Maarten 't Hart

1979

413

Nederlands

bovenbouw havo/vwo

2 uit 5

6.2 / 10
5e klas havo
  • Karen
  • NL
  • 3728 woorden
  • 6993 keer
    11 deze maand
  • 21 oktober 2001
Het onderwerp;
Het is mij duidelijk waar het onderwerp over gaat. Het gaat over de dood. Het is best een origineel boek. Er wordt het beroep grafmaker beschreven. Dat is een niet zo vaak voorkomend beroep. Ik denk ook nooit na over de dood. Het kan me weinig schelen. Mijn mening over de dood is niet door het boek veranderd. Deze mensen zijn heel gelovig en dat spreekt me al helemaal niet aan. Het boek heeft me ook niet aan het denken gezet.


De gebeurtenissen;

De gebeurtenissen geven meer de nadruk op de gevoelens van de hoofdpersoon (ook tevens de schrijver). Hij is best somber en hij weet niet goed of hij zijn mond wel moet houden tegen zijn vader over dat die vader dood gaat. Er zitten geen gebeurtenissen in. Het gaat alleen over de gevoelens van de hoofdpersoon. Ik vind het wel een rommelig boek want ik weet nu nog niet of al die onbelangrijke gebeurtenissen nou flashbacks waren of nu gebeurde. Er komen best wel dramatische en goed vertelde stukken in voor. Hij vertelt de dingen heel goed alleen soms zo gruwelijk langdradig en dan gaat hij heel lang door over iets heel onbelangrijks. De gebeurtenissen zijn zeer geloofwaardig en de rol van het toeval is helemaal niet groot. Het is wel een beetje een waargebeurd verhaal dus ik geloof het best wel. Het boek was helemaal niet boeiend. Zoals ik al heb gezegd is de schrijver heel langdradig en vooral over dingen die niet belangrijk zijn. Als ik het las, viel ik ook echt bijna in slaap.

De bouw;
Het verhaal is heel ingewikkeld opgebouwd. Ik weet nu nog niet bij enkele hoofdstukken of hij het nou over nu of over vroeger heeft. De op bouw is onbegrijpelijk en de tijd verloopt niet zoals in de werkelijkheid want er zijn geloof ik af en toe flashbacks. Dat is nodig om te laten merken hoe fijn hij het vroeger met zijn vader had ondanks hij vaak door zijn vader werd geslagen.


De personages;
De personages gingen niet voor mij leven want ze waren zo gelovig. Dat kan ik gewoon niet geloven. Die kenden de hele bijbel uit hun hoofd. Dat kan toch niet?? En zo’n mensen ben ik ook nog nooit tegen gekomen en dus weet ik ook niet hoe dat soort mensen doen. Wat er in het boek gebeurde maken niet veel mensen mee. Ik heb dat ook nog nooit meegemaakt dat je vader grafmaker is en wat hij allemaal moet doen. Ik raakte dus ook niet betrokken bij het verhaal. Ook niet van het feit dat hij ook voor zijn vader moest verbergen dat zijn vader dood ging. Ik kan niet begrijpen dat je dat kunt verbergen. Een hele rare beslissing en ik vind ook niet dat dat hoort zo. De hoofdpersoon reageert best voorspelbaar. Hij vond het heel moeilijk om te begrijpen wat de dood nou is. Daar kon ik mij best in verplaatsen. Maar dat gezeur over dat geloof erbij vond ik raar en dat kon ik niet begrijpen. Geen één personage heeft mij beïnvloedt. Ik heb mijn eigen mening en ik waai niet met alle winden mee. Ik vond de vader wel lachen. Hij had leuke opmerkingen en hij was altijd heel nors. Dat vond ik heel grappig.

Het taalgebruik;
Ik vond het taalgebruik helemaal niet moeilijk. Het verhaal bevatte heel veel vooral langdradige beschrijvingen. Gelukkig was het boek niet zo met van die zweverige woorden geschreven. Er komen heel veel gedachtes in voor van de hoofdpersoon zoals ik al zei. Het verhaal bevat dus niet zo heel erg veel dialoog. Maar toch redelijk wat.

A VOORWERK:

1. Titelbeschrijving;

Maarten ’t Hart
De aanprekers
Roman van vader en zoon
Uitgeverij de arbeiderspers, Amsterdam 1988, 21ste druk

2. Uiterlijke beschrijving;

De aansprekers heeft 202 pagina’s. Het boek heeft 12 redelijk lange hoofdstukken. Zij zijn niet genummerd maar hebben wel titels. Het motto is:
Soms kun je eenzaam wandelen op straat
En naar de lucht zien en de stille daken
Het lijkt of je de wolken aankunt raken
En even is het of je echt bestaat
En of er nooit een ogenblik zal komen
Waarop je stiller zijn zult dan in je slaap
Maar vogels strijken op de daken neer
En om de hoek verschijnt een oude man
De kaft is zwart met groen en ik vind het echt net als de dood.

B SAMENVATTING:

De hoofdpersoon is de schrijver zelf: Maarten ’t Hart. In dit boek heeft hij een leeftijd van 19 jaar. Zijn vader Pau is grafmaker. Dat is een apart beroep. Pau heeft al 30 jaar lang last van zijn maag. Eindelijk krijgt hij in het voorjaar van 1973 dus een operatie. Hij voelt zich daarna erg goed. Maar Maarten was echter heel ongerust. Zijn grootvader had het ook al heel lang aan zijn maag en op het einde van het liedje bleek hij kanker te hebben en daar is zijn grootvader ook aan dood gegaan. Nu was Maarten natuurlijk ook bang dat zijn vader dat ook zou hebben. Dus had hij een afspraak met de dokter gemaakt en de dokter vertelde dat Pau ook een gezwel heeft wat ze helaas niet weg konden halen. Hij zou nog hooguit een half jaar te leven hebben. Maar het ging zo ongelooflijk goed met hem, dat ze hadden besloten om het niet te zeggen tegen hem want misschien zou hij dan wel instorten en hij voelde zich nu net zo goed.
Pau herstelde zich snel. Hij ging alweer snel werken op het kerkhof. Maarten besefte plotseling dat het misschien wel eens de laatste lente zou kunnen zijn dat hij zijn vader op het kerkhof zag werken, dus ging hij de dag na de uitslag naar het kerkhof. Er kwam meteen een man naar hem toe gelopen. Hij vertelde dat hij deze zomer dood wilde gaan. En hij wilde Maarten de plek aanwijzen waar hij kwam te liggen. Hij waarschuwde Maarten voor de grafmaker want die had het niet op hem (niet wetende dat hij met de zoon van de grafmaker te maken had). Pau dat zag, kwam hij heel boos naar buiten en jaagde de man weg. Hij kwam daar blijkbaar heel vaak om alle mensen te laten zien waar hij kwam te liggen als hij dood was.
Pau was niet alleen, hij was samen met zijn baas meneer Quaavers. De chef vertelde Pau wat hij moest doen. Hij moest de hele derde klas ontruimen en Maarten hielp hem daarbij.
Maarten kon maar moeilijk met het geheim leven en hij werd net als zijn vader boosaardig. Zelfs zijn vriendin Hanneke merkte het. Maar hij mocht niks zeggen. Hanneke vond maar dat hij op vakantie moest. Hij wilde het liefst weer op vakantie naat Zwitserland. En zo gingen ze daar samen heen. Daar aangekomen, kregen ze de sleutel van het huisje en een klein meisje met rode haren wees hen de weg. Ze kwamen in een veel te klein huisje. De deuren waren veel te laag en zo ook het plafond. De eerste nacht had Maarten een droom. Hij droomde dat hij zijn vader tussen klaprozen zag lopen. Hij stond zelf op een dijk. Zijn vader wilde naar hem toekomen maar hoe hard hij ook liep, hij kwam geen meter dichterbij. Dat vond hij zo beangstigend, die machteloosheid. Ook was hij op vakantie naar de Italiaanse grens geweest. Dat deed hem in één keer denken aan oudejaarsavond van 1962. Maarten liep toen over de kade en dacht aan wat zijn vader die avond had gezegd. Pau vertelde over een man die op het kerkhof kwam. Hij vroeg: “Meneer de Aanspreker mag ik u wat vragen?” Maar Pau zei dat hij geen aanspreker was. Toch wilde die man iets aan hem vragen. Hij zei dat hij het nieuwe jaar niet meer in wilde en hij wilde weten waar hij zou komen liggen als hij zich die avond nog van kant zou maken. Pau zei dat hij dat vanavond niet moest doen wat anders zou Pau op nieuwjaarsdag in de vroege morgen een gat moeten gaan graven en de grond was kei en keihard. Vader zei dat hij maar moest wachten totdat de vorst uit de grond was, want dan kon hij tenminste een goed gat graven. Maarten was nu bang dat hij deze man tegen zou komen. Toen zag hij voetsporen die naar het water leidde. Ze hielden op bij het water. Maarten dacht dat de voetsporen van die man waren. Hier dacht hier dacht hij dus aan. Nog verder in zijn vakantie in Zwitserland, stond hij bij een rivier. Hij was niet de enige. Verderop zag hij nog heel veel mensen. Hij zag ook een helicopter. De helicopter bleef even stilhangen boven de rivier en toen haalde hij een mens uit het water. Hij was al dood en Maarten dacht dat het de man was die in zijn dorp in het water was gelopen.
Weer terug in zijn dorp, ging Maarten weer naar zijn vader. Pau moest nu een graf gaan ontruimen. Maarten wilde dat eigenlijk wel heel graag meemaken en wilde meehelpen. Maar dat wilde pau niet. Want soms blijven er nog resten mens achter. Vooral als het een eiken of grenen kist was want die verteren niet zo goed. Maar Maarten stond erop en zijn vader keurde het goed. Ze kregen ook hulp van Ai van Leeuwen. Ai was er ook niet zo mee eens dat Maarten mee ging. Het was eengrote klus om de steen van zijn plaats te krijgen. Eindelijk hadden ze de steen eraf. Ze zagen niks liggen, dachten ze. Pau zag iets liggen. Hij raapte het op en legde het in de handen van Maarten. Die schrok zich helemaal dood en trok helemaal wit weg. Het was een menselijk rood bot met hier en daar nog wat vochtig en onder het bloed.

Op drie oktober wilde Maarten uit zijn woonplaats Leiden zijn want er was een plaatselijke feestdag. Dus ging hij naar zijn ouders in Maasluis. Hij wilde naar zijn vader op het kerkhof en meehelpen de bladeren van het kerkhof af te vegen. Hij snapte niet goed waarom hij dat nu eigenlijk persé wilde. In één keer wist hij het. Hij wilde zijn vader vertellen wat eraan de hand is met hem! Hij kon er niet meer tegen.
Er kwam een man bij de vader van Maarten. Het was een begrafenisondernemer. Hij wilde Pau onder 4 ogen spreken. Hij kwam vragen of pau de zerken van iemand uit Schiedam voortaan wilde adviseren. Maar dat wilde pau niet. Hij was veel te tevreden over van Leeuwen.

Maarten dacht wel eens na over de dood. Het eerste wat hem te binnen schiet is pissende paarden. Van toen zijn buurman overleed. Hel lang geleden toen hij nog maar 6 jaar was. Hij dacht toen even heel diep naar waar zijn buurman was. Hij wist nu dat hij bij God was. Als 6-jarig jongetje liep hij ergens rond en ieder mens die hij tegen kwam dacht hij dat het God was. Hij was onderweg naar het tuintje van Pau. Onderweg kwam hij boer Berend tegen en hij mocht meerijden op zijn koets tot aan de tuintjes van zijn vader.

Toen werd Maarten opgebeld dat hij naar het ziekenhuis moest komen want zijn vader lag in het ziekenhuis met spoed. Hij was met meneer Quaavers in het baarhuisjes waar hij in elkaar zakte. Hij was dat wel bij bewustzijn.
Bij aankomst in het ziekenhuis, moest Maarten even wachten op de gang want zijn toestand was nu niet zo kritiek, maar hij moest daar blijven omdat de toestand ook kon verslechteren. Hij vertelde ook aan zijn moeder van het gezwel in zijn maag. Om 6 uur mocht Maarten bij hem. Het ging best goed.
Maarten was degen die in het ziekenhuis mocht blijven slapen. Midden in de nacht werd hij wakker gemaakt want het ging heel slecht met Pau. Hij ging erheen en zijn vader lag in zijn bed. Hij kwam de hele tijd omhoog en het leek alsof hij ergens voor weg wilde en toen zakte hij weer terug in zijn kussen en was dood.

C. ANALYSE EN INTERPRETATIE

Titel.

Een aanspreker was een in het zwart geklede man die langs huizen ging om te vertellen dat een familielid was gestorven.
In deze roman komen veel aankondigingen van de dood voor:

Motto.
Soms kun je eenzaam wandelen op straat
En naar de lucht zien en de stille daken
Het lijkt of je de wolken aankunt raken
En even is het of je echt bestaat
En of er nooit een ogenblik zal komen
Waarop je stiller zijn zult dan in je slaap
Maar vogels strijken op de daken neer
En om de hoek verschijnt een oude man
Dit gedicht is door Maarten ’t Hart zelf geschreven. Maar dat staat er niet bij. ‘waarop je stiller zult zijn dan in slaap’ stelt de dood voor, en in ‘om de hoek verschijnt een oude man’. Dit zijn ook aankondigingen van de dood.


Genre.
Ik vind het een beetje een psychologische roman. Ik vind het nogal een zwaar onderwerp, de dood. Dat is echt iets psychologisch.

Idee, Thema, Motieven.
Het centrale probleem in dit boek is dat de vader van de hoofdpersoon ongeneeslijk ziek is en nog maar een half jaar te leven heeft. Alleen de hoofdpersoon weet dit en hij mag dit ook niet tegen zijn vader of iemand anders zeggen.
Het idee achter dit verhaal is de gedachte over de dood. En dat het altijd heel zwaar is voor iedereen, ook al sta je er in het dagelijks leven toch heel dichtbij zoals in dit boek waarbij die vader dus grafmaker is.
Motieven:
De dood keert telkens terug en de gedachtes van Maarten dat hij best bang is dat zijn vader dood gaat.
Het beroep van zijn vader dus ook.
En de gedachtes over God

Opbouw, structuur, spanning.
Het verhaal zit vol met flashbacks. Het is helemaal geen spannend boek. Ik kan eigenlijk het hele verhaal in drie zinnen weergeven: De vader van de hoofdpersoon is ongeneeslijk ziek, maar dat weet alleen de hoofdpersoon. De hoofdpersoon denkt bij alles wat hij doet en ziet aan de dood van zijn vader en hij heeft het er moeilijk mee dat hij er met niemand over kan praten want hij is de enige die weet dat zijn vader over een half jaar dood is.
Op het eind van het boek gaat die vader dood.
Die dingen die de hoofdpersoon Maarten meemaakt, zijn heel onbelangrijk, maar ze laten alleen zien dat op die momenten Maarten dus denkt aan de dood van zijn vader. Daarom zit er dus geen spanning in.

Personages.

Maarten ’t Hart (type)
Karakter:
Hij is heel gelovig en denk nu veel na over de dood. Hij zit er wel heel erg mee dat hij voor zich mot houden dat zijn vader dood gaat.
Innerlijke veranderingen:
Eerst wilde hij niks vertellen tegen zijn vader dat hij ziek was. Hij wilde zich aan de belofte houden van de dokter. Maar het wordt voor hem steeds moeilijker.
Onderlinge verhoudingen:
Vroeger toen hij klein was, werd hij vaak geslagen door zijn vader. Maar nu is de verhouding heel erg goed. Vooral omdat hij weet dat zijn vader dood gaat. Nu wil hij zoveel mogelijk van zijn aanwezigheid genieten.
Met Hanneke heeft hij een liefdesrelatie en die ging eerst iets minder omdat hij ook een beetje agressief werd van wat er met zijn vader gaat gebeuren.
Uiterlijk:
Er komt niet in voor over hoe hij eruit ziet.
leeftijd:
Hij is in dit boek 19 jaar.
Beroep / bezigheden:
Medeschappelijk medewerker op het zoologische laboratorium van de universiteit van Leiden. En in het boek helpt hij zijn vader heel vaak mee. Hij is bezig met zijn vader zoveel mogelijk te zien. Omdat zijn binnenkort dood gaat. En verder maakt hij zich heel veel zorgen. Hij komt bij mij echt over als een heel diep nadenkend wanhopig gestresst mannetje.

Pau ’t Hart (type)
Innerlijke veranderingen:
Eerst was hij bang dat hij net als zijn vader zou overlijden aan kanker. Na de operatie ging het heel goed. Hij voelde zich gezonder dan ooit!
Onderlinge verhoudingen:
De verhoudingen tussen zijn zoon gaat nu heel goed.
Uiterlijk:
Er komt niet in voor over hoe hij eruit ziet.
leeftijd:
Hij is in dit boek 56 jaar..
Beroep / bezigheden:
Grafmaker.
Hij is altijd op het kerkhof. En verzorgt daar de graven.

Meneer Quaavers (Flat character)
Onderlinge verhoudingen:
Het is de baas van Pau.
Uiterlijk:
Er komt niet in voor over hoe hij eruit ziet.
leeftijd:
Komt er niet in voor.
Beroep/ bezigheden:
Het is de chef van Pau.

Meneer die deze zomer dood dacht te gaan (Flat character)
Onderlinge verhoudingen:
Hij kon het heel slecht vinden met Pau. Omdat hij van het kerkhof een showroom maakt. Hij laat aan iedere voorbijkomende zien waar hij komt te liggen. Zo ook aan Maarten.
Beroep / Bezigheden:
Mensen laten zien waar hij komt te liggen als hij dood gaat.

Hanneke (Flat character)
Onderlinge verhoudingen:
Het was de verloofde van Maarten. De vader van Maarten mocht haar niet zo omdat ze niet zo gelovig was als hen (rassist).
Beroep / bezigheden:
Niet bekend.

Meneer die dood wilde (Flat character)
Onderlinge verhoudingen:
Niet duidelijk. Hij komt alleen vragen waar hij komt te liggen als hij zich nu van kant maakt.
Beroep / Bezigheden:
Hij was bezig een eind aan zijn leven te maken wat hij dan ook had gedaan. Maar dan niet voor ht nieuwe jaar maar een paar maanden daarna.

Begrafenisondernemer (Flat Character)
Onderlinge verhoudingen:
Niet bekend. Pau vond het niet leuk dat hij kwam aanbieden of Pau voor iemand anders reclame wilde maken.
Beroep / bezigheden:
Begrafenisondernemer.

Tijd.
Het verhaal speelt zich af in de jaren ’70. Om precies te zijn vanaf december ’72 tot 4 december 1973.
De verhaaltijd is dus een jaar. Het heeft een continu tijdsverloop. Het boek heeft 202 bladzijdes dus volgens het literair boek heeft het een verteltijd van 5 uur. Maar ik lees echt geen 40 bladzijdes in een uur! En vooral in dit boek waarbij de schrijver af en toe zo langdradig gaan vertellen. En er gebeurt ook niks spannends, dus het lezen in dit boek is heel saai.
De verteltijd is langer dan de verhaaltijd want hij beschrijft alles heel uitvoerig en langdradig en zoveel vertelt hij niet. Het is in een chronologische volgorde geschreven maar er zitten wel een aantal flashbacks in. De hoofdpersoon weet net zo min hoe het afloopt als de lezer. Dus een vision par derrière.

Perspectief en vertelstiuatie.
Het verhaal is geschreven in een ik-vertelsituatie.

Ruimte.

Het speelt zich in het begin even een het ziekenhuis af. Daarna op het kerkhof. Ook een keer in Zwitserland in het Binntal en daarna weer in het ziekenhuis.

Taalgebruik en stijl.
Het is best wel eenvoudig taalgebruik. Al wordt het wel zwaar en serieus verteld. Maar dat is normaal bij zo’n onderwerp. Het is ook overdadig en gevoelig en zeer breedvoerig, zelfs iets te overdreven. Het is beschouwend, spreektaalachtig, veel beschrijvingen, niet zo heel veel dialoog, maar wat er was, was op een natuurlijke manier. Er zaten soms best grappige stukken in. Dat waren dan altijd uitspraken van zijn vader. Dat komt omdat de uitspraken vooral niet cliché. De zinnen waren niet zo lang. Er zaten wel veel herhalingen in, want op een gegeven moment wist ik het wel hoor, dat het moeilijk was om voor je te houden dat je vader dood gaat. Het heeft wel een persoonlijke verteltrant en is gelukkig niet in een ouderwetse taal.

A ACHTERGRONDEN VAN DE SCHRIJVER

Maarten ‘t Hart werd op 25 november 1944 geboren als oudste zoon in een gereformeerd gezin in Maassluis.
Zijn vader werkte eerst in de tuinderij en werd later grafmaker voor de gemeente en beheerder van de plaatselijk kerkhof.

Maarten had een zusje en een broertje.
Na de lagere school op aandringen van ’t hoofd van de school is hij naar de HBS van het Groen van Prinstererlyceum in Vlaardingen gegaan.
Mede om aan militaire dienst te ontkomen ging Maarten in 1962 biologie studeren in Leiden.
In 1968 studeerde hij af en was hij inmiddels getrouwd met Hanneke van der Muyzenberg.
Maarten was gespecialiseerd in de ethologie: dat is het bestuderen van het gedrag van dieren.
In 1970 werd hij medeschappelijk medewerker op het zoologische laboratorium van de universiteit van Leiden.
Hij is toch in militaire dienst geweest en die bracht hij door op het TNO in Rijswijk. Tijdens zijn vrije uren in diensttijd heeft hij zijn eerste roman geschreven die hij vervolgens instuurde voor de Reina Prinsen Geerlingsprijs. Hij krijgt hiervoor een eervolle vermelding en 2 uitgevers zijn in hem geïnteresseerd geraakt en zo debuteert hij in 1971 met Stenen voor een ransuil. Onder pseudoniem Martin Hart.
Deze roman en het vervolg daarop ‘Ik had een wapenbroeder’ werden zo slecht verkocht dat zijn vriend en collega-schrijver Maarten Biesheuvel hem aanspoorde om zich op het autobiografische genre te richten.
In 1975 komt het vrome volk op de markt en een jaar later werd die roman bekroond met de Multatuliprijs.
Maarten krijgt veel naamsbekendheid met artikelen in Vrij Nederland en het NRC.
Vanaf 1977 gebruikt hij voor zijn werk zijn echte naam.
In 1978 ‘Een vlucht regenwulpen’: doorbraak groot publiek: 100.000 exemplaren in 1 jaar
Vijf jaar hiervoor is zijn vader overleden en daar schrijft Maarten ’t Hart een roman over de Aansprekers. “ik wilde mijn vader terughebben zoals hij was, zoals hij praatte, zoals hij handelde.”
1987: op aandrang van collega’s gaf hij zijn baan aan universiteit op en werd fulltime huisman en schrijver.
Op het boekenbal van 1991 ging ’t Hart als vrouw verkleedt: hij noemde zichzelf Maartje ’t Hart.
1993: ‘Het woeden der gehele wereld’. Deze roman werd een jaar later bekroond met de Gouden Strop. Dit is een jaarlijkse prijs voor de beste misdaadroman in Nederland. Hij heeft met dit boek ook de Zweedse Gouden Strop gekregen voor best vertaalde misdaadroman.
In najaar 1993: debuut als tv-presentator: van een litteraire talkshow.
1997: boekenweekthema= mijn God. Daarvoor heeft hij een bundel geschreven: ‘Wie God vertaald heeft niets te vrezen.’

B. ACHTERGRONDEN VAN HET BOEK

Dit is een autobiografie. En het gaat over de dood. Dus helemaal geen verband met zijn andere boeken denk ik want ik ken geen andere boeken van hem. Ik heb alleen wel eens gehoord waar sommige boeken over gingen en die gingen allemaal niet over de dood van zijn vader. Het heeft ook geen verband met boeken van schrijvers uit zijn stroming, want wie vertelt er nou zo uitvoerig over de dood? En wie beschrijft er nou dit beroep: grafmaker? Dit boek is geschreven in de jaren ’70, dus net na alle opstand van de jongeren mensen en de hippy tijd. Daarom zal er wel gewoon over gesproken worden. In de jaren ’70 kon je voortaan overal over praten.
Hij heeft een biografie geschreven omdat hij geld wilde verdienen en dat ging niet zo goed met gewone boeken. Daarom probeerde hij het eens met een autobiografie. En dat lukte beter.

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.

Hoge waardering

anoniem7.9
anoniem6e klas vwo7.4
H N 5e klas havo7.2
Wesley 5e klas vwo7.4
Elyse 5e klas havo9.0
Meer verslagen ›

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

8338
 

reacties

 
hoi het was een leuk verslag en erg goed bruikbaar.
door joost navis (reageren) op 6 mei 2002 om 16:20