Cookies..
Door Scholieren.com te bezoeken ga je akkoord met het gebruik van cookies. Klik hier voor meer info.

Bé Nijenhuis

1954

319

Nederlands

7.5 / 10
4e klas havo
  • anoniem
  • NL
  • 2627 woorden
  • 4083 keer
    14 deze maand
  • 27 januari 2006
Citaten
In het kort zal ik iets weergeven uit het leven van Tampy en haar verhouding tot God.

In het begin van het boek staat ze nogal terughoudend tegenover God.
Blz. 27: ’...zij had opgegeven geen godsdienst te bezitten en geen domineesbezoek te verlangen...’
Blz. 32: ’...zoals ze zich de Bijbel had voorgesteld, en even saai als...’
Ook in haar levensstijl houdt ze niet veel rekening met God.
Blz. 35: ’...zin in een bioscoop? Goed...’
Wat verder in het boek begint ze zich af te vragen of God misschien toch wel bestaat. Nog weer later is ze er zeker van dat God haar zal bijstaan en haar niet zal verlaten. Ze kreeg als het ware een teken van God.

Blz. 48: ‘...Lieve God, zei ze. Als Gij bestaat, zeg het mij dan...’
Blz. 58: ‘...Langzaam, beginnend aan de grauwe randen, dreef zich een spleet in de wolk, als een lichtende dolk, langzaam als de wolk was aangedreven, maar even onwrikbaar doorstotende tot het hart...en toen ze van elkaar wegdreven, om baan te maken voor een zachte oranje gloed, die vanuit de hemel zelf scheen te komen...’
Het gevoel dat God bij haar is, duurt niet zo heel lang. Even later twijfelt Tampy weer aan het bestaan, en de helpende hand van God.
Blz. 64: ‘...Soms was het net of God zich terugtrok...’
Blz. 67: ‘...De Bijbel is een fabel, of God wil niets met mij te doen hebben...’
Wanneer Tampy later een keer flauw valt en er veel traumatische herinneringen op haar afkomen, smeekt ze toch weer tot God. Je ziet een terugkeer.
Blz. 86: ‘...O God, zei ze...Mijn hart schreeuwt...’
Later komt Tampy in een restaurant werken. Deze periode is ze in de kost bij een echtpaar. ’s Nachts heeft ze dikwijls rare, schrikbarende visioenen. Ze ziet ook nogal eens een vurige kever in de hoek van haar kamer. HET BEEST!!!
Blz. 70: ‘...Ze zag de poten, die kransvormig uitliepen van de romp, sidderen in een waaierende waas, gelijk de vleugels van een vliegende bij...het hart van de romp waarin een vuur gloeide, klein en rond als een boosaardig oog...’

Tijdens deze periode is ze cliënt van een psychiater. Ze wordt vaak getroost door haar hospita, mevrouw Snuitjes. Dat is een gelovige vrouw, welke gelooft dat God Tampy’s leven leidt. Wanneer dan iemand, op een gegeven moment haar in de trein vraagt, of ze in God gelooft, antwoordt ze dit:
Blz. 106: ‘...Tegenwoordig wel...Ik voel me nu minder alleen...’
Weer later roept ze tot God of haar achtervolgers haar niet zullen vinden. Aan het eind van het boek legt Tampy haar leven in Gods hand.
Blz. 186: ’...Uw trein, God, zegt ze, hij is gekomen om mij te halen. Ik kan nu altijd rustig zijn.

A-deel

Samenvatting
Het boek gaat over Tampy Burgerheem. Tampy werkt als secretaresse in een warenhuis. De directeur van dat warenhuis is meneer Hovenius. Meneer Hovenius is een dikke man met een ongelukkig huwelijk. Hij wordt verliefd op Tampy. Hij laat haar veel overwerken om zoveel mogelijk bij haar te kunnen zijn. Op een dag blijkt er geld uit de kluis van het warenhuis te zijn gestolen. De politie zoekt uit wie het gedaan heeft. En Tampy heeft het geld in haar tas zitten. Tampy krijgt negen maanden celstraf. Ze denkt hier veel terug aan het verleden, aan de tijd dat haar ouders nog leefden. Ze krijgt ook een dominee op bezoek. Maar die jaagt ze weg. Ze wil niks met God te maken hebben.
Na negen maanden mag Tampy uit de gevangenis. Ze gaat in een pension wonen. De eigenares van het pension is mevrouw Dekelaar. Er wonen nog meer mensen in het pension: meneer en mevrouw Vliestra, Frank de Weijde en Douwe Bimsma. Ze eten gezamenlijk. Al snel laat Frank merken dat hij Tampy wel ziet zitten en hij vraagt of ze een keer zin heeft om mee te gaan naar de bioscoop. Tampy vindt het best. Maar ze maakt Frank heel goed duidelijk dat ze niks met hem wil en niet verliefd op hem is. Op een dag is het ontzettend noodweer en Tampy is erg bang. Ze vraagt of Douwe haar wil beschermen omdat ze zo bang is. Maar het loopt niet zo goed tussen hen. Ze liggen elkaar niet zo denken ze. Maar Tampy komt erachter dat ze verliefd op Douwe is. Tampy is ondertussen ook nieuwsgierig naar God geworden want Douwe is een zeer gelovige man. En ze gaat bidden. Douwe komt erachter dat hij echt verliefd op Tampy is en hij verbreekt zelfs zijn verloving. En ze zoenen met elkaar onder de kersenkraam. Tampy is dolgelukkig dat ze haar verleden kan vergeten. Maar bij haar nieuwe baan bij Jacksons houthandel komen ze achter haar verleden. Daarom vertelt Tampy haar verleden toch ook maar aan Douwe. Dan loopt Tampy weg. Ze gaat op zoek naar een andere kamer en komt terecht in een pension van een vreemd mannetje. Ze slaapt daar een nachtje. Die nacht ziet ze voor het eerst het beest. Ze blijft maar een nacht in het pension want de pensioneigenaar valt haar lastig. Dan weet ze niet meer wat ze moet doen. En ze besluit dat ze meneer Vliestra moet opbellen. Dat doet ze, maar meneer Vliestra is overleden. Dan besluit ze haar oude baas, meneer Hovenius, maar te bellen. Maar die heeft zichzelf net op de toilet opgehangen. Tampy vindt dat zij de schuldige is en voelt zich erg ellendig. Ze gaat naar een restaurant genaamd Lucullus. Ze valt in het restaurant flauw en de baas van het restaurant helpt haar. Zijn naam is Lievering. Hij geeft haar ook een baan in het restaurant als serveerster. Ze gaat weer opzoek naar een slaapplaats en komt terecht bij meneer en mevrouw Snuitjes.
Tampy ziet elke nacht op de muur het enge beest op de muur die ze eerder ook al had gezien in het vorige pension. Mevrouw Snuitjes stuurt haar naar de psychiater en ze komt terecht bij meneer Bloemers. Hij vertelt haar dat ze niet bang moet zijn voor het beest en er goed naar moet kijken om te ontdekken wat het is.
Op een dag zit ze in de trein en ze komt daar een vrouw tegen genaamd Silva Groger. Ze praten met elkaar en wisselen adressen uit. Ze komt Silva nog een keer tegen bij een wijnhandelaar waar ze voor haar werk heen moest. Maar Silva doet net alsof ze haar niet erkent. Diezelfde dag komt ze nog een meisje van haar werk, Nora, tegen in den Haag en die doet ook net alsof ze Tampy niet kent.
Tampy wordt zo wijs gemaakt dat ze gek is. Ze krijgt ook een keer een brief met als afzender mevrouw Snuitjes of ze haar wil helpen die middag en dan moet ze naar de Driehoofdenstraat toe komen. Tampy gaat daar heen want ze wil de lieve mevrouw Snuitjes wel helpen. Als ze dan bij het huis in de Driehoofdenstraat aankomt, ziet ze geen mevrouw Snuitjes maar in het huis ziet ze het beest weer dat ze ook 's nachts in haar kamer zag. Nu denkt Tampy echt dat ze gek is geworden.
Als ze de volgende morgen weer op haar werk is heeft meneer Lievering weer een zakenreisje voor haar. Ze moest weer naar de wijnhandelaar meneer Conraads. Meneer Lievering had haar een hoop geld meegegeven maar dat blijkt nep te zijn. Dan haalt meneer Conraads een foto uit zijn zak en laat die aan Tampy zien. Tampy ziet zichzelf op de foto, maar toch is ze het niet. Meneer Conraads zegt dat het haar dubbelganger is. Conraads chanteert Tampy dan. Ze moet van hem mee met Silva op reis. Dan gaat ze met Silva mee. Ze zitten in de trein. Dan gaat Tampy naar het toilet. Dan opeens wordt ze helemaal gek en ze springt uit de trein en vlucht. Dan besluit ze om zelfmoord te gaan plegen. Ze gaat met de bus naar de brug. Als ze bij de bushalte staat te wachten staat er ook nog een man bij de bushalte. De man heet Kruyfschoot en is psychiater. Hij vindt dat Tampy zich maar eigenaardig gedraagt. Hij volgt haar en ze komen bij de brug. Tampy wil zelfmoord plegen. Ze wil nog hoger klimmen en dan valt ze ongeveer drie of vier meter naar beneden. Ze overleeft het, een echt Godswonder. Ze gaat naar het ziekenhuis. Meneer Kruyfschoot is met haar naar het ziekenhuis gegaan. Hij praat met Tampy. En ze vertelt hem alles. Ook komen ze erachter wat het beest nou was. Het was de ventilator op het kantoor van meneer Hovenius. Haar verleden en de reden van de diefstal komen allemaal naar boven en zo kan Tampy deze periodes uit haar leven afsluiten.

Titelverklaring
De titel heeft te maken met de problemen van de hoofdpersoon. Die ziet vaak geen uitweg in de problemen. Uiteindelijk lijkt ze vaak toch een laatste uitweg te vinden die haar lang niet altijd verder helpt. Ze probeert mee te leven met de trein van het leven. Elke keer als ze denkt dat het gaat lukken, loopt het toch weer mis. Helemaal aan het einde, wanneer ze zelfmoord wil plegen, komt alles toch noch weer in orde, en weet ze dat ze gered is. Ze is in de laatste wagon gestapt.


Thema
De hoofdpersoon Tampy Brugerheem heeft veel problemen. Ze leeft in een leven vol problemen en angsten; een zoektocht naar rust en geluk. Uiteindelijk ‘stapt de hoofdpersoon in de laatste wagon’ en wordt gelukkig.

Motto
Vaarwel, kortstondig leven, handvol dagen,
ik wacht op het perron, mijn kraag omhoog,
ginds komt de trein door den berookten boog
om in het duister met mij heen te jagen.
François Pauwels

Motieven
 Problemen
 Angst
 Eenzaamheid
 geloof/ongeloof
 uiteindelijke redding

Vertelsituatie
Het is een auctoriaal verhaal. De schrijver weet precies hoe alle verhaalfiguren zijn en wat er in hen omgaat. Hij bekijkt het uit verschillende oogpunten, maar komt zelf in het boek niet als verhaalfiguur voor.

Tijd
Het verhaal wordt verteld in niet chronologische volgorde. Je springt telkens weer naar een ander stukje verhaal. Het verhaal begint met een stukje dat aan het einde van het boek weer voorkomt (Proloog). Ook komen er veel flashbacks in voor. Het verhaal speelt zich denk ik in twee jaar af.
Blz. 76: ’...Ze had hem in langer dan 2 jaar niet gezien...’
Eerst werkt Tampy voor meneer Hovenius, daarna beland ze in de gevangenis. Daar zit ze negen maanden. En de rest van het verhaal speelt zich denk ik in ± anderhalf jaar af!
In welk jaar het verhaal zich afspeelt is niet bekend. Ik weet alleen dat het vlak na de tweede Wereld Oorlog geweest moet zijn.

Ruimte
Het verhaal speelt zich op verschillende plaatsen af. Onder andere in het warenhuis van meneer Hovenius, in de gevangenis van Roermond, in het pension Dekelaar, in het kosthuis van meneer en mevrouw Snuitjes, in een stad met een bioscoop, in de trein en in het restaurant van Lucullus. Er staan niet echt duidelijke beschrijvingen van plaatsen in het boek.

Verhaalfiguren
Tampy Burgerheem: Zij is de belangrijkste hoofdpersoon, over haar gaat het verhaal. Ze is ongeveer 24 jaar oud. Ze heeft een wat te breed gezicht om mooi te zijn, een paar zeer donkerblauwe, nogal ernstige, iets te wijd geplante ogen, een gave huid en een opvallend litteken op haar gezicht. Haar ouders zijn omgekomen bij het bombardement op Rotterdam in de oorlog. Tampy is door alle problemen die ze heeft meegemaakt heel erg onzeker geworden. Ze heeft veel (onduidelijke) angstgevoelens en is vooral bang dat men erachter komt dat ze in de gevangenis heeft gezeten. Later leert ze hiermee omgaan en vertelt ze het de mensen. Aan het begin van het boek kent ze God niet. Later leert ze op Hem vertrouwen ook al is dat allemaal nog wat onzeker.


Meneer Hovenius: Een meneer met een erg dikke buik en grote, groene ogen. Hij is de baas van het warenhuis waar Tampy eerst werkt. Hij is niet gelukkig getrouwd en wordt verliefd op Tampy. Zij is niet verliefd op hem en wil geen relatie met hem aangaan. Ze werken vaak samen over en gaan dan uit eten. Als de diefstal ontdekt wordt wil hij Tampy eerst in bescherming nemen. Meneer Hovenius hangt zichzelf later op in de wc.

Douwe Bimsma: Een grote, grofgebouwde man met blond haar en sproeten. Hij wil eerst helemaal niets van Tampy weten, maar wordt al snel verliefd op haar. Ze verloven, maar Douwe breekt met Tampy als hij haar verleden te weten komt. Later komt hij mevrouw Snuitjes zeggen dat hij als Tampy dat nog wil wel weer contact met haar wil hebben. Douwe is zeer godsdienstig.

Illema Snuitjes-Bolkenbroek: een vriendelijke, wat oudere vrouw getrouwd met een ‘keverfreak’. Ze ontfermt zich over Tampy als die daar een kamer krijgt. Tampy heeft veel aan haar, ze kan haar verhaal kwijt en heeft eindelijk een plek gevonden waar ze zich geen zorgen hoeft te maken, en niet bang hoeft te zijn. (ook al lukt dat niet helemaal).

Taalgebruik
Het taalgebruik in het boek is soms erg moeilijk. Er staan veel zinnen in waar je lang over na moet denken. Hieronder ziet u een paar voorbeelden:
 Blz. 7 “En dan vallen wij. Het komt er dan slechts op aan hóé wij vallen. De meesten van ons kunnen het niet.”
 Blz. 186 “ook als tenslotte de lampen zich, kleiner en kleiner wordende, terugtrekken in een hoed – twee schitterende lettertjes die zich eindelijk oplossen tot fonkelingen in een injectiespuit.”

Nijenhuis kan ernstige dingen heel komisch beschrijven. Een voorbeeld; meneer Hovenius dacht dat Tampy van hem hield, maar dat bleek niet zo te zijn.
Blz. 22: ‘...Toen stierf het kuikentje. Het was een verschrikkelijke dood, die twee minuten duurde...’.
Ondanks dat het moeilijk is, is het door de humoristische opmerkingen toch weer spannend om verder te lezen. Komische en ernstige dingen wisselen elkaar af. Er komt veel beeldspraak in het boek voor en dat is vaak moeilijk te begrijpen. Hierboven heb ik al een paar voorbeelden genoemd. Door gewoon verder te lezen raak je de draad niet kwijt. Door de beeldspraak blijft het spannend en je leest vlot door het boek heen.


Bronvermelding
Titel: Laatste Wagon (psychologische roman)
Auteur: B. Nijenhuis
Uitgeverij: De Groot Goudriaan-KAMPEN
Band en omslagverzorging: J. de Vries
Eerste druk: 1954

Biografische gegevens auteur
De schrijver van het boek ‘Laatste wagon’ heet Berend Nijenhuis. Berend Nijenhuis werd op 16 november 1914 geboren in Herenveen. Toen hij nog jong was, hield hij niet van leren. Daarom hielp hij zijn vader in de kruidenierswinkel en probeerde hij sigaretten te verkopen. Toen hij wat ouder was heeft hij verschillende banen gehad. Hij is vertegenwoordiger, verzekeringsinspecteur en klerk bij het Huis van Bewaring geweest ( Daardoor heeft hij veel informatie verzameld voor zijn speurdersromans ‘Dossier 333, Laatste wagon en Inspecteur Raynoldi en zijn arrestante’. Ook heeft hij een baan gehad bij de Politieke opsporingsdienst en is hij redacteur geweest van het dagblad ‘Trouw’. Kort daarna is hij schrijver geworden. Hij heeft in zijn boeken veel ervaringen van het leven in de boeken verwerkt, behalve van de oorlogsperiode. Hij heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog in een concentratiekamp gezeten, waardoor hij een tobberige en een zwaartillende man geworden was, die worstelde met God en Zijn bestuur over het bestaan. Hij had veel vragen omtrent de Waarheid. De periode in het concentratiekamp heeft hij niet in zijn boeken verwerkt. Hij heeft alleen te kennen gegeven dat die periode een moeilijke tijd was en dat hij eronder geleden heeft.

Berend Nijenhuis heeft in totaal 7 romans geschreven:
 1952 'Dossier 333'
 1954 'Laatste wagon'
 1955 'De familie Heesters'
 1956 'De tornado'
 1958 'De hordenloop van J. Kobald'
 1965 'Tok tok tok, alweer geen ei'
 1971 'Inspecteur Raynoldi en zijn arrestante'

Nijenhuis is op 1 januari 1972 overleden aan een longziekte. Na zijn dood is er een boek over hem op de markt gebracht, geschreven door Werkman (schrijft literaire recensies in het Nederlands Dagblad). Het boek was vooral gebaseerd op persoonlijke documenten, gesprekken met vrienden, familieleden en bekenden en in de eerste hoofdstukken wordt er ook wat verteld over het verbrokkelde leven van de schrijver.

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.

Hoge waardering

Petra 7.7
anoniem4e klas havo7.5
Janneke 6e klas vwo6.7
anoniem3.0
Meer verslagen ›

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

7083
 

reacties