengrimus en Reinaert. Over Isengrimus wordt gezegd, vlak voordat hij sterft:
(…) Hij zag in zijn verbeelding reinaert, deze die hem zovele in ongemak gebracht had…maar ook, de enige die hem soms eens uit de penarie had geholpen. En hij riep die… hij riep hem in dees ure van zijn dood.’ (blz 716)
Terwijl van Reinaert gezegd wordt:
‘…hij scheerde zo haastig mogelijk de heuvel af, en zocht deze die hem was voorgegaan langs dezelfde weg: zijn makker en ook wapenbroeder, de ontklede isengrimus, die hem in deze ure van gevaren misschien dekking bieden kon.’ (blz. 705)
Beide, de verschoppeling en de bedrieger, staan feitelijk aan dezelfde kant tegenover de gevestigde macht. De een profiteert terwijl van de ander wordt geprofiteerd, de een is slim terwijl de ander dom is, maar beiden zijn feitelijk verschoppelingen van de maatschappij.

Plaats in de literatuurgeschiedenis:
Over de schrijver:

Boontje identificeert zich duidelijk met de drie schrijvers waarop hij zijn boek baseert, en hij geeft veel van zijn eigen gevoelens weer: “En tevens moet gezegd worden dat willem, perrot, en ook nivardus, niet alleen dichters zullen zijn geweest, die de larven van het onrecht, de leugen en de schijnheiligheid wilden vertrappen – zoals men dat zo schoon weet te verklaren – maar ook vanzelfsprekend mensen zullen zijn geweest gelijk gij en ik: het is te zeggen, iemand die altijd in conflict was met iemand anders, was het de ene niet het was de andere…en die op den duur zijn gat aan belgië zou gaan vagen en naar erembodeghem gaan wonen: zo is reinaert, en die het niet geloven wil is niet verplicht, want nooit werd iets geschreven dat evangelie was.’ (blz. 559)
Verder was er weinig over L.P. Boon te vinden.

4: Beoordeling
Volgens het nawoord in deze verzamelbundel heeft ‘Wapenbroeders’ de weg naar het lezerspubliek nooit echt gevonden. Dat snap ik niet, want het is toch echt een geweldig boek. Het is vooral ook een leuk boek. Vooral de eerste bladzijden heb ik geregeld hard gelachen om het humoristische taalgebruik, de sarcastische opmerkingen en de ironie. Soms komt die humor naar voren in ronduit grappige beschrijvingen en uitspraken, zoals in het volgende voorbeeld, waar Reinaert in de put zit en Isengrimus wijs maakt dat hij met diens vrouw in de hemel aan het spelen is:‘Van spijt en nijd, maar meest van al jaloersheid, liep het hartzeer isengrimus uit de mond. Ik wil ook in de hemel zijn, zo riep hij uit…ik wil eveneens in die weiden spelemijen, en bovendien u onder die staart uw kont aan stukken schoppen!’ (blz. 637)
Een prachtige zin – naast de al veelvuldig genoemde eerste –, en vooral het laatste deel ervan, vind ik deze: ‘En ondertussen zong hij een credo dat nog niet in de kerke was gehoord, want het refrein geleek tamelijk veel op ’t volgende: ik doe het nu op die oude boer, doch beter ware het dat ik scheet op de moraal, de vlag, en alle decoraties van moed en zelfopoffering, van goede trouw en jezuske aan het kruis. Doch dit zingende schrikte de boer plots wakker en dacht hij dat er vreemde dingen regenden…hij wreef die viezigheid van het gelaat en hing zich over de beek om zich te wassen en te plassen, tot reinaert op zijn rug sprong en hem onderduwde, al zingende van requiem in pace, stomme boer die ge gelijk ik zijt amen.’ Blz. 564
De oerstommigheid van sommige dieren (meestal Isengrimus, of de ezelachtige hofkapelaan) is ook geregeld een bron van vermaak.‘reinaert groette hoofs en nam afscheid van de ezel. En deze laatste bleef een ogenblik nog staan, en vroeg zich af wat er nu op het programma stond? Ha, ik herinner het mij weer, zo zei hij…nu moeten we trachten van reinaert vast te grijpen.’ (blz. 741) Verder is het Isengrimus ergens halverwege het boek opgevallen dat het haast wel lijkt of zijn neefje reinaert iets te maken heeft met het ongeluk dat hem telkens weer overkomt.
Het commentaar op het gedrag van de geestlijken is puur amusement. Priesters die maagden zwanger maken, schransen, aflaten verkopen, zuipen, en ga zo maar door. Mensen die op bedevaart gaan, naar blijkbaar toch niet zo vroom zijn: ‘Juist hief men het vrome lied aan, ‘jef mag voor ons geen boodschappen meer doen’ (blz. 614)

Het boek begint al ironisch: Boontje beweert in de ondertitel dat dit een getrouwe bewerking der aloude boeken is. In het motto knipoogt hij naar Willem ‘die madoc en amok maakte met zijn tijd’.
Hem vernoide soo haerde
Dat die aventure van reinaerde
In dietsche was onvulmaket bleven…
Oftewel, Willem vernoide soo haerde, dat Boontje dan maar de Nederlandse vertaling van de avonturen van Reinart gemaakt heeft. Hij heeft het vaak over deze drie schrijvers alsof het haast persoonlijke vrienden van hem geworden zijn, en door de manier waarop hij het over zichzelf heeft lijkt het alsof je hem ook al bijna kent.

Maar Boontje is niet alleen grappig. Hij kan ook behoorlijk filosofisch uit de hoek komen, zoals hij bewijst op blz. 695: ‘Doch was het zijn bedoeling zo verstandig mogelijk te leven, of integendeel zo verstandig mogelijk van het leven te genieten? Want daarin ligt het verschil dat ligt tussen bijvoorbeeld een nijptang en een trektang, of om het beter te illustreren, tussen deze die bedrogen heeft en deze die bedrogen werd…want hij die verstandig heeft geleefd zal eenmaal zien dat hij door het leven bij de neus genomen werd, terwijl hij die van het leven heeft geprofiteerd zal mogen zeggen dat hij het leven bij de neus genomen heeft. ’
Om dan, zomaar ergens midden in een verhaal, en stukje weemoedigheid te laten zien, en meteen van de gelegenheid gebruik te maken om de lezer te beledigen: ‘– en als dan de dorpsstraat daar weer stil en leeg lag – zo leeg als alleen in vlaanderen iets leeg kan zijn, de straat, mijn hart, uw hoofd, onze boeken –‘ (blz. 602) Hij bekritiseert hier de Vlaamse literatuur, maar zegt ook heel duidelijk dat de straten leeg zijn, en zijn hart. Dat vond ik onverwacht open en ontroerend.

De schrijver slaagt er in om, meer nog dan Willem die madocke maakte, de persoon Reinaert als sympathiek te doen voorkomen, zodat je als lezer afwisselend bewondering krijgt voor zijn slimheid en zijn rake opmerkingen of ook afschuw voelt om de vreselijke dingen die hij nu weer uithaalt. Het moment waarop Isengrimus tenslotte uit zijn lijden verlost wordt is gewoon zielig, en je krijgt als lezer haast plaatsvervangende schaamte om wat ze die arme domme wolf hebben aangedaan.
De opbouw van het verhaal vond ik beter dan die van Willem, omdat Boontje voor een chronologisch verhaal heeft gekozen, waarin je niet steeds hoeft te raden wat de gebeurtenissen zijn waarnaar in het proces van Reinaert verwezen worden.

Mijn mening over de schrijfstijl heb ik denk ik in het hoofdstukje schrijfstijl al aardig uitgelegd: ronduit schitterend taalgebruik. ‘Wapenbroeders’ is zonder twijfel het leukste boek dat ik voor mijn lijst – of misschien wel überhaupt – gelezen heb. Het is niet het diepzinnigste boek, of een boek waardoor je zeer sterk ontroerd raakt, of een boek met een thema dat sterk aanspreekt, maar het is voor mij toch vooral puur plezier geweest om te lezen, dat toch ook iets wil zeggen. Of het een aanrader is? Ik probeer al sinds ik het boek uit heb mijn ouders zo gek te krijgen om het te lezen (zo ver zonder succes, trouwens), en ik denk dat ik het aan nog wel meer mensen zal aanraden, gewoonweg omdat ik er zelf zo enthousiast over ben. Eigenlijk wil ik ‘Wapenbroeders’ in mijn boekenkast hebben staan, maar dat zal moeten wachten tot mijn financiële middelen (en de ruimte in mijn boekenkast) toereikend zijn.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het dan weten door een reactie te geven.