Cookies..
Door Scholieren.com te bezoeken ga je akkoord met het gebruik van cookies. Klik hier voor meer info.

Stefan Brijs

2005

428

Nederlands

bovenbouw havo/vwo

4 uit 5

8.3 / 10
Docent
Gebruikte editie
"De engelenmaker" verscheen in een paperbackuitgave in oktober 2005 bij de uitgeverij Atlas te Amsterdam. Het is een boek van 429 bladzijden. De omslag van de roman is overwegend bruin, waarop een embryo te zien is. Het thema van de roman is o.a. het scheppen van leven, dus is die afbeelding heel toepasselijk.

Nominaties
"De Engelenmaker" is een fantastische roman die genomineerd werd voor de "Gouden Uil 2006". Hij kreeg bij de uiteindelijke verkiezing wel de Gouden Uil van de lezers toegekend.

Ook werd de roman genomineerd voor shortlist van de de Libris-literatuurprijs 2006.


Lezen (!) die fantastische roman…
"De engelenmaker" van Brijs is een geweldige roman die het lezen voor de literatuurlijst alleszins rechtvaardigt. Het is wel een dikke roman, maar door de boeiende verteltrant van Brijs kun je het boek achter elkaar uitlezen. Zoiets noemen we in de literatuur een "pageturner". De drie delen van de roman zijn helder van elkaar gescheiden, de verhaallijnen worden duidelijk aangegeven en het gaat Brijs ook echt om een vertelling met een spannend verhaal. Er zit daarnaast veel symboliek in de roman: vooral de verwijzingen naar het paasevangelie waar de verwijdering tussen Vader en Zoon immers zichtbaar wordt. Wanneer je de roman helemaal goed wilt begrijpen, moet je wel een beetje op de hoogte zijn van die verwijzingen naar de Bijbel, maar strikt noodzakelijk is dat niet. Het boek kan door eindexamenkandidaten voor havo en vwo op de lijst worden gezet en verdient m.i. een waardering met zeker drie punten op een schaal van vier. Topper die je gewoon moet lezen. Deze roman kan op je literatuurlijst een heel mooie combinatie vormen met Jan Siebelinks "Knielen op een bed violen" en andere boeken over godsdienstwaanzin. (o.a. van Robert Haasnoot en Maarten ’t Hart). je hebt dan stof genoeg om je mondeling literatuur vol te "kletsen". Ik vind "De engelenmaker" één van de beste romans die in 2005 verschenen zijn.


Genre
"De engelenmaker" is een psychologische roman over het scheppen van leven.

Motto en opdracht
Deze derde roman van Stefan Brijs heeft geen motto en geen opdracht. De auteur ontving wel een beurs voor het schrijven van de roman.

De flaptekst
"Op 13 oktober 1984 keert na een afwezigheid van bijna twintig jaar Doktor Victor Hoppe terug naar zijn geboortedorp Wolfheim, vlak bij het drielandenpunt in de buurt van Vaals en Aken. De bekrompen dorpelingen reageren argwanend op zijn komst, zeker als blijkt dat hij drie kinderen van een paar weken oud bij zich heeft: een identieke drieling met een schrikwekkende afwijking. Na enkele bijzondere genezingen wordt de dokter toch aanvaard in het dorp en gestaag groeit zijn populariteit. Zijn kinderen zijn echter zelden te zien en dat voedt de geruchten. Langzaam groeit het besef dat ze alle drie ernstig ziek zijn. Maar er blijkt meer aan de hand, niet alleen met de kinderen, ook met de dokter zelf die, gegijzeld door zijn verleden, een beslissing neemt die hem onsterfelijkheid moet bezorgen. De engelenmaker is een roman vol geruchten en rumoer, gefluister en geroddel. Een verhaal over geloof en wetenschap, werkelijkheid en verbeelding, macht en onmacht, zin en onzin. Een roman waarin iedereen naar de waarheid op zoek is en uiteindelijk alleen zijn eigen waarheid vindt en gelooft."

Structuur en verhaalopbouw
De roman wordt onderverdeeld in drie grote delen, die ten opzichte van elkaar een niet-chronologische volgorde hebben. Deel II gaat terug naar het verleden en Deel III pakt de draad op op waar deel I is geëindigd.
Deel I wordt onderverdeeld in 11 genummerde hoofdstukken. (blz. 7-143) Dit deel behandelt de periode van de komst van dokter Victor Hoppe in het dorp Wolfheim op 13 oktober 1984 tot aan de dood van de huishoudster vier jaar later.
Deel II wordt niet onderverdeeld in genummerde hoofdstukken, maar kent een geleding in hoofdstukken die van elkaar worden gescheiden door drie sterretjes (blz. 147-311). In dit deel zijn twee grote tijdlagen te onderscheiden. De ene tijdlijn is die van de geboorte van de kleine Victor Hoppe direct na het einde van de Tweede Wereldoorlog en het opgroeien in een gesticht respectievelijk internaat. De andere is die van de experimenten met klonen die Victor Hoppe in de zeventiger en tachtiger jaren heeft uitgehaald.
Deel III wordt weer onderverdeeld in 12 genummerde hoofdstukken (blz. 315-429). Daar wordt de draad van deel I weer opgepakt in 1988 en dat leidt tot een bizarre slotpassage een jaar later.

Perspectief
Er is een sprake van een alwetend perspectief (de impliciet auctoriale verteller). De lezer kan daardoor in alle gedachten van personages meeleven: vooral in die van de zonderlinge dokter, de huishoudster, de mensen in het dorp Wolfheim, de vrouwen bij wie hij kloonexperimenten uithaalt, zijn begeleider bij de experimenten Rex Cremer.
Hoewel een alwetend perspectief een traditionele vertelwijze is, blijkt die qua spanning heel geschikt voor deze mooie roman.

Titelverklaring
De roman gaat over het klonen van mensen: dokter Hoppe heeft uit zijn eigen cellen zijn drie identieke zonen geschapen die hij de namen van de drie aartsengelen Michael, Gabriël en Rafaël geeft. Hij is dus de engelenmaker: hij gaat namelijk de strijd aan met God de Vader die hij personifieert met het Kwaad. Zelf ziet hij zich meer als een Jezusfiguur, wat aan het einde van de roman heel pijnlijk duidelijk wordt.

Tijd en decor
De roman is heel goed in de tijd en het decor af te zetten, omdat Brijs veel data van de gebeurtenissen vermeldt. Victor Hoppe wordt geboren op 4 juni 1945 en hij sterft op zondag 21 mei 1989. Deel I speelt van 14 oktober 1984 tot ruim vier jaar later. Deel II behandelt de geboorte van Victor Hoppe tot aan de tijd van zijn experimenten met zijn drie gekloonde zoons in de zomer van 1984. Deel III behandelt dan weer de periode van 1988 tot 21 mei 1989. Het twaalfde hoofdstuk is een soort epiloog, en deze speelt zich af op zaterdag 19 mei 1990.

Het decor is een Duitstalig Belgisch dorpje Wolfheim (Naam is fictief en symbolisch- de thuisplaats van de wolf - vgl. het klassieke gezegde "homo homini lupus" oftewel: de mens is voor de mens een wolf.) in de buurt van het drielandenpunt bij Vaals. Het enigszins ouderwets aandoende, typisch katholieke dorp met zijn bewoners als in een streekroman vormt de bizarre achtergrond tegenover de wetenschappelijke experimenten van dokter Hoppe. In deel II speelt een gedeelte van de experimenten zich ook af aan de universiteit van Aken. De tweede lijn van deel II speelt zich af in de omgeving van het geboortedorp van Victor Hoppe: het gesticht staat immers in La Chapelle.

Thematiek
In deze boeiende roman gaat het eigenlijk om de aloude strijd tussen Goed en Kwaad in de wereld. Victor Hoppe (ongewenst kind -vooral door zijn moeder vanwege zijn grote aangeboren hazenlip) groeit in een gesticht op met de gedachte dat God het kwaad in de wereld heeft gebracht en dat zijn verblijf in het gesticht waar hij voor debiel wordt versleten, terwijl hij alleen maar een hazenlip heeft en enigszins autistisch is, op rekening van God te schrijven is. De vertegenwoordigers van de Rooms-katholieke kerk komen er in dit boek dan ook niet al te best af. Alleen de jonge novice Marthe heeft oog voor de kleine jongen en ze leert hem lezen in de nachtelijke uren, als ze extra aandacht aan hem besteedt. Victor Hoppe is vast besloten wraak te nemen op die strenge God: hij wil dan ook eigenlijk weinig van God weten, maar wel veel meer van Jezus. Wat is het immers voor een vader die zijn zoon in de steek laat tijdens de kruisiging? Hoewel hij in deel I vrouw Maenhout opdracht geeft de kinderen over de Bijbel te vertellen (alleen het Nieuwe Testament), haalt hij het kruisbeeld van de muur, dat zij heeft opgehangen. Die bizarre episode in het leven van Christus is te pijnlijk voor hem, zoals later uit het verloop van de handeling blijkt.

Na zijn middelbare schooltijd krijgt hij de kans om uit drie studies te kiezen (geriatrie, oncologie en embryologie) en hij grijpt de kans aan om levens te scheppen, dus kiest hij voor embryologie. Navrant genoeg lijkt hij onbedoeld ook in aanraking te komen met geriatrie als z’n gekloonde kinderen te snel verouderen en oncologie omdat het dorp Wolfheim denkt dat zijn kinderen aan leukemie lijden.

Wanneer hij van de wetenschapper Rex Cremer een kaartje ontvangt na zijn eerste geslaagde experimenten met de muizen waarop de tekst staat, dat hij God het nakijken heeft gegeven, ontstaat het duivelse plan om mensen te gaan klonen. Het gaat Hoppe daarbij niet om wereldlijke roem te vergaren, (zijn aantekeningen voldoen niet aan het wetenschappelijke niveau van de medische tijdschriften), maar hij wil de strijd aangaan met God. Natuurlijk verliest hij als een nieuwe tragische (Griekse) held de strijd, want God laat natuurlijk enkele experimenten mislukken. Hoppe maakt menselijke fouten (bij zijn eigen gekloonde zonen) en dat drijft hem tot waanzin. Hij voelt zich dan een echte nieuwe Jezus die opnieuw door zijn hemelse Vader in de steek gelaten voelt. Hij spijkert zichzelf aan het kruis. Ook de gemeenschap van Wolfheim heeft zich aanvankelijk tegen hem getoond, maar als hij in het dorp wonderen heeft verricht, kiezen ze toch zijn partij. Aan het einde van de roman worden de vreemdelingen in het dorp door de autochtone bewoners als de schuldigen van alle ellende gezien.

"De engelenmaker" is natuurlijk ook een roman waarin het thema van wat in de medische wetenschap geoorloofd is en wat niet, aan de orde komt. De kloonexperimenten met mensen worden beschreven op een manier waarop het gehannes van de doktoren aan de kaak wordt gesteld. Hoppe gaat helemaal niet zorgvuldig, ethisch gezien dan, met zijn proefpersonen om.
Waar ligt de grens tussen normaal, zonderling, gek of krankzinnig? Het is duidelijk dat Victor Hoppe in zijn waanzinnige strijd tegen God de grenzen van wat medisch is toegestaan ver overschrijdt. Hij is weliswaar enigszins abnormaal door zijn syndroom van Asperger, maar hij doet experimenten die hij ethisch gezien nog lang niet zou mogen aangaan.

"De engelenmaker" is ook een roman over roddel en achterklap, over jaloezie (er azen diverse vrouwen op de dokter zonder echtgenote) in een kleine dorpsgemeenschap. De bewoners kijken eerst vreemd naar de zonderlinge dokter met de drie gekloonde zoons, maar wanneer die als een moderne Jezus enkele dorpelingen geneest, wordt hij al ras populair. Zo populair dat vreemdelingen die een andere kijk op de zaak Hoppe hebben, worden verketterd.
De opportunistische houding van de dorpsgemeenschap wordt ook door de verteller op een sarcastische manier neergezet.

Motieven die ook een rol spelen in deze magisch realistisch getinte roman, zijn ook nog: dood en leven, abortus, kunstmatige bevruchting, het Roomkatholieke geloof en zijn "rechtvaardige vertegenwoordigers", de strijd om het wetenschappelijke nieuwtje, schoolleven, godsdienstwaanzin, etc.

Symbolische verwijzingen naar de Bijbel
In deze roman die voornamelijk over het scheppen van leven en het ontkomen aan de dood gaat, is het niet verwonderlijk dat er veel verwijzingen naar de Bijbel voorkomen.
Als een ware schepper blaast Victor Hoppe leven in met zijn adem. In deel I doet hij dit als huisarts, wanneer een dorpsjongen een knikker heeft ingeslikt en hij hem kunstmatig beademt en hem zodoende het leven schenkt. Van hier uit zijn er verwijzingen naar deel II wanneer eerst zijn vader Karl het leven in Victor Hoppe blaast na een moeizame bevalling en Victor tijdens een van zijn experimenten met gekloonde muizen het leven via een pipet in de muisjes blaast. Het beeld komt overeen met het beeld van God die leven schept door adem in de neusgaten van Adam te blazen (vgl. Genesis 2 vers 7).

Victor Hoppe wordt als baby in een gesticht opgenomen en ziet/ hoort de eerste jaren van zijn leven alleen maar over een strenge, straffende God. Zijn inzicht in de materie wordt pijnlijk wanneer hij de essentie van het paasevangelie begrijpt: een Vader die zijn Zoon op het belangrijkste moment in de steek laat. Zo heeft Victor Hoppe het ook altijd aangevoeld: zijn ouders hebben hem in een gesticht opgesloten en hem daarmee eigenlijk in de steek gelaten.
Hoppe voelt zich dan ook verwant met Jezus en de verwijzingen naar die Bijbelse figuur zijn dan ook talrijk aanwezig.

In deel I maakt Josef Zimmermann (let op de naam: de vader van Jezus heette Jozef en was van beroep timmerman) een verwijzing naar de Bijbel wanneer die voor de eerste keer de gekloonde kinderen van Hoppe ziet. Hij is dan een moderne variant van de oude Simeon in Lukas 2 die een voorspelling doet voor het kind Jezus.
In deel III zijn er veel verwijzingen naar het paasevangelie. Wanneer Rex Cremer terugkeert naar Wolfheim om een stokje voor het kloonexperiment te steken, begroet Victor Hoppe hem als een verrader, die weldra met een bende zal terugkeren om hem te verraden. Hij voorspelt dat hij net als Judas om het leven zal komen en dat gebeurt ook inderdaad, zij het dat het niet een zelfmoord is, wat bij Judas uit schuldgevoel wel het geval is. De passage met Judas is in de Bijbel o.a. te vinden in Mattheüs 27.

Als Hoppe zich in één van de laatste hoofdstukken naar het kruis op de calvarieberg van La Chapelle heeft begeven, wordt het ineens veel slechter weer. Donkere wolken pakken zich boven de plek samen. Toen Jezus aan het kruis stierf, waren er eveneens natuurverschijnselen om het bijzondere van zijn dood te benadrukken. (Mattheüs 27 vers 45 en Lukas 24 vers 44)

Er is natuurlijk wel een belangrijk verschil tussen de Bijbelse Jezus en de "Jezus" van Brijs. Jezus moet sterven voor de zonden van de mensheid en wordt onschuldig gekruisigd door de Joden. Hoppe kruisigt zichzelf: bovendien is hij niet van zonden vrij en gaat het volk juist achter hem staan, waar het Joodse volk Jezus laat kruisigen als Pontius Pilatus het voor de keus stelt om Jezus of de misdadiger Barabbas vrij te laten.

Samenvatting van de inhoud
Deel I
Op 13 oktober 1984 keert dokter Victor Hoppe terug naar het geboortedorp Wolfheim vlak bij het Drielandenpunt in Vaals. Hij arriveert per taxi en de man die op de achterbank van de taxi de wieg met de drieling aanschouwt, is erg geschokt, omdat hij één grote gapende wond in hun gezicht ziet. Het is meteen "the talk of the town" in Wolfheim en er worden weddenschappen afgesloten op de lengte van het gat in hun gezicht. De drieling wordt door de dokter weggehouden en in het dorp wordt daarover druk gespeculeerd.
De drieling heeft de namen van de aartsengelen: Michael, Gabriël en Rafaël (vgl. de titel van de roman). De kloof in hun gezicht blijkt een enorme hazenlip te zijn: ook Victor had dat vroeger als baby. Zijn rode haar hebben ze eveneens geërfd. Later blijkt dat ze op 29 september 1984 geboren zijn. Dat is zeker niet toevallig de katholieke naamdag van de heilige Michael.

Victor Hoppe wordt populairder als hij een aantal genezingen verricht: hij redt een zoon van een dorpsbewoner het leven als die een knikker heeft ingeslikt. De pastoor die zich aanvankelijk sceptisch in de kerk heeft uitgelaten over Hoppe, wordt genezen van zijn maagkwaal. Er komen dan ook steeds meer patiënten naar hem toe en hij berekent vaak niet eens kosten. Die handelwijze vergroot zijn populariteit. De oude Josef Zimmermann vraagt op een bepaald moment in een café of hij de kinderen mag zien en ook waar de moeder van de kinderen is. Victor zegt dat ze geen moeder hebben en er nooit één hebben gehad.
De dokter blijkt ook mede daardoor aantrekkingskracht uit te oefenen op de vrouwen in het dorp, maar het is de oude gepensioneerde onderwijzeres Charlotte Maenhout die tenslotte door Victor Hoppe wordt uitgekozen om op de kinderen te passen. Natuurlijk zijn andere vrouwen in het dorp reuzejaloers. Charlotte wordt o.a. uitgekozen door het Nederlandstalige slaapliedje dat ze voor de jonge drieling kan zingen. Later- in deel II- blijkt dat Victor dat liedje van zijn eigen slechte jeugd kent. De drieling is uit elkaar te houden door de kleur armbandjes die ze om hebben. Victor Hoppe bestelt erg veel fotorolletjes in een lokale winkel. Het valt Charlotte Maenhout op dat Hoppe de kinderen van haar weghoudt als ze ziek zijn. Op een nacht is er iets gebeurd en dan blijkt dat het rode haar uitgevallen is en dat ze alle drie helemaal kaal zijn geworden. Charlotte Maenhout ontdekt later ook nog iets anders nl. een tatoeage op het schouderblad van de drieling. Ze brengt dat aan het licht tijdens het spreekuur van de dokter en het dorp verwacht daarop dat ze wordt ontslagen, maar dat gebeurt niet. De jongens ontwikkelen zich qua intelligentie goed. Maar tweeënhalf jaar na hun geboorte - in april 1987 - zijn ze eigenlijk nog nooit buiten geweest. Charlotte vertelt hun over buiten o.a. over het Drielandenpunt. Op verzoek van Victor vertelt ze ook over Jezus en het Nieuwe Testament. Dat compenseert het feit dat Victor Hoppen hen niet naar de kleuterschool wil sturen. Charlotte Maenhout doet goed haar best. Maar toch haalt Hoppe op een dag het kruisbeeld weg dat ze heeft opgehangen: ze moet voornamelijk praten over de daden van Jezus, vindt Hoppe. Op een kamertje boven begint Charlotte de kinderen te leren lezen en rekenen. Het lukt heel goed en de dokter is buitengewoon geïnteresseerd in die ontwikkeling. In een gesprek met de dokter hoort Charlotte dat de kinderen misschien maar hooguit zes jaar worden. Ze schrikt ervan. Hoppe zegt dat hij met medisch onderzoek daarnaar bezig is.

Charlotte wil de vierde verjaardag van de kinderen vieren en nodigt een aantal kinderen uit het dorp uit. Tijdens het feestje wordt ze telefonisch weggeroepen door een jaloerse dorpsbewoonster en dan blijkt dat Gabriël uit het raam is gevallen, omdat hij een noot uit de walnotenboom had willen pakken. Ook nu zorgt Hoppe zelf voor zijn zoon en later blijkt dat hij experimenten uitoefent op zijn zoontje. Hij heeft bij de jongen een stukje nier weggenomen. Charlotte is woedend. Hoppe heeft de boom de schuld van het ongeluk gegeven en laat die daarom omhakken. In Deel II wordt de werkelijke reden voor het omhakken ook nog duidelijk. Op een dag vertelt Hoppe aan Charlotte dat hij naar een beurs in Frankfurt moet. Charlotte heeft zich al voorgenomen als gouvernante van zijn kinderen bij hem weg te gaan, maar wil die dag nog wel op de kinderen passen. Ze smeedt een plan om stiekem naar het Drielandenpunt te gaan en zo de kinderen eens mee naar buiten te nemen. In alle vroegte gaat ze met de jongens die verkleed zijn als De Drie Musketiers op pad, maar de voetreis naar de top blijkt heel vermoeiend voor de kinderen. Als ze in Vaals op het hoogste punt aankomen, blijkt de uitkijktoren gesloten te zijn. Ze gaan op weg terug, maar dan mist ze ineens Michaël. Die blijkt toch in de toren te zijn geklommen en kan niet meer terug. Een jogger waarschuwt de beheerder van de toren en die brengt de vier mensen weer naar het huis van de dokter. Omdat die nog altijd niet thuis is, gaat Charlotte op zoek naar informatie: ze vindt 12 fotoalbums, met heel gedetailleerde foto’s van de drieling: een album per jaar per kind. Hoppe kocht altijd veel fotorolletjes en die heeft hij dus gebruikt voor het vastleggen van zijn medische experimenten. In een onderzoeksruimte vindt ze bovendien een archief met gegevens over de wetenschappelijke experimenten van Victor Hoppe. Ze leest daarin de woorden: fraude en chaos. Later op de dag komt de dokter thuis. De beheerder van de uitkijktoren komt kort daarna het gebroken zwaard van Michaël terugbrengen en de dokter is niet zo blij met het feit dat ze naar Vaals is geweest. Charlotte wordt boos en schreeuwt woedend over de termen fraude en chaos. Ze staat op het randje van de trap en als Victor een dreigende stap in haar richting doet, valt ze van de trap en breekt ze haar nek. Victor zit naast haar lijk en zegt tegen de teruggekeerde beheerder van de uitkijktoren: "God geeft en God neemt".

Deel II
In dit deel wordt de voorgeschiedenis aan de lezer onthuld. Er zijn twee tijd -en verhaallijnen. De ene is de lijn van de geboorte en de opvoeding in het gesticht van de kleine Hoppe, die vanwege zijn enorme hazenlip door zijn moeder wordt verstoten. De andere verhaallijn is de lijn die verhaalt over de medische experimenten die Hoppe uithaalt met het klonen van muizen en later van mensen. Deze twee verhaallijnen wisselen elkaar steeds af en worden van elkaar gescheiden door de typografische tekens van drie sterretjes. Voor deze samenvatting worden de verhaallijnen gescheiden verteld.

Victor Hoppe’s jeugd
Bij de geboorte van Victor Hoppe wordt hij ter wereld geholpen door zijn vader Karl Hoppe die eveneens dokter is en het leven in zijn zoon blaast. Maar het kind wordt met een enorme hazenlip geboren. Die genetisch bepaalde afwijking maakt zijn vrouw Johanna gek van verdriet. Ze wil de baby dan ook niet zien en Victor wordt ondergebracht in een gesticht voor idioten en debielen. Gemakshalve krijgt hij dan ook maar het etiket van debiel opgeplakt: de hazenlip is namelijk wel te verhelpen, maar voor zijn debiliteit kan hij bij de zusters in het gesticht worden opgenomen. De dokter komt hem daar vrijwel nooit opzoeken en Victor groeit liefdeloos op in het gesticht, totdat zuster Marthe zich over hem ontfermt. Nadat een andere debiel de grootste idioot van het gesticht om het leven heeft gebracht, komt er wat meer rust in het gesticht. Zuster Marthe leert Victor lezen: ze krijgt hem in het begin rustig met het zingen van een Nederlands slaapliedje.(zie deel I ) De jongen is in staat hele stukken uit de Bijbel en litanieën op te zeggen, al vertikt hij het te doen waar anderen (die hij ziet als vertegenwoordigers van het Kwaad) getuige van zijn. Zo wordt zuster Marthe niet geloofd, wanneer ze aan een andere zuster in de orde vertelt dat Victor niet debiel is en juist al heel vroeg kan lezen. Deze zuster Marthe heeft het steeds moeilijker met de strenge katholieke regels en wanneer ze na een proefverlof weer in het tehuis terugkeert, blijkt dat ze zwanger is. Karl Hoppe moet na een onderzoek die ervaring aan de abdis van het gesticht meedelen en niet lang daarna volgt een afgrijselijke beschrijving van een amateuristische abortus, die in het gesticht plaatsvindt (de breinaaldmethode). Zuster Marthe vertelt het verhaal tegen Victor en zegt daarbij de woorden: "God geeft en God neemt". (zie Deel I) Ze heeft intussen wel dokter Hoppe verteld dat zijn zoon niet debiel is en die haalt hem dan uit het gesticht.

Hij verblijft thuis, waar zijn moeder in een kamer ernaast wordt verpleegd (ze is zwaar depressief en het lijkt alsof ze in coma ligt). Op een nacht gaat Victor toch in de kamer van de vrouw en ziet dat zij dood is. Hij krijgt van zijn vader een dreun en die houdt daaraan een groot schuldgevoel over. Intussen weet de lezer uit de andere lijn van deel II dat Victor lijdt aan het syndroom van Asperger, wat een bijzondere vorm van autisme is. Kenmerk daarvan is dat hij vrijwel geen emoties kan tonen. Hij blijkt wel in staat heel moeilijke puzzels in één keer te kunnen maken, hele stukken uit de Bijbel uit zijn hoofd te kunnen leren en te lezen. Maar wanneer zijn vader Karl dit aan de priester wil laten horen, zwijgt hij net zoals eerder in het gesticht. Na de begrafenis van zijn moeder wordt de kleine Victor opgenomen in een internaat waar hij in de loop van de jaren tot een goede leerling opgroeit die ook nog een gymnasiumopleiding kan voltooien. Hij is dan net zestien jaar oud geworden in 1961. Maar in het internaat krijgt hij het besef dat God in wiens naam hij ooit tenminste opgesloten is de personificatie van het Kwaad is. Jezus is voor hem de personificatie van het Goed. Een Vader die zijn Zoon opoffert en hem tijdens de uren van zijn dood in de steek laat (vgl. de kruiswoorden: "Eli Eli, lama sabachthani" - Mattheüs 27 vers 46). Dat leidt tijdens zijn opleiding tot een bizar incident, wanneer de klas de jaarlijkse bedevaartstocht naar La Chapelle maakt en Victor zich voordoet bij een van de staties als de zoon van God door hard "Vader waarom hebt ge mij verlaten" te roepen. Hij wordt daarvoor gestraft.


Op de dag dat de rector van het gymnasium hem feliciteert met zijn diploma, condoleert hij hem even later met het verlies van zijn vader die een einde aan zijn leven heeft gemaakt. Hij heeft zich opgehangen aan de boom die voor hun huis stond. (De boom die Victor in deel I laat omhakken.) Omdat hij zelfmoord heeft gepleegd, mag hij eigenlijk niet bij zijn vrouw begraven worden, maar de priester is deze keer bereid een oogje dicht te knijpen, al mag er van de begrafenis geen groots gebeuren gemaakt worden. Niet dat Victor dat overigens van plan was. Hij is helemaal niet bij de begrafenis en trekt zich terug in een kamer, waar de rector hem dagen later helemaal vervuild in aantreft: stank en vliegen (zie later deel III). Er wordt gesproken over zijn toekomst en hij kan een studie gaan volgen in de geriatrie, oncologie of embryologie. Victor kiest voor het laatste. Hij wil levens gaan scheppen. Door zijn hoofd spoelen allerlei zinsneden uit zijn jeugd, waarin vooral "God geeft en God neemt" een hoofdrol speelt. Victor wil levens scheppen.

De kloonexperimenten
In deze verhaallijn (hoewel in de structuur dus steeds onderbroken met de eerste verhaallijn) wordt verhaald over de experimenten die Victor Hoppe uithaalt met het klonen van eerst dieren en later mensen.
In het eerste deel van Deel II wordt een overzicht gegeven van de wetenschappelijke loopbaan van Victor Hoppe, maar als je zijn geschiedenis op de keper beschouwt, komt er een ander verhaal uit, zegt de auctoriale verteller.
Hoppe begint met het klonen van muizen. Na veel experimenten slaagt hij er in zijn werk als universiteitsonderzoeker in om een aantal muisjes te klonen: hij moet dat experiment beschrijven in een wetenschappelijk tijdschrift, want de universiteit wil er natuurlijk roem mee vergaren. Dat is eigenlijk niet de bedoeling van Victor Hoppe: hij werkt slordig en zijn formules staan niet ordelijk gerangschikt in zijn aantekeningen. In de wetenschap geldt bovendien dat geslaagde proeven een aantal keren herhaald moeten worden voordat ze wetenschappelijke waarde hebben, maar daaraan wil Hoppe gewoon niet voldoen. Hij is altijd op weg naar de volgende stap in zijn experimenten. Vanuit de universiteit wordt hij begeleid door Rex Cremer die hem bij zijn eerste succes een kaartje had geschreven met de tekst: God heeft het nakijken. In de medische wetenschap is inmiddels bekend geworden hoe IVF werkt en de eerste reageerbuisbaby is inmiddels in Engeland geboren.

Victor heeft intussen zijn zinnen gezet op menselijke klonen. De stelregel van Hoppe is inmiddels geworden: "Soms is wat onmogelijk lijkt, alleen maar moeilijk". Hij doet als experiment een proef met twee lesbische vrouwen uit Oostenrijk. Zij willen graag een kind van elkaar: een vrouw wordt zwanger en de andere niet. Bij de ene vrouw zijn later twee hartjes zichtbaar, het wordt een Siamese tweeling, dus moet hij eigenlijk (ethisch gezien) de zwangerschap afbreken. Hij doet dat niet, maar enkele dagen nadat hij de vrouw inwendig heeft onderzocht, krijgt ze een spontane abortus.

De kritiek op zijn aanpak groeit in het buitenland en hij wordt min of meer beschuldigd van onzorgvuldigheid, fraude en chaos. De universiteit wil dan ook een buitenlands wetenschappelijk onderzoek toestaan, maar het is Victor om heel andere zaken te doen: hij voert een strijd tegen de kwade God en daarom moet hij leven kunnen schenken. Hij belt de Oostenrijkse vrouw die aan een eerder experiment wilde meewerken en belooft haar dat ze een kind zal krijgen, waaraan geen man te pas zal komen. De vrouw heeft intussen haar relatie met de andere vrouw verbroken en wil zeker meewerken, al is het maar om haar ex-partner een hak te zetten. Maar eigenlijk heeft Victor alleen maar een lichaam nodig: een draagmoeder en hij gebruikt dan ook lichaamscellen van zichzelf bij het klonen. Hij heeft namelijk een hazenlip en als zijn klonen die genetische afwijking ook hebben, bewijst die afwijking dat hij een mens gekloond heeft. Zijn begeleider Rex Cremer schrikt van dit experiment, maar Victor Hoppe gaat er wel gewoon mee door. Hij heeft aan de vrouw die hem wil helpen, duidelijk gemaakt dat zij een dochter zal krijgen, maar op de echo’s die hij van haar lichaam maakt, is duidelijk te zien dat er vier embryo’s in haar buik zitten, waarvan één embryo inmiddels overleden is. Hij licht Rex Cremer over zijn experimenten uitvoerig in, betrekt hem als het ware bij zijn experiment, maakt hem daardoor mede schuldig en vertelt hem dat de geboorte van de drie klonen gepland staat op 29 september 1984.

Deel III
Dit deel speelt zich weer af in het Belgische dorp Wolfheim: Rex Cremer gaat via het Drielandenpunt naar Victor Hoppe om het experiment van Hoppe onder ogen te zien. Hoppe heeft intussen gezien dat zijn kinderen veel te snel verouderen en hij weet door welke genetische fout dit komt. Hij is vast van plan zijn experiment te herhalen en dan de gemaakte fouten te vermijden. Hij laat Rex Cremer het leslokaal van zijn kinderen zien. Rex mag ook de kinderen zien en die schrikt wel van de oude foetussen die hij als het ware onder ogen krijgt. De jongens vertellen hem dat vrouw Maenhout dood is en dat hun vader daarvoor verantwoordelijk is. Rex Cremer krijgt een onbestemd gevoel over wat er allemaal gebeurd is. Hij heeft er door zijn handelwijze waarschijnlijk zelfs aan bijgedragen.
In het dorp Wolfheim is wel enige rampspoed gekomen sinds de walnotenboom is omgehakt door Hoppe. In het dorp wordt er flink over gesproken: ook over de kinderen van de dokter die aan leukemie zouden lijden, denken de bewoners.

Op een middag wordt de dove Gunther Weber tijdens een partijtje voetbal op straat door een lijnbus aangereden en hij is op slag dood. De ouders zijn heel erg van slag en dokter Hoppe gaat op condoleance. Hij wil naar het dode lichaam kijken en zonder dat iemand het merkt, snijdt hij de teelballen van de dode jongen af en die neemt hij mee. Het eerste genetische materiaal is er weer. Tegen de ouders zegt hij dat hij hen te allen tijde wil helpen. Het duurt niet lang of Lothar Weber zoekt hulp voor zijn vrouw: ze is depressief en Hoppe geeft aan de verdrietige ouders aan dat ze eigenlijk een kind moeten nemen om over het verdriet heen te komen. Vrouw Weber vindt zich te oud en wil het eerst niet, maar als Hoppe haar dan een zoon voorspiegelt die niet doof zal zijn, wil ze wel meedoen in het experiment van de dokter. Die heeft natuurlijk al de teelballen van Gunther en hij belooft haar op 20 januari 1989 dat ze een jaar later een zoon zal krijgen. Hij moet dan wel proberen de genetische fout van de doofheid in het DNA-profiel van Gunther op te sporen en hij zet zich daarmee zelf onder een enorme tijdsdruk. Toch gaat hij het proberen.


Inmiddels heeft de Oostenrijkse vrouw die de draagmoeder van de drie engelenkinderen was, contact opgenomen met Rex Cremer en zij ontfutselt hem de woonplaats van Hoppe. Daarop vertrekt ze naar Wolfheim. Daar gedraagt ze zich voor de bewoners uiterst merkwaardig, omdat ze in ieder kind op straat haar eigen gekloonde kinderen ziet. Ze wordt voor krankzinnig versleten en het dorp kiest partij voor de dokter die de vrouw echter wel binnenlaat. Ze komt er al vrij snel achter dat één van de engelenkinderen Michael overleden is, maar op de lokale begraafplaats kan ze geen vers gedolven graf zien. Dat is toch wel vreemd.
De twee andere kinderen lijken min of meer aan hun lot overgelaten te worden door hun vader en in de kamer liggen ze in hun eigen drek en stank. De vrouw probeert hen nog wat op te kalefateren, maar Hoppe lijkt intussen al afscheid van V1, V2 en V3 te hebben genomen (zo noemt hij zijn drie klonen wetenschappelijk).

Intussen gaat ook het experiment met de bevruchting van Eva Weber in volle omvang door, maar Hoppe kan het genetische foutje voor de doofheid niet ontdekken en besluit dus de eicellen te bevruchten met foutief materiaal van de vrouw. Maar de eicellen sterven kort daarop in de kweekbakjes en dat brengt Hoppe opnieuw in de problemen. De vrouw die draagmoeder van de drie engelen was, neemt contact op met Cremer om hem van het gevaarlijke experiment dat Hoppe opnieuw wil uitvoeren op de hoogte te brengen. Maar een dorpsgenoot trekt de telefoonhoorn uit haar handen. Wanneer ze terugkeert naar het huis van de dokter, zijn ook de andere twee kinderen gestorven. Ze wordt woedend op Victor Hoppe en wil de kinderen zien. Dag mag van de dokter: hij heeft ze op formaline gezet en het zijn als het ware opnieuw foetussen geworden. Woedend pakt de vrouw een scalpel en haalt de zijde van Victor open. Enkele dagen is Hoppe niet meer in het dorp te zien en de bewoners zijn erg ongerust: zouden zijn kinderen aan het sterven zijn?

De priester gaat langs bij Hoppe om de ernstig zieke kinderen het Heilig Oliesel te geven, maar de dokter zegt dat het niet meer nodig is. De priester begrijpt het verkeerd, denkt dat de dokter zich weer tot God heeft bekeerd en er volgt nog een theologische discussie over God de Vader en Jezus de Zoon. Daarna vertrekt de priester weer. Lothar en Vera Weber laten op zondagmorgen 21 mei 1989 de embryo’s inbrengen, maar omdat de eicellen gestorven zijn en dokter Hoppe zijn wond in de zijde open gehouden heeft, wordt het voor de lezer duidelijk dat hij opnieuw eigen genetisch materiaal heeft gebruikt. Lothar Weber moet met zijn vrouw nog die dag de jaarlijkse bedevaart naar La Chapelle maken en hij mag dat jaar het vaandel dragen, omdat hij en zijn vrouw zoveel te verwerken hebben gekregen.

Rex Cremer komt door het telefoontje van de vrouw gewaarschuwd naar Wolfheim. Via het Drielandenpunt bereikt hij het dorp en hij gaat naar het huis van Hoppe. Die komt op dat moment naar buiten en beschuldigt hem naar analogie van het paasevangelie een verrader te zijn, die straks zal terugkeren met een bende, Jezus zal kussen en daarna zichzelf zal ophangen ( Judas verraadt Jezus in de Bijbel).
Daarna verdwijnt Hoppe en Cremer gaat naar het Drielandenpunt. Even lijkt het alsof hij inderdaad net als Judas zelfmoord zal plegen door van de in aanbouw zijnde Boudewijntoren af te springen , maar hij bedenkt zich en gaat terug naar Wolfheim naar het huis van de dokter…
Hij gaat op de stank en de vliegen af en ziet de drie lijken van de kinderen in de flessen met formaline en ook het lijk van de Oostenrijkse draagmoeder, die hem enkele dagen daarvoor heeft gebeld. Hij vindt dat hij zelf ook schuldig is aan de experimenten en besluit met behulp van de formaline die hij uitgiet het huis, de lijken en daarmee alle bewijzen van het klonen te verbranden.

Intussen is het hele dorp Wolfheim op bedevaart naar La Chapelle met Lothar Weber en de priester voorop. Ze werken diverse staties van de lijdensweg af, zoals dat al eerder in de roman beschreven is o.a. tijdens de tocht van de jonge Victor op school. Donkere wolken pakken zich boven de berg samen (paasevangelie). Als ze bij de statie van de kruisiging komen, zien de bewoners tot hun verbijstering dat op de plaats van Jezus het lijk van Victor Hoppe hangt. Hij heeft zichzelf aan het kruis gespijkerd (Was hij niet de Jezus die het goede met de mens voor heeft?). De lokale klusjesman had hem destijds het idee gegeven dat je je zelf zou kunnen kruisigen. "Alles wat onmogelijk lijkt, is misschien alleen maar moeilijk". Het is een afgrijselijk gezicht, want als de dorpsbewoners gearriveerd zijn, valt het lijk van de dokter door de zwaartekracht van het kruis. De gemeenschap denkt later dat de vreemde vrouw het huis in brand gestoken heeft en de feiten over de brand die daarna aan het licht komen, worden niet echt geloofd.

In het 12e hoofdstuk dat de functie van een epiloog heeft, vertelt een van de dorpsbewoners dat Rex Cremer die bewuste dag ook nog om het leven is gekomen, toen hij moest uitwijken voor een lijnbus en hij in een bouwput van de Boudewijntoren was gereden.

Een jaar later wordt in mei 1990 de nieuwe Boudewijntoren in Vaals geopend. Lothar en Vera Weber zijn van de partij met hun vier maanden oude zoontje, dat ze Izaak hebben genoemd. De gehoordetesten in het ziekenhuis hebben aangetoond dat het jongetje niet doof is. De operatie van de hazenlip is bovendien heel mooi geslaagd. Voor het dorp was de genetische afwijking heel aanvaardbaar geweest: Vera was immers zwanger toen ze de dode Hoppe aan het kruis had zien hangen en wilde het bijgeloof niet dat je door heel erg te schrikken tijdens je zwangerschap een hazenlip kon krijgen.

Recensies en waardering
De roman werd vrijwel unaniem zeer lovend ontvangen door de recensenten van de belangrijkste kwaliteitskranten.

'De engelenmaker is een kolkende roman. Carnavalesk, wrang, als was het een plaatje van de schilder James Ensor. (...) Stefan Brijs is er opnieuw in geslaagd sympathie op te roepen voor lelijkerds, mismaakten en slechteriken, kortom, voor foutjes van de natuur. Hij is de meester van het mededogen.'
Daniëlle Serdijn in Het Parool, 13-10-2005

'Als je op pagina 420 aan het einde van Brijs' krachttoer bent beland, realiseer je pas goed hoe veel deze roman overhoop heeft gehaald. Victor Hoppe blijkt niet zozeer een onderzoeker te zijn, maar vooral een proefpersoon in de grootse literaire proefopstelling van Brijs. (...) Je eindigt met een gevoel van diepe sympathie voor een man die je menselijkerwijs zou moeten classificeren als een gevaarlijke gek. (...) Uiteindelijk komt het geloof uit de hoek waar hij het het minst verwachtte, van de goeddeels irrationele en wispelturige dorpsgemeenschap. Die sluit de man die enkele jaren eerder nog voor de duivel werd gehouden, met liefde in de armen. Dat die dorpelingen dat op volslagen verkeerde gronden doen, dient alleen nog maar om de rijkdom van Brijs' geweldige roman te benadrukken.'

Arjen Fortuin in NRC-Handelsblad, 28-10-2005

'Fascinerend, beklemmend en angstaanjagend: kwalificaties die je zelden alle drie nodig hebt om een roman te typeren. Maar bij De engelenmaker van de Vlaamse schrijver Stefan Brijs dringen die woorden zich voortdurend op. De roman fascineert door zijn ingenieuze constructie, beklemt door het beperkte wereld- en mensbeeld van zijn hoofdpersoon en is angstaanjagend doordat je er niet aan ontkomt sympathie te voelen voor die eenzame en geniale gek. (...) Van welk aspect je ook uitgaat, steeds stel je vast dat De engelenmaker een geweldige prestatie is. Het is een uitstekend verteld verhaal dat lekker leest, dat je bij de lurven pakt en dat nog in je woelt en bezig is, lang nadat je de ruim vierhonderd bladzijden hebt gelezen. (...) De engelenmaker is een bijzonder knappe roman. Eindelijk ook weer eens honderd procent fictie en dat in een tijd waarin het therapeutisch verwerken van van alles en nog wat voor de meeste schrijvers eerder regel dan uitzondering blijkt te zijn geworden.'
Wim Vogel in Noord-Hollands Dagblad, 10-11-2005

'Een virtuoze roman (...) Wat er dan kan gebeuren wordt in Stefan Brijs' De engelenmaker met meesterhand uit de doeken gedaan. (...) Brijs beheerst het grote en het kleine in dit boek. (...) "Soms is wat onmogelijk lijkt, alleen maar moeilijk", is het motto van Doktor Victor Hoppe. Het is Stefan Brijs in De engelenmaker gelukt: een spannende roman schrijven over de gevaarlijke en aanlokkelijke mogelijkheden van het scheppen van leven.'
Clara Strijbosch in de Volkskrant, 11-11-2005

'Van bij de eerste bladzijden alludeert Brijs op de traditie van de realistische dorpsvertelling en op de thema's die onvervreemdbaar met dat genre zijn verbonden: roddel en bijgeloof, godsdienstwaanzin, angst voor het vreemde, erfelijke belasting, maar ook geborgenheid en verbondenheid. Achter de schermen van die realistisch verteltrant wordt echter op uiterst scherpe wijze het menselijke brein ontleed en wordt aangetoond hoe geloof en rationalisme kunnen samensmelten tot de meest waanzinnige en irreële wangestalten. (...) De engelenmaker is een complex boek waarin niets is zoals het lijkt. (...) Brijs heeft met dit boek zijn plaats onder de beloftevolle jonge Vlaamse romanciers definitief verdiend.'
Aldus Pieter Verstraeten in De Tijd, 12-11-2005

Lies Schut in “De Telegraaf” van 23 januari 2006:
"De Vlaming Stefan Brijs heeft iets met freaks, bezetenen, lelijkerds en verstotenen. Ook in zijn derde roman zoekt hij de grenzen van het afwijkende op. Zijn personages zijn niet doorsnee. Hun drijfveren zijn dat niet, hun godsbesef niet, noch de dorpsgemeenschap waarin ze wonen. Roddel en achterklap kleuren de verhoudingen, angst voor duivel en God houdt de bevolking in de greep. Door een steeds wisselend perspectief versterkt de auteur bovendien een gevoel van onafwendbaar onheil, wat De engelenmaker van begin tot eind fascinerend maakt. (...) Stefan Brijs smeedt zijn materiaal - een mengeling van omstreden hedendaagse, medische technieken en bijna middeleeuwse toestanden - om tot een doorwrocht verhaal waarin wetenschap en religie, roddel en bijgeloof, psychologie en suggestie belangrijke ingrediënten zijn. De engelenmaker leest als een thriller, maar doet die kwalificatie beslist te kort. Brijs toont zich een kenner van de menselijke geest en de dwalingen daarin, en is een begenadigd verhalenverteller bovendien. (...) De engelenmaker draait uiteindelijk om het fileren van een zieke geest. Dat gebeurt feilloos én met compassie, beide fraai gedoseerd."


Alleen de bekende recensent van Trouw, Jaap Goedegebuure, is op 5 november 2005 wat minder positief: 'Behalve genoemde verwikkelingen bevat dit boek nog veel meer elementen die het tot een volwaardige horrorroman maken. Maar in weerwil van de gruwelijke gebeurtenissen en de bloederige, soms weerzinwekkende details, is 'De engelenmaker' niet echt verontrustend. Dat heeft iets merkwaardigs, nu de klonen weldra onder ons zullen zijn.
Dat deze roman zo weinig effect sorteert, heeft alles van doen met de schatplichtigheid aan conventies die dankzij Hollywood tot het 'gesunkenes Kulturgut' zijn gaan behoren. Zelfs het onmiskenbare vakmanschap van Stefan Brijs, dat garant staat voor een hoge amusementswaarde, verandert daar niets aan.'


Over de schrijver
(Informatie van de website Stefan Brijs.)
Stefan Brijs werd geboren op 29 december 1969 in Genk (Belgisch-Limburg), waar hij ook jarenlang woonde en naar school ging. In 1990 studeerde hij af als onderwijzer en begon als opvoeder aan zijn vroegere middelbare school te werken. Van 1994 tot 1997 woonde hij in Zonhoven, daarna vestigde hij zich opnieuw in Genk, vlakbij het natuurreservaat De Maten.
Sinds 1999 schrijft Stefan Brijs voltijds – hij had op dat ogenblik drie boeken gepubliceerd en verscheidene essays en recensies geschreven voor de boekenbijlagen van De Morgen en De Standaard. Begin 2003 verruilde hij Genk voor Koningshooikt, een deelgemeente van Lier.

Andere werken
Stefan Brijs debuteerde bij de prestigieuze uitgeverij Atlas (Amsterdam) met "De verwording", een magisch-realistische roman die opviel door zijn barokke taal. Een recensent noemde hem toen 'een groot talent' en 'de hoop van de Vlaamse letteren'.
Na zijn debuut zwierf Brijs over Vlaamse begraafplaatsen, op zoek naar de resten van zijn literaire voorgangers, onder wie Gustaaf Vermeersch, Richard Minne, Maurice Gilliams en Karel van de Woestijne. Deze queesten beschreef hij in 'Kruistochten', dat in 1998 verscheen. Deze essays kregen een vervolg in de krant De Standaard, waarvoor hij De vergeethoek maakte, een serie literaire portretten van vergeten Vlaamse schrijvers die in maart 2003 werden gebundeld.
In 2000 verscheen 'Arend', een aangrijpende roman over een misvormde jongen, die op zoek is naar zichzelf, naar begrip en naar liefde en ervan droomt om ooit te kunnen vliegen. Het boek kreeg zowel in Vlaanderen als in Nederland veel lof toegezwaaid. In Het Belang van Limburg werd het 'een sterke en ontroerende roman' genoemd, in Knack 'een literaire prestatie die er mag zijn'. De Volkskrant had het over 'een wonderschone roman' en HP/De Tijd over 'een nieuwe literaire sensatie'.
In de zomer van 2001 was er de publicatie van "Villa Keetje Tippel", die veel stof deed opwaaien. In deze monografie wordt de geschiedenis verteld van de schrijfster Neel Doff en haar (intussen gesloopte) villa in Genk, die zij van 1908 tot 1939 elke zomer betrok en die haar inspireerde tot verscheidene werken. Tegelijk verwerkte Stefan Brijs in dit boek ook de geschiedenis van zijn eigen geboorte- en woonplaats Genk, een schilderachtig boerendorpje in de Kempen dat in honderd jaar tijd uitgroeide tot het industriële kunsthart van Belgisch-Limburg.
In de winter van 2001 verscheen "Twee levens", een novelle die net als Arend in Vlaanderen en Nederland erg positief werd ontvangen. De Morgen had het over 'een beklemmend kerstavondrelaas', in het Parool werd de novelle aangeprezen als 'een overtuigend verhaal', 'Heel mooi' en het Algemeen Dagblad schreef dat het 'een pracht van een kerstnovelle' was.

In oktober 2005 verscheen zijn nieuwe roman: "De engelenmaker".
Momenteel werkt Stefan Brijs in opdracht van de stad Turnhout en het Cultuurcentum De Warande aan een boek over de schrijvers van Turnhout, onder wie Renier Snieders, Eugeen Edward Stroobant, Jozef Simons en Ward Hermans.

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.

Why I This BOOK

Robin over De engelenmaker

Hoge waardering

Kees van der Pol zeker weten goedZeker Weten Goed
Kees van der Pol Docent8.3
Elise 4e klas vwo7.6
Maarten 7.6
Nicole 5e klas vwo7.3
anoniem6e klas vwo7.7
Meer verslagen ›

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

4822
 

reacties

 
He ik heb op internet gezien dat je een aantal goede verslagen op het net hebt staan! zou je er misschien een paar naar mij kunnen sturen? groeten twan
door Twan (reageren) op 15 juni 2006 om 17:39
Ik vind het heerlijk dat u deze verslagen op internet zet. ik ben nu tweede jaars nederlands en heb al veel aan u gehad! ik kwam vorig jaar toevallig een verslag van u tegen en was blij, omdat de verslagen normaal van leerlingen zijn. u heeft mij dus al aardig wat keren geholpen!!
door Manouk (reageren) op 1 november 2006 om 13:22
Super goed boekverslag! Ik kreeg gelijk een heel goed beeld van het boek en wil het dan ook gelijk lezen(ik zal wel moeten, aangezien ik het moet lezen voor mijn literatuurlijst). Maar de deadline is maandag voor het inleveren van leesverslagen, mijn vraag is dus: lagen in die scène dat de oostenrijkse vrouw de kamer binnenkomt 2 weg te rotten en die michael is dus spoorloos? of ligt die daar ergens dood? M.v.g. Eise
door eise moonen (reageren) op 4 januari 2008 om 21:06
U probeert uwzelf intelligent uit te drukken, maar het overdreven taalgebruik komt eerder komisch over. Als docent zou u uw gedachtes juist duidelijk moeten kunnen overbrengen op het publiek waarvoor dit verslag is bestemd.
door Tina Boudewijns (reageren) op 15 februari 2008 om 12:51
Heel erg goed bruikbaar! Heb er veel aan gehad! Dankss
door Iris (reageren) op 3 juni 2008 om 10:17
Met mijn leesclub ga ik 'De Engelenmaker' bespreken en ik ben erg blij met deze analyse en samenvatting. Mijn complimenten voor de heldere uiteenzetting en voor de interpretatie van bijbelverhalen, symboliek en motieven. Prima! Mijn dag is weer goed.
door Pauline (reageren) op 5 september 2008 om 12:17
Hoi Kees, ik vind uw boekverslagen erg goed en ik heb er al zeer veel aan gehad. Ik vroeg me af of u ook ooit een boekverslag van De donkere kamer van Damocles heeft gemaakt. Zou u mij dit willen laten weten? Alvast bedankt en groeten
door Martin (reageren) op 12 januari 2009 om 20:10
Er staat een fout in het artikel over "De engelenmaker" van Stephan Brijs. Bij de titelverklaring wordt er een verband met de aartsengelen gelegd, maar er is nog een andere verklaring. Een engelenmaker is namelijk ook een benaming uit de voorbije eeuwen voor een dokter die abortus pleegde bij meisjes waar de kinderen niet gewenst waren. Dit rekeninghoudend met de anonimieteit van deze (ex-)moeders.
door Stephanie (reageren) op 11 maart 2009 om 16:39
In het boekverslag staat dat de rector van het gymnasium hem feliciteert, maar ook condoleert. En het daarna met Victor over een mogelijke studie heeft. Volgens mij is het de rector van de artsenopleiding die het later met Victor over promoveren in één van de drie vakgebieden heeft. mvg, Renate
door Renate (reageren) op 14 januari 2010 om 20:22
de engelenmaker heeft na mij mening toch wel een motto wat vrij duidelijk naar voren komt de zin: Soms is wat onmogelijk lijkt, alleen maar moeilijk
door sanne (reageren) op 24 januari 2010 om 17:19
'De beheerder van de uitkijktoren komt kort daarna het gebroken zwaard van Michaël terugbrengen en de dokter is niet zo blij met het feit dat ze naar Vaals is geweest." Volgens mij klopt dit niet. Erna word namelijk gezegd dat hij alleen het zwaard terug wilde geven, maar dat ze onaardige dingen had gezegd. Er word verder niets gezegd over wat hij ervan vind. Gr, Phanuel
door Phanuel (reageren) op 10 januari 2011 om 13:24
Eerlijk gezegd vind ik dit helemaal geen goed boekverslag. De samenvatting bevat taalfouten, het verhaal klopt op sommige punten niet, en het taalgebruik is te overdreven en bevat veel te veel verwijzingen om een duidelijk verhaal te vormen. Als 6 vwo-er heb ik hier niets aan, en ik raad andere lezers aan dit stuk kritisch te bekijken alvorens het te gebruiken.
door Anna (reageren) op 25 januari 2011 om 16:01
Ik ben het eens met anne. Wat een boel irrelevante informatie om slim over te komen. " Rex mag ook de kinderen zien en die schrikt wel van de oude foetussen die hij als het ware onder ogen krijgt." Is een (van de vele zinnen) in de tekst die echt nergens op slaat.
door Auke van T. (reageren) op 25 januari 2011 om 16:08
dit boekverslag is erg duidelijk. het is natuurlijk wel de bedoeling dat een boekverslag op internet alleen voor aanvulling bedoeld is en dus is het beter het boek eerst te lezen. dan is het verslag hier makkelijker te begrijpen en heb je er veel aan bedankt!
door Maureen (reageren) op 5 november 2011 om 16:30
@ sanne De Engelenmaker heeft géén motto. Een motto is namelijk een kort stukje tekst, vaak een citaat uit een literair werk, de bijbel of een ander boek, dat voorin het boek staat. Het motto is van toepassing op het boek en verwijst vaak naar de thematiek van een boek.
door Henk (reageren) op 26 februari 2012 om 20:59
superverslag! duidelijk gemaakt door een docent. heb het boek gelezen en hoewel ik veel motieven, thema's etc zelf al doorhad, heb ik er ook nog veel uit dit verslag kunnen halen!
door Casper (reageren) op 18 maart 2012 om 13:37
De tekst 'Soms is wat onmogelijk lijkt, alleen maar moeilijk.' is géén motto. Ten eerste, het staat op de achterkant van het boek. Een motto staat eigenlijk altijd voorin het boek en verwijst naar de thematiek. Dit is een zin die wel degelijk met het boek te maken heeft, echter niet met de thematiek.
door Maurits (reageren) op 28 maart 2012 om 12:09
Een prima verslag voor een uitstekend boek. Ideaal boek ook voor lange discussies lijkt me: Wanneer wordt het wetenschappelijke streven naar vooruitgang een misdaad tegen de menselijkheid? En wie bepaalt dat? Op welke gronden?
door Rode Muur (reageren) op 8 februari 2013 om 10:56
Awsome
door Tha_Bomb Is_Awsome (reageren) op 20 februari 2014 om 12:02