Scholieren.com maakt gebruik van cookies

Scholieren.com gebruikt cookies onder andere om de website te analyseren en te verbeteren, voor social media en om er voor te zorgen dat je voor jou relevante advertenties te zien krijgt. Je geeft, door gebruik te blijven maken van deze website of door op 'cookies zijn ok!' te drukken, aan akkoord te zijn met het gebruik van cookies op Scholieren.com. Meer weten over deze cookies, klik dan hier.

Cookie-instellingen wijzigen

Functioneel Noodzakelijk voor het functioneren van de website (vereist)
Statistieken Voor analyse doeleinden om de website te verbeteren (vereist)
Social media Voor het laten functioneren van like buttons
Advertenties Om bij te houden welke advertenties je al hebt gezien en hoe vaak

Scholieren.com zoekt: scholieren met fotografietalent  en schrijftalent en 'n afgestudeerde (volwassen) webdeveloper

Stem wijzigen? Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

De zwarte met het witte hart

bovenbouw havo/vwo

3 uit 5

psychologische roman, geschiedenis

Discriminatie

Genomineerd AKO Literatuurprijs 1997

7.7 / 10
246 stemmen van bezoekers
5e klas vwo
niveau
  • Judith
  • NL
  • 6045 woorden
  • 40957 keer
    156 deze maand
  • 7 februari 2006

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.

Titel: De zwarte met het witte hart
Auteur: Arthur Japin
Uitgever: Uitgeverij de arbeidspers
1ste druk: 1997

I Externe gegevens

Biografische gegevens
Arthur Japin werd op 26 juli 1956 geboren in Haarlem. Zijn vader was onder andere toneelrecensent en de liefde voor het toneel zat er dan ook al vroeg in. Hij had geen leuke jeugd; zijn vader pleegde zelfmoord toen hij dertien was en hij werd erg gepest.


Na het behalen van zijn gymnasium diploma volgde hij een opleiding aan een toneelschool in Londen. Daarna studeerde hij twee jaar Nederlandse Taal en Letterkunde in Amsterdam en uiteindelijk ging hij naar de Amsterdamse Theaterschool, waar hij in 1982 afstudeerde. Daarna speelt hij diverse rollen op radio en televisie. In 1987 stopt hij met acteren en begint hij met schrijven.
Hij debuteerde in 1996 met “Magonische verhalen”. Tegenwoordig woont Japin in Utrecht.

Andere belangrijke werken
Arthur Japin debuteerde in 1996 met de verhalenbundel “Magonische verhalen”. In 1997 volgde de roman “De zwarte met het witte hart”, als resultaat van ruim tien jaar onderzoek. Het werd in veel talen vertaald.
In de tussenliggende periode schrijft Japin ook scenario’s, hoorspelen en toneelstukken, waarmee hij diverse literaire prijzen won.
In 2000 worden enkele “Magonische Verhalen” verfilmd. In maart 2002 verschijnt De droom van de leeuw, een grote roman over liefde en verbeelding. In 2003 wordt Een schitterend gebrek gepubliceerd, dat het jaar daarop de Libris literatuurprijs ontvangt.

Algemene thematiek
Japin begon pas in 1996 te publiceren. Kenmerkend voor zijn werk is het samengaan van werkelijkheid en verbeelding, het spel met de werkelijkheid. Tekenend in dit verband is wat hij in een interview met Monica Soeting vertelde: 'Op het moment dat ik ga zitten om te schrijven, worden de feiten fantasie. Dan komt er een stem die niet de mijne is en die ik ook niet kan besturen. Die stem neemt alles over. Het hele schrijfproces is een proces waarin je je aan je fantasie durft over te geven. Veel mensen denken dat je concentratie nodig hebt om te schrijven, maar het tegenovergestelde is waar. Schrijven heeft met anti-concentratie te maken; je moet alles loslaten en je mee laten voeren' ( boek-delen , jrg. 2, nr. 2, juni 2002).

Daarnaast schrijft Japin veel ‘gedocumenteerde fictie’. Verhalen over waargebeurde dingen, die hij heeft geromantiseerd en bewerkt. Zo deed hij bijvoorbeeld voor het boek ‘de zwarte met het witte hart’ zo’n tien jaar onderzoek. Hij schrijft vooral historische Romans, die zich vaak in het buitenland afspelen, of er minstens een link mee hebben.

Algemeen oordeel kritiek
Vooral over De zwarte met het witte hart waren de meeste recensies zeer lovend. Johan Diepstraten sprak van 'één vloeiend spectaculair verhaal (...) dat moeiteloos de vergelijking kan doorstaan met de veelgeprezen historische romans van de laatste jaren' ( De Stem , 22 mei 1997). Janet Luis was van mening dat Japins verdienstelijke debuutbundel Magonische verhalen verbleekte 'bij de rijkdom, de levendigheid en de overtuigingskracht van De zwarte met het witte hart ', een roman 'die door een meesterhand gecomponeerd is' ( NRC Handelsblad , 20 juni 1997). Jan Blokker ten slotte noemde het boek 'een gedenkwaardige roman, met een donkere boodschap voor iedereen die in naïeve bevlogenheid de zegeningen predikt van een multiculturele samenleving die onder handbereik zou liggen' ( de Volkskrant , 13 juni 1997).
Over De droom van de leeuw waren de meningen van de critici nogal verdeeld. Rob Schouten bijvoorbeeld schreef: 'Dit is geen roman over de echte achterkamertragiek van mislukte carrières van hoopvolle maar middelmatige acteurtjes. Daarvoor is het allemaal te ongelijk en te veel in beweging. Je loopt als lezer tegelijkertijd over een cakewalk en door een spiegelpaleis van gebeurtenissen. De gebeurtenissen zijn droomachtig en hallucinant, de personages hebben veel weg van karikaturen. Maar vervelend is het beslist niet. Steeds tovert Japin wel weer iets nieuws uit de historisch-fictionele-fantastische hoed' ( Trouw , 23 maart 2002). Uitgesproken negatief was het oordeel over deze roman van Arjan Peters ('een ongenietbare suikerspin, een roze schuimwolk zonder waarachtige kern', de Volkskrant , 1 maart 2002) en Janet Luis ('Teveel woorden, teveel zinnen, teveel beelden, teveel figuren en teveel scènes', NRC Handelsblad , 1 maart 2002). Jeroen Vullings echter sprak zeer lovende woorden: 'Werkelijk schitterend is het portret van Gala en Maxim als de twee jonge dromers die naar Rome reizen' ( Vrij Nederland , 9 maart 2002).
Overwegend positief waren de reacties op Een schitterend gebrek . Marja Pruis constateerde in De Groene Amsterdammer (4 oktober 2003) dat het hier een roman betrof 'waarin alles klopt, die gaaf is als een klassiek gedicht en een zelfde aangrijpend inzicht biedt'. Arnold Heumakers sprak in NRC Handelsblad (3 oktober 2003) zelfs van 'superieur literair machtsvertoon'. Kritsch was Thomas van den Bergh ( Elsevier , 27 september 2003). Hij had ook nu moeite met Japins stijl en sprak van 'een massief brok levenloos proza'. De roman werd bekroond met de Libris Literatuur Prijs 2004. De prijsuitreiking ging met een rel gepaard, omdat de naam van de winnaar voortijdig uitlekte, waardoor de rechtstreekse televisieuitzending in het water viel.

II Interne gegevens

Samenvatting
Het boek begint met een overpeinzing vanuit Java, rond 1900. ‘Kleur heb je nooit zelf, kleur krijg je door anderen.’ Raden Aquasi, prins, woonachtig te Java, kijkt na een lang leven terug op zijn vergeten verleden. Hij zet voor zichzelf de feiten eens op een rijtje, maar komt niet veel verder dan: ‘Ik ben Aquasi Boachi, geboren prins der Ashanti, opgevoed in Delft en woonachtig te Java. Dan gaat hij terug in het verleden…
West-Afrika, 1836-1837
Kwasi en Kwame, twee jonge prinsjes uit het rijk van de Asantehene, Kwasi’s vader en koning van het rijk, zijn gelukkig samen en hebben een hechte band. Op een dag komt er een stoet met vooraanstaande Hollanders te gast, en wanneer zij weer vertrekken wordt besloten dat Kwasi en Kwame met hun mee zullen gaan, om in Holland te gaan studeren en om zo de communicatie tussen beide landen te verbeteren. Wanneer zij in Holland zijn en naar school gaan blijkt dat ze allebei erg slim zijn. Kwame is erg creatief en Kwasi erg wiskundig. Hun namen worden veranderd in Aquasi en Quame, omdat dat mooier staat. Omdat ze vanwege hun donkere huidskleur veelal genegeerd worden, steekt Aquasi veel tijd in zijn studie en doet hij veel moeite om zijn geboorteland te vergeten en zich aan te passen. Quame daarentegen kan niet aan dit leven wennen en is erg ongelukkig. Binnen een paar jaar is Aquasi zijn hele geboortetaal al bijna vergeten en Quame neemt hem dat zeer kwalijk.
Ze komen nooit ergens anders dan binnen de schoolpoorten tot ze op een dag samen boodschappen moeten gaan doen. Quame gaat vast vooruit met het gehaalde brood, terwijl Aquasi nog wat rondslentert. Dan wordt hij in zijn maag gestompt door een jongen van school; Verheeck, die hem bedreigt. Van nu af aan moet hij elke keer als hij Verheeck tegenkomt zeggen: ‘Ik ben een vieze, vuile, zwartjakker.’ Dan weet hij nog niet wat dat betekent en hij zegt het telkens snel om niet geslagen te worden…
Dan op een nacht hebben alle jongens vreselijke diaree door verkeerde voeding, en dat terwijl er maar een closet voor hen is… Aquasi rent naar het prive-closet van de meester en doet zijn behoefte. Als dan Cornelius, een jongen van school, binnen komt stormen vraagt Aquasi hem om erbij te komen zitten. Samen zitten ze daar door de natuur gedwongen een hele tijd, en vanaf dan zijn ze vrienden. Cornelius leert hem te vechten en zo valt Verheeck hem ook niet meer lastig.
Via via komen de twee prinsen in contact met het koninklijke hof, ze mogen Sinterklaas komen vieren bij Anna Paulowna en haar dochtertje Sophie van 14. Ze sluiten vriendschap met hen en langzamerhand wordt Aquasi verliefd op Sophie. Quame vind het maar niks en hij en Aquasi krijgen steeds vaker ruzie om allerlei dingen; Quame vindt het boksen van Aquasi maar stom, en wanneer Aquasi aanbiedt om voor zwarte Piet te spelen op het hof, krijgen ze hevige ruzie.
Na hun lagere school periode gaat Aquasi studeren en Quame gaat naar de militaire academie.
Aquasi houdt wanneer hij lid is geworden van het exclusief studenten-dispuut “de Vijf Kolommen” een toespraak en hij verwijst daarin terug naar de cultuur van zijn geboorteland. Hij vertelt over tradities waarbij mensen worden afgeslacht en over de verminking van vrouwen. Hij spreekt openbaar zijn walging uit over zijn afkomst en Quame die achter in de zaal zat, rent weg…
Quame is met het leger vertrokken uit Nederland. Hij heeft besloten terug te keren naar het rijk van de Asantehene. Maar wanneer hij zijn aankomst bericht, krijgt hij een boodschap terug waaruit blijkt dat hij niet mag wederkeren. Hij zou zijn taal te veel zijn verleerd en in het kamp waar hij vastzit, kan niemand hem die taal nog leren. Hij is wanhopig omdat zijn leven mislukt is en pleegt dan zelfmoord…
Quasi werkt ondertussen in Nederlands-Indie onder leiding van Cornelius, zijn jeugdvriend waar hij ruzie mee kreeg. Hij wil op den duur graag een hogere positie gaan beoefenen, maar wat hij ook doet hij mag niet hogerop. Hij is hier erg ongelukkig en krijgt dan uiteindelijk toestemming om hier weg te gaan. Hij krijgt een plantage op Java en sindsdien woont hij daar dus.
Wanneer hij dan in 1900 op Java eindelijk achter de waarheid komt, namelijk dat men hem altijd gedwarsboomd heeft in zijn carriere, omdat hij zogenaamd slechte dingen over het hof zou hebben gezegd, en omdat hij zwart was, is hij verdrietig. Maar eigenlijk is hij zijn hele leven al een buitenbeentje geweest dat er probeerde bij te horen, dat hij dat al lang opgegeven heeft op Java. Een Nederlands commissaris genaamd van Drunen zegt dan tegen hem:
‘Vroeger, toen ik u en Kwame bij uw ouders weghaalde, heb ik u de Nederlandse staat als nieuwe moeder voorgesteld. Ik had geen idee dat zij alleen haar eigen kinderen voedt en die van anderen te vondeling legt.’

Thematiek
Het thema van deze roman is: de onmogelijkheid om je volledig aan te passen aan een ander volk. Zowel Kwasi en Kwame ondervinden hoe zij ontworteld zijn van hun eigen volk, maar ondertussen ook niet volledig kunnen ‘vernederlandsen’. Hoewel Kwasi wel erg in de richting komt (het boek heet niet voor niets ‘de zwarte met het witte hart’), maar door de houding van de Nederlanders (eind 19de eeuw) ten opzichte van de twee donkere prinsen blijven Kwasi en Kwame toch buitenstaanders.

Titelverklaring
De titel van dit boek ‘de zwarte met het witte hart’ slaat natuurlijk op Kwasi. Hij past zich aan aan de Nederlandse cultuur. Zijn huidskleur blijft zwart, maar hij denkt als een blanke en hij voelt zich ook een blanke. In het boek zijn tal van voorbeelden te vinden waaruit dit blijkt. Heel duidelijk uit het volgende fragment, waarin Kwasi een foto van zichzelf bekijkt.
“Ik bewoog de plaat in mijn hand heen en weer. Het ene moment verbleekte de jongeman, het volgende versomberde hij. Zwart, wit, zwart, wit verscheen ik voor mijn eigen ogen, zwart, wit, besluiteloos. Het procédé van monsieur Daguerre, de positief-negatief werking van de spiegelplaat, had de werklijkheid afgebeeld én het tegendeel. Het leven en de droom.
Ik kneep mijn slechte oog dicht. Ik doofde de lamp om de schittering te doen minderen. Maar wat ik ook probeerde, ze bleven allebei zichtbaar, Kwasi en Aquasi. Zwart, wit, zwart, wit, zwart, wit.
Zo draagt die ene afbeelding twee jongmannen in zich, een blanke met een zwarte schaduw, een donkere met een witte zielenschim. Twee mannen, de één gedoodverfd door de ander, in één portret vereeuwigd. Die mannen ben ik allebei geweest.

Motieven
De tegenstelling Zwart-wit – Dit motief komt overal in het boek terug en natuurlijk ook in de titel. Het is een tegenstelling tussen Kwasi’s huidskleur en Kwasi’s denken.
“Op een dag zat ik, als jongeman, op mijn vaste bank in het park bij Weimar, dat naar mij Ashanti’s H:Ohe wordt genoemd. Ik liet twee van de kinderen, een jongen en een meisje, die daar altijd aan het spelen waren, paardjerijden op mijn knie. Het meisje streelde mijn wang en zei: ‘Jij, zwarte met je witte hart.’
Ik wist niet wat te antwoorden van ontroering. Toen keek ze in de palm van haar hand of ik niet had afgegeven.”
Zwart-wit is ook een tegenstelling tussen Kwasi en Kwame aan de ene kant en de blanke Nederlanders aan de andere kant. Kwasi en Kwame worden steeds geconfronteerd met deze tegenstelling.

Discriminatie – Op straat worden de twee prinsen nagekeken. Ouders trekken snel hun kinderen weg als Kwasi en Kwame langslopen. Op de kostschool horen Kwasi en Kwame er nooit echt bij.
“ ‘We horen er nou toch bij, of niet soms?’ Ik stompte hem. Hij werd niet kwaad, maar greep mijn pols, eerst stevig zodat ik hem niet los kon wrikken, toen zacht, nadrukkelijk, zodat ik niet wilde dat hij los zou laten.
‘Wij worden geduld, dat is niet hetzelfde.’
Daarnaast zou je kunnen stellen dat Kwasi en Kwame zelfs door de Nederlandse regering worden gediscrimineerd. Ze kosten veel geld en daarom is de Nederlandse regering helemaal niet blij met deze twee Afrikaanse prinsen.
‘Vroeger, toen ik u en Kwame bij uw ouders weghaalde, heb ik u de Nederlandse staat als nieuwe moeder voorgesteld. Ik had geen idee dat zij alleen haar eigen kinderen voedt en die van anderen te vondeling legt.’

Verraad - Op een aantal momenten staat Kwasi min of meer als een verrader tegenover zijn neef. Dat blijkt ondermeer als Kwasi voor Zwarte Piet speelt en Kwame op zijn weg vindt.
‘Hij stond stokstijf te midden van het tumult met gebalde vuisten. Misschien huilde hij ook wel. In elk geval sloeg hij mijn muts van mijn hoofd, rukte als een gek aan mijn jak tot het scheurde, waarna hij wegholde.’
Het hoogtepunt van het verraad vindt plaats als Aquasi in zijn toespraak als bestuurder van de studentenvereniging een verhandeling geeft over zijn eigen volk.
“Ik geef toe dat ik de woorden zo hard en onverbloemd had neergeschreven om mijn vrienden van Phoenix voor eens en voor al te overtuigen dat ik het leven van de wilden achter mij had gelaten. Dat ik nu een van hén was. Maar op dat moment dat ik Kwame zag -ook al was ikzelf het instrument van zijn ontreddering- verbleekte ieder eigenbelang. Ik sprak uitsluitend nog tot hem. Via hem tot de rest. Ik verketterde achtereenvolgens het geloof, de gebruiken en het denken van mijn voorvaderen. Wetenschat en traditie. De familie en de sociale omgang. De goden, de levenden en doden. Liefde en werk. Eén voor één. Alsof ik mijn wortels uit mijn eigen vlees moest losrukken”

Isolement - Niet alleen Aquasi komt op het einde van zijn leven in een isolement terecht. Er zijn meer figuren die door de omstandigheden gedwongen in een geïsoleerde positie leven. Kwame is na zijn terugkeer in Afrika eveneens vereenzaamd. Hij krijgt dromen waarin zijn moeder hem komt bezoeken.
Anna Paulowna leeft erg eenzaam aan het hof. Van Drunen zet zich af tegen de geldende regels en trekt zich terug uit de actieve dienst. Ook Cornelius de Groot kun je een eenzaam man noemen. Het huwelijk is zijn enige troost en hij verliest juist twee echtgenotes.

Karakterbeschrijvingen
Kwasi – Hij is de ikpersoon in het boek. Hij kijkt als bejaarde man vanuit zijn koffieplantage op Java terug op zijn leven.
Toen hij naar Nederland werd gehaald heeft hij, in tegenstelling tot zijn neef Kwame, zijn uiterste best gedaan om de Nederlandse gewoontes over te nemen. Hij is een erg intelligente jongen. Al snel heeft hij de Nederlandse taal onder de knie en hij doet goed zijn best op de kostschool. Hij is vooral geïnteresseerd in de exacte wetenschap en ook bestudeerd hij klassieke geschriften en ook filosofen. Samen met prinses Sophie kan hij daar over praten en discussiëren. Tussen hem en Sophie ontstaat zo’n hechte vriendschap dat hij verliefd op haar wordt. Dit verteld hij haar ook, maar Sophie beantwoord de liefde niet.
Als Kwasi een jaar of zestien is heeft hij genoeg geleerd op de kostschool en gaat hij studeren. Hij studeert mijnbouwkunde in Delft. Hij stort zich volledig in het studentenleven; hij wordt lid van een studentenvereniging ‘Phoenix’, hij maakt vrienden en gaat uit. Uiteindelijk wordt hij ook lid van een exclusief dispuut, genaamd ‘de Vijf Kolommen’. Bij zijn toetreding moet hij een toespraak houden. Daarin zweert hij zijn oude cultuur volledig af. Hij maakt duidelijk dat hij dan wel zwart mag zijn, maar toch een wit hart heeft.
Nog tijdens zijn studie vertrekt hij naar Weimar, waar prinses Sophie, die intussen getrouwd is met de groothertog daar, woont. In Weimar studeert hij verder en maakt kennis met filosofen en wetenschappers van die tijd. Enkele maanden na de dood van zijn neef Kwame vertrekt Kwasi voor zijn studie naar Nederlands-Indië. Daar komt hij onder een oude vijand te werken. Kwasi is altijd meegevend geweest en hij komt niet in protest, ondanks dat hij slecht secretaris is, in plaats van iets met zijn studie te kunnen doen. Kwasi is wel een doorzetter. Hij blijft brieven aan de Nederlandse regering schrijven om een eigen stuk land. Aan dit verzoek wordt maar geen gehoor gegeven, totdat hij zelf naar Nederland gaat. Dan krijgt hij een onbruikbare koffieplantage toegewezen. Op deze plantage slijt hij de volgende 50 jaar van zijn leven (en de rest). Op deze plantage ontdekt hij het complot waarmee hij en Kwame naar Nederland zijn gehaald en hij komt er achter dat hij steeds door de Nederlandse regering is tegengewerkt. Hij is niet boos of verdrietig. Hij is immers zijn hele leven al tegengewerkt.

“Wat kunnen we doen, wij die niet kleuren bij de massa? In het hospitaal zweefde mij die vraag voor de ogen. Blind in de nacht overwoog ik elke uitvlucht en ieder compromis. Toen de ziekenhulp mij uiteindelijk het verbandgaas afnam, zag ik twee mogelijkheden.
1. Profileren. Dat, waarin wij van onze omgeving verschillen, cultiveren. Doorgronden waarin wij wezenlijk anders zijn, beter of slechter, maar hechten aan onze excentriciteit. Haar koesteren als een schat die ons unieke eigendom is. Dat leek mij een weg van eindeloze eenzaamheid. (...)
2. Egaliseren. De verschillen inventariseren en wegmoffelen waar mogelijk. Dat betekent dat je je persoonlijkheid onophoudelijk moet bijvijlen, vermommen, omvormen en die van de anderen overnemen. Het goede in je omgeving imiteren. Accentueer alleen het weinige dat je met anderen gemeen hebt en hou al de rest zo goed mogelijk verborgen. (...)
Kwame sloeg de eerste weg in, ik de tweede. Het een lijkt moedig, het ander laf. Dat is een vooroordeel, een makkelijke mening van wie nooit alleen hebben gestaan. Vechten tegen jezelf is bepaald niet makkelijker dan vechten tegen de rest. Alleen minder opvallend.”


Kwame – Kwame vergaat het anders in Nederland. In tegenstelling tot zijn neef past hij zich niet zo makkelijk aan. Hij wil zijn oude cultuur niet verloochenen.
Ook Kwame is een erg intelligente jongen al heeft hij meer aanleg voor de creatieve dingen als het pianospel en de schilderkunst. Kwame laat zich minder snel overhalen om iets te doen voor Nederlanders. Zo willen koninklijke leden vaak dat hij iets voor hen speelt op de piano. Kwame weigert dit echter vaak. Hij wil geen bezienswaardigheid zijn.
Kwame sluit wel vriendschappen. Hij kan ook goed opschieten met prinses Sophie en als hij, wegens een achterstand een jaar later dan Kwasi, gaat studeren, krijgt hij ook vrienden, al blijft hij altijd een beetje een eenling.
Na een jaar studeren houdt hij het voor gezien en gaat het leger in. Daarmee vertrekt hij naar Afrika, naar de kust bij Ghana. Hij wil dolgraag terugkeren naar het rijk der Asanthene, zijn geboorteplaats. De koning hier, zijn oom, wil hem echter niet ontvangen. Hij geeft als reden op dat Kwame zijn oude taal niet meer beheerst, maar er spelen ook andere belangen, die te maken hebben met de relatie tussen de Nederlanders en Ashanti.
Kwame geeft niet op. Hij probeert zich zijn oude cultuur weer eigen te maken. Dit gaat moeizaam en hij moet tot de conclusie komen dat hij ontworteld is. Toch gaat hij door, maar hij is eenzaam. Hij schrijft wel veel aan zijn neef en beste vriend Kwasi. Ondanks dat deze de Ashanticultuur heeft afgezworen houdt hij nog zielsveel van hem.
“Lieve vriend, nogmaals: van mijn gang naar Kumasi benauwt mij slechts het idee afgesloten te zijn van nieuws. Wat als je ziek wordt? Wat als je me iets te zeggen hebt? Ik kan me niet heugen dat wij ooit onbereikbaar voor elkaar waren. Ik weet dus niet wanneer ik me weer tot je kan richten en neem de gelegenheid te baat te zeggen dat ik van je hou. En wat nu we mannen zijn geworden misschien belangrijker is: dat ik je respecteer in de keuzes die je maakt. Ik denk dat je begrijpt wat ik bedoel. In liefde, je Kwame.
Kwame is zelfs zo wanhopig dat hij zich inbeeld dat zijn moeder hem komt opzoeken. Na zo’n drie jaar aan de Afrikaanse kust te zijn verbleven pleegt hij zelfmoord.

Sophie – Zij is de dochter van de koning en diens vrouw Anna Paulowna. Ze krijgt een goede opleiding en is geïnteresseerd in filosofen en ze is gefacineerd door de nobele wilden, Kwasi en Kwame. Tussen haar en de prinsen ontstaat een hecte vriendschap. Sophie trouwt met de groothertog van Weimar, maar ze blijft altijd veel waarde hechten aan haar vriendschap met de prinsen. Sophie heeft een grote fantasie en beeld zich allemaal romantische dingen in over het verleden van Kwasi en Kwame. Sophie groeit op tot een verstandige evenwichtige vrouw.

Cornelius de Groot – Op de kostschool neemt hij het als enige op voor Kwasi en Kwame. Hij geeft Kwasi boksles om zichzelf te verdedigen, maar door een klein voorval veranderd zijn houding ten opzichte van Kwasi en Kwame. Vanaf dan zijn Kwasi en hij vijanden.
Cornelius is ook betrokken bij de mijnbouw. In Nederlands-Indië heeft hij een villa en daar komt Kwasi onder zijn bestuur te staan. Hij laat Kwasi altijd bij de bedienden eten uit een soort wraak, omdat Kwasi vroeger altijd contact had met belangrijke personen (zoals bijvoorbeeld de koninklijke familie). Toch gaan Kwasi en hij soms ook vriendschappelijk met elkaar om. Cornelius is ook een eenzaam man. Hij trouwt drie keer en drie keer overlijdt zijn vrouw jong.

Opbouw
Het boek wordt verteld door Aquasi Boachi, ofwel Kwasi. Hij is de ikpersoon. Hij kijkt terug op zijn verleden. Het perspectief verandert niet, behalve in het deel West-Afrika 1847-1850. Dit deel bevat uitsluitend brieven, die Kwame aan Kwasi stuurt vanuit de Afrikaanse kust. Dus in dit deel is Kwame de ik-persoon, maar dit deel is geen lopend verhaal, maar je maakt uit de brieven op hoe het Kwame vergaat.

Het boek heeft een cyclistische stijl. Het boek bestaat namelijk uit vijf delen. Het eerste deel speelt zich af in 1900 op de koffieplantage van de bejaarde Kwasi. Het einde van het laatste deel gaat verder waar het eerste deel geëindigd was. Daartussen wordt de geschiedenis van Kwasi en Kwame verteld. Het begint als Kwasi en Kwame acht jaar zijn, vlak voordat de twee naar Nederland worden gehaald. Voor Kwame eindigt de geschiedenis als hij zelfmoord heeft gepleegd op zijn drieentwintigste. Voor Kwasi gaat de geschiedenis nog even verder. Het verhaal over hem loopt af wanneer hij de koffieplantage toegezegd heeft gekregen. Dat is in 1850.
In het eerste en laatste deel verstrijken er slechts een paar dagen en in het tussenstuk verstrijkt zo’n 15 jaar.
Het boek staat door zijn cyclistische stijl niet in chronologische volgorde, omdat je in 1900 begint en in het tweede deel teruggaat naar 1836. Als je niet naar het eerste deel kijkt staat alles wel in chronologische volgorde. Alleen deel één vormt dus een uitzondering.
Soms worden er grote sprongen in de tijd gemaakt. Je leest bijvoorbeeld nog dat Kwasi zijn koffieplantage krijgt, maar daarna maakt de tijd een sprong van vijftig jaar en lees je verder als Kwasi zo’n drieenzeventig jaar is. Het boek bevat ook enkele flashbacks, maar vooruitwijzingen zijn er niet of nauwelijks.

Het boek heeft hier en daar wat openplekken. Enkele kleine, die snel worden ingevuld, maar volgens mij kun je het complot waardoor Kwasi en Kwame naar Nederland zijn gehaald ook als een soort openplek beschouwen. Pas aan het eind ontdekt Kwasi wat zich er allemaal werkelijk achter Kwame’s en zijn rug heeft afgespeeld.

Veel spanning werd er in dit boek niet opgewekt. Soms werd er wel een mededeling gedaan en werd er dan pas enkele bladzijden later verder op in gegaan.
“op een avond in september ’43 werd ik overvallen.” Dit wordt in het begin van een hoofdstuk vermeld en pas aan het einde van een hoofdstuk wordt de overval beschreven.
Einde
Het boek heeft een gesloten einde. Kwasi is achter een aantal zaken gekomen die te maken hebben met zijn verleden. Voor hem en voor de lezer zijn er geen raadsels meer. Kwasi heeft een gesprek gehad met de man, die hem en Kwame indertijd naar Nederland heeft gehaald. Deze man had altijd het beste met de prinsen voor. Dat het met Kwame is misgelopen trekt hij zich ook persoonlijk aan. Hij heeft voor Kwasi ook een aantal zaken opgehelderd wat betreft de houding van de Nederlandse regering ten opzichte van hem. Kwasi woont al 50 jaar op zijn koffieplantage in Nederlands-Indië. Hij heeft ook enkele kinderen bij verschillende vrouwen. Hij bedenkt zich dat Kwame’s leven een mislukking is geweest en dat zijn eigen leven ook gevuld is geweest met onrecht en vernedering.

Stijl
Het verslag dat Kwasi geeft van zijn leven lijkt nogal koel te zijn opgeschreven. Dat komt onder meer door de verleden tijd waarin hij het vertelt. De verteller kijkt achteraf naar de gebeurtenissen en heeft dus de zaken al overdacht.
Het is wel opvallend dat de vertelling zo weinig warrig is, want wanneer Kwasi dit echt allemaal op schrift stelt als hij drieënzeventig is, dan heeft hij een bewonderenswaardige manier van uitdrukken. De warrigheid die blijkt uit de wijze waarop hij met Ahim omgaat en uit de reacties van anderen wanneer hij voor de zoveelste keer het verhaal van het begin van zijn stam vertelt, zit niet in de rest van de roman.
Japin laat Aquasi een voorkeur hebben voor de meer plechtstatige woorden. Liever ‘plaatsnemen’ dan ‘zitten’, ‘veinzen’ in plaats van ‘doen alsof’, ‘resteren’ in plaats van ‘overblijven’.

Leeservaringsverslag
In mijn leesautobiografie, die ik in het begin van de vierde klas maakte schreef ik dat ik graag historische romans lees en dat boeken over andere landen me ook erg interessant lijken. Als opmerking stond onder mijn leesautobiografie: ‘lees De zwarte met het witte hart van Arthur Japin’. Sinds die tijd heb ik me constant voorgenomen dit boek een keer te lezen. Afgelopen vakantie is het er dan eindelijk van gekomen. Om door het eerste gedeelte heen te komen viel me nog flink tegen. Dus wegens mijn langzame start aan het boek was ik gedwongen om op oudjaar, nieuwjaar en op mijn verjaardag in dit boek te lezen. Tot mijn verbazing vond ik dat helemaal niet vervelend. Toen ik eenmaal lekker in het boek zat wilde ik niet meer stoppen met lezen. Of het nu oudjaar was of niet.

Over de meeste onderwerpen die in dit boek naar voren komen had ik nog nooit eerder een roman gelezen. Bijvoorbeeld discriminatie en het aannemen van een andere cultuur. Mijn eerste reactie was dat deze onderwerpen mooi in deze tijd passen, maar toen ik er over na ging denken ontdekte ik toch heel wat verschillen tussen de situatie van Kwasi en Kwame in Nederland (rond 1840) en allochtonen in Nederland nu. Het grootste verschil is volgens mij dat er van Kwame en Kwasi ook niet wordt verwacht dat zij zich aanpassen. Door de meeste mensen blijven zij gezien worden als wilden, ook al zijn ze gekerstend, bestuderen ze wiskunde, filosofie en een hoop andere vakken en spreken ze vloeiend Nederlands. Op deze manier komt ook duidelijk het onderwerp discriminatie naar voren. Kwasi en Kwame worden bijna nooit als gelijke gezien of behandeld.
“Vanaf het moment dat we in Holland aankwamen zijn Kwame en ik ons bewust geweest dat er achter onze rug gelachen werd. In die zin waren wij niet anders dan de mismaakte of de bedelaar, het schoolkind dat te dik is of rood haar heeft. (...)
De winkelier die je aankijkt, aarzelt, en dan besluit te doen alsof hem niets is opgevallen. Het gesprek dat bij je binnenkomst wordt voortgezet op kindertoon, zonder moeilijke woorden (...) Kom ik een theehuis binnen, dan voelen de heren, wellicht zonder het zelf te merken, even of hun portefeuille nog wel op zijn plaats zit. Moeders pakken hun kinderen beet als ik langswandel, alles met een knikje en een glimlach.”
Een ander onderwerp dat naar voren komt is het aannemen van een andere cultuur. Ik vond het heel mooi om te lezen hoe Kwasi en Kwame allebei er zo verschillend mee omgaan. Kwasi die echt zijn best doet om er bij te horen en Kwame die zijn oude cultuur niet wil verraden.
“De rots ligt onveranderlijk in de rivier, onder het zachte mos of het geweld van de stortregens blijft hij altijd dezelfde. Het bamboe groeit er pal naast. Hoog wordt het. Beide krijgen hetzelfde te verduren. De een overleeft omdat hij solide is en overzettelijk, de ander omdat hij hol is en meegeeft.”
Allebei deze onderwerpen hebben me ook wel aan het denken gezet. Zoals ik al eerder zei, omdat ze mooi aansluiten bij deze tijd ondanks de verschillen tussen toen en nu.
Ook het feit dat dit boek zich in het verleden afspeeld vond ik erg leuk. Ik lees graag historische romans en omdat dit boek op waar gebeurde feiten is berust was het op sommige punten ook nog eens best leerzaam. Je krijgt een goed beeld van de houding van de mensen in die tijd en je maakt kennis met opvattingen van die tijd.
“ ‘Ach man, gelijkenis is toch zeker het enige doel dat kunst kan hebben!’ riep Willem Alexander geërgerd.”
Daarnaast leer je uit wie het koningshuis in die tijd bestond en wie er daar met wie trouwden. Niet dat ik daarin echt geïnteresseerd ben, maar toch vond ik het leuk om te weten dat alle personages echt hebben bestaan, al zijn hun karakters in het boek natuurlijk wel vervormd.

Je leerde Kwasi en Kwame in het boek het beste kennen. Ik kan niet aangeven of ik voor de een meer sympathie kreeg dan voor de andere, of dat ik met de een beter kon meeleven. In het boek dat ik voor mijn vorige leesverslag las, ‘de Tweeling’ van Tessa de Loo, zijn er ook twee hoofdpersonen. In de loop van dat boek kreeg ik steeds meer sympathie voor Anna. In ‘De zwarte met het witte hart’ handelden beide hoofdpersonen totaal verschillend, maar voor mij was er niet een van de twee die beter handelde dan de andere. Kwasi was in mijn ogen wat zwakker dan Kwame, totdat hij zelf het verschil tussen Kwame en hem aangaf.
“Wat kunnen we doen, wij die niet kleuren bij de massa? In het hospitaal zweefde mij die vraag voor de ogen. Blind in de nacht overwoog ik elke uitvlucht en ieder compromis. Toen de ziekenhulp mij uiteindelijk het verbandgaas afnam, zag ik twee mogelijkheden.
1. Profileren. Dat, waarin wij van onze omgeving verschillen, cultiveren. Doorgronden waarin wij wezenlijk anders zijn, beter of slechter, maar hechten aan onze excentriciteit. Haar koesteren als een schat die ons unieke eigendom is. Dat leek mij een weg van eindeloze eenzaamheid. (...)
2. Egaliseren. De verschillen inventariseren en wegmoffelen waar mogelijk. Dat betekent dat je je persoonlijkheid onophoudelijk moet bijvijlen, vermommen, omvormen en die van de anderen overnemen. Het goede in je omgeving imiteren. Accentueer alleen het weinige dat je met anderen gemeen hebt en hou al de rest zo goed mogelijk verborgen. (...)
Kwame sloeg de eerste weg in, ik de tweede. Het een lijkt moedig, het ander laf. Dat is een vooroordeel, een makkelijke mening van wie nooit alleen hebben gestaan. Vechten tegen jezelf is bepaald niet makkelijker dan vechten tegen de rest. Alleen minder opvallend.”
Met zowel Kwasi als Kwame kon ik redelijk goed meeleven. Het boek is geschreven vanuit Kwasi’s perspectief. Hij kijkt terug op zijn verleden. Ik vond het verhaal redelijk koel beschreven en niet dramatisch, hoewel zijn leven op sommige punten best dramatisch is. Toch maakte deze koele manier van schrijven niet dat ik minder kon meeleven met beide prinsen. Daarnaast zijn de brieven die Kwame vanuit Afrika aan Kwasi schrijft op een andere manier geschreven. Kwame maakt Kwasi deelgenoot van al zijn gevoelens. “Helder is het in mijn hoofd. IJl. Schoon en scherp zie ik alles. Ik weet niet of het aan de lucht ligt of aan het licht. Of aan mijn ziel, die alles feilloss registreert en toch met afstand. Als een trekvogel. Van grote hoogte herken ik in een droge twijg de uitgebotte bloesem die ik achterliet. Elk nieuw detail dat ik herken, vertelt me hoe ik verder moet. Dat ik verder moet.
Het verschil in stijl en de overgang van doorlopend stuk naar korte brieffragmenten zorgt voor een goede afwisseling en daarnaast leer je Kwame er beter door kennen. De andere delen lees je door de ogen van Kwasi, daarom vond ik het ook heel leuk om een deel vanuit Kwame’s perspectief te lezen.
Het boek is opgebouwd uit vijf delen. De delen waarin de prinsen zich in Nederland bevinden vond ik het mooist. In die delen verstrijkt een jaar of tien, daardoor lees je duidelijk hoe de prinsen zich ontwikkelen en hoe Kwasi en Kwame ieder hun eigen weg kiezen, maar toch vrienden blijven. Een cyclistische bouw, zoals in dit boek had ik al wel eerder in films gezien, maar nog nooit in een boek. Het boek begint en eindigt op Kwasi’s koffieplantage in Java. Op mij had deze opbouw het effect, dat ik halverwege het boek helemaal was vergeten hoe het eerste deel begon. Toen ik bij het einde van het boek kwam, dat zich weer op de koffieplantage afspeelt, herinnerde ik het me pas weer goed.
Het einde paste goed bij het boek. Voor Kwasi en voor de lezer zijn alle raadsels opgelost en Kwasi heeft voor het eerst in vijftig jaar echt contact gelegd met andere inwoners (afgezonderd van het contact dat hij met zijn knecht Ahim heeft). Het boek beschrijft twee levensverhalen. Een open einde zou ik bij dit boek dan ook niet vinden passen. Je leert de personen goed kennen, dan wil je ook weten hoe het met ze afloopt en wat ze allemaal nog over hun eigen leven ontdekken.
In dit boek gebeurde heel veel. Er waren in ieder geval meer dan genoeg gebeurtenissen om te blijven boeien. De gebeurtenis die de meeste indruk op me heeft gemaakt is de zelfmoord van Kwame. Vooral omdat je nog de bladzijde daarvoor een brief van hem leest, waarin hij heel erg positief klinkt. Enkele zinnen later wordt je opeens geconfronteerd met zijn zelfmoord.
“Hedenochtend hebben wij, in onze kleine kring, een allerverdrietigst verlies geleden. Om half negen heeft de Ashanti prins Quame Poku zich van het leven beroofd door zich in zijn slaapvertrek door het hoofd te schieten. Het schot was zo krachtig dat het ongelukkige schepsel onherkenbaar werd verminkt.”
Omdat het boek zich zo’n honderdvijftig jaar geleden afspeelt, had ik verwacht dat veel gebeurtenissen helemaal niet herkenbaar zouden zijn. Ik vond het leuk om te lezen dat sommige gebeurtenissen juist wél herkenbaar waren. Bijvoorbeeld een bezoek van Sinterklaas en zwarte Piet. Ik had er nooit bij stil gestaan dat ze toen ook al het Sinterklaasfeest vierden.
Het taalgebruik in dit boek vond ik niet erg moeilijk, hoewel Arthur Japin soms wel voor deftige taal heeft gekozen in plaats van simpele. ‘Veinzen’ in plaats van ‘doen alsof’, ‘resteren’ in plaats van ‘overblijven’. Verder gebruikte hij nogal wat buitenlandse woorden. Vooral Franse. In het boek maakt Japin ook gebruik van dialogen en er komen ook een aantal beschrijvingen in voor, deze zijn echter niet heel uitgebreid.

Ik denk dat ik dit het mooiste boek vond dat ik tot nu toe voor mijn lijst heb gelezen. Dat komt waarschijnlijk omdat het een historische roman is en een roman waarin je de hoofdpersonen goed leert kennen. Ondanks dat ik het boek onder tijddruk heb gelezen – ik moest er ook nog een presentatie over voorbereiden – heb ik met veel plezier gelezen. Ik begon moeizaam in het boek en vond het begin redelijk saai, maar toen ik aan het einde van het boek kwam vond ik het jammer dat het afgelopen was. Het was (voor mijn doen) een redelijk dik boek, maar ik las er snel doorheen en daarom zou ik medeleerlingen die een beetje de zelfde smaak qua boeken hebben als ik ook zeker aan raden dit boek te gaan lezen.

Hoge waardering

Judith 5e klas vwo7.7
Joshua 5e klas havo7.4
anoniem7.0
thomas 7.6
Lieke 6e klas vwo7.2
Meer verslagen ›

 

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

 

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

6959
 

reacties

 
Je karakterbeschrijving is fout op het einde. Hij blijft brieven schrijven klopt niet. Hij probeert eerst bij de gouverneur/generaal om zelfstandig aan het werk te komen, omdat die het verzoek afwijst en hem duidelijk maakt dat de orders vanuit Europa komen en dat hij er weinig aan kan veranderen richt hij zich tot Holland. Hij wil zelfstandigheid. Na vele brieven wordt op zijn verzoek ingegaan en hij krijgt enkele maanden zelfstandigheid en de rest van het jaar moet hij in dienst bij de Groot als bureauchef werken. In die maanden doet hij onderzoek naar steenkolen in een resident en een andere onderzoek in een assistent resident. Daarna blijft hij klagen over zijn omstandigheden met weinig resultaat. Uiteindelijk krijgt hij van gouverneur/generaal Duynmaer van Twist te horen dat hij het beste naar Nederland kan gaan om daar persoonlijk zijn verzoek in te dienen. Hij besluit om te gaan en krijgt verlof om naar Holland te vertrekken. In Holland echter blijkt het allemaal van hogerhand te komen (in het echte verhaal blijkt dat de Groot alles verzonnen heeft om hem te vernederen en neemt hij ontslag uit overheidsdienst.) hij neemt ontslag en probeert nu schadeloosstelling te krijgen. Dat probeert hij bij de minister van Kolonien en als dat niet lukt doet hij dat bij koning Willem III. Dit lukt en hij krijgt grond toegekeerd op pacht.
door Am (reageren) op 25 maart 2011 om 19:17
Echt een heel mooi en goed verslag!
door Dianne (reageren) op 5 juni 2011 om 15:33
erg goed boek en goed verslag ook
door kas (reageren) op 8 december 2011 om 23:16
Wow heel flink dit
door ella (reageren) op 22 april 2013 om 12:52