Scholieren.com maakt gebruik van cookies

Scholieren.com gebruikt cookies onder andere om de website te analyseren en te verbeteren, voor social media en om er voor te zorgen dat je voor jou relevante advertenties te zien krijgt. Je geeft, door gebruik te blijven maken van deze website of door op 'cookies zijn ok!' te drukken, aan akkoord te zijn met het gebruik van cookies op Scholieren.com. Meer weten over deze cookies, klik dan hier.

Cookie-instellingen wijzigen

Functioneel Noodzakelijk voor het functioneren van de website (vereist)
Statistieken Voor analyse doeleinden om de website te verbeteren (vereist)
Social media Voor het laten functioneren van like buttons
Advertenties Om bij te houden welke advertenties je al hebt gezien en hoe vaak

Scholieren.com zoekt: scholieren met fotografietalent  en schrijftalent en 'n afgestudeerde (volwassen) webdeveloper

Hoofdstuk 1 t/m8 (Kunst op Niveau)

Kunstgeschiedenis

Antwoorden

 
7.7 / 10
226 stemmen van bezoekers
  • rie
  • NL
  • 3034 woorden
  • 34636 keer
    55 deze maand
  • 28 januari 2004

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.

Kunst op Niveau

Griekse Kunst

Wat is architraafbouw?
Er is sprake van architraafbouw als dragende, horizontale elementen (muren, balken of zuilen) gedragen worden.

Wat was het grote nadeel van de architraafbouw?
Je kunt maar één beperkte ruimte overkappen, anders buigt de architraaf door of de staande, dragende elementen verhinderen de doorgang.

Teken een Dorische, Ionische en Korintische zuil.
zie boek afb. 5 blz. 9

Teken een timpaan, fries, triglief, architraaf en kapiteel.
zie boek afb. 5 blz. 9

In dienst waarvan stond de Griekse beeldhouwkunst? Noem drie voorbeelden.
In dienst van de religie en tempeldienst, bijvoorbeeld: de kourosbeelden die als tempelversiering dienst deden, de beelden van sportfiguren dienden als dankbewijs aan de goden voor de geleverde prestatie, de afbeeldingen van goden en halfgoden dienden als eerbewijs van de Griekse goden.


Bekijk de afbeeldingen 10, 11 en 13. Geef bij elk beeld aan:
* de naam van de periode wanneer ze gemaakt zijn
* de jaartallen die bij de periode horen
* de kenmerken van de beelden uit die periode
Afbeelding 10: * archaïsche periode
* 800 - 500 v. Chr.
* gestileerde mannen- (kouros) en vrouwenfiguren (kore) zijn frontaal
weergegeven, stramme houding, starende ogen en bevroren glimlach.

Afbeelding 11: * klassieke periode
* 500 - 300 v. Chr.
* anatomie (perfecte vormen en ideale verhoudingen), soepelere
houding (contrapost) voorbeeld: gestrekt been waar het lichaam op
rust en een licht gebogen been dat losjes neergezet wordt.

Afbeelding 13: * hellenistische periode
* 300 - 30 v. Chr.
* De mensfiguren zijn realistischer en verfijnder uitgebeeld.
De houding is ingewikkeld, beweeglijk en dramatisch.
De gezichten en gebaren drukken emotie en strijd uit.
Anatomie: spieren en botten zijn zeer gedetailleerd weergegeven.

Wat is contrapost?
Een gestrekt been waar het lichaam op rust en een licht gebogen been dat losjes neergezet wordt. (zie afb. 11)


Noem drie onderwerpen die geliefd waren in de klassieke Griekse beeldhouwkunst.
Sportfiguren, goden of halfgoden, gewone mannen en vrouwen.

Wat is kenmerkend voor de vormgeving van het beeld op afb. 10?
Frontaal weergegeven, stramme houding, starende ogen, gestileerde vormen.

Van de oude Griekse schilderkunst is weinig overgebleven. Op welke voorwerpen werden toch schilderingen aangetroffen?
Vazen, potten en schalen.

Hoe wordt de vaas op afb. 7 genoemd? Waar werd hij voor gebruikt?
Amfora, om olie in te bewaren en voor de sier.

Romeinse Kunst

Noem drie verschillen tussen een Griekse en een Romeinse tempel.
Griekse tempel: geen podium (wel brede trappen), zuilen meteen op de grond, vrijstaande zuilen, architraafbouw, geen voorportaal.
Romeinse tempel: hoog podium, zuilen op voetstuk, halfzuilen, behalve architraafbouw ook gewelfbouw, soms voorportaal.

Noem vijf voorbeelden van de oude Romeinse burgerlijke bouwkunst.
Aquaduct, triomfboog, (amfi)theater, tempel, waterleidingen, toiletten, villa’s, thermen, basilica, erezuilen.

De Grieken hebben andere opvattingen over architectuur dan de Romeinen. Wat is het verschil tussen hun opvattingen?
De Grieken legden meer de nadruk op de schoonheid van hun architectuur, terwijl de Romeinen uitgingen van de functie van de gebouwen die zij ontwierpen.

Op afb. 3 en 4 zijn drie verschillende soorten gewelven afgebeeld. Noem er twee.
Tongewelf en koepelgewelf.

De Romeinen pasten ook nog een derde type gewelf toe: het kruisgewelf (afb. 3, onderste tekening). Leg uit dat het kruisgewelf uit het gewelf dat erboven is afgebeeld, ontstaan is.
Het kruisgewelf bestaat eigenlijk uit twee tongewelven die elkaar snijden.

Hoe kwamen de Romeinen aan zoveel goden?
De goden die de door hen overwonnen volken dienden of aanbaden, lijfden ze bij hun eigen goden in. Zo nam het aantal goden steeds meer toe.

De tekening hiernaast stelt een plattegrond van een tempel voor.
Is het een Griekse of Romeinse tempel? Waaraan zie je dat?
Romeinse tempel, aan het rechthoekige voorportaal en de ronde vorm van het gedeelte daarachter. De absides zijn de halfronde en rechthoekige nissen in de cirkelvormige ruimte.

Wat was de betekenis van de opening boven in de koepel van het Pantheon?
Het symboliseerde het directe contact met de hemel: je keek door de grote opening zo naar de hemel boven je.

Noem twee kenmerken van de Romeinse schilderkunst.
Levensechte portretten en stillevens in huizen, vloermozaïeken.

Noem drie verschillende terreinen waarop de Romeinse schilderkunst is toegepast.
Op sarcofagen, muurschilderingen in huizen, vloermozaïeken

Hoe noem je het monument op afb. 14? Wat kun je over het reliëf op dit monument vertellen? Welke functie had de Romeinse beeldhouwkunst?
Overwinningszuil. De heldendaden van de veldheer voor wie de zuil gemaakt was, zijn in de vorm van een stripverhaal afgebeeld. Het stripverhaal ‘slingert’ als het ware om de zuil heen. De beeldhouwkunst diende vooral tot eer en ter herinnering aan belangrijke hoogwaardigheidsbekleders: o.a. veldheren en keizers.

Vroegchristelijke Kunst

Waar is de grondvorm van de vroegchristelijke basiliek van afgeleid (zie afb. 4)?
Van de Romeinse basilica

Waar staat de zetel van de bisschop? Waarom is dat een logische plaats? En in welk opzicht is dat een symbolische plaats?
Op een centrale plaats: in de abside. Omdat de centrale plaats die de keizer of rechter (die de rechterlijke macht vertegenwoordigden) in de basilica innam, nu wordt ingenomen door de bisschop die de goddelijke macht vertegenwoordigt. De centrale positie van de bisschop symboliseert de centrale plaats van Gods Woord en het goddelijk gezag van de bisschop.

Noem drie kenmerken van de vroegchristelijke basiliek. Welke twee verschillende soorten plattegronden zijn in de vroegchristelijke basiliek toegepast?
Rechthoekige ruimte, abside (met altaar en crypt) als afsluiting, breed middenschip, twee smalle zijbeuken, zadeldak op middenbeuk, lessenaarsdak op zijbeuken, beuken gescheiden door zuilen met bogen, boven arcaden zijn rondboogvensters aangebracht. Centraalbouw en basilica.

Noem drie kenmerken van de vroegchristelijke beeldhouwkunst (zie afb. 8)?
Sobere vormgeving, gestileerd, onpersoonlijk, niet-realistisch, bijbelse/ religieuze/ symbolische voorstellingen.

Leg uit waarom de vroegchristelijke beeldhouwkunst symbolisch is.
De vroegchristelijke beeldhouwer verwees door middel van de bijbelse voorstellingen naar de geestelijke betekenis van deze verhalen. Realistische uitbeelding was niet zijn doel, omdat dan het gevaar van afgoderij ontstond.

Byzantijnse Kunst

Leg uit hoe de Byzantijnse cultuur vanuit de vroegchristelijke cultuur ontstaan is.
Na de val van het West-Romeinse Rijk (476) werd het centrum van de kunst verplaatst naar Byzantium, de hoofdstad van het Oost-Romeinse Rijk.

Noem drie verschillende plattegrondvormen van de Byzantijnse kerken.
Grieks kruis, vierkant, regelmatige vierhoek, cirkelvorm.

Wat is een icoon?
Een houten paneeltje met de afbeelding van een heilig of goddelijk persoon.

Noem drie verschillende plattegrondvormen van de Byzantijnse centraalbouw.
Grieks kruis, vierkant en cirkel.

Vergelijk de afb. 1, 2 en 3 met elkaar. Neem de plattegrond op af. 2 in hoofdlijnen over en geef met een pijltje aan waar de fotograaf van afb. 1 vermoedelijk heeft gestaan.
Vermoedelijk rechts van de plattegrond op afb. 2, helemaal onderaan.

Bekijk afb. 3. Leg uit hoe de druk van de enorme koepel opgevangen wordt.
De druk van de koepel wordt in eerste instantie opgevangen door de muren waar de koepel op rust. Op hun beurt geven ze de druk weer door aan de lager liggende koepel om de grote centrale koepel heen.

Noem vier terreinen waarop de Byzantijnse schilderkunst is toegepast.
Fresco’s, mozaïeken, icoon, miniaturen.

Wat is de functie van de Byzantijnse beeldhouwkunst?
Versierende, decoratieve functie.

Karolingische Kunst

Verklaar de naam ‘Karolingisch’. Noem de juiste jaartallen die bij de Karolingische kunst behoren.
Karolingisch is afgeleid van Karel (de Grote), die de eerste door de paus gekroonde keizer was en zich als opvolger van de Romeinse christenkeizers beschouwde. 800-900.

Hoe is de Karolingische kunst ontstaan?
Karel de Grote stimuleerde de culturele ontwikkelingen in zijn rijk door scholen, kerken en kloosters te stichten en kunstenaars, schrijvers en dichters opdrachten te verstrekken.

Licht het verschil tussen de Karolingische en Romaanse kunst toe aan de hand van de begrippen ‘hofkunst’ en ‘kloosterkunst’.
Doordat de Karolingische kunst gestimuleerd werd door het hof en de opdrachten vanuit het hof verstrekt werden, is hier duidelijk sprake van een hofkunst. Het grote verschil met de Romaanse kunst is, dat deze kunst juist in en vanuit de kloosters tot stand kwam.

Welke twee soorten plattegronden komen vooral in de Karolingische bouwkunst voor?
Basiliek en centraalbouw.

Deze afbeelding is een doorsnede van een Karolingische kapel. Noem twee verschillen met de vroegchristelijke basiliek.
Het koepelvormige dak in plaats van lessenaarsdak, meer geledingen en ramen in de muren van de Karolingische kapel dan in de muren van vroegchristelijke basiliek.

Op welke drie verschillende terreinen is de Karolingische beeldhouwkunst toegepast?
Als decoratie van de kerken, op boekbanden, op gebruiksvoorwerpen.

Wat is kenmerkend voor de vormgeving van de Karolingische schilderkunst (zie afb. 2)?
Levensechte, expressieve mensfiguren, zware contourlijnen, weergave van plooien en ruimte tamelijk plat.

Wat is een manuscript?
Een handgeschreven tekst.

Wat is opvallend aan de vormgeving van de mensfiguur in de Karolingische kunst?
Ze maken een levensechte indruk.

Romaanse Kunst

In welke periode was er sprake van Romaanse kunst?
900-1150

Welke plattegrondvorm werd vooral in Noord-Europa toegepast voor de Romaanse basiliek?
Latijns kruis.

Waar is de Romaanse basiliek van afgeleid?
Afgeleid van de Romeinse basilica.

Schrijf minstens vijf kenmerken op van de Romaanse basiliek (afb. 3).
Een Latijns kruis als grondplan, verhoogde middenbeuk met lagere zijbeuken, dwarsschip, afsluitende absides met straalkapellen, op de viering een hoofdaltaar en kruisingsgewelven, tongewelf.

Wat stelt het middelste gedeelte (de mensfiguur met dieren van afb. 9) voor?
Christus en de vier evangelisten.

Waarom zijn de muren van Romaanse kerken zo dik en hebben ze zo weinig ramen?
Om het enorme gewicht van het gemetselde tongewelf te kunnen dragen.

Verklaar waarom men zo’n gigantische hoeveelheid (straal)kapellen aan de Romaanse kerken toevoegde.
Om een plaats te bieden aan de steeds grotere hoeveelheid pelgrims en gelovigen die de grote hoeveelheid relikwieën en altaren als gevolg van de toegenomen heiligenverering wilde aanbidden.

Noem twee kenmerken van de vormgeving van de Romaanse schilderkunst.
Zware contouren en platte kleurvlakken zonder veel plasticiteit.

Wat zijn attributen in de Romaanse schilderkunst? Noem een voorbeeld.
Attributen zijn kenmerkende symbolen waarmee bepaalde personen worden afgebeeld.

Wie stellen de figuren op afb. 8 voor?
Christus en een aantal heiligen (apostelen).

Hoe heten de afbeeldingen in het handschrift op afb. 7?
Miniaturen.

Gotiek

Noem de juiste jaartallen van de gotiek.
1100-1400

Wat zijn de vier belangrijkste kenmerken van de gotische bouwstijl?
De combinatie van kruisribgewelven, spitsbogen, luchtbogen en steunberen.

Verklaar aan de hand van afb. 3 hoe het komt dat de muren van een gotische kathedraal geen dragende functie hebben en daarom heel open kunnen zijn.

Het gewicht van het dak wordt opgevangen door de kruisribgewelven en spitsbogen, die de druk via luchtbogen afvoeren naar de steunberen.

Licht het principe van de gotische kathedralen toe aan de hand van het begrip ‘skeletbouw’.
Het skelet van een gotische kathedraal bestaat uit de combinatie van kruisribgewelven, spitsbogen, luchtbogen en steunberen. Dit skelet draagt het hele gebouw. De muren worden er als een soort beschermend vlies tegenaan gebouwd.

Wat zijn de twee grote voordelen van skeletbouw?
Je kunt hiermee grote ruimtes overkappen en de muren heel licht en transparant houden.

Uit welke drie onderdelen bestaan de binnenwanden van het middenschip van een gotische kathedraal?
Arcade, triforium en lichtbeuk.

Teken een vereenvoudigde plattegrond van een gotische kathedraal met een middenschip, twee zijbeuken, en driebeukige transept, een koor met kooromgang en straalkapellen om het koor heen.
Zie afb. 5, minus de twee extra zijbeuken om het koor heen.

De onderwerpkeuze in de hooggotische schilderkunst is anders dan tijdens het begin van de gotiek. Geef twee verschillen aan.
Tijdens de hooggotiek worden ook profane onderwerpen gekozen, de natuur speelt een nadrukkelijker rol in de hooggotische schilderkunst, er is meer aandacht voor het portretten van eigentijdse modellen.

Noem twee manieren waarop de gebroeders Van Limburg diepte in hun getijdenboek suggereerden (afb. 9).
Door middel van perspectief, grote vormen vooraan en kleine vormen achterin het schilderij, door vergrijzing van kleur naar achteren toe, door vervaging van de vormen en texturen.

De perspectief van afb. 8 klopt niet. Noem twee onderdelen van het schilderij waaruit dat blijkt.
De lijnen van de schouw rechts in het tafereel komen niet in het verdwijnpunt van het plafond uit, de lijnen van de raampjes en de consoles waar het plafond op rust komen niet in het verdwijnpunt van het plafond uit, het tafeltje klapt omhoog, de lijnen van de bank waar Maria op zit komen niet in het verdwijnpunt van het plafond uit.

Leg uit wat het betekent dat het kleurgebruik in afb. 8 symbolisch is.
De blauwe kleur van het gewaad van de engel symboliseert de hemelse afkomst van deze troongeest, de witte doek die vlak onder het plafond hangt, symboliseert de onschuld en maagdelijkheid van Maria, de rode kleur van Maria’s gewaad wijst op lijden en liefde.

De schilderkunst stond tot aan 1300 in dienst van de kerk. Op welke wijze heeft de ‘wereldse’ portretschilderkunst (vanaf ± 1350) zich uit deze religieuze kunst ontwikkeld?
Aanvankelijk werden alleen heilige, bijbelse personen en hun portretten afgebeeld. Langzamerhand werden ook de opdrachtgevers in de heilige taferelen opgenomen. Daarna kregen de opdrachtgevers een steeds belangrijkere plaats in de schilderijen en werden de verwijzingen naar religieuze personen steeds onbeduidender, totdat de profane portretten de religieuze personen geheel verdrongen.


Noem een voordeel van de olieverf ten opzichte van eitempera, de verf die men tot dan toe gebruikte.
De verf blijft lang nat en daardoor kun je nog heel lang correcties aanbrengen en de verf van kleur veranderen door nat in nat te schilderen.

Noem drie verschillende schildertechnieken die tijdens de gotiek werden toegepast.
Eitempera, olieverf en glasschilderkunst.

Hoe noem je de beelden aan weerszijden van de portaaldeuren op afb. 13?
Colonnetfiguren.

Neem de omtrek van de plattegrond op afb. 5 in grote lijnen over. Geef met een pijltje in de plattegrond aan waar de beelden op afb. 13 staan.
Helemaal onderaan de plattegrond in het midden.

Waardoor ontstaat plasticiteit in de kleding op afb. 15? Hoe heeft de maker dat technisch weten te realiseren?
Door de diepe plooien donker af te beelden en de naar voren komende gedeeltes licht te maken.
Door gebruik te maken van hachures: een soort splitje met verschillende kleuren, een kleurverloop, waardoor kleuren in elkaar overlopen.

Wie is de persoon met het zwaard in de mond op afb. 16?
Christus

Noem twee kenmerken van de vormgeving van deze persoon waaraan je dat kunt zien.
Aan de nimbus (ronde vorm om zijn hoofd heen) en aan het rode kruis in de nimbus.
Renaissance

Noem de juiste jaartallen van de Renaissance.
1400-1530

Wat hield de Renaissance in.


Welke veranderingen vonden omstreeks 1400 op godsdienstig, cultureel en maatschappelijk gebied plaats? Beschrijf voor elk van de genoemde gebieden de veranderingen die plaatsvonden.
Gods gebied: het christelijk geloof en de kerk verloren terrein. Wetenschap, mondigheid en humaniteit namen een steeds grotere plaats in.
Cultureel gebied: herontdekking en bestudering van de klassieken.
Maatschappelijk gebied: burgers worden rijker en invloedrijker door handel. De adel en de geestelijkheid verloren terrein.

Verklaar de naam ‘Renaissance’. Wat betekent de naam en waarin was men geïnteresseerd?
Renaissance = ‘wedergeboorte’. Het houdt een opleving of hernieuwde belangstelling voor de klassieken en opbloei van de diverse wetenschappen in.

Waarom is het gemakkelijk te verklaren dat de bakermat van de Renaissance in Italië lag?
Doordat daar talrijke kunstschatten van de klassieken aanwezig waren, in verband met het feit dat daar het centrum van de (West-) Romeinse Rijk lag en door de goede contacten met Byzantium.

Noem twee uitgangspunten die aan de perfecte maten en verhoudingen van de klassieke tempels ten grondslag lagen en door de Renaissancearchitecten weer ontdekt werden.
Modulus en gulden snede

Vergelijk afb. 5 met afb. 6. Welk gebouw hoort bij de vroegrenaissance en welk bij de hoogrenaissance? Licht je antwoord toe met argumenten.
Afb. 5: vroegrenaissance, want het zijn gesloten muuroppervlakken, horizontale geledingen, verfijning van de materialen en vormen naar boven toe.

Welke twee soorten onderwerpen zijn in de Renaissanceschilderkunst vooral geliefd?
Mythologische voorstellingen, bijbelse onderwerpen en portretten van profane mensen.

Veel renaissanceschilderijen willen de mensen iets leren. Dat was voor de renaissance ook het geval. Wat is echter het grote verschil tussen de boodschap van de renaissanceschilderijen en die van de schilderijen voor de renaissance?

Renaissance schilders brengen niet alleen geloofswaardigheden en deugden tot uitdrukking, maar willen ook laten zien dat ze op de hoogte zijn van klassieke mythologie en hun vak perfect beheersen.

Verklaar aan de hand van afb. 9 wat atmosferisch perspectief is.
De kleuren helemaal in de verte en in de lucht zijn blauwer en grijzer aan de kleuren van de figuren op de voorgrond.

Leg aan de hand van afb. 11 uit wat een allegorie is.
Een aantal samenhangende symbolen die met elkaar een verhaal weergeven.

Noem twee kenmerken van de vormgeving van de renaissanceschilderkunst.
Perspectief, kleur symboliek, harmonie, symmetrie, atmosferisch perspectief.

Noem een verschil tussen de vroegrenaissance- en de hoogrenaissanceschilderkunst.
Vroegrenaissance: stijvere figuren, onnatuurlijke houdingen en situaties, weinig/ geen emoties
en persoonlijke expressie.
Hoogrenaissance: emotie uiten, persoonlijkheidskenmerken, plastische uitbeeldingswijze,
beweeglijker, dynamischer.

Welke conclusie kun je trekken uit het feit dat de schilders tijdens de Renaissance voor het eerst hun werk signeerden?
Dat ze zich meer bewust waren van hun individualiteit en status als kunstenaar.

Waarom hadden de renaissancebeeldhouwers een voorkeur voor naakte of schaars geklede mensfiguren?
Zo konden ze hun kennis van anatomie tonen.

Vergelijk afb. 13 met afb. 14. Welk beeldhouwwerk hoort bij de vroegrenaissance en welk bij de hoogrenaissance? Licht je antwoord toe met argumenten.
Afb. 13: vroegrenaissance frontaal weergegeven, stijf figuur, glas, emotieloos.
Afb. 14: 3-d, plastisch (veel plooien), aandacht voor anatomie, dynamische houding.

Door welke periode in de Griekse kunst is de beeldhouwer van afb. 14 geïnspireerd?
Hellenisme

Welke schilder/ beeldhouwer is erg beroemd geworden tijdens de Renaissance?
Michelangelo, da Vincie

Welke twee materialen worden in de renaissancebeeldhouwkunst vooral toegepast?
Marmer en brons.

 

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

 

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

1111
 

reacties

 
wel een goede site! ik heb er mijn hele werkstuk van afgehaald -xxx- anne
door anne jansen (reageren) op 18 maart 2011 om 21:18
ik heb een heel ander boek. dus ik vind t jammer dat ik hier maar 1 op de 5 antwoorden kan vinden.
door Chiema Kuypers (reageren) op 22 maart 2012 om 20:08