
Geschreven door: | anoniem [meer] |
Datum ingestuurd: | 6 januari 2003 |
Niveau: | 6 vwo |
Taal: | |
Woorden: | 6011 |
Opvragingen: | 4765 (13 deze maand) |
Waardering: |
Titel: | Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam |
Auteur: | |
Jaar van uitgave: | 1975 |
Moeilijkheidsgraad: |
|
Thema: |
Auteur: | |
Geslacht: | man |
Nationaliteit: | Nederlands |
Populaire titels: |
|

Primaire gegevens
Auteur: Bob den Uyl
Titel: Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam
Ondertitel: Verhalen
Verschenen in: 1975
Aantal blz.: 142
Leestijd: 6 uur
Uitgelezen op: 30-11-2002
Verantwoording van de keuze
Mijn vader, die erg veel houdt van de boeken van Bob den Uyl (hij vindt ze geweldig) raadde mij aan ook eens iets van Bob den Uyl te lezen. Toen ik daarmee begon, kon ik eigenlijk niet meer ophouden. Ik heb toen heel veel boeken van Bob den Uyl gelezen en nu ik bezig ben met mijn Nederlands leeslijst, kwam het idee bij mij op om een boek van Bob den Uyl op mijn lijst te zetten.
Ik heb toen voor dit boek gekozen, omdat ik dit de leukste van allen vind. Ten eerste zijn de verhalen die hier in staan redelijk lang en dat vind ik fijner om te lezen, want dan kun je jezelf tenminste een beetje in het verhaal inleven voordat het uit is. Ten tweede waren de verhalen die in dit boek stonden heel verschillend van aard, zowel reisverhalen als andere verhalen en dat maakt dit boek erg leuk om te lezen. Daarnaast heeft Bob den Uyl met ‘Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam’ in 1976 de Multatuliprijs gewonnen.
Verwachtingen vooraf
Zoals hierboven al staat, had ik dit boek al gelezen, net als een aantal andere boeken van Bob den Uyl en ik vond eigenlijk al die boeken erg leuk, maar dit boek vond ik nog wel het leukst. Voordat ik het boek ging lezen dacht ik ook wel dat het erg leuk zou zijn, want mijn vader was er erg enthousiast over.
Eerste reactie achteraf
Ik vind dit werk:
spannend een beetje
meeslepend erg
ontroerend een beetje
grappig erg
realistisch een beetje / erg (hangt af van het verhaal)
fantasierijk erg
interessant erg
origineel erg
goed te begrijpen erg
Dit werk heeft mij aan het denken gezet.
Ik heb iets aan dit werk gehad.
Dit werk spreekt mij aan, omdat het erg grappig en meeslepend is. Ik heb nog nooit zo erg om een boek gelachen.
Korte samenvatting
Dit boek is een van zijn latere boeken. De verhalen uit die boeken zijn vaak realistischer (zijn eerste verhalen waren over het algemeen niet echt realistisch), hebben een autobiografisch karakter en zijn vaak reisverhalen of beschrijvingen van situaties die de schrijver ‘meegemaakt’ heeft. Zo ook de verhalen uit ‘Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam’:
1. Het rechtzetten van een misvatting
2. Verlangens van gedresseerde ratten
3. Leerzame mededelingen
4. Donker Spanje
5. Het morele verval
6. Toespraak van de generaal
Ik zal nu per verhaal kort de inhoud ervan weergeven.
1. Het rechtzetten van een misvatting
De hoofdpersoon komt aan in Keulen met de trein, waar hem nog een stelling te binnen schoot: ‘alles loopt verkeerd af’. Daar besteedt hij echter verder geen aandacht aan en hij loopt zo snel mogelijk naar de goederenwagon waar zijn fiets staat en nadat hij zijn fiets na enige problemen mee heeft gekregen, fietst hij weg, weg uit Keulen. Hij wil de velden door fietsen, de dufheid van de treinreis afschudden, echter bij het beklimmen van de Rijnsbrug merkt hij dat er een tik of knik in zijn pedaal zit. Hij besluit er geen aandacht aan te besteden, maar de tik wordt steeds erger en in Kalk, een voorstad van Keulen, stapt hij af, tot de conclusie komend dat zijn pedaal los zit. Hij probeert het euvel zelf nog te repareren, maar dat lukt hem niet en hij zal naar een fietsenmaker moeten. Gelukkig zijn de Duitsers praktisch van aard, dus dat was weer een voordeel. Maar voor hij weer terug is in Keulen is de avond al aangebroken en moet hij een hotel opzoeken.
De volgende dag gaat hij op zoek naar een fietsenmaker. Natuurlijk heeft hij niet eerst even gekeken waar er in Keulen fietsenmakers zijn, maar is hij gelijk weggelopen met zijn fiets. Uiteindelijk vindt hij een fietsenmaker, maar als die naar het pedaal gekeken heeft, komt hij tot de conclusie dat hij niet weet hoe het werkt en dus kan hij het niet repareren. Dat belooft wat. Wel weet hij een man in Keulen die het misschien wel zou kunnen. Daar gaat de hoofdpersoon dan ook heen en inderdaad deze man kan hem helpen, alleen niet nu: hij had een vrije morgen en was niet van plan nu de fiets te repareren. De hoofdpersoon laat zijn fiets daar dan maar staan en zegt hem ’s middags wel te komen ophalen, en gaat de stad maar in. Daar is hij echter al snel uitgekeken en om één uur gaat hij al terug, maar eigenlijk verwacht hij niet dat zijn fiets al klaar is. Als hij bij de fietsenmaker aankomt blijkt zijn fiets toch al gerepareerd: de hoofdpersoon heeft zich voor niets zorgen gemaakt en kan vrolijk weer wegfietsen, na betaling van slechts vierenhalve mark.
2. Verlangens van gedresseerde ratten
De hoofdpersoon, een weesjongen die zijn ouders verloren heeft toen hij een jaar of tien was, wordt verzorgd en opgevoed door zijn ongetrouwde en bijzonder rijke tante Martha. In zijn jeugd kwam hij niets tekort. Hij ging naar de beste scholen en toen hij negentien was ging hij rechten studeren in de stad waar hij en zijn tante woonden, omdat zijn tante dat wilde. Hij werd nergens toe gedwongen, maar op de een of andere manier wel een beetje ‘geleid’. In het begin had hij dat niet zo door, maar hij begon zich er steeds meer aan te ergeren en op een morgen werd hij wakker en haatte hij zijn tante er zelfs om.
Het lag niet aan de opvoeding van zijn tante, hij kwam ook niets tekort, maar hij haatte zijn tante gewoon. Daar viel niet omheen te komen. Eerst wist hij niet wat hij ermee aanmoest, maar later kwam bij hem het idee op van een moord. Dat was het: hij zou zijn tante vermoorden. Na lang nagedacht te hebben en met wat geluk, kwam het er op een dag toe dat hij zijn tante, die in een rolstoel zat, van een heuveltje afduwde, nadat hij per ongeluk een bal spelende kinderen tegen zich aankreeg. Ze was op slag dood. De politie kwam wel ondervragen, maar hij werd niet verdacht. Hij erfde haar geld en haar huis, maar de enige voorwaarde was dat het dienstmeisje erin bleef wonen en voor hem bleef werken.
Dat was in eerste instantie geen enkel probleem voor hem, maar het dienstmeisje wist wel dat hij zijn tante vermoord had en ging hem daar steeds openlijker van beschuldigen. Hij kreeg een steeds grotere hekel aan haar, probeerde haar dan met geld weg te kopen, maar ze was te veel aan het huis gehecht en wilde niet weg. Toen zat er voor hem niets anders op dan haar ook te vermoorden. Weer dacht hij er lang over na, maar op een gegeven moment, barstte hij gewoon uit in woede en wurgde haar. Hij begroef haar in de tuin en verbrandde al haar papieren. Ze had geen familie en niemand merkte haar dood, maar vroeg of laat zou iemand er achter komen, en hij bereidde zich al voor op de ontdekking…
3. Leerzame mededelingen
De hoofdpersoon is op een feestje, waar hij eigenlijk niet weet wat hij er moet. Hij is al een beetje aangeschoten en vertelt de gekste dingen tegen de gekste mensen. Eerst verteld hij een Fransman, die hem een vuurtje voorhoudt, dat zijn aansteker op een vlammenwerper lijkt, na lang gezocht te hebben naar het Franse woord voor vlammenwerper, dan stelt hij hem voor het volkslied van Afghanistan te gaan zingen. Dan vraagt hij of iemand nog een anekdote kent, maar als niemand reageert wendt hij zich tot een rode man die een dichteres, Margreet, probeert te versieren door haar te vertellen dat ze mooie gedichten schrijft. Hij vertelt de man dat haar gedichten absoluut waardeloos zijn en dat hij een slechte indruk maakt door te zeggen dat haar gedichten goed zijn.
Vervolgens raakt hij in gesprek met een neger, omdat die lachte naar hen. Het lijkt een goed gesprek te worden tot de neger hem vraagt of hij hem dit alles vertelt omdat hij een neger is. Dan loopt hij weer weg. Hij loopt naar de garderobe, waar hij al een paar glazen heeft neergegooid. Daar vraagt een serveerstertje hem of hij ‘die leukerd is die hier al die glazen neergooid’. Hij antwoordt dat hij dat niet is, omdat hij niet leuk is. Hij loopt door naar de kantine en bestelt een broodje met gehakt, maar krijgt dit niet omdat hij geen artiest is, ook al blijft hij dit volhouden.
Hij gaat weer weg en als hij terug in het gewoel is, ziet hij Anita. Hij vraagt haar of ze weet wat de magische grens is en als hij hoort dat ze zo naar Zoutelande gaat, staat hij erop mee te rijden. Hij gaat nog even naar het echtpaar, waarvan de man een literatuurprijs gewonnen had (de aanleiding van dit feest) en feliciteert hen. Van de man krijgt hij een sigaar en aan de vrouw vraagt hij of ze wel genoeg liefde ontvangt. Dan gaat hij terug naar Anita en loopt met haar naar de auto. Daar blijkt dat er nog twee anderen meegaan. Hij sputtert tegen, maar kan niet anders dan instemmen. Hij koopt in een frietzaak nog een bal gehakt en een sixpack bier. Onderweg in de auto drinkt hij de biertjes op, vertelt een aantal dingen aan de twee personen die meereden, die eigenlijk nergens op slaan en slaapt af en toe wat. Als ze dor Vlissingen rijden, besluit hij dat hij er hier maar uit wil en stapt uit. Hij besluit dat hij nog een paar keer met de pont over gaat varen naar Breskens en dan naar een hotel in Breskens zal gaan. Daar krijgt hij nog ruzie met een Brusselaar en ontmoet hij nog een generaal die hem zijn plannen voor de verovering van Frankrijk verteld, maar hoe dat gebeurd is, wordt niet verteld: daarvoor was geen plaats meer.
4. Donker Spanje
De hoofdpersoon gaat vaak naar Spanje en is inmiddels wel bekend met de rampzalige regelingen daar. In Toledo wil hij met de bus naar Ciudad Real. Hij gaat naar de vertrekplaats van bussen, maar alle loketten zijn dicht. Hij vraagt een chauffeur naar de vertrektijd en die schrijft op: 4 uur. Dan gaat hij naar het hotel. Hij vraagt nogmaals wanneer de bus gaat. De eigenaar zoekt het op en vertelt hem dat de bus om 6 uur gaat. Als hij het papiertje laat zien, loopt de eigenaar snel weg. De angst voor informatie.
Op de Spaanse stations hangt een groot bord waarop staat op welke perrons de trein zou kunnen vertrekken, maar dat weet je nooit zeker. Dat wordt omgeroepen vlak voor de trein vertrekt en als je dat niet verstaan hebt is het gokken.
De Talgo is een speciale trein in Spanje, waarvoor je een apart kaartje moet kopen. De trein heeft ook een aparte ruimte voor de bagage en voor de trein vertekt moet de bagage worden ingeladen. Voor de hoofdpersoon in de rij staat een Engelsman, een nieuwkomer in ‘Donker Spanje’ die geen speciaal kaartje heeft. Van de beambte, die langzaam rood wordt wanneer de Engelsman hem tegenspreekt moet hij een apart kaartje gaan halen, maar dan mist hij de trein…
In de Talgo komt er altijd een barbediende door de trein met een karretje maar die verkoopt nooit wat. Ondanks dat je plaatsen gereserveerd zijn moeten er toch altijd mensen staan; die discussiëren dan met de conducteur, die na lange inspectie het probleem ook niet kan oplossen en dan gewoon wegloopt.
De reisduur van de Talgo is iets korter dan die van de Rapido, maar op het eindpunt moet altijd de bagage er nog uitgehaald worden. Deze wordt door de conducteur in een met touw afgezet vierkantje geplaatst en pas als alles is uitgepakt begint het verdelen. Tussendoor je koffer pakken zit er niet in: daar ziet de politieman op toe.
Als de hoofdpersoon uit de bus stapt, pakt hij zijn bagage, maar neemt per ongeluk ook een andere tas mee. Als hij dit in de gaten heeft, is de bus al weg. Hij gaat naar het kantoor van de busdienst, maar de beambte verstaat hem niet. Daarop zet hij de koffer gewoon neer en loopt weg. Misschien is het er uiteindelijk toch nog goed mee gekomen.
Als je met de Rapido reist sta je meerdere malen stil, te wachten op een voorrangstrein, soms zelfs twee uur. Twee Duitsers in de trein willen weten waarom de trein zo lang stil staat en als ze buiten gaan kijken zien ze de machinist en conducteurs gezellig op de rails aan het lunchen. De Duitsers vinden het wel grappig.
De politieman die op ieder station aanwezig is, is daar niet om inlichtingen te geven. Hij hoeft er niets van te weten en doet dat ook niet. Geeft hij toch informatie, dan moet daar geen aandacht aan worden besteed.
Het station Noord in Madrid is verplaatst en ligt nu vele kilometers van het centrum. De uitgeputte reiziger die er aankomt, wacht een verrassing: hij moet wachten in de rij van honderd meter op een taxi om naar zijn hotel te komen.
Uit Burgos vertrekt de bus naar Madrid om 6 uur ’s ochtends. De hoofdpersoon vraagt de hoteleigenaar hem te wekken en dan meteen even koffie te zetten. Uiteindelijk wordt er ingestemd. Hij wordt gewekt, maar krijgt geen koffie. Daarom pakt hij uit wraak de krant maar mee. Op het station wil hij een kaartje kopen. Die komt met veel moeite uit een ingewikkelde machine rollen. De prijs: pts. 0,00
Hij wil vanuit Valdepeñas naar Granada met de TER. Een uur van tevoren is hij op het station om een kaartje te kopen. De beambte weigert hem echter en vijf minuten voor vertrek van de trein geeft hij het kaartje pas: naar Almería. Hij besluit dan ook maar naar Almería te gaan. Daar blijkt niets te zijn.
In Badajoz neemt hij een taxi naar een bank. Hij vraagt de taxi te wachten, maar binnen staat een vreselijk lange rij. Het angstzweet breekt hem uit en allerlei doemscenario’s komen in hem op. Eenmaal weer buiten staat de taxi er nog.
In Sevilla neemt hij de stadsbus. Hij legt zijn jasje met alle papieren en geld in het bagagerek. Als hij uitstapt, neemt een runner zijn koffer al en biedt hem aan hem naar een hotel te brengen. Dan komt hij erachter dat hij zijn jasje vergeten is. Hij laat de runner met zijn koffer wachten, springt in een taxi en rijdt de bus achterna. Die zien ze nergens en op het eindpunt staan wel tien bussen. Hij stapt de enige bus binnen die open is en daar ligt zijn jasje. Als hij terug is, blijkt ook de runner er niet vandoor met zijn koffer: hij krijgt een extra grote tip.
5. Het morele verval
De hoofdpersoon is gevraagd verslag te doen van de TT in Assen. Hij heeft toegezegd en gaat een dag eerder al naar Assen om de sfeer te proeven. Hij is goed voorbereid: hij heeft veel papier en een aantal pennen mee. Die avond drinkt hij te veel en de volgende morgen gaat hij met een kater naar de wedstrijd. Op de perstribune hoort hij iedereen voortdurend deskundig commentaar leveren en druk allerlei dingen noteren. Zelf heeft hij nog niets opgeschreven. Dan krijgt hij de indruk dat het oorverdovende geluid de aantrekkingskracht tot de sport is, noteert dat en loopt weg.
Eenmaal thuis zit hij uren boven de typmachine en hij kan geen goede openingszin bedenken. Het doet hem denken aan toen hij met zijn fiets in de stromende regen aan de rand van Möhnesee stond. Hij hoorde steeds wat geschreeuw achter zich en toen hij keek, bleek een man hem te wenken binnen in zijn huis te komen schuilen. Hij ging naar binnen, maar daar werd hij uitgehoord en dat is wel het laatste wat hij wil. Hij verzint wat leugens en probeert weer weg te komen. Uiteindelijk stapt hij gewoon op. De man zegt nog: “U zou wel gek zijn met dit weer te vertrekken,” waarop hij zegt: “dat ben ik ook, we zijn alle twee gek, alle twee helemaal gek!”
Uiteindelijk tikt hij het artikel en levert het in. Als hij het in de krant leest, vindt hij het best goed.
6. De toespraak van de generaal
De generaal houdt een toespraak. Hij vertelt zijn mannen dat ze niet hoeven te luisteren, want hij houdt zijn verhaal toch wel. Hij vertelt dat het doel van de expeditie het opheffen van het onrecht is. Het eiland dat ze moeten innemen is een grote kern van onrecht: als dat weg is, zal het onrecht in de wereld langzaam verdwijnen. Er zullen mannen sneuvelen, maar de generaal vecht mee aan het front.
Ondertussen liggen een aantal van zijn mannen met de ingehuurde prostituees uit Antwerpen te vrijen. De generaal vraagt alle mannen die niet willen ophouden met vrijen weg te gaan. Een kwart van zijn mannen verdwijnt naar de bosjes met de prostituees. Dan gaat hij verder: er is genoeg mondvoorraad. Hele dozen gevulde koeken, kano’s en rondo’s zijn ingeslagen.
Dan komt een van de weggestuurde mannen terug en vertelt dat een van de prostituees het loodje heeft gelegd en dat de anderen nu in staking zijn. De generaal weigert hier iets aan te doen en dan vertrekken de prostituees en de weggestuurde mannen. De generaal gaat verder met zijn strategie. Hij vertelt dat hij de beste strategie heeft: namelijk geen strategie, want altijd als generaals de ingewikkeldste strategieën hebben bedacht, leidt het tot domweg op elkaar inhakken en het is ook beter voor de mannen, want als zij dan gevangen worden genomen hoeven ze niet bang te zijn de strategie te verraden als ze gemarteld worden. Dan spoort hij de mannen aan om uit de rechtse kist zoveel gevulde koeken en rondo’s te halen als ze willen en uit de linkse kist hun wapens te pakken en hem te wekken als het donker is, want hij gaat nu even slapen.
Langzaam liep de generaal een café binnen. Aan de bar stond een man met een geweer om zijn schouders. Hij zegt hem: “denk maar niet dat je daarmee iets kunt uitrichten als het leger komt.” De vrouw achter de bar stelt de man dan gerust door te zeggen dat die man hier bekend staat als de generaal en elke keer weer binnen komt om Frankrijk te veroveren.
Tijd en ruimte
De tijd waarin het verhaal verteld wordt maar vooral de ruimte waar het zich afspeelt, verschilt per verhaal.
1. Dit verhaal speelt zich af in Keulen. Vervolgens fietst de hoofdpersoon weg en komt hij in een voorstad van
Keulen, Kalk, maar uiteindelijk komt hij weer terug in Keulen, op zoek naar een fietsenmaker. Het verhaal speelt zich ergens in de jaren zeventig af waarschijnlijk.
2. Dit verhaal speelt zich af in een grote stad in Nederland, een stad waar ook een universiteit gevestigd is. Het verhaal speelt zich geheel af in en rond het huis van de tante van de hoofdpersoon. De tijd waarin het verhaal speelt
is ook niet echt bekend, maar is waarschijnlijk in de jeugd van Bob den Uyl, omdat dit verhaal deels
autobiografisch is. Dat is dus in 1950 ongeveer (hij was 19 à 20 toen hij ging studeren).
3. Dit verhaal speelt zich af op een feestje ter ere van een man, die een of andere literatuurprijs gewonnen heeft. Het
enige dat te zeggen valt over de plaats waar het feest gehouden werd, is dat het ergens in het zuiden van het land moet zijn geweest, op ongeveer 1 uur rijden van Vlissingen, want aan het eind van het verhaal gaat de hoofdpersoon mee in de auto, op weg naar Zoutelande (in de buurt van Vlissingen) en stapt hij na ongeveer een uur uit bij het station in Vlissingen. De tijd waarin het verhaal speelt is weer moeilijk te zeggen, maar waarschijnlijk ergens in de jaren zeventig.
4. Donker Spanje speelt zich geheel af in Spanje, in onder andere de steden Toledo, Ciudad Real, Madrid, Burgos,
Valdepeñas, Almería, Badajoz en Sevilla, maar natuurlijk ook heel vaak onderweg in de trein of bus van de ene naar de andere plaats. Ook bij dit verhaal is weer moeilijk te zeggen in welke tijd het zich afspeelt, maar omdat er weer eigen ervaringen van de schrijver in verwerkt zitten, denk ik dat het in de jaren zestig en zeventig speelt.
5. Het morele verval speelt zich af in Assen, tijdens de TT in Assen, waarbij de hoofdpersoon aanwezig is om verslag te leggen. Daarna gaat de hoofdpersoon naar zijn huis (er wordt niet vermeld waar dat is) en komen er herinneringen bij hem boven aan een vakantie, waarin hij in de stromende regen aan de rand van de Möhnesee in Duitsland zat. De tijd waarin het verhaal speelt is waarschijnlijk de jaren zeventig, ergens aan het eind.
6. Dit verhaal speelt zich af in de duinen bij het plaatsje Bray Dunes. Daar houdt de generaal een toespraak voor wat hij denkt dat zijn mannen zijn, maar in werkelijkheid fantaseert hij dat alleen maar. Aan het eind van het verhaal stapt diezelfde generaal het café van Bray Dunes binnen. De tijd waarin het verhaal speelt is in dit geval helemaal niet te zeggen, omdat daar ten eerste niets over wordt gezegd en je daar ten tweede ook niet naar kunt raden doordat het verhaal (deels) autobiografisch is.
De wijze van vertellen
De wijze waarop het verhaal verteld wordt is bij de meeste verhalen wel hetzelfde. Alleen het laatste verhaal, ‘de
toespraak van de generaal’, wijkt daar van af. Dat verhaal wordt namelijk in de 3e persoon, oftewel de hij-vorm (de hij-
persoon is de generaal). De rest van de verhalen (1 t/m 5) wordt verteld in de ik-vorm en zijn vanuit het perspectief van
de schrijver geschreven. Sommige, zo niet alle van die verhalen zijn (deels) autobiografisch.
Spanning
Ook in dit boek was er een duidelijke spanning aanwezig. Zowel binnen een verhaal, als tussen de verhalen. De
spanning binnen een verhaal verschilde natuurlijk per verhaal, maar over het algemeen had ik toch het gevoel wanneer
ik aan het lezen was, dat ik verder wilde lezen, wilde weten hoe het nu verder ging. Dit komt denk ik met name door de
gebeurtenissen in het verhaal: dat zijn de dingen die zorgen voor de spanning. Het feit dat sommige gebeurtenissen in
het absurde zijn overdreven en dat de hoofdpersoon altijd een beetje pessimistisch tegen dingen aankijkt, waardoor er
vaak ook nog alleen maar erge dingen gebeuren, zorgt er alleen maar voor dat de spanning groter wordt en dat je nog
liever door wilt lezen, want je kunt in zo’n geval niet voorspellen wat er hierna zal gebeuren en dus wil je er achter
komen door verder te lezen.
Als ik eenmaal een verhaal uit had, was het niet zo dat ik het boek even rustig weg kon leggen, want dan wilde ik
weten wat er in het volgende verhaal stond te gebeuren, dus ook tussen de verhalen door zat een soort spanning.
Thema en motieven
Omdat dit boek bestaat uit verschillende verhalen, die weinig met elkaar te maken hebben, is het moeilijk hier iets
over een thema of motieven te zeggen. Wat wel opviel is dat de meeste verhalen toch altijd weer op de een of andere
manier de zinloosheid van het bestaan uitdrukken. In ieder verhaal worden schijnbaar nutteloze gebeurtenissen en
onbenulligheden uitgewerkt en uitgebreid beschreven, waardoor de lezer ook een gevoel van nutteloosheid meekrijgt.
Dat zou als hoofdthema van Den Uyls boeken kunnen worden aangewezen.
Bob den Uyl heeft daar zelf een heel andere mening over: “Een waarschuwing: in dit verhaal gebeurt niets.
Inderdaad, eindelijk een verhaal waarin niets gebeurt. Dank u. Jarenlang ben ik gebukt gegaan onder de heersende
mening dat er in een verhaal, vertelling of verslag iets wezenlijks dient te gebeuren. Op niet nader te omschrijven wijze
is me geopenbaard dat dit een misvatting is. Er gebeurt al genoeg. Dus eigenlijk ook weer niets.”
Ik vind het ook erg moeilijk om in deze verhalen motieven aan te wijzen, omdat die er niet echt zijn. Zoals
hierboven al geschreven staat, is het enige dat ik in de verhalen van Den Uyl herkende als thema/motief de zinloosheid
van het bestaan. Dat is dus ook het enige dat ik als motief zou kunnen aanwijzen.
Dat wordt bevestigd in een artikel uit HP/de Tijd, geschreven door Gerry van der List, waarin wordt verteld dat
Bob den Uyl voor zijn realistische verhalen geen moeite deed om zijn waarnemingen en bespiegelingen in een goed
gestructureerd verhaal samen te smeden. Ook had Den Uyl een intense afkeer van mensen van nieuwsgierige
journalisten die maar bleven doorzeuren, over drijfveren, thema’s, motieven en literaire technieken in zijn werk. Den
Uyl zei daarover: “Het zit bij mij vrij in elkaar. Ik kan daar niet zo goed over praten.”
Personages
1. Hoofdpersoon De hoofdpersoon in dit verhaal is een man die met de trein naar Keulen komt, en vervolgens
met zijn fiets daar in de omgeving wil gaan fietsen. Echter zijn pedaal blijkt kapot en hij moet dus terug om het te laten repareren. De man heeft een nogal pessimistisch wereldbeeld en heeft ook weinig vertrouwen in de Duitse (overigens evenals de Franse fietsenmakers). Hij drinkt vaak (te) veel.
Helmut Schrapke Hij is de enige fietsenmaker in Keulen die zijn fiets blijkt te kunnen repareren. Wanneer de
hoofdpersoon bij hem aankomt heeft hij echter een vrije morgen en weigert hij de fiets te repareren. De hoofdpersoon vreest het ergste als hij in pure wanhoop zijn fiets daar maar achter laat en door de stad gaat dolen, maar wanneer hij weer terugkomt is zijn fiets al gemaakt en kan hij weer weg.
2. Hoofdpersoon De hoofdpersoon in dit verhaal is een jongen die toen hij tien was zijn ouders verloren heeft.
Hij wordt vanaf dat moment verzorgd en opgevoed door zijn tante. In het begin doet hij nog precies wat ze van hem wil, maar later doet hij steeds minder aan zijn studie en krijgt hij een steeds groter wordende hekel aan zijn tante, die uitmondt in pure haat en moordneigingen. Uiteindelijk vermoordt hij zijn tante.
Tante Martha Ze is ongetrouwd en bijzonder rijk. Haar tak van de familie is altijd al bijzonder rijk geweest.
Ze zit in een rolstoel en heeft daarom een huishoudster om de dingen te doen die zij niet meer goed kan. Zij zorgt voor de hoofdpersoon vanaf zijn tiende. Haar opvoeding is niet heel streng, maar op de een of andere manier wordt de hoofdpersoon steeds door haar ‘geleid’ tot ze wel haar zin krijgt. Daar gaat de hoofdpersoon haar om haten en uiteindelijk wordt ze door hem vermoord.
De huishoudster De huishoudster weet, in tegenstelling tot alle anderen, wel dat de hoofdpersoon zijn tante
vermoord heeft en gaat hem dat na de moord steeds openlijker verwijten. Daarom vermoordt de hoofdpersoon ook haar maar.
3. Hoofdpersoon De hoofdpersoon is aanwezig op een feestje, terwijl hij eigenlijk geen flauw idee heeft
waarom hij uitgenodigd is. Hij drinkt erg veel en hij zegt de vreemdste dingen. Soms is hij midden in een gesprek en dan begint hij zomaar met iemand anders te praten. De absurde situaties waarin hij op die manier verzeild raakt zijn de basis van dit verhaal.
Anita Zij is een bekende van de hoofdpersoon en als zij hem verteld dat ze naar een bijeenkomst in
Zoutelande moet, staat hij er op mee te gaan. Zij stemt in, maar in de auto doet hij niet veel anders dan drinken, slapen en af en toe vreemde opmerkingen maken. Bij Vlissingen gaat hij er dan al uit en dan gaat hij nog even een paar keer met de pont overvaren van Vlissingen naar Breskens.
Ernst en Dientje Zij zijn ook twee bekenden van Anita en ook de hoofdpersoon kent ze. Zij blijken ook mee te
gaan naar Zoutelande, maar daar heeft de hoofdpersoon veel bezwaar tegen.
4. Hoofdpersoon De hoofdpersoon is een beetje een masochistische man, die vaak naar Spanje gaat. Daar is hij
inmiddels bekend met het inspannende duivelsspel van de treinen en busdiensten daar. Alles is afhankelijk van het toeval, duistere beweegredenen, gevolgen zonder verklaarbare oorzaken en het goede of slechte humeur van betrokkenen. Hij maakt er allerlei rampzalige dingen mee, die hem koud lijken te laten.
5. Hoofdpersoon De hoofdpersoon in dit verhaal is door een krant gevraagd om verslag te doen van de TT in
Assen. Hij gaat daar goed voorbereid naar toe, maar weet tijdens de race niets op te schrijven. Ook als hij thuis komt en aan het stuk moet beginnen zit hij voor de typmachine te zweten. De hoofdpersoon reist ook veel, want als hij na zit te denken over een openingszin voor zijn verslag, herinnert hij zich ineens een vakantie waarin hij in de stromende regen aan de rand van de Möhnesee zat. Uiteindelijk levert hij zijn verslag in, en het lijkt precies op alle andere sportverslagen, maar toch wordt hij niet meer door de krant gevraagd.
6. De generaal De hoofdpersoon in dit verhaal is ‘de generaal’, althans dat denkt hij. Eigenlijk is het een
man die niet helemaal meer bij zijn verstand is en denkt dat hij een generaal is. Hij moet dan zijn mannen toespreken voor zij aan een grote slag beginnen, om een eiland te veroveren. Een slag die van groot belang is in de strijd tegen het onrecht. Tijdens zijn toespraak luisteren zijn mannen eigenlijk niet en liggen ze te vrijen met de ingehuurde prostituees uit Antwerpen. Aan het eind van zijn toespraak valt de generaal in slaap en dan wandelt hij een café binnen, waar iedereen hem kent als de man die denkt dat hij generaal is en Frankrijk gaat veroveren.
Titel, ondertitel en motto
De titel van dit boek, ‘Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam’, wordt in het begin van het vierde verhaal, ‘Donker Spanje’, uitgelegd:
“De uitspraak ‘Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam’ lijkt ontworpen voor de Spaanse busdiensten en spoorwegen. Vaak ga ik naar Spanje, de masochist in mij wordt er volkomen bevredigd. Alles is daar afhankelijk van het toeval, duistere beweegredenen, gevolgen zonder verklaarbare oorzaak, en het goede of slechte humeur van betrokkenen. Een inspannend duivelsspel.
Val niemand lastig met mededelingen dat een bepaalde dienstregeling verbeterd is. Dat zijn ze niet. Alle veranderingen betekenen daar alleen veranderingen, geen verbeteringen. Ongekunstelde tragiek, en zo blijft het.”
Wat voor Spanje geldt, geldt eigenlijk voor alle verhalen in het boek. Alles lijkt inderdaad afhankelijk van het toeval en vandaar dat deze titel gekozen is voor het gehele boek.
De ondertitel van dit boek, ‘Verhalen’, is een verwijzing naar wat er in dit boek te vinden is, namelijk verhalen.
Dit boek heeft geen motto.
Eindoordeel
Het onderwerp
Ik vond het onderwerp van dit boek interessant. Eigenlijk is het een beetje hetzelfde onderwerp als in de meeste boeken van Den Uyl, over de zinloosheid van het bestaan, waarbij allerlei vreemde situaties worden geschetst. Vooral zijn reisverhalen vind ik erg leuk, omdat dat ook goed herkenbaar is binnen mijn eigen belevingswereld. De manier waarop Den Uyl de situatie rondom de spoorweg- en busmaatschappijen in Spanje bespreekt in het verhaal ‘Donker Spanje’ vind ik geweldig leuk en mooi.
Net als Bob den Uyl gaan wij ook wel eens op vakantie met de fiets en we hebben inderdaad een keer in een vergelijkbare situatie gezeten als in het eerste verhaal, ‘Het rechtzetten van een misverstand’, gezeten. Op dat moment besef je dat niet, je baalt alleen vreselijk, maar als je er later aan terugdenkt bij het lezen van dit verhaal moet je er juist om lachen, mede door de manier waarop Bob den Uyl met die situatie omgaat. Het is heel herkenbaar.
Mijn vader is ook een groot liefhebben van de boeken van Bob den Uyl, omdat hij het vaak roerend met hem eens is. Ik ben het iets minder roerend met hem eens, maar af en toe geef ik Den Uyl ook helemaal gelijk en daarom zijn z’n boeken ook erg leuk om te lezen, vooral wanneer je zo’n punt tegenkomt waarop je het helemaal met hem eens bent.
De verhalen hadden zeker voldoende diepgang. Dat komt onder andere ook doordat Den Uyl vaak via een grote omweg naar het eind van zijn verhaal toewerkt. Hij begint ergens over en dan herinnert hij zich weer heel wat anders en gaat daar over verder schrijven, totdat hij na een tijdje weer terugkomt bij ‘het begin’. Dat is vaak wel leuk om te lezen, je blijft er oplettend door, maar soms is het ook niet zo leuk.
De gebeurtenissen
De gebeurtenissen waren zeker het belangrijkst in het boek. De hoofdpersoon raakt altijd in vreemde situaties en gesprekken verstrikt en met veel gestuntel struikelt de hoofdpersoon dan van de ene rampzalige situatie in de andere. Bijna alles gaat altijd mis in zijn verhalen. Op een zwartgallige toon doet Den Uyl verslag van de ongemakken die de hoofdpersoon tegen het lijf loopt. Alle gebeurtenissen worden met een droge humor beschreven en dat maakt ze nog leuker om te lezen.
Het aantal gebeurtenissen was wel erg groot, maar in dit geval ook nodig, omdat het de bedoeling van de schrijver was dat de hoofdpersoon van de ene ongelukkige gebeurtenis in de andere zou vallen: daarvoor zijn er veel gebeurtenissen nodig.
De meeste gebeurtenissen waren wel geloofwaardig, maar dat al die gebeurtenissen achter elkaar en allemaal plaatsvonden is iets minder geloofwaardig. Enkele gebeurtenissen zijn minder geloofwaardig, zoals in het tweede verhaal, ‘Verlangens van gedresseerde ratten’, waarin de hoofdpersoon zijn bijzonder rijke tante en diens huishoudster om zeep helpt, maar Den Uyl kan dat erg geloofwaardig beschrijven en overbrengen, dat je gaat denken dat het echt gebeurd is, maar eigenlijk is dat niet zo.
De personen
De hoofdpersoon kwam altijd levensecht over. Dit komt ook omdat de meeste verhalen (deels) autobiografisch geschreven zijn. Veel gebeurtenissen zijn gebaseerd op ervaringen van de schrijver zelf en de hoofdpersoon in die verhalen is dan ook vaak eigenlijk de schrijver zelf. Daarom komt die persoon erg echt over, simpelweg omdat een aantal dingen ook echt zijn gebeurd.
Ik kon me ook goed inleven in de hoofdpersoon, omdat ik me de situaties waarin die verkeerde vaak goed kon voorstellen en ik me dan ook goed kon voorstellen hoe die persoon zich daarin voelde. Vaak ging ook alles mis voor die persoon en dat werd door Den Uyl met hele droge humor beschreven. Die manier van schrijven vond ik erg leuk en daarom kon ik me ook goed in de hoofdpersoon inleven.
De hoofdpersoon uit de verhalen in dit boek keek vaak erg pessimistisch tegen de wereld aan. Dat vind ik in eerste instantie een negatieve eigenschap, maar dat maakte de verhalen wel veel en veel leuker en daarom vind ik het in dit verhaal eigenlijk toch wel een positieve eigenschap. Datzelfde geldt ook voor het feit dat de hoofdpersoon vaak te veel dronk en daardoor in de vreemdste gesprekken verzeild raakte en altijd een verkeerde opmerking maakte.
De opbouw
Ik vond dat het verhaal niet moeilijk was opgebouwd; het was gemakkelijk te lezen voor mij. Zoals bij ‘Thema en
motieven’ al staat, deed Den Uyl geen moeite om zijn waarnemingen en bespiegelingen in een goed gestructureerd
verhaal samen te smeden. Vaak begint hij ergens mee, en vervolgens dwaalt hij af via herinneringen en mededelingen
totdat hij na een tijdje weer terug is bij het begin. Daar zit bij hem inderdaad geen structuur in. Desondanks vond ik het
toch niet moeilijk om te lezen. Alles was te begrijpen.
Het taalgebruik
Het taalgebruik in het boek vond ik ook niet moeilijk, alles was te volgen en te begrijpen en de gebeurtenissen werden
op een, weliswaar zwartgallige, maar ook heldere manier beschreven. De dialogen die er in voorkwamen, werden,
afgezien van dat ze over het algemeen helemaal niet natuurlijk waren, want de hoofdpersoon raakt met de vreemdste
mensen in gesprek en zegt vaak ook hele rare dingen, wel natuurlijk weergegeven.
---
“Ik besloot er een aantekening van te maken om het thuis nader uit te werken, extra rust ontlenend aan de wetenschap dat ik dit uit luiheid, die eigenschap waaraan vooral erg intelligente mensen lijden, toch niet zou doen.” (pagina 8)
“Elke Duitser denkt dat hij alles kan. Ik geloof dat alle catastrofes van het verleden zijn terug te voeren op een massaal, ziekelijk, koortsachtig optimisme bij het Duitse volk dat alleen in het heden denkt, vergezeld van een individueel te koop lopen met allerlei huilerige klachten over pech en tegenslag en langzaam voortschrijdende, ongeneeslijke kwalen.” (pagina 16-17)
“Och dat valt best mee, ik doe altijd of ik dronken ben, vooral als ik dronken ben.” (pagina 63)
“Het centrum van Assen is een plaats waar je heel voorzichtig moet lopen: één verkeerde stap en je bent er weer uit, en zelfs als je er in bent knaagt voortdurend de twijfel of dat nu wel echt zo is. Daarbij is het stratenplan zo simpel dat je er steeds in verdwaalt: de geest, gewend aan listen en lagen, wil er gewoon niet aan.” (pagina 99)
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons dan weten.
a d v e r t e n t i e
Iets met aardrijkskunde studeren?
Oriënteer je dan goed want elke opleiding heeft z'n eigen specialisme. Heb je in A'dam of Utrecht nog niet de juiste opleiding gevonden? Kijk dan ook bij Wageningen University. Daar combineer je aardrijkskunde met technologie of economie. Bijvoorbeeld: hoe kun je de zeewering versterken tegen overstromingen? Je doet dus meer met aardrijkskunde.

Charlot had hartkloppingen voor haar interview met Carry Slee. Lees het interview hier en win een gesigneerd boek!